Sááái? Je lege ziel zul je bedoelen.

Vroeger had ik een saaie naam: Van Dijk. Veel suffer kon het niet worden. Half Nederland heet Van Dijk.

Eind jaren tachtig verhuisde ik naar Polen. “Van Dijk?”, vroegen daar mijn medestudenten, “Van Dijk? Ben jij soms familie van de schìlder Van Dijck?” Hun ogen lichtten op: dit kon interessant worden. Van Dijck kenden ze van zijn theatrale barokke schilderijen. “Nee”, antwoordde ik: “Ik ben simpel. Mijn naam schrijf je alleen maar met een k. Saai.” Toen ik dat ook tegen mijn docent kerkgeschiedenis, Pasierb zei, reageerde hij wat ongelovig en gepiekeerd: “Saai? Man! In Polen heet niemand Van Dijk. En weet je waarom? Omdat wij nauwelijks dijken hebben! We hebben zelfs Nederlanders laten komen om er een aantal aan te leggen. Jouw naam vertelt over de strijd die jullie tegen het water voeren, de lef om onder zeeniveau te gaan wonen, de slachtoffers van de dijkdoorbraken, de moed om de boel daarna weer op te pakken en droog te leggen. Jouw naam is een cultuur-historisch monument!”

Wauw. Nou. Dat had nog nooit iemand gezegd. Niemand ook had het ooit zo gezien. De diepte. De associaties. De gelaagdheid. In één enkele naam.

Sááái is zo ongeveer het stopwoord van onze tijd en cultuur. Alles wat langer dan een kwartier duurt is saai. Alles waar geen drumstel onder staat is saai. Alles wat niet jong is, is saai. De eis is: het moet zó zijn dat het mij direkt pakt. Het moet míj pakken. De gedachte dat ik “het” moet pakken ligt ver bij ons vandaan. Daar krijg je die hijgerige Matthijs van Nieuwkerk van. Kort. Snel. Gemakkelijk. En anders is het niets waard.

Het tragische is dat ‘saai’ niet bestaat. Niet buiten jou. Dingen zijn wat ze zijn. Gebeurtenissen zijn wat ze zijn. Presentaties zijn wat ze zijn. Saai of interessant zijn geen woorden die in de dingen wonen. Ze wonen in de beschouwer. Zie jíj er iets in?

Zien is een activiteit van de ziel.  Een verhaal wordt in jou wakker geroepen. Een herinnering. Bepaalde kennis. Waar je naar kijkt, opent een wereld in jou. Als die wereld er is.

Op de boerenfeesten in Nijehorne zitten elk jaar veertig, vijftig mannen op een rij. Voor elk van hen staat een ondefinieerbaar, klein, machientje te pruttelen. Ik liep er altijd aan voorbij. Ik had geen idéé wat ik er aan moest zien. Aan de mannen niet en aan hun machientjes nog minder.  Toen we er weer eens waren, vroeg ik: wat is dat nou waar ik naar sta te kijken? Precies de vraag die als een sleutel het slot opende: “Nou”, begon de man enthousiast.. en hij vertelde over de fabriek waar het gemaakt was, welk onderdeel het precies was van welke machine, hoe oud het was en waar het had gefunctioneerd. “Maar u kunt er nu niets mee?”, vroeg ik constaterend. “Nee”, antwoordde hij: “zo niet. Je moet er andere dingen aan vast maken om er iets mee te kunnen. Je kunt hem nu alleen aan en uit zetten.” “Maar weet je”, vervolgde hij juist toen ik met vraagtekens volstroomde, “weet je wat nou zo leuk is? Als hij kapot gaat, dan bel ik de anderen die hier staan op en dan praten we er over hoe je het machientje moet repareren. Wat er aan de hand is enzo” Ik zag hem aan een bakelieten telefoon in de gang: “Ja. Kees hier. Zeg. Hij doet het niet. Wat zou jij doen?” En dan drie uur met stijgend plezier en met stemverheffing praten over het palletje van het nippeltje.

Alles is saai, als je geen moeite doet. Je ontvangt wat je investeert.

Alles kan interessant worden als je er tijd aan geeft. Je er in verdiept. Als je gaat zien met een innerlijk oog.

De tragiek van onze tijd is dat wij rijk zijn aan alles, maar gebrek lijden aan juist deze twee: tijd en verdieping. Sááái, dat zijn we zelf geworden.

En ondertussen ga ik maar eens de monumentenstatus aanvragen voor mijn naam.

 

Advertenties

Toevalligheid, zo ver het oog reikt

Nee, mijn facebookpagina kleurde niet naar de vlag van Rusland. Dat had ik na de aanslag in Parijs wel met de Franse vlag gedaan, maar nu in Sint Petersburg bommen waren afgegaan zweeg mijn tijdlijn in alle kleuren. Bij niemand zag ik iets Russisch voorbij komen, trouwens. Ook niets Brits, na de aanslag op de Towerbridge. Zijn we campagnemoe? Meeleefmoe?

Nee. Want hand-in-hand begonnen alle mannen door het land te lopen. En ook ik plaatste Pechtold en Koolmees. Want als mannen lief over straat willen dan val je die niet aan. Dat vind ik nog, zelfs nu het verhaal van Jasper en Ronnie misschien wat anders ligt dan eerst verondersteld.

In Amsterdam werden twee andere mannen aangevallen en in Eindhoven ook, maar dat deed me dan weer minder.

Waarom?

Ik zou het niet weten. Waarom schrik ik bij het ene op en bij het andere niet? De media doen meer voor de een dan voor de ander. Parijs ligt mij nader aan het hart dan Sint Petersburg. Ik heb er wel eens een sigaar voor een bistro gerookt. Dat schept een band. Maar verder? Het slangenbrein in mij trekt zijn schouders onschuldig op.

Er klinken stemmen dat het zo onschuldig niet is. Bij aanslagen in Istanbul of Noord-Somalië dienen we net zo geschokt te zijn. Een jaar terug demonstreerde een aantal mensen bij de Essalam-moskee in Rotterdam tegen al deze selectiviteit. Alsof een westers leven méér waard zou zijn dan een ander leven. Zo zou mijn medeleven met de één een teken zijn van afkeer jegens een ander. Zeiden zij. En dat het een schande was.

Medeleven niet langer als medeleven, maar als maatstaf. In dit geval: het Westers medeleven als maatstaf aller maatstaven.

Komt iedereen aan zijn trekken? Nee, bij mij niet. Ik geef het eerlijk toe. Mijn excuses voor mijn imperfectie.

In het bijbelboek Ruth wordt verteld dat de arme en hongerige Ruth “per toeval” op de akker van Boaz terecht komt. Dat lijkt mij heel juist opgemerkt. Wie in je vizier komt en wie niet, ik heb het niet in de hand. En iedereen op je akker, dat is ook een beetje veel.

Ruth dus.

En wat doet Boaz? Die neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij verlieft zich in Ruth, dat helpt, maar het begint bij doen wat er gedaan moet worden. Voor deze ene. Waren er geen andere hongerige vrouwen in het land? Oh, vast. Was Ruth de hongerigste onder alle vrouwen? Nee, zeker niet. Maar Boaz zag Ruth. En dat werd de verplichting. Hij liet haar het graan meenemen dat bij de oogst op de grond was gevallen. Hij vroeg zijn medewerksters om stiekem nog wat extra graan op de grond te laten vallen.

Dus ja. Een foto van Pechtold en Koolmees. Mijn gevallen graanstengel. Het is nog helemaal niks. Facebook is nogal gemakkelijk. Iets als liturgie. Je doet alsof. Maar Jasper en Ronnie maken mij bewust van de mensen die in mijn omgeving in de knel zitten. En dat ik er voor hen zal zijn. Die ene voor al die anderen, zeg maar. Dankzij die ene, leer ook de anderen te zien

En ik hoop, vooral dat, dat er weer andere mensen zijn rondom de mannen uit Eindhoven, rondom de slachtoffers in Sint Petersburg. Je kunt niet alles. Niemands medeleven breekt een staf over ander leed.

Perfectie, zegt de onvolprezen Wislawa Szymorska, die vind je alleen in een ui.

Wow, waarin zit Arjen Lubach nou weer verstrikt?

Als we goed zouden doorrekenen, had de meester beloofd, dan zouden we aan het eind van de middag “De Reddertjes” gaan kijken. Op TV. Met een video-recorder. Het waren de jaren zeventig en toen deed je dat zo. Grote opwinding in de klas! “De Reddertjes”! De sommen waren gauw gemaakt.

Ik herinner mij het verhaal van de tekenfilm niet meer. Het was iets met twee muizen en een meeuw. Ik herinner me nog wel dat ze ergens op een gegeven moment in een mandje zaten, die muizen, en dat mandje, op zijn beurt, hing daarbij onder de nek van de meeuw. Ze droegen alle drie kleren, trouwens. En ze konden praten. Ze gingen iemand redden, denk ik. Daar zal de titel wel van zijn.

Ik was tien of elf. Het was mij inmiddels wel duidelijk dat je pratende muizen niet in de werkelijkheid van de sommen zou tegenkomen. Niet als je met de blik van de wetenschap zou kijken. Er bleven genoeg vragen over bij het rekenen: als tien plus tien twintig is, welke tien bedoel je dan? En waarom deze tien? Ik bedoel tien peren is toch andere koek dan tien stuks fruit of tien schepen vol graan. De vraag echter: kunnen muizen praten, hoorde daar niet bij. Ik vermoed dat ik toen a heel goed begreep waarom niet.

Ik geloofde de film van A tot Z. Ik accepteerde de muts van muis Bianca moeiteloos. Ik geloofde in de leren cap van de meeuw. Niet omdat ik toen nog een kind was – ik geloof er vandaag de dag nog in- maar omdat er iets werd verteld dat alleen op deze manier verteld kan worden. “De Reddertjes” was een film over vriendschap, vertrouwen, kracht, en het rotsvaste weten dat wie goed doet goed zal ontmoeten. Ik weet het verhaal niet meer, maar de boodschap kwam wel over. Juist door de vreemdheid. Keek ik beter. En zo.

Goed. Enfin.

Gisteren sprak Arjen Lubach met Gert-Jan Segers. Over godsdienst in de openbare ruimte. Het gesprek vond plaats in een gebouw groter dan de menselijke maat: in de Pieterskerk in Leiden. En wat beweerde Lubach daar onder die eeuwen-oude gewelven? “Als je de fantasie loslaat, waar blijven we dan?” Nee, we moesten ons enkel en alleen op wetenschappelijke feiten baseren. Punt uit. Klaar.

Klaar? Nee. Helemaal niet klaar! Zijn uitspraak galmde nog lang na in mijn schedelpan. Waar zouden we zijn als we de fantasie loslieten? Maar mijnheer Lubach: wij léven van de fantasie!

Nee, correct: tien plus tien blijft twintig. En een leeg plein kun je niet vol mensen fantaseren. Dat zijn sprookjes. Touché.

Maar na de feiten, komen de interpretaties. En die kunnen niet anders bestaan dan dankzij onze fantasie. Gaat u even mee? Mijn identiteit, om maar ergens te beginnen, is een vrucht van fantasie. Van de verhalen die ik over mijzelf vertel. En anderen natuurlijk. Zonder die wisselwerking gaat er iets fout. Als mijn verhalen niet rijmen met de verhalen van anderen over mij, word ik narcist. Losgezongen van andere mensen in elk geval. Nog iets: dat de economie stijgt, omdat de president van Amerika gelachen heeft, of dat de dollar in elkaar zakt omdat de president van Rusland gehoest heeft- producten van onze fantasie. Of wou u beweren, dat het goddelijke wetten zijn die de koers van de dollar bepalen? De dollar zèlf: onze fantasie. Een papierworm ziet er toch echt iets anders in.

Vrede, ook een fantasie.

Verzoening,

heelheid,

liefde-

ach ja, de liefde. De liefde is wel de grootste fantasie van alle. Verliefdheid, zeggen de nucleair biologen is een product van hormonen, feromonen en voortplantingsdriften. Verliefdheid, zeggen de psychologen, is een product van het gat in onze behoeften.

Maar wat zegt onze fantasie? Liefde, aaah, de liefde is een roos, is een roos, is een roos. Is een roos. Zij is een geschenk. Ze tilt ons op tot waar we thuis behoren. De liefde maakt ons mooi. Mooier nog dan we waren.

Wat valt te leven, denk je? Leef je met feromonen (mag ik, uuuh, mag ik even achter je oren ruiken of uuh, of de jouwe overeenstemmen met mijn feromonen?). Of leef je met “aaaaah, aaaaah, jij, jij,  enkel jij”?

Arjen Lubach kon niet begrijpen hoe je onderwijs kunt toestaan waarin “een onderwijzer eerst zegt dat tien plus tien twintig is en vervolgens vertelt dat er een man uit een grot kwam gekropen en dat die god is”.  Mijn god, Lubach! Is dat wat je te zeggen hebt over het christelijk geloof? “Een man die uit een grot kwam gekropen en die is god”?  Hou dan je mond, zou ik zeggen.

Okay. Ik ben niet kinderachtig. Zelfs al zou het zo zijn “de man uit de grot is god”.  Dan nog. Dan nog. Begrijp je dan niet dat ìn dat verhaal de grote dingen verborgen zijn die we in de rekensommen niet terug kunnen vinden? Leven, namelijk? Een interpretatie die alle dingen ten goede keert? Juist ook, wanneer de rekensommen van je eigen leven een beetje in de min uitvallen.

Nee, je lijkt het niet te begrijpen. Jongen toch.

Bevrijd je, uit je benarde visie, Lubach. Of zoals Segers notabene, als dàt geen fantasie is, tegen je zei: “Twijfel eens wat vaker”

Ik weet nog wel een paar muizen die je erbij willen helpen.

Twaalf dagen. Niet twee.

Zo, de ergste hitte van het feest hebben we weer gehad. Mag ik er dan nog even op terug komen? Op kerst? Er zit me namelijk iets hoog. Dat iedereen veel te veel haast heeft.

Gisteren zal ik al weer kerstbomen buiten op straat liggen. “Gelukkig, dat hebben we achter de rug.”, zeiden ze. Ik las, dat in Amsterdam het dagelijkse bestaan zelfs Tweede Kerstdag al weer door holde: alle winkels open, de stadsreiniging veegde al weer, de toeristenindustrie draaide op volle toeren. Geen geduld, we moeten door. Twee dagen: we vinden het genoeg. We vinden het te veel.

Breaking news voor allen dan: kerst duurt niet twee dagen. Het feest telt twáálf dagen. Twaalf? Ja, twaalf. En als je een echte hardliner bent, kun je doortellen tot veertig dagen: tot aan twee februari. Ik ken iemand die de kerstboom na Pasen nog had staan. Maar dat was uit gezelligheid, en dat is iets anders.

Kerst, de christelijke variant daarvan, heeft in wezen niets met gezelligheid. Voor een dominee is dat ieder jaar opnieuw een heel gedoe. Het midwinterfeest is gezellig. Kerst is dat niet. Of zou het niet moeten zijn. Niet allereerst.

Wat zingen de christelijke kerstliederen? Ook de meest zoete? “Wereld, verloren in schuld”, “kyrië- eleis”, “Hij daalde neer van ’s Vaders troon.” En het scherpste: “Maar wie dit kindje kussen wil

En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,

Om in het volgende couplet nog meer de bitterheid van het leven op te zoeken

en daarna met Hem sterven,
om geest’lijk op te staan
en ’t leven te verwerven,
gelijk Hij heeft gedaan.
Bij de kerstkalkoen is het moeilijk sterven. Of er moet iets mis zijn geweest met het recept.
De kerstliederen hebben beter begrepen waar het om gaat, dan veel kerstsfeer voor waar wil hebben: dat er nood is, dat er schuld is, dat er pijn is, dat deze wereld geen paradijs is. En dat daar een roep van uit gaat. Dat het lijden van mensen om een antwoord roept. Om een heling, een aanwezigheid. Dat het niet mag verdwijnen zonder gezien of gehoord te zijn.
G’d antwoordt: Ik zal er zijn. Ik zal horen, ik zal zien, ik zal dragen
Je leest het in Lucas. Over de nacht, waarin herders waakten (prachtig beeld: er zijn mensen die de nacht doorstáán). En over Bethlehem, de stad die Huis van Brood heet. Wat is het brood? Het kind dat zich geeft.
G’d daalt af tot onder de planken van het wereldtoneel, schreef Oepke Noordmans ooit. Dat er draagkracht is, waar je dat niet dacht. Dat jij dus kunt zijn waar je dat niet had gedacht. Dat het misschien wel onze roeping is om dáár te zijn waar niemand zijn kan. Wat het ons ook kost.
De eerste twee dagen van kerst komen we daar niet zo aan toe. We scheppen een eigen hemel van vriendschap en familieliefde. Dat is niet niks. Maar het is niet kerst. Het is een vluchtheuveltje tegen de wereld. Ernst Daniël Smid zei op de radio: ‘even alle zorgen opzij’ Derde kerstdag zijn de zorgen er weer.
Dus zul je er toch iets mee moeten. Wat je weg werkt komt later met grotere kracht terug.
Tweede kerstdag leest de kerk de geschiedenis van Stefanus. De man diende mensen en volgde de Heer. Hij beleed dat het licht van Christus schijnen kan en schijnen zal. Hij werd gedood. Zijn naam betekent “Overwinningskrans”.  Wat? Overwinningskrans. Waarom? Omdat hij het juiste had gekozen.
Op vierde kerstdag leest de kerk de verschrikkelijke geschiedenis van de moord op honderden kinderen in Bethlehem. Omdat Herodes, de koning, bang was zijn macht te verliezen. Zo ver kan een mens dus zinken. Het lezen van de geschiedenis is al ruimte scheppen voor G’d. En willen horen naar al die plaatsen waar nòg kinderen het onderspit delven. Aleppo, Sierra-Leone, Bolivia. Dichterbij: als kinderen worden verwaarloosd, mishandeld, misbruikt.
Op de zevende kerstdag leest de kerk uit Romeinen 3. Het felle stuk over onze dood. Wij zijn het die deze wereld maken zoals die is. Wij verwaarlozen kinderen. Het zijn niet de aliëns onder ons die keer op keer oorlog bedenken.”Maar”, vervolgt Paulus: “buiten elke regel, redelijkheid en logica om (nomos) is nu de Heer verschenen.” Ondanks het duister is ook, altijd, het licht. Omdat er duister is, zal er ook altijd licht zijn.
Op 1 januari, achtste dag van kerst, leest de kerk over de besnijdenis van de Heer. Zijn toewijding aan de G’d die zegt: “Ik wel”.  “Op mij kun je aan” De toewijding snijdt. In ons.
Op de twaalfde kerstdag, 6 januari, leest de kerk over de magiërs. Magioi in het Grieks. Mensen die het leven in eigen hand willen houden. Zodra zij het kind op het spoor zijn, verdwijnt in de tekst (je vindt het in het Mattheus-evangelie) die aanduiding. Ze kunnen dan nog maar één ding: knielen.
Kerst gaat over: G’d die verschijnt.  Kerst vraagt: dat ook wíj verschijnen. Niet ontkennen. Niet wegduwen. Toelaten. Verstaan. Ja, zeggen.
Laat het feest daarom ook alle twaalf dagen duren. Al was het maar vanwege die laatste zin uit de Mattheuslezing: “door een droom gewaarschuwd, keerden zij niet terug naar Herodes, maar zij volgden een nieuwe weg.”
Nieuwe wegen vinden gaat niet zomaar in een dag.

 

Homohaat is niet altijd een vuistslag

Hun leven zou je zomaar geslaagd kunnen noemen. De een, Guido, is een geliefd professor kunstgeschiedenis in Londen, hij is getrouwd met een lieve vrouw en haar dochter, Leni, is zijn dochter geworden. Ze noemt hem “dad”. De ander, Costantino, runt een succesvol restaurant in Rome. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Een dochter en een gehandicapte zoon. Costantino is lief en zorgzaam voor hen alle drie.

Alle drie? Nee, voor alle vier. Voor zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon, èn voor Guido. “Zijn hand is teder als een bloem”,  schrijft Guido over hem. Maar die vierde liefde, die grote liefde, die mag er niet zijn. Kan er niet zijn. Moet er niet zijn. Een leven lang niet. Veertig jaar lang niet.

Guido en Costantino, beiden zijn Italiaan, beiden geboren in Rome, ze waren ooit buurjongens van elkaar, ze zijn van mijn leeftijd. Niemand heeft ooit rechtstreeks tegen hen gezegd, dat het niet kon. Zo werkt het niet, met homohaat. Het woord, haat, is een te grote jas. Voor een duivel die misschien klein is. Maar wel verwoestend aanwezig. Dat hij er niet mocht zijn heeft Guido begrepen “via de lucht”.  Dat laatste verzin ik een beetje, het komt uit eigen ervaring weggelopen. Je proeft het in de verwachtingen die tussen mensen rondzweven. Alle tienerjongens beginnen met tienermeisjes te flikflooien, te slijpen op muziek tijdens een klasseavond. Maar jij niet. Het valt niet op. Je weet: het valt op een dag wel op. Heb jij nog geen…? Nee, ik heb nog geen meisje. En je wacht op de onverholen honende toon in het antwoord: “Zeg, je bent toch geen…”  Nee zeg, ik ben geen.

De liefde van de mannen gaat ondergronds. Ze ontmoeten elkaar. In hotels, auto’s, bossen, parken. Het blust, voor even,hun hunkering, het wakkert, voor altijd, hun hunkering aan. Het wakkert nog meer aan: hun zelf-haat. Guido begint te drinken. Verliest zichzelf in een hoerenkast. Zegt later: “Nee, Costantino ik heb het nooit met een andere man gedaan.” Nog meer zelf-haat.

Homo-haat is lang niet altijd een slag in je gezicht. Het is een zure regen die miezerig en motterig op je neerdaalt. Die je meeneemt en kleiner maakt. Het zit in de blikken op een familiedag, verre familie die je zelden ziet. Het zit in het beginnen te mijden van zulke dagen. Het zit hem in een briefje in een damesblad “Ik heb niets tegen homo’s, maar …” Het zit in de stilte die valt als een kerkenraad ontdekt dat de man die jou rijdt, niet jouw chauffeur is, zomaar. Het zit hem in: daarna nooit meer gevraagd worden. Ineens. Het zit hem in: “Oh, maar jullie zijn een heel gewoon stel.” En het verzwegen: “Niet zoals die anderen”.  Welke anderen? Ik ben één van ‘die anderen’!

Homohaat lijkt een veel te groot woord. Terwijl de kracht hatelijk vernietigend is. De eindeloze discussies in de kerk, dat je er wel mag zijn, maar het niet mag doen. Dàt is het verwoestende. Dat je twee levens krijgt, als je niet oppast. Eén voor de buitenwereld. Eén voor binnen, als de voordeur dicht gaat.

Het zit ‘m in: “Uw vader ligt weer op de uitslaapkamer”, als je belt naar het ziekenhuis met de vraag “Hoe de operatie van mijn man is gegaan.”

Toen mijn man, jaren geleden, een nare uitslag had gekregen, omhelsden we elkaar in de wachtkamer. Juist kwam de arts naar buiten. Ze wilde ons wegsturen: ze zei “O nee, dit wil ik hier niet hebben.”

Homohaat is een moeras. Dat niet zomaar is droog te leggen. Van waaruit ineens giftig gas omhoog borrelt. Twee vrouwen die in Groningen tegen de grond worden geslagen onder de kreet “Plat op plat, dat vult geen gat.” Een man die in de metro in elkaar wordt getrapt “omdat hij erg gay keek”.

Op de dag dat Guido en Costantino besluiten dat het afgelopen moet zijn met hun onderwereld, op de dag dat Guido zegt “Ik schaam mij niet meer.”, op die dag worden zij beiden in elkaar geslagen.

Iemand schreef deze week: natuurlijk mag geweld tegen homo’s niet, maar ik onderscheid de leer van de Kerk daarvan. Hij bedoelde de leer van de Rooms-Katholieke Kerk. Dat je er wel mag zijn, maar..

Er is geen onderscheid. In het moeras wacht het gif. En het wil naar buiten.

Over Schittering,

de achtste roman van Margaret Mazzantini

 

Geneigd tot alle kwaad, of hoe zit dat nou?

“Alle regels worden op een bepaald moment wel door iemand overtreden”,  schreef Beatrijs Ritsema als troost aan iemand die zich stoorde aan wildplassende mannen. Nu zie ik nooit een man zomaar zijn blaas tegen boom of muur legen, nou ja vooruit: een enkele keer langs de kant van de weg ofzo, maar briefschrijfster (ja, sorry mijn negentiende eeuwse hoofd denkt toch die kant op) had de indruk dat het wildplassen tsunami-achtige vormen begon aan te nemen. “Kun je niet tegen houden”, was het korte, droge commentaar van Beatrijs (hier)

Ik vond het wel mooi. Vooral, omdat ze in een notendop ons menselijk probleem bij de kop had. “Zo zit de mensheid in elkaar”, voegde ze er aan toe. Ik dacht: “zie nou, zondag 3, 4 en 5 in één regel samengevat”. Bert Keizer zou zeggen: “We zijn niet de leukste diersoort, helaas.”

Maar is het ook waar? Ik bedoel: ja – mensen zijn tot alles in staat wat gruwelijk is. Zesmiljoen keer zag de mensheid er geen enkel been in om een jood of jodin te vermoorden. Pol-Pot, Stalin en Mao vermoordden maar liefst twee honderd miljoen keer een mens. Twee! Honderd! Miljoen! Keer! De “War on terror” kostte 700.000 levens. En dan zwijg ik maar over de 6,6 miljard dollar die er mee gemoeid is tot nog toe. Of toch niet helemaal, ik zwijg niet helemaal: zouden de VS er nou niet iets leukers mee hebben kunnen doen? Iets waarmee ze zich populair hadden gemaakt in het Midden-Oosten? Ik weet niet: gratis wifi voor iedereen, ofzo. Of drinkwater, schoon drinkwater voor alle dorpen op alle plaatsen in de wereld? Had vast geen 6,6 miljard gekost. Maar nee. “We” kozen ervoor om met dit geld mensen dood te schieten. Ha fijn.

Dus ja: de mens als zodanig is geneigd alles te doen wat je maar kunt verzinnen aan narigheid. Goed doen lijkt wel pijn te doen.

Of niet? Vanmorgen een verhaaltje in de krant (die Wakkere voor Heel Nederland). Een man van in de negentig verloor zijn inkomen, doordat zijn dochter – die nog kon werken- gestorven was. Hij moest van pure armoe de straat op met een ijscokarretje. Ik ga even voorbij aan de treurigheid van deze feiten. Het gaat mij hier om: een voorbijganger zag hem en kocht zijn hele dagvoorraad. Ijscoverkoper in tranen, zo blij. Maar daar bleef het niet bij. De voorbijganger vond, terecht, dat oude mensen lekker in het zonnetje moesten kunnen zitten, al dan niet achter de geraniums en postte er iets over op Fb. Feestboek, inderdaad. Hij dacht drieduizend dollar op te halen. Binnen een niet eens zo lange tijd stond er 320.000 dollar op de rekening. De oude man hoeft nooit meer de straat op met een ijswagentje.

Zo héél beroerd is de mens dus ook weer niet. Tenzij de FB-mijnheer de 320.000 dollar in zijn eigen zak steekt. Wat niet uitgesloten is “want zo zit de mensheid in elkaar”.

Of toch niet? Zitten wij alleen maar zo in elkaar als we ons onbespied wanen? Als we denken “niemand kijkt”? Of als we ons, zoals Pol-Pot, of Mao, onaantastbaar wanen “ik heb er recht op, dit komt mij toe?” Ik vraag maar eens wat. Ik weet het niet helemaal zeker.

Paulus zegt, dat de rottigheid onze natuur is (Paulus was een ietwat late leerling van Jezus). Maar goed hij had dan ook zèlf mensen laten vermoorden. Ik snap dat hij dat van zichzelf vond. En ik herken het.

Ik herken het ook weer niet. Ik vind de meeste mensen eigenlijk best leuk. Ze hebben wel eens iets stekeligs. Maar om nou te zeggen: “alle mensen die ik ken zijn de hele dag maar bezig slecht te doen”. Nee.

Nog niet zo lang geleden zei een vader van een zieke dochter “je wilt niet geloven hoeveel aardige mensen er zijn”. Hij had veel hulp gekregen. Soms werkelijk onvoorstelbaar lieve, leuke en mooie hulp.

Misschien spreken we elkaar te weinig aan op elkaars mooie, leuke en aardige kanten? Als er altijd maar tegen je gezegd wordt dat je een naarling bent, ja dan word je er ook wel een. Al was het maar uit stille wraak.

Misschien moeten we eens een soort gekozen naiviteit aannemen? Dat we de ander bezien en benaderen als een leuk mens. Met mogelijkheden. En creativiteit. En leukigheid. Dat we zeggen: Elk mens is leuk. Zelfs niet-leuke mensen hebben iets leuks.

Ik zag vorige week iets bijzonders. Het duurde slechts een paar seconden. Midden in dat verschrikkelijke, mislukte, hanepikkerige gesprek van Jeroen Pauw met de vloggers uit Zaandam, zei raadslid Juliëtte Rot: “Ik zie in jullie groep zo veel talent, rappers, mensen met scholing, doe daar iets mee!”  Toen viel het gesprek heel even stil. De vlogger-zonder-bril glimlachte flauwtjes. Rot zag en benoemde: “Hej, je bent zó’n leuk iemand!”

Daarna brak het wantrouwen weer uit. Want tsja, de mens is nu eenmaal geneigd,

of niet?

Et Dieu crea la femme

En zo wordt het lichaam van de vrouw weer gekolonialiseerd door de man. Premier Valls en Franse burgemeesters in zijn voetspoor vinden dat vrije vrouwen op het strand natuurlijk vrouwen in bikini zijn. Een lapje meer is verdacht. Twee lapjes meer riekt naar onderdrukking. Bij drie lapjes meer, rukt de Franse rechtsstaat uit. Zou iemand willen weten, eigenlijk wat de vrouwen er zèlf van vinden?

We wijzen naar de Oosterse Man. Die heeft het gedaan. Die dwingt de vrouw zich te verbergen. En de Westerse Man? Laat die de vrouw zijn die ze is?

Wij keken onlangs per ongeluk een avondje RTL-8. Ja, zoiets overkomt je wel eens. Het was waarlijk een openbaring. Elk kwartier werd ons tien minuten lang uitgelegd hoe onbetrouwbaar het vrouwenlichaam is. Het drupt, voordat je het weet. Het riekt, wanneer je er niet op bedacht bent. Het laat haar groeien op griezelige plekken als benen en (oeioei!) oksels. Het zakt uit bij het ouder worden. Het wil altijd maar te dik zijn. Het heeft probleemhaar op plaatsen waar je wèl haar wilt (op je hoofd). Dooie punten, dor, futloos, droog. We begrepen het: als vrouw ga je als wrak door het leven.

Gelukkig heeft de man daar wat op gevonden. Nee, geen burka. Hoewel het me een geweldige remedie lijkt tegen alle genoemde problemen, is dit de Westerse Man toch iets te onsubtiel. De Westerse Men heeft wat anders voor u, dames: poeders, pillen, luiers, zalfjes, shampoos, verstevigde BH’s en wat niet al.

Louis Theroux maakte een reportage over de wereld van de plastische chirurgie. Tachtig procent van de cliënten zijn vrouwen. Hij volgde er enkele. Eén vrouw licht ik hier uit: een mooie vrouw. Oh, nee, pardon: ze had een “ernstig voorhoofd” en haar “borsten waren niet helemaal symmetrisch” en nog wat ongemakken. Niet mooi dus. En dat was een probleem. Want daardoor had ze een knipperlicht relatie. Dat begreep ze wel. Ze was niet mooi genoeg. Toen ze een paar maanden later helemaal opgepimpt was met borsten als meloenen, wilde haar knipperlichtvriend haar wel. Ik was benieuwd wat voor goddelijkheid die man dan was. Hij kwam voor de camera. Ik dacht: Oh ja. Zo’n man. Met zo’n vergeten lichaam. Maar zíj voldeed niet.

We zijn sinds de dagen van Augustinus (vierde eeuw) niet veel opgeschoten. Het lichaam is een onding. Het vrouwenlichaam is nog véél ondingeriger. Het mag alleen zichtbaar zijn als het slank is, symmetrisch is, gestyled is, jong is, strak is en ( vrees ik) blank is. Oh ja, en als het niet ruikt, natuurlijk. Vrouwen mogen vooral niet ruiken. Wij? Wij dwingen de vrouwen in een ideaalbeeld waaraan zij niet voldoen kan en waaraan zij niet hoeft te voldoen. Vrouwen zijn vrouwen en zo zijn ze mooi.

Been van mijn gebeente, weet je nog. En vlees van mijn vlees.

Beter nog: vrouwen zijn van zichzelf.

Of ze nu in bikini lopen. Of in een burkini

Bemoeien wij ons wel met onze eigen te dikke buik, heren.

 

Natuur schepping? Dacht het niet.

 

De middeleeuwer wist het wel. Schepping: dat is de kruidentuin in de kloosterhof. In het midden van de wandelgangen waarin hij bad en mediteerde, schiep de monnik een wereld van orde. Vier kwarten, naar de vier windstreken, en daarin giftige, helende, nuttige en sierlijke gewassen, planten, kruiden en groenten. Alles geordend “naar hun aard”. Alles op de juiste plek.

Buiten de kloosterhof heersten chaos, wolven, ziekten, de plotselinge dood, honger, droogte, struikrovers, brand, botbreuken, demonen. Tohuwabohu.

De gedachte dat de natuur de schepping was, kwam eeuwen na hem op. In het hoofd van de dromerige edelman die in de wouden over de bergen het maanlicht zag schijnen en zich daar heel bijzonder bij ging voelen. Die genoeg geld had om het vanuit zijn jachthuis te bekijken.

Natuurlijk: de gelovige middeleeuwer was er van overtuigd dat hemel en aarde door God in elkaar waren geknutseld. Maar dat was niet het interessante. Interessant werd het pas, als die wereld voor de mens bewoonbaar werd.

Dat is ze niet van zichzelf, bewoonbaar. Dat ligt aan ons, vederloze, klauwloze, vachtloze wezens. En aan de wereld. Die moraalloze. gewetensloze werkelijkheid. Het kan de wereld niets schelen of er mensen wonen aan de kust.Ze gooit er gedachtenloos torenhoge golven zee over heen. En luistert niet, als mensen met hun laatste adem om genade roepen.

Het kan de wereld niet schelen, of er mensen wonen op de vulcaanhelling. Ze strooit er gedachtenloos meters kokende lava overheen. En luistert niet.

Schepping is wat zó geordend wordt, dat er te leven valt. Schepping is een toneel, getimmerd van het hout uit het bos, waarop ons leven wordt gespeeld.

Vóór ons huis geselt de regen in striemen de straat, vandaag. Achter ons huis ligt een tuin, door hoge hagen omgeven. De wind is er getemperd, de regen valt er met minder venijn. Daar kunnen rozen groeien. We snoeien dagelijks, wieden, zaaien, begieteren. Eén moment van onoplettendheid en de dood treedt de hof binnen. Laat de fuchsia haar bloemen vallen. Slaat het gras bruin uit.

Schepping is: dat de chaos niet alles overneemt. Omdat er een woord werd gevonden waar je mee verder kunt. God zei. Staat er in Genesis 1.  Mensen houden zich vast aan een plan, een orde. Iemand sprak woorden die je troostten. Iemand sprak woorden die je er van langs gaven. Iemand sprak woorden die je in beweging zetten. Jij zelf sprak woorden. En daar ging je.

Schepping is: je dacht na je echtscheiding: “Ik ga me bedrinken.” En maanden later kwam je tot de ontdekking, dat je toch was gaan opruimen. Je stopte op een ochtend de lege flessen in een krat en bracht ze weg. Naar de glasbak.

Het leven nam de ondergang over.En dat is een groot wonder. De monnik bouwde niet zonder reden de wandelgangen om zijn tuin. Het wonder omgeeft alles.

Schepping is: na elke oorlog staan weer mensen op die de rommel enigszins aan kant gaan brengen. Grafen delven voor de doden. Huizen bouwen voor de overlevenden. Monnikenwerk. Maar ze doen het.

Twee weken na een verwoestende orkaan over de Filippijnen, hadden de vissers aan de kust her en der al weer onderkomens neergezet van het afvalhout en gevonden puin. Aan één van de hutjes hing een kartonnetje. “Kauwgom te koop”,  stond er op. Kauwgom!

Het is de romanticus  die de zaak ging verwarren. Hij haalde schepping en natuur door elkaar. In zijn fatale vergissing te denken dat de aarde lief, goed, zacht en aardig is. De romanticus dacht, dat de zee hem een verhaal te vertellen had. De zee zegt niets, de zee zwijgt. En zelfs dat niet. De kijker, díe vertelt het verhaal.

Schepping is mensenwerk.

 

God in Nederland, God uit Nederland?

kerk

Al een week staart het onderzoek “God in Nederland 2016” mij aan. Wat moet ik er van vinden, dat het aantal kerkelijk betrokkenen daalt? Dat “de Nederlandse cultuur niet christelijk meer is”, zoals commentaren overal melden. Moet ik het erg vinden? Moet ik er überhaupt een mening over hebben?

Ik weet het niet.

Ik deel niet in de opgewonden stemmen dat het secularisme nu gewonnen heeft. Ik deel evenmin in de opgetogen gedachte dat het nu beter wordt. Een samenleving zonder kerk is niet mijn wereld. Ik kijk er niet naar uit, dat de verhalen van Abraham, Rebekka, Mozes, Deborah, David, Jezus, Maria Magdalena, dat die uit onze samenleving verdwijnen.

Ik stond voor het enorme schilderij “Bathseba” van Rembrandt. Hij toonde haar met een brief in haar hand. En in haar ogen schilderde hij het ondeelbare moment tussen gevleid-zijn en gekrenkt-zijn. Gevleid dat David haar schrijft, gekwetst dat David haar schrijft. Ik dacht: “Maar wie verstaat dit schilderij nog, als we het verhaal niet meer kennen”?

Ik begrijp de opgewekte commentaren op het onderzoek niet.

Aan de andere kant: ik deel ook de treurnis niet.Ik heb niet de behoefte om te gaan roepen, “dat de kerk heeft gefaald” of “dat het nu allemaal anders moet”. Het is wat het is. Wie ogen en oren open heeft in de gemeentes weet al lang wat er gaande is. In mijn geboortedorp waren in mijn jeugd zes protestantse gemeentes. Over één daarvan schreef iemand vijftien jaar geleden in de Volkskrant, dat je op tijd moest zijn om er een zitplaats te kunnen vinden. Nu is nog één protestantse gemeente. En eentje die op het punt staat te scheuren of om te vallen. Dan valt een teruggang van vijftig procent in tien jaar nòg mee.

Raakt het me niet? Ja, het raakt me wel – de achteruitgang. Kerk is gemeenschap zijn, verbondenheid zoeken met mensen met wie je geen natuurlijke verbondenheid voelt, bruggen bouwen, door-één-deur-willen-gaan-met-wie-je-niet-zomaar-door-één-deur-gaat. Als er steeds minder zijn om mee door die deur te gaan, dan voelt dat op z’n minst vreemd.

En ja, ik stel me wel eens voor dat ik ooit als oud baasje in een verpleeghuis woon als een soort curiosum. “Dat is er nog één” “Goh, bestáán ze dan nog?” En dat dan niemand een idee heeft waar het in het christelijk geloof om ging. “Ze waren tegen homo’s, meen ik.” Het lokt me, opnieuw, niet aan.

Ergens anders raakt het me niet. En dat vind ik vreemd van mezelf. Zo veel mensen hebben gereageerd. Waarom ik niet?

Ik denk: “Er schijnen in Nederland ook heel weinig cricket-spelers te zijn. Maar ik heb niet de indruk dat hen dat stoort.” Ze spelen hun spel, ze hebben er plezier in. Ze hebben niet het idee dat hun spelregels er niet toe doen, omdat bijna niemand ze kent. Ze spelen en ze spelen precies. Waarom zou ik dan een big fuzz maken van een kleine kerk?

Ik begrijp wel: de kerk is geen cricketclub. De kerk heeft een verleden met veel leden. En in de kerk gaat het om waarheid. Kuch: de waarheid. Dat maakt het toch wat complexer.

Maar

dan hier de maar: ik heb nooit geloofd, dat de kerk een machtsfactor moest zijn. Ik huiver zelfs voor een kerk in een meerderheidspositie. Kerk en macht, dat wordt altijd narigheid. Een menselijke waarheid die met een kerkelijk stempel ineens de ene grote waarheid voor iedereen wordt. Nee, dank je wel.

Ik heb ook nooit geloofd, dat een samenleving “christelijk” moest zijn. Wat is een christelijke samenleving? Dat iedere man getrouwd is met één vrouw? Dat er regels worden opgesteld om iedereen “christelijk” te houden? Nogmaals: dank je.

Ik ben deelgenoot van de kerk om slechts één reden. Die reden heeft een naam: Jezus. Zijn direktheid en helderheid van leven raakt mij. Op een manier van: daar wil ik van leren. Ik wil mij koesteren in Zijn bestaan. Ik wil er door worden meegenomen en ik wil het zelf meenemen. Die band – die geraaktheid, volgens mij is dat wat de kerk tot kerk maakt. De Kerk is de kring van mensen die zich rondom Jezus verzamelen. Voor wie Zijn woord, handelen, verlangen,  en beminnen de waarheid is. En die dat met plezier en precisie willen leven.

Al het andere is slechts bijzaak. Dus óók hoe groot of hoe klein die kring is.

Sex en angst.

Zitten angst en sex soms heel onhandig op dezelfde hersencel?

Waarom moest er “een piemel in” bij de vrouw die het in Steenbergen opnam vóór gastvrijheid aan asielzoekers? “Sla dat wijf dood!” zou ik nog kunnen begrijpen. Niet dat ik zo’n doodslag aanmoedig, of op zich zou snappen, maar dat mensen willen doden wie ze niet willen horen, daar zie ik wel enige logica in. Maar “een piemel er in”?

Er hangen her en der in Nederland spandoeken met een deze tekst “De buitenlander met zijn grote zak, grijpt uw dochter met gemak”. Het metrum kan ik bewonderen, de inhoud stelt mij voor grote raadsels. Heeft deze poëet alle mannenzakken gemeten? Of is er een studie naar de verhouding tussen de grootte van de balzak en de kans op verkrachtingen? Veel vragen, geen antwoord. Behalve dan, dat het dit keer eens niet over zwarte Piet ging.

Steeds is er met vreemdelingen het gerucht meegekomen, dat ze sexueel pervers zijn. De Fransen brachten sodomie het land binnen, in 1672 en nog een keer in 1795. Daarvoor waren de Lage Landen volstrekt kuis. Dat u het maar weet.

Of anders waren het de Joden wel, altijd mikpunt van aggressie. Die grepen elk maagdelijk meisje dat zij maar zagen. En deden er de verschrikkelijkste dingen mee. Zo dat de Kamasutra erbij verbleekt tot een keurig damesblaadje.

Cijfers onderbouwden de stellingen trouwens nooit. Ook niet met terugwerkende kracht of archiefonderzoek.

Het raadsel moet in de mensen zelf zitten.

In hun angst en in hun verlangen.

Die twee zitten in elk geval wel op één hersencel. Daar hoef je niet eens een grote Freudiaan voor te zijn. Je angst keert zich vaak tegen je eigen verlangen. Om in een variant op Paulus te spreken: Ik ben bang voor wat ik het liefste zou doen.

Of – ik ben bang dat ik ga doen waarvan ik weet dat ik het niet mag doen. Meisjes aanvallen.

Seks is soms een vreemde in ons eigen lijf. Het wil dingen, die ik niet wil. Het wil het met een angstaanjagende oerkracht. Het houdt niet op. En tegelijkertijd is mijn seksueel verlangen, wel het míjne. Jij hebt het niet in mij geplant. Nou ja, soms dus wel. Ik zie jou. En dan wil ik dingen die ik niet wil. Arme ik.

Het is veel gemakkelijker om dat wat ik niet wil terwijl ik het wil op een ander te plakken. Dan kan ik hem wegsturen.

Ik kan nog iets: hem voor zijn

en aan hem doen

waarvan ik dacht, dat hij het aan mij zou willen doen:

dat wat ik dus ten diepste zelf wilde.

Uhm. Was u er nog?

We lazen Genesis 19, vorige week.

Twee vreemdelingen komen de stad Sodom binnen. Een man met de naam Lot woont daar ook en doet veel moeite om de mannen hartelijk in zijn huis te ontvangen. De stad hoort er van en raakt er van overstuur. Het woord vreemde gaat resoneren. En dat naar buiten moet komen wat verborgen is. Waarvan de stad denkt, dat het verborgen is.

“Wij willen hen leren kennen” roepen de mannen van de stad. (Zouden vrouwen dit nu ook herkennen? Of is dit echt een uitzonderlijk mannenstukje?). Ze gebruiken het werkwoord “jada”. De schrijver doet dat. Hetzelfde woord, waarvan de Statenvertalers maken, dat Adam Eva “bekende”. Nou dan weet je het wel. Ze willen de vreemdelingen de kleren van het lijf vragen. En daarna nog een stapje verder.

Ik ben bang

bang voor de vreemde

de vreemde huist in mij

zoiets.

Voordat die vreemdelingen het in hun hoofd zouden kunnen halen òns te verkrachten, zullen wij hen “eens flink te pakken nemen”,  vertaalt de Bijbel in Gewone Taal. Knap gevonden. Zo is het: ik pak jou.

En God?

Ja. Nou.

De lezer weet: die twee mannen, die vreemden, in hen nadert God.

Waarom Lot hen ontvangt? Het klinkt walgend uit de monden van de mannen van Sodom: “Jij bent zelf ook een vreemde.”

Vreemde meets vreemde. Vreemde heet vreemde welkom.

Sex en angst. Zitten misschien niet helemaal op één hersencel, maar ze zitten wel dicht bij elkaar. Volgens mij kunnen we dat maar beter erkennen, dan willen uitbannen.

Ik zou angst en vreemdheid kunnen omarmen, beide. Lot zijn voor mijzelf.

Als ik het vreemde in mij omarm, als ware het een godsgezant, dan zou ik ook de vreemdeling in mijn stad kunnen omarmen. Daar ben ik van overtuigd.

Want die grote zak, dat ben ik

soms.