De vraag, de plek, de vrijheid

 

(preek gehouden tijdens de Pride-dienst op 4 augustus 2019 in de Keizersgrachtkerk

schriftlezing: Johannes 4)

 

Ik wist heel goed hoe het bij mij zat

Dat wist ik al sinds Waldolala

Het voor zijn tijd opwindende televisieprogramma

Jaren zeventig, ik was elf. Twaalf misschien.

 

Dat er veel blote vrouwen te zien waren

Daar had iedereen het over

 

Maar ik

Ik vond het niet zo veel

 

Mijn moeder liep ook wel eens bloot, tenslotte

 

Nee, mannen!
die moesten ze maar eens laten zien

 

Dat leek mij nou opwindend.

 

Maar toen ik dat op het schoolplein zei

Tegen de jongens die daar met hoog omslaande stemmen

Tegen elkaar stonden te roepen bijna

 

Viel het gesprek stil

Er was maar één zinnetje nodig

 

eentje

 

Een met neus ophalen uitgesproken:
Gatver, je bent toch geen homo?

 

En ik voelde me beschaamd

Vies

Raar

 

Gemáákt

 

Ik begreep: dit zeg ik dus nooit meer.

 

**

 

Wie nu precies die vrouw is

Bij de put

 

Weten we niet

 

We horen haar náám niet eens

 

We horen alleen dit:

Ze heeft vijf mannen gehad

En de man die ze nu heeft is haar man niet

 

Zes mannen

Daar raken wij niet meer erg van overstuur

 

Maar voor haar

In haar leven

Is het blijkbaar een issue

 

Een verzwegen issue

 

Iets wat brandt in haar

 

En gesuggereerd wordt

Door Johannes, de schrijver

 

De mensen in de stad

Moeten haar daarom niet

 

Gatver

Jij toch niet

 

Elkaar schaamte aandoen

doodt

 

Je kijkt wel gauw uit

Om je te melden

 

En het gekke is:

Je voelt haarfijn aan

Wanneer je je mond moet houden

 

Je ziet de blikken

Je voelt het oordeel

 

Je wéét wanneer je de hand van je vriend moet loslaten

Wanneer je beter niet kunt zeggen dat je transvrouw bent

 

Beter jezelf beschadigen

Dan dat anderen het doen.

 

***

Ik weet niet , waarom Jezus vraagt

Haal je man eens

 

Ik weet wel

Dat hij met die vraag

Al het zwijgen doorbreekt

En aan de vrouw het leven terug geeft dat haar ontnomen was

 

Soms zijn er van die intuïties

Dat iemand, zonder misschien zelf te weten

Precies

 

Die ene vraag stelt

Die jou uit elke beklemming bevrijdt

 

Bij mij was het de lerares wiskunde

Zij zei op een hele gewone woensdagmorgen

Na de les

 

Als je dat wilt, kun je altijd bij mij komen om te praten

Dat weet je he

 

Dat wist ik

Maar ik durfde niet

 

Ik vond school onveilig

Ik was bang voor de gevolgen

 

Het is een wonder

Dat de vrouw

Rustig

Tegen

 

Jezus zegt

 

Ik heb geen man

 

En het is een wonder

Dat Jezus háár dan weer antwoordt

 

Ja, dat is zo.

 

Geen enkel oordeel

 

Alleen aanvaarding

 

Ja, dit ben jij.

 

***

Wat heb ik er naar verlangd

Dat iemand dat zou zeggen

Jij bent homo en dat is okej

Jij bent jij

 

En wat was ik er bang voor

Dat iemand mij de vrijheid terug zou geven

 

Wat was ik bang voor wie ik worden zou

 

Wat was het een gevecht

 

Verlangen

Willen

Niet willen

Bang zijn

Klem

**

 

Vanouds

Waren het de cafés

 

Met hun humor

Hun ruimte voor verdriet

Hun gekkigheid

En hun liefde

 

Waar dit alles tegen elkaar gezegd werd

 

Je wilt wel

Je durft niet

 

Je kunt wel

Al denk je van niet

 

Waar men de moed kreeg

En de ruimte

 

Om te zeggen

Maar ook om te proeven

En te doen

 

Wie men was

 

Café Het Mandje op de Zeedijk

Of vandaag Club Church

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder trots hervond

 

Afgenomen trots terug pakte

 

Begreep: er is niets om mij voor te schamen

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder de kracht terug kreeg

Om zich niet in een hoek te laten drukken

 

En zich nooit meer in een hoek te laten drukken

 

Nooit meer een stap terug

 

Wat is gezegd

Kan niet meer worden ontzegd

 

Dit zijn wij

Hier zijn wij

 

En jij zal mij niet meer krenken

Trots.

Je zou willen dat de kerk

Ook zo’n plek was

 

Hier ben ik.

 

Is de naam van God

Notabene

 

En dat de kerk

Bij monde van haar dienaren

Zou zeggen

 

Ja,

Hier ben jij.

Welkom in de mensenfamilie

 

Er zijn kerken

Waar dit zo is

 

Uiteindelijk vroeg een predikant aan mij:

Wat wil jij nu eigenlijk?

 

En ik riep uit

 

Ik wil dat er van mij gehouden word

En ik wil van iemand houden

 

Ik wil van een man houden

Ik wil mijn verlangens volgen

 

En de predikant antwoordde

 

Ja, dat is wat je wilt

 

Die dag draaide

Mijn leven om

 

Ik ging naar buiten

 

En ik zou

Vanaf die dag zeggen

 

Als er naar werd gevraagd

Zeggen

 

Ja, ik ben homo

Heb je er iets op tegen?

 

Jouw probleem.

 

Het zou nooit meer worden: mijn probleem

Het is niet mijn probleem

De liefde is de grootste gave in ons leven

Het mooiste

Het ontroerendste

 

***

De vrouw rent terug naar de stad

 

Ik voel met haar mee

Wat een feest van vrijheid

Zij in zich voelt

 

Ze stormt de stad binnen

En zegt

 

Ik heb iemand ontmoet

En die heeft

Gezegd

 

wie ik ben

 

Zou Hij niet de messias zijn?

De heelmaker?

 

De genezer?

 

En de mensen luisterden naar haar

Ze luisterden

Naar

Haar.

.

 

*

 

Eindelijk was zij geworden

Wie zij is

 

En geen mens neemt haar dat meer af.

 

Niemand

Ooit.

 

Ik wens de kerk toe

Genoeg kan lachen

 

Ik wens de kerk toe

Dat zij genoeg van tranen weet

 

En genoeg van liefde

 

Om te begrijpen

Te aanvaarden

Te omarmen:

 

This is me

Yes this is you

 

This is my life

Yes this is your life

 

**

 

Als de kerk die plek niet kan zijn

Of niet wil zijn

 

Dan gaan wij maar beter naar de kroeg

Daar worden tenminste

 

De echt slechte grappen verteld

 

amen

 

 

Advertenties

Elizabethsknuffel

Ik heb hem gezien, de knuffel van Elisabeth!
Lucas schrijft er zo ontroerend over. In zijn evangelie. Hij tekent Maria in haar haast om over de bergen te komen. Ze is zwanger, Maria. Ze is nauwelijks veertien, vijftien jaar. Een kind. Een meisje. Zwanger.

En geen vader bekend.

Al vanaf het allereerste moment wordt er over haar gezegd: zal wel een slet geweest zijn. Ze zal wel met de soldaten meegegaan zijn. Ze zal haar geld wel horizontaal verdiend hebben. Ze zal.

Het is niet moeilijk om vrouwen te vernederen.

Vernederen is nooit moeilijk. Je ziet iemand die anders is dan jij en je barst in een spottende lach uit. Je dolt wat. Je zeikt de ander af. Jij bent de held. De ander voelt zich vies. Ongewenst. Niet de moeite waard.

Bergen zijn niet alleen maar verheffingen in het landschap.

Maria haast zich. Naar Elisabeth. Ook zíj is in zwanger. Maar geen veertien meer. Eerder zestig. Zij weet van spot. Hoe je iemand kan afbreken. “Moet dat nog, op háár leeftijd?” “Dóen zij het dan nog?”

Wie heeft toch ooit vastgelegd, dat gepest moet worden wie van de norm afwijkt? Wie bepaalt de norm eigenlijk?

Elisabeth ziet Maria aankomen. En zegent haar. Elisabeth zegent Maria: jij bent de meest gezegende vrouw onder alle vrouwen, zegt ze. Een zegen van Abraham geeft ze door. Aan hem werd gezegd: jij bent de gezegende onder de volkeren. Elisabeth omarmt Maria en Maria groéit. Wordt Maria. Al zóu zij met een soldaat gevreeën hebben: zij is een gezegende vrouw. “En”  vervolgt Elisabeth kordaat: “Gezegend is de vrucht van je schoot!” Dat je niet dacht dat er reden tot schaamte zou zijn. Jij zult een prachtige moeder worden van een prachtig kind.

Dit weekend verscheen de Nashvilleverklaring. Honderd dominees (allemaal man, allemaal in een zwart pak, stel ik mij voor) ondertekenden een verklaring waarin zij nog maar eens uitdrukten dat zíj de norm zijn. Norm van mannelijkheid. En dat zij dus ook wel even de norm van vrouwelijkheid kunnen bepalen. Hun seksualiteit is hoe het hoort: één man en één vrouw. Wij verklaren, zeggen ze veertien keer. Wij verklaren dat iedereen die normaal is bij God hoort. En wij wijzen af dat iedereen die eigenaardig, anders, vreemd, scheef, krom, raar of typisch is óók bij God zou horen.

Het is niet moeilijk om mensen te vernederen.

Mensen eren. Verhogen. Doen stralen. Dat is de kunst.

Ik heb hem gezien, die Elisabethsknuffel. In de indringende serie van Margriet van der Linden. “How to be gay”. Een Syrisch journalist, vluchteling, vertelt hoe hij is gemarteld. “Omdat ik homoseksueel ben”.  Ze (mannen, zwarte jurken) hadden het op zijn computer ontdekt. Margriet was stil. Ze keken uit over een heet en kaal Libanees landschap. Een vliegtuig vloog over. “Ik heb al zo vaak gedroomd dat ik er in zou zitten.”, zei de journalist. Ogen verscholen achter een zonnebril. “Dat je in dat vliegtuig zou zitten?”, vraagt Margriet. De man begint te huilen. Margriet doet een stap naar hem toe. Ze slaat haar arm om hem heen. Samen kijken ze het vliegtuig na. Hoop, een klein beetje hoop wordt geboren.

Zo. En nu denk ik dat ik erg aan een groepshug toe ben.

God kleineert niet. God maakt groot.

Dat zong Maria al.

De kerk, de vijandige wereld.

 

Wilma Vermaat.

De naam dook op in een woordpuzzel. En ineens stond die gelovige vrouw, zij leefde van 1873 tot 1967, mij weer voor ogen. Schrijver was ze, van christelijke romans. Ze schuwde het woord God in haar werk niet en ze leefde daarbij vroom en strikt. Zo gaat de anekdote dat in de Tweede Wereldoorlog nazi’s aan haar deur klopten en op eisende toon vroegen of zij onderduikers in huis had. Ze wilde geen onwaarheid doen en zei heel naïef: “ja”.  De nazi’s dachten dat zij hen voor de gek hield en liepen door. Haar huis werd niet doorzocht.

In de jaren tien van de vorige eeuw, raakte zij bevriend met Willem de Merode, schoolmeester en dichter in Uithuizermeeden. De Merode had, in de beschrijving van die tijd, een fatale affectie opgevat voor één van zijn leerlingen. De leerling was minderjarig, èn man. Ik vermoed zomaar dat het tweede zwaarder woog dan het eerste. De Merode werd ontslagen en zat in Groningen een gevangenisstraf van acht maanden uit. Hij zou nooit meer terugkeren in het onderwijs, zelfs het openbare leven was voor hem onmogelijk geworden. Over homoseksualiteit sprak je òf niet, òf veroordelend. De Merode werd veroordeeld.

Maar niet door Wilma. Zij pakte de pen op en schreef het boek “Gods gevangene”. Daarin portretteert zij een homoseksuele onderwijzer. Ze laat zien dat de man geen perverseling is, dat hij niet ziek is,  niet verachtelijk is, maar wel een man die tot liefde in staat is.

In diezelfde jaren woonde er in de straat van mijn moeder een alleenstaande man. Die werd steevast Mietje genoemd. “En toen hij eens van een keldertrap gleed, was dat maanden de grootste grap”, vertelde mijn moeder: “kinderen riepen hem na “Mietje is van de trap gevallen! Mietje is van de trap gevallen.” Dat was de sfeer.

En die doorbrak zij. Ook al begreep zij het zo, dat een relatie voor haar onderwijzer niet mogelijk was. Die grens was hem, dacht zij, door God opgelegd. De Merode zal het zelf ook zo hebben geloofd.

Van de kerk en haar leden bestaat het beeld: altijd tegen homo’s geweest en nooit anders dan dat. De werkelijkheid is, zoals zo vaak, kleurrijker en gevarieerder. In de regressieve cultuur – die wàs er, binnen en buiten de kerk- stonden steeds mensen op die een andere toon aansloegen. Die deuren open deden. Die de mens zagen achter het etiket.

In de jaren vijftig hield Trimbos korte lezingen voor de K.R.O.-microfoon. Het boekje dat hij daarvan maakte “De homofiele naaste” ligt hier nog ergens. Het zijn moedige toespraken. Waarin hij de mensen bij de naam noemde. En onderwees: zij zijn niet gek. En dat in een tijd, waarin je als ambtenaar een onderzoek aan de broek kreeg bij het vermoeden van homofilie en een daaropvolgend ontslag.

Alje Klamer, pastor bij de IKON schreef begin jaren zestig: “Ook al hebben uw ei­gen ouders, uw kerk, uw vrienden u afge­we­zen, ook al zwijgen ze u dood, God aanvaardt u zoals u bent. Laat u niet wijsmaken, dat de Bijbel tegen u is. Dank God voor de liefde, die u als homoseksueel kunt beleven en mag beleven.” Hij had het pad van “je mag het wel zijn, maar niet doen” al lang verlaten.

Het zijn deze enkelingen die geschiedenis schrijven. En wat zij hebben open gemaakt, sluit niemand meer.

De kerk, een vijandige wereld? Het is maar welk verhaal je vertelt.

 

Oh ja, de kerk

 

Het woord “kerk” is een blikopener. Het trekt het dekseltje van een pak vol narigheid. Kerk staat voor benepenheid, voor zwarte kousen, voor misbruik, voor gewetensbeperking, voor arrogantie, voor discriminatie, de kerk staat zéker voor slecht zingen. Ik begrijp wel, dat de kerk onderaan bungelt als het om het vertrouwen van Nederlanders in instituties gaat. Ze heeft het er zelf naar gemaakt.

En toch ben ik er – nog altijd- lid van. Sta in het hart van deze gemeenschap. My god, waarom?

Nou, niet alléén omdat de kerk mij betaalt. Als de golven van ook mijn afkeer voorbij zijn, en ze golven, vaker dan mij lief is, breekt er ook iets anders door. Ik zie in de kerk mensen die aandacht voor elkaar hebben. Die week-in-week-uit elkaars leven delen. Op een geduldige, barmhartige manier. Ik zie vriendschap, vertrouwen, ik zie mensen die het beste in elkaar wakker maken.

Een aantal jaar geleden lag hier het hele bestaan weer eens ondersteboven. Het was vijf mei. In de krant las ik,  toevallig, dat er in een kerkje in Oost-Groningen een kerkdienst zou zijn. Ik was er. Psalmen werden gezongen. Er werden oude teksten gelezen. Mensen waren stil en luisterden. Het licht viel door het ontluikende lentegroen tintelend en glimlachend de kerk in. Genesis 1 voor je neus.

Ik ben lid van de kerk, vanwege een onuitsprekelijk geheim. Je kunt er eigenlijk alleen maar verhalen over vertellen. Hoe een man hier op het dorp zijn leven op de rails kreeg doordat hij op een ochtend de kerkdrempel overstapte. Hoe een oude vrouw haar ogen dicht deed, zodra zij maar een psalm aanhief. Je voelde aan alles: zo zong zij al haar leven lang. Over een andere man die ziek werd en een hele gemeenschap mensen bewoog maanden, jaren met hem mee en slaakte een ontroerde zucht toen een kleinzoon van hem de kerk kwam binnenrennen en luid riep “Opaaaaa!” Het verhaal over een zoon die zijn vader meer dan een jaar trouw, elke zondag, naar de eredienst bracht. De vader verdween steeds meer in de wereld van alzheimer, de zoon zat naast hem. De vader werd dover en dover. De zoon en hij zaten naast elkaar. Werd het onze Vader gebeden dan bad – oh!- de vader mee. Hardop. En zei als laatste van allen “amen”. Alsof hij al dingen zag die wij nog niet zagen en daarbij had stil gestaan.

Ik ben lid van de kerk vanwege God. Laat ik het geheim maar een naam geven uit onze traditie. De God die zegt: “Ik zal er zijn”.

Ik zie het elke zondag gebeuren in de erediensten. Ik zie het door de week. Ineens zie je het overal: mensen, gelovig, niet-gelovig, godloos, leuke mensen, niet zo leuke mensen, je ziet hoe ze gebaren van vriendschap aan elkaar geven. Ik zie het, dankzij de bril die ik in de kerk leer te dragen.

Nou ja, soms zie ik het ook helemaal niet. Mensen maken er vaak een potje van.

De gemeenschap van de kerk, en ja vooruit: óók het instituut Kerk, zij hebben mij dit geleerd: geloof dat de momenten waarop je het wel ziet sterker zijn dan de momenten dat je het niet ziet. Verdraag de ellende, dan zul je de schoonheid zien.

En die is overweldigend.

God in Nederland, God uit Nederland?

kerk

Al een week staart het onderzoek “God in Nederland 2016” mij aan. Wat moet ik er van vinden, dat het aantal kerkelijk betrokkenen daalt? Dat “de Nederlandse cultuur niet christelijk meer is”, zoals commentaren overal melden. Moet ik het erg vinden? Moet ik er überhaupt een mening over hebben?

Ik weet het niet.

Ik deel niet in de opgewonden stemmen dat het secularisme nu gewonnen heeft. Ik deel evenmin in de opgetogen gedachte dat het nu beter wordt. Een samenleving zonder kerk is niet mijn wereld. Ik kijk er niet naar uit, dat de verhalen van Abraham, Rebekka, Mozes, Deborah, David, Jezus, Maria Magdalena, dat die uit onze samenleving verdwijnen.

Ik stond voor het enorme schilderij “Bathseba” van Rembrandt. Hij toonde haar met een brief in haar hand. En in haar ogen schilderde hij het ondeelbare moment tussen gevleid-zijn en gekrenkt-zijn. Gevleid dat David haar schrijft, gekwetst dat David haar schrijft. Ik dacht: “Maar wie verstaat dit schilderij nog, als we het verhaal niet meer kennen”?

Ik begrijp de opgewekte commentaren op het onderzoek niet.

Aan de andere kant: ik deel ook de treurnis niet.Ik heb niet de behoefte om te gaan roepen, “dat de kerk heeft gefaald” of “dat het nu allemaal anders moet”. Het is wat het is. Wie ogen en oren open heeft in de gemeentes weet al lang wat er gaande is. In mijn geboortedorp waren in mijn jeugd zes protestantse gemeentes. Over één daarvan schreef iemand vijftien jaar geleden in de Volkskrant, dat je op tijd moest zijn om er een zitplaats te kunnen vinden. Nu is nog één protestantse gemeente. En eentje die op het punt staat te scheuren of om te vallen. Dan valt een teruggang van vijftig procent in tien jaar nòg mee.

Raakt het me niet? Ja, het raakt me wel – de achteruitgang. Kerk is gemeenschap zijn, verbondenheid zoeken met mensen met wie je geen natuurlijke verbondenheid voelt, bruggen bouwen, door-één-deur-willen-gaan-met-wie-je-niet-zomaar-door-één-deur-gaat. Als er steeds minder zijn om mee door die deur te gaan, dan voelt dat op z’n minst vreemd.

En ja, ik stel me wel eens voor dat ik ooit als oud baasje in een verpleeghuis woon als een soort curiosum. “Dat is er nog één” “Goh, bestáán ze dan nog?” En dat dan niemand een idee heeft waar het in het christelijk geloof om ging. “Ze waren tegen homo’s, meen ik.” Het lokt me, opnieuw, niet aan.

Ergens anders raakt het me niet. En dat vind ik vreemd van mezelf. Zo veel mensen hebben gereageerd. Waarom ik niet?

Ik denk: “Er schijnen in Nederland ook heel weinig cricket-spelers te zijn. Maar ik heb niet de indruk dat hen dat stoort.” Ze spelen hun spel, ze hebben er plezier in. Ze hebben niet het idee dat hun spelregels er niet toe doen, omdat bijna niemand ze kent. Ze spelen en ze spelen precies. Waarom zou ik dan een big fuzz maken van een kleine kerk?

Ik begrijp wel: de kerk is geen cricketclub. De kerk heeft een verleden met veel leden. En in de kerk gaat het om waarheid. Kuch: de waarheid. Dat maakt het toch wat complexer.

Maar

dan hier de maar: ik heb nooit geloofd, dat de kerk een machtsfactor moest zijn. Ik huiver zelfs voor een kerk in een meerderheidspositie. Kerk en macht, dat wordt altijd narigheid. Een menselijke waarheid die met een kerkelijk stempel ineens de ene grote waarheid voor iedereen wordt. Nee, dank je wel.

Ik heb ook nooit geloofd, dat een samenleving “christelijk” moest zijn. Wat is een christelijke samenleving? Dat iedere man getrouwd is met één vrouw? Dat er regels worden opgesteld om iedereen “christelijk” te houden? Nogmaals: dank je.

Ik ben deelgenoot van de kerk om slechts één reden. Die reden heeft een naam: Jezus. Zijn direktheid en helderheid van leven raakt mij. Op een manier van: daar wil ik van leren. Ik wil mij koesteren in Zijn bestaan. Ik wil er door worden meegenomen en ik wil het zelf meenemen. Die band – die geraaktheid, volgens mij is dat wat de kerk tot kerk maakt. De Kerk is de kring van mensen die zich rondom Jezus verzamelen. Voor wie Zijn woord, handelen, verlangen,  en beminnen de waarheid is. En die dat met plezier en precisie willen leven.

Al het andere is slechts bijzaak. Dus óók hoe groot of hoe klein die kring is.

Hoera voor de veelvormigheid.

 kaleidoscoop

In dit blog heb ik altijd gelijk. Het is mijn blog. Ik zal er niet om heen draaien: het is lekker om gelijk te hebben. Nòg lekkerder is: altijd gelijk hebben.

Zodra ik mijn blog verlaat, wordt het ingewikkelder. “Ik heb zin in thee”, zeg ik terwijl ik mijn laptop dichtsla. “Nou, dan heb je pech gehad”, antwoordt mijn man: “Ik heb koffie gezet.” Dus zal ik mijn eigen zin opzij moeten zetten. Of – ja, inderdaad: ik ga de keuken in om thee te maken. Maar of dat nou zo goed is voor mijn relatie?

Er zijn mensen die nog iets lekkerders willen: altijd gelijk hebben, overal. Hun mening is de enig ware. In hun hoofd, op kantoor, in hun familie, bij hun vrienden, in de kerk. Soms heb je de indruk dat vooral daar mensen altijd heel erg gelijk willen hebben. “Wat ik geloof is de maat van de dingen.”

Wat lekker is, we weten het, heeft een schaduwzijde. Chocola maakt dik. Van snoep verrotten je tanden. Van “altijd gelijk”?  Wat is de schaduwzijde?

Er zijn mensen die dromen van een kerk met één boodschap, één stem, één vorm. Ik deel die droom niet meer. Ik deel zelfs de droom niet van een land met één cultuur, één norm, één maat. Het zou een dictatuur worden. Zo’n kerk. Zo’n samenleving.

Wie altijd gelijk heeft, komt alleen te staan. Hij schept de hele wereld om zich heen naar zíjn plannen, naar háár ideeën. Zo kom je niet verder dan jezelf. Ik hoor hier op dit blog echt alleen mijn eigen stem.

In Genesis staat dat indrukwekkende verhaal van Adam die de dieren een naam gaat geven. Hij noemt de giraf “giraf”, hij noemt een aap “aap”. Allemaal zijn idee. Maar hoe zal hij ooit ontdekken, dat een giraf misschien wel méér is dan Adam er in heeft gezien.

Hm. Ja. Als er iemand anders bij komt. En die zal dan ook komen. “Een hulp” en dan staat er (Breukelman heeft het ontdekt)  tegenover Adam. Toen Adam de hele wereld naar zijn eigen idee dreigde in te richten, toen dacht G’d: dit is niet goed. Er kwam de ander. De andere ander. De hardnekkig andere ander. Nooit meer gelijk.

De dalai lama schijnt ooit gezegd te hebben: wie spreekt, blijft onveranderd. Wie luistert, die komt op nieuwe wegen.

De kerk kent veel vormen. Niet alleen tellen we heel veel naambordjes, achter elk naambordje gaat ook nog eens een veelheid aan stromingen schuil. Orthodox, liberaal, fluid church, evangelisch, vrolijk, ouderwets, somber, trots, missionair – het houdt niet op.

Dwingt het ons tot overtuigen? Jij moet spreken zoals ik?

Dat wordt nog een hele toer, dan.

Het dwingt ons tot luisteren. Ja. Als ik luister naar jou…

Ik vind het gemakkelijker om hier op dit blog rond te dolen, dan deel uit te maken van de kerk. En toch denk ik: hoera! Hoera voor al die mensen. Voor al hun meningen. Voor al hun manieren van spreken. Hun manieren van leven. Ze helpen mij, mijzelf te relativeren.

En waar ik mijzelf relativeren kan, daar komt

misschien wel

ruimte voor iets nieuws

dat van G’d zou kunnen blijken te zijn.

Gloria dei enim homo vivens est

Wat is dat toch met de Kerk? Waarom naaien de bisschoppen ons altijd weer in het pak van de seksuele keurigheid? Waarom willen ze ueberhaupt greep op ons intieme leven? En waarom moet het dan altijd onder de vlag van zonde, schuld en andere zware narigheid?

Het lijkt wel, alsof voor de Kerk slechts één soort mens mag bestaan: de gemiddelde Amerikaanse man in de gemiddelde suburb. Een man met een vrouw, een vrouw met een man, een aantal kinderen, en elke zaterdag naar de supermarkt. O, en op zondag naar de Kerk. Wee je gebeente, als je leven er anders uitziet. Dan springt de bisschop uit zijn vel. Of anders de dominee wel.

Ik begrijp het niet. Wat is er waar, aantrekkelijk, of dienstbaar aan om het leven van mensen te willen insnoeren naar slechts één model? Was Jezus een negentiende-eeuwer? Zat Hij aan de voeten van Koningin Victoria? Moet je van Hem naar het stadhuis, de kerk, vóórdat je zou mogen vrijen? De vragen stellen… Inderdaad. Is het antwoord geven.

Ik zie, hoe sommigen van de Heer de grote zedenmeester maken. Hoe hij – hé dat is toevallig- de weg wees van de heteroseksuele (witte, denk ik er dan ondeugend bij) man. Maar ik kan het niet geloven. Het leven is zo rijk aan vormen. Aan kleuren. Aan mogelijkheden. Ik kan niet geloven dat het de enige, en altijd de enige opdracht is om te snoeien en in te perken. Als ik de boosheid zie van mensen die het leven van anderen oordelen: “zo-en-zo mag het voor God niet bestaan.” Ik kan niet geloven dat dàt de grondtoon van het bestaan zou zijn, dat overal zou klinken: foei, fout, lelijk.

Nee.

Voor de helderheid: ook ik zou willen dat we een werkelijkheid hadden, waarin het de vrijheid van elk mens zou zijn om haar leven te delen met een ander in liefde en trouw. Tot de dood hen beiden scheidt. Zoals ik ook zou willen dat we een werkelijkheid hadden, waarin elk mens vrij zou zijn om haar leven tot het einde toe te leven. Of waarin mensen vrijheid zouden vinden om elk kind geboren te laten worden. Om maar eens een paar “hot items” te noemen.

Keep on dreaming. Zo’n werkelijkheid is er dus niet. Sommige mensen komen halverwege hun huwelijk tot de ontdekking dat er geen tweede helft meer zal zijn. Omdat er geen vrijheid meer is, maar dwang is gekomen. Omdat één van de partners is gegroeid en niet meer binnen dit verband gelukkig zal worden. Of omdat beiden ontdekken dat het vanaf de eerste dag geen goed idee was om samen te leven.

Sommigen die als man geboren leken, begrijpen na jaren dat ze vrouw zijn. Sommigen die als vrouw werden geboren, ontdekken dat ze man zijn.

Het leven is geen mal. Het is vloeiend, als het licht.

Het is ingrijpend, wanneer die vloeibaarheid voelbaar wordt in je eigen bestaan. Je moet je levensbaan (die je in gedachten tot het einde toe al van een vorm had voorzien) helemaal opnieuw schikken: wie was ik tot nog toe, wie ben ik nu, wie kan ik worden? En dat vaak niet één maal. Maar vele malen. Je springt uit je eigen geschapen mal.

In mijn schoolagenda schreef ik ooit een regel van Irenaeus: gloria Dei enim homo vivens est. Ook hij was een bisschop, Irenaeus. In de tweede eeuw. Dat is al even geleden, dus. Het zinnetje is mij altijd blijven vergezellen. Dat de glorie van God de levende mens is. Het is een troost ( voor mij was het een troost in alle vragen die rondom mij, tiener, spookten). Het is een geestelijke oefening tegelijkertijd.

Dat deze ene mens die nu voor mij staat, dat die de glorie van God is. Deze man die met een vrouw getrouwd is en kinderen heeft, is de glorie van God. Maar de transgenderman die met een andere man samenleeft is dat evenzeer. De vrouw die in haar huwelijk worstelt, omdat ze niet weet of ze door zal gaan of breken zal: zij is de glorie van God. De man die overspel pleegt: hij is de glorie van God.

Elk mens is heilig terrein. En als God haar eert, dan heb ik niet de vrijheid om haar te beoordelen. God heeft Zijn eigen omgang met haar. Ik kan daar niet in kijken, ik kan daar niet tussen staan, ik kan daar al helemaal geen greep op krijgen. Al was ik honderd keer bisschop.

Ik kan wel meegaan in iemands zoektocht. In het vertrouwen dat God de ander zal brengen waar die moet zijn.

Ik verlang naar een Kerk die in elke ontmoeting zou zeggen: jij bent het. Jij bent de glorie van God. Ik verlang naar een Kerk die zou vertrouwen dat God een weg gaat met deze persoon. Ook als niemand precies begrijpt, wat de ander zoekt. Of welke keuzes er worden gemaakt.

In de biologieles leerde ik ooit, dat veelkleurigheid een soort grote flixibiliteit geeft. Door veelvormigheid kunnen soorten ziekten doorstaan. Verstart de vorm, dan is zijn einde nabij. Was er slechts één soort graan, dan was er al lang geen graan meer geweest.

De Kerk doet er goed aan, deze les ter harte te nemen.

.

En toen vloog Van der Kaay er weer uit…

Er loopt een lijn door de brieven van Paulus, ik weet het, van waarschuwingen tegen dwaalleraren, tegen “een ander fundament, dan ik heb gelegd”,  tegen een “andere Christus”. De apostel maakt zich zo druk, voor zo ver we dat nog kunnen traceren, omdat er steeds weer mensen elkaar de maat begonnen te nemen. Er waren in Paulus’ tijd leraren die – opnieuw- gingen zeggen: je moet hier aan voldoen, je moet daar aan voldoen. Er waren leraren die mensen opnieuw eisen oplegden: als je nou maar zus of zo doet, dan komt het goed met je. En ze vonden van zichzelf, natuurlijk, dat ze al aan al die eisen voldeden. “Want zie eens hoe voorspoedig het met ons gaat”.

“Ik ben zo succesvol niet”, grapt Paulus over zichzelf. Ik ben maar een minkukel. Hij had ooit iemand ter dood laten brengen: Stefanus. Dat was een totale miskleun gebleken. Het was terecht geweest, als Paulus daarmee zijn recht-op-leven had verspeeld. “Maar kijk nu! Ik ben een apostel geworden!” En dat had hij niet bereikt door voorbeeldig te worden. God had dat in hem gedaan. Paulus was een ander mens geworden. De oude Paulus is er niet meer: die is dood. Hier staat de nieuwe Paulus.

De vrijheid om opnieuw te beginnen. De vrijheid om te leven. De vrijheid om er te zijn, al voldoe je verder nergens aan. Paulus was er diep van onder de indruk. Hij leefde er zelf van.

En wie die vrijheid bedreigde, die kon de wind van voren krijgen.

Daarmee leek hij, uiteindelijk, op Jezus. Die reikte zijn hand naar iedereen. Daklozen, drugsverslaafden, mislukkelingen, overspeligen, hoeren, klaplopers, verraders, noem maar op. Maar wie zei: “Godallemachtig, maar dat is een verrader, mijden die man”, die kon de wind van voren krijgen. Een heer-lijke tegenwind.

Tot zo ver Paulus.

Inmiddels zijn we tweeduizend jaar verder. De kerk heeft een spoor getrokken van uitgesloten mensen. Van zogenaamde dwaalleraren en valse fundamenten. Van vrouwen die verbrand zijn “omdat ze heks waren”, van brandstapels, galgen en rechterlijke uitspraken “omdat deze persoon de ware leer niet aanhangt”. De draad van Paulus is een giftige draad geworden. Waar hij verpletterd was door Gods vrijheid, daar is de Kerk zo langzamerhand verpletterd door de argwaan, de angst, de voortdurende – menselijke- neiging om te zeggen “jij doet het goed” en “jij doet het fout”.

Paulus’ brieven zijn een certificaat van macht geworden: met Paulus in de hand veroordeel ik jou!

We richten geen brandstapels meer op. Nee. Maar het geloer het geoordeel en het gemeet is wel gebleven. Fennie Kruize, Klaas Hendrikse, Cees den Heyer, om een paar namen uit de laatste jaren te noemen. Zeiden zij iets: dan stonden er direkt mensen klaar om te zeggen: “dat mag niet!” Ze werden er uit gezet. Of uitzetting dreigde.

Wat is er van de kerkelijke familie geworden die begon met “ga maar”?

We schrijven vandaag een nieuwe naam bij de buitengeworpenen: Van der Kaay. Hij had gezegd, dat Jezus nooit historisch heeft bestaan. Niet mijn opvatting. Ook niet direkt een erg sterk te onderbouwen opvatting. Maar een opvatting. Ik kan in mijn eigen gemeente zo een aantal mensen aanwijzen van wie ik weet, dat ze ongeveer hetzelfde denken. Dat was met Klaas Hendrikses “God bestaat niet, hij gebeurt”, al net zo. Beiden roepen niet iets buitenissigs. De gedachten leven bij allerlei mensen. Zelfs in de meest rechtzinnige hoek plopt soms de verontrustende vraag omhoog: “Bestaat Hij eigenlijk wel?”

Maar goed. Het mag dus niet. Je mag die vraag in de kerk niet hardop stellen. Ik word er triest van. Van der Kaay moet opstappen. Dat het een nogal opportunistische stap van zijn kerkenraad lijkt – waarom nu? Van der Kaay schreef zijn boek al twee jaar geleden – maakt het er niet vrolijker op.

Kent de kerk dan geen grenzen? Ik vind het een vraag naar macht. En zelfbehoud. Dat is de vraag “waar staat de kerk dan nog voor?” eveneens. Terwijl de hele bedoeling van die kerk toch was: verbanden aangaan met elkaar, en: jezelf verliezen voor de ander. Een spreuk tussendoor: de kerk bestaat niet voor de leer, de kerk bestaat voor de Heer.

Dat lijkt mij het springende punt. Ja, de kerk heeft wel grenzen. Maar niet zoals een kamer grenzen heeft met muren en deuren. De kerk heeft grenzen zoals een familie. Iedereen heeft een globaal beeld van zijn familie. Maar ooit een verjaardag georganiseerd voor je oma? Je blíjft aan het uitnodigen: als Piet erbij hoort, dan zijn vrouw Marie ook. En zijn zus, en daar de kinderen weer van. De grens ligt daar, waar de betrokkene zelf zegt: ik heb niet zoveel met jouw oma. Of, waar het aantal couverts belegd is. Zo ging het wel met ons trouwen. Honderdtien couverts, en daar lag de grens. Tamelijk subjektief.

Zoals oma op het verjaardagsfeest, zo is de Heer temidden van zijn kerk.

Van der Kaay hoort er bij, omdat hij er bij wil horen. Het past niemand om te vragen: “en waarom wil hij dat, als hij niet gelooft dat de Heer ooit heeft bestaan?” Paulus indachtig ligt de vraag immers ook op onze eigen voeten: waarom willen wij bij de kerk horen, als wij nergens aan voldoen en steeds weer falen?”

Onopgeefbaar verbonden?

“De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.”, zegt de grondwet van de kerk waarvan ik lid ben. Het is een duidelijke stellingname tegenover wat de geschiedenis van de kerk toont: haar haat tegen de Joden. Tot drie, vier, generaties geleden dachten christenen: de Joden hebben Christus verworpen, zij zijn blind en tellen niet meer mee, wíj hebben de Heer aangenomen en daarom hebben wij de waarheid. Het is altijd een geruststellende positie: te weten dat je aan de goede kant staat. Het verheft je ver boven andere mensen en ver boven alle kritiek. Het is ook een gevaarlijke positie: waar de kritiek verstomt, vallen slachtoffers. En dat is dan ook gebeurd: op grote schaal. Zo groot, dat de kerk en al haar pretenties er bijna onder bezwijken. In naam van de Heer zijn vele, vele Joden vermoord. Pogroms startten met angsten en leugens tegen de “vreemde Joden”, ze werden nog eens extra aangezwengeld door kerkelijk godsdienstige theologieën. De Joden, die waren het volk dat God niet meer wilde hebben. En daarom hielpen “wij” een handje door hen uit te sluiten, op te jagen en desnoods te vermoorden. Het bloed van Abel roept tot ons geweten.

De Tweede Wereldoorlog met zijn Shoah schudde ons hardhandig wakker. Dat die Endlösung in een land vol kerken en christenen uitgedacht werd móest de gedachten aan de kerkelijke uitmuntendheid wel breken.

Mede door het werk van Karl Barth, bisschop Niemöller en Dietrich Bonhoeffer ontdekte de kerk een nieuwe plek: naast het Joodse volk. Wij hebben de waarheid niet. De Joden leerden haar kennen en gaven haar door.

En daarmee ging veel kantelen: dat de waarheid geen vaststaande leer is, maar een begrip dat jouw relatie met de werkelijkheid uitdrukt, bijvoorbeeld. Maar ook: dat het gaat om wat je doet en niet om wat je zegt te geloven. En ook: dat de aarde het middelpunt van ons leven is en niet een hemel van welke soort dan ook.

Het revolutionaire van de Bijbelse geschriften is dit: dat er een naaste is. En dat die net is als jij.

Ik ben er nog altijd stil van: van die omwenteling. Wij dachten dat wij het hadden, we leerden dat alles wat een mens zoekt bij de naaste in bewaring ligt. Wij werden weer die wij waren: de heidenen die de G’d van Israël leerden kennen.

Dat daarmee óók de beelden van G’d als de Oppermachtige, de Baas, de Onveranderlijke op de helling gingen, hoeft bijna geen betoog meer. Ook G’d bleek van aards materiaal. De aarde is Zijn domein.

Zonder Joden zou de Kerk het Instituut zijn gebleven dat de weg naar de hemel wist. Doordat de Kerk gedwongen werd naar zichzelf te kijken via de ogen van de Joodse geschriften en via haar eigen geschiedenis met de Joden, stortte haar arrogantie neer en hervond zij zichzelf. Zij is de aardse gemeenschap van mensen.

Het was dus nodig, om in de kerkorde te zetten: onopgeefbaar verbonden

maar

de tijd schreed voort sinds 1951, het jaar waarin Israël voor het eerst in de Hervormde kerkorde werd genoemd. En er kwamen nieuwe vragen. Met wie is de kerk verbonden als zij zegt: “het volk Israël”?

Ligt dat volk geborgen in de Schriften? Gaat het om mensen die er vandaag niet meer zijn?

Zijn wij verbonden met het gelóóf van het “volk Israël” ? Met hun verhalen, getuigenissen en commentaren?

Of gaat het om mensen die vandaag leven.

En wie dan?

Zijn wij verbonden met de religieuze Joden? Met alle Joden?

En de dringenste vraag van alle vragen: is de Kerk verbonden met de Joden èn de staat Israël?

en als dat laatste het geval is: wat betekent die verbondenheid dan?

er zijn er die zeggen: het gaat alleen om de geestelijke erfenis. Dat wij onze Joodse wortels herkennen en erkennen.

er zijn er die zeggen: wij zijn alleen verbonden met de religieuze Joden

er zijn er die zeggen: de Kerk is verbonden met de Joden en met hun staat.

Als ik serieus neem, wat ik hierboven zei: dat wij van de Joden leerden dat het om de aarde gaat en dat geloven vooral betekent: handelen – dan kan ik niet anders zeggen dan: wie verbonden is met de Joden is ook verbonden met de staat Israël. Of je dat nu leuk vindt of niet. Ik zeg het eerlijk: ik kan mij op dit moment leukere verbondenheden voorstellen.

Ik schaam mij voor de oorlog tussen Israël en de Palestijnen. En ik ben mij bewust van alle vooronderstelling die deze zin al in zich draagt. Is het een oorlog? Of is het een conflict? Is het een bezetting? Of is het legitieme zelfverdediging van de staat Israël? Is het een oorlog tegen de Palestijnen? Tegen Hamas? Of tegen de Islam, misschien? Alle posities zijn in de kerk te vinden.

Ik denk: wij zijn verbonden met de Joden. En daarmee met de staat.

Maar verbondenheid sluit kritiek niet uit. In tegendeel. Verbondenheid roept juist op tot zowel solidariteit als kritiek.

We leerden van de Joden dat het leven gevonden wordt door de naaste. En we leerden het sleutelwoord: rechtvaardigheid.

Mag de kerk de vragen opnieuw aan de staat Israël stellen? In hoeverre zijn de Palestijnen jullie naasten? En wat betekent het om recht aan hen te doen?

De dominee is een mens.

Er zit een rare twist in het vak van dominee. Aan de ene kant zegt de protestantse leer: een dominee is geen priester, ze heeft geen bijzonder lijntje naar God, ze heeft geen andere gaven ontvangen dan een willekeurig ander, en haar taak is niet van groter gewicht dan dat van de ouderling of de diaken.

Tot zover de theorie. In de praktijk wordt van een dominee verwacht dat ze zich wel degelijk als ‘bijzonder’ gedraagt. “In daad, in praat en in gewaad”, zeiden de ouden. En nòg wordt gezegd, dat ‘de kerk’ niet is geweest, als de dominee niet langs kwam. Of er dan wel ouderlingen waren, of diakenen, dat maakt niets uit. Alleen de dominee mag dopen en het avondmaal bedienen. Alleen de dominee draagt liturgische kleding. Alleen de dominee wordt voor het leven in het ambt bevestigd. Ouderling ben je voor vier jaar. En diaken ook.

Als het zo onduidelijk is, dat aan elkaar tegengestelde gedachten en verwachtingen zich hechten aan de rol van de dominee, dan hoeft het niet te verbazen, wanneer mensen er ruzie over zouden krijgen. Ruzie is vaak een teken van niet-uitgedachte chaos. Nou, hier heerst chaos, en de ruzie kwam er dan ook. In Nederland tussen Oepke Noordmans en A.M Brouwer. Later trok de zogenaamde liturgische beweging aan het ambt, en zette – opnieuw- Oepke Noordmans zich daartegen schrap. Van Ruler wist in de jaren zestig en zeventig de gedachten over het ambt te verhelderen, maar hij deed dat blijkbaar op een zó eigenzinnige manier, dat zijn werk niet heeft beklijfd. Van Ruler? Welke Van Ruler?

Het zal evenmin verbazing wekken, dat de doordenking van de dominee ook weer twee kanten op gaat: òf er wordt een pleidooi gehouden om de dominee meer priesterlijk te maken, òf er wordt juist gepleit voor een dominee als functie. En niet meer dan dat.

Tussen die twee polen sta je dan. Waar sta je?

Die vraag is niet zomaar te beantwoorden. Wil je weten wat een dominee kan zijn, dan meldt zich ogenblikkelijk ook de vraag, wat de kerk dan is, en die vraag neemt weer de vraag met zich mee, welk doel de kerk dient en die vraag, opent weer de vraag naar je kijk op de bijbelse geschriften. Het zijn net Russische Babouschka’s  je tilt er één op, verschijnt er onmiddellijk een nieuwe.

Ik begin maar bij de taak van de dominee. Wat moet ik eigenlijk zijn en doen?

Het evangelie verkondigen, zeg ik Oepke Noordmans na.

Wat is de inhoud van het evangelie? Dat we op weg zijn de schoonheid te ontdekken in de wereld en in onszelf.

Dat verkondig ik.

Waarom ik

Iemand moet het doen. Ik geloof niet, dat een dominee uitzonderlijker is dan een ander. Ik geloof zelfs niet, dat wie dan ook uitzonderlijker is dan een ander. En wie van zichzelf, of van een ander zegt: maar die heeft het, maar ik heb het – een het dat een ander niet heeft- ik geloof hem niet. We zijn allemaal uit een vader en een moeder voortgekomen. Niemand daalde van de sterren naar beneden af. Of, om hetzelfde meer in mijn denken te zeggen: alle mensen zijn uniek. En we zijn allemaal uitzonderlijk. Als een ander “iets”  heeft, herken ik het, in een nieuwe vorm, terug in mijzelf.

Kerkordelijk ben ik geroepen: de gemeente vroeg mij, of ik wilde komen. Er is niets bovennatuurlijks aan voorafgegaan. Dat mensen andere mensen inroepen is al zó bijzonder, zó prachtig, daar zit het hemelse bij in. Het zweeft er niet boven.

De verkondiging

Dat we onderweg zijn de schoonheid te ontdekken in de wereld en in onszelf. Met bijbelse woorden: wij zijn op weg naar het Koninkrijk van God, waarin gerechtigheid zal geschieden en wij bemind zullen zijn. Ja. Maar die schoonheid is er al. Je wordt niet mooi. Je bent het al. En hopelijk heb je mensen om je heen, die je daar aan herinneren. Want zoals dat gaat in onze wereld: er daalt stof op je schoonheid. Alles moet voortdurend ontdekt worden, anders gaat het verloren. Als een generatie een verhaal niet meer doorgeeft aan een nieuwe generatie, is het verhaal weg. De dominee is een van de mensen ‘die helpen herinneren”.

Mijn taak is nog het best te vergelijken met die van een vroedvrouw. Ik help geboren worden, wat al in de mensen woont.

Ik  doe dat allereerst door een woordwerkelijkheid te scheppen. Ik preek, ik bid, ik luister, ik spreek met mensen. En ik zing. En ik bidt om de Geest, dat die woorden een antwoord oproepen: dat de mensen zelf open gaan.

Naast de woorden heb ik mijn persoon. Omdat ik geloof dat onze persoonlijkheid het meest kostbare is om in te zetten voor elkaar. In ons wezen, zo eenmalig, schuilt God. Als ik mij durf te tonen, dan hoop ik dat jij dat ook durft. Ik ben, zodat jij kunt zijn, zeg maar. Een dominee specialiseert zich in dit “ik-ben” zijn.

Geen priester.

In de jaren ben ik het steeds meer gaan waarderen, dat de dominee “niets meebrengt”. Ik heb geen rituelen. Ik kan geen aura lezen. Ik kan niet chanellen, ik kan niet in de toekomst kijken. Ik neem Christus niet met mij mee. Ik vertegenwoordig God niet. Ik ben ik. En daar moet ik het mee doen. Ik heb ontdekt dat hoe meer ik loslaat, hoe meer er kan gebeuren.

Toen ik dacht: nu moet ik naar die mijnheer, want ik moet met hem daar en daar over praten, toen mislukte het gesprek volledig. Het was de tijd niet, het was de plaats niet. Maar toen ik hem opzocht zonder te weten wat ik ging doen, toen gebeurde zó veel, dat je kunt zeggen: G’d was aanwezig.

Soms willen mensen een priester in de dominee zien. Ik ben daar huiverig voor geworden. Te vaak is mij overkomen, dat mensen iets van mij verwachtten wat zij zelf hadden kunnen doen omdat zij het zelf in huis hadden. In de gemeenschap van de kerk zie ik hetzelfde: de dominee kan zo mooi bidden. Maar de gemeenschap kan zelf veel beter bidden! Aan haar is de schoonheid gegeven. Die moet ze niet aan de dominee toedichten. Ze laat veel liggen als ze het van een ander, als ze het van de dominee verwacht.

Ik ben huiverig geworden voor de gedachte dat de dominee priester zou zijn. Ik kan de ander niet ontnemen, wat de ander heeft: dat zou een omkering zijn van alles waar een predikant voor staat. En toch doe ik soms priesterlijke dingen. Ik bedien het avondmaal, ik bid mensen de zegen toe. Maar ik zou ook graag ruimte zien, waarin mensen de dominee zegenen. En waarin mensen met de dominee het avondmaal vieren. Mijn zijn heeft op zijn beurt eveneens anderen nodig om te worden wie hij is. Ik ga voor de mensen uit, soms, zodat de mensen volgen en later weer voor mij uit kunnen gaan. Zoals een eerste schaap de dam over gaat….. zo is de dominee.

Dienaar

Dienaar is het woord, dat mij het beste past. Waarvan ik denk dat het de dominee het beste past. Ik ben geen hulpje en geen sloofje. Een vroedvrouw weet heel goed wat zij doet en laat zich niet koeioneren. Maar ik geef mij wel, met het gebed dat anderen er door tot bloei komen.

Positie, geen symbiose

In het gesprek over de dominee neem ik positie in van Oepke Noordmans. Van hem zijn de woorden: een dominee is een mens verrezen uit het stof. Ik denk niet gering over mijzelf. Ik heb enorm veel verwondering over de mogelijkheden van de ander. Ik denk niet, dat er een symbiose mogelijk is tussen aan de ene kant  “de dominee als gestudeerde leek”  en aan de andere kant “de dominee als priester”. Of het zou zo moeten zijn:  hoe meer de dominee ontdekt dat z/ hij gewoon mens is, hoe meer z / hij priester is voor de mensen.