Zingend van verlangen.

Waar komt het toch vandaan? Dat verlangen in mij?

Dromen worden ons voorgeschoteld in honderden vormen. Je zou gelukkig zijn, als je een huis in Frankrijk had. Je zou gelukkig zijn, als je een boot kon kopen. Of anders wel als je deze shampoo gebruikte: nooit meer droge haarpunten! Dat zou ik ook wel willen, probleemloos haar.

Daarachter ligt een diepere zucht: dat ik helemaal anders was. Lichter. Zuiverder. Zonder al die lelijke woorden in mijn taal, in mijn gedachten, in mijn hoofd. Ik zou wel een probleemloze ziel willen. Is daar ook een shampoo voor?

De vrede is een beetje uit, tegenwoordig. We demonstreren niet meer op straat met borden en slogans. En toch broeit het van binnen. Of deze wereld anders kan. Dat het niet meer zo is, dat ik hier een banaan koop, waardoor aan de andere kant van de wereld gezinnen verdreven worden van hun land, gedwongen worden voor een bananenproducent te werken en nu met een veel te kwistige gifspuit de schadelijke dieren, maar ook hun eigen vruchtbaarheid staat weg te spuiten. Er is nog iets meer, dan droge haarpunten.

Het zingt in mij en laat mij geen rust. Nooit zal ik het bereiken. En toch word ik getrokken om iets te ondernemen.

Een vidiootje hieronder. “One day I’ll fly away”. Nicole Kidman, zong het ooit in een rode jurk. Ook mooi. Hier zingt Randy Crawford het lied. Uit haar klinken de woorden bitterder, en zoeter. Dat je op een dag je dromen achter je zult laten. En een nieuw land zult bereiken. Ze vlamt je verlangen aan: kijk maar

Advertenties

Lijden bestaat en is toch niet beslissend over mij.

MAU01_0253_WDe Bijbelse geschriften gaan uit van een breuk. Dat is niet zo gek: ze vinden er hun oorsprong in. Ze zijn niet thuis bij de brandende haard geschreven, maar buiten, zonder dak boven je hoofd en geen zicht op enige verandering daarin. De kinderen van Israël – de vroedvrouwen van de schriften- waren verdreven uit hun eigen land. En alles wat hun vertrouwd was, hun tempel, hun koningshuis, hun hoofdstad, was verdwenen. De vraag kwam op, hoe dit kon gebeuren?

Vooronderstelling: er zit enige samenhang in gebeurtenissen

vooronderstelling 2: er is enige rechtvaardigheid onder de hemel.

En toch: het is hier geen doorlopend feest.

Ik vind het troostrijk, dat mijn ervaring de ervaring van velen is. Ik ben dus niet helemaal gek. Pijn is pijn. Zo is het door velen vóór mij ervaren. En ze hebben de weerslag daarvan op papier gezet. Voor mij zijn deze -Bijbelse- teksten daardoor zoveel sterker, dan de geschriften van Plato, die goed gesoigneerde en gecultuveerde inwoner van de stadstaat Athene. Zijn wereld was er één van sloffen aan je voeten en moeder die een kopje warme chocolademelk komt brengen. Al zal het bij hem wel een kom mede zijn geweest. De kinderen van Israël, nogmaals, hadden hun moeder verloren.

Hun antwoord laat meer vragen open, dan dat het beantwoord. We kennen het verhaal: Eva plukte een appel en Adam at er een hapje van mee. A real good story. Maar de vraag: hoe kon dit gebeuren, floept er ongeschonden doorheen. Gek: hebben mensen een vraag, vertellen ze een verhaal dat die vraag geniaal ontwijkt. (God komt niet ter zake, dicht Szymborska, God wìl niet ter zake komen.)

Toch zegt het verhaal genoeg: niet de godenwereld draagt schuld aan het lijden. Was dat wel zo, dan waren wij willoze slachtoffers van goddelijke grillen en dan konden wij dat maar beter beseffen. In Genesis krijgen wij de verantwoordelijkheid. Ik vind dat een even schurende als helende constatering. Schurend: omdat ik naar mijzelf moet kijken, volgens dit verhaal. Helend: ik zal zelf een antwoord kunnen zijn. Als ik ergens verantwoordelijk voor ben, dan kan ik er ook werkelijk iets mee.

Zo hebben de kinderen van Israël het wel ervaren. Uit hun midden stonden tientallen profeten op die het steeds herhaalden: jij kunt. De breuk is reëel, tastbaar en echt. En toch is het niet het laatste. Het laatste is jouw tegenwoord. Jouw inspiratie om verder te gaan. Jouw uhm, in oude woorden: bekering.

Wegen met het kwaad.

Het is hier niet ideaal. En welke weg we ook bewandelen: het wordt ook niet ideaal. Goed, het gaat beter dan in de eeuwen vóór ons; we gaan niet meer dood aan een longontsteking, de kindersterfte hebben we – in dit deel van de wereld althans- flink teruggebannen, we staan niet meer stijf van de reumatiek, er stroomt warm water uit de kraan, en met veertig jaar beginnen wij ons leven nog eens opnieuw. Er zijn eeuwen geweest, waarin die leeftijd zo’n beetje de eindstreep was. Als je niet al vóór je eerste levensjaar gestorven was.

En toch blijft ziekte ziekte en dood dood. Of we nu rijk zijn, of niet, of we nu geluk hebben in ons leven, of niet, of we nu met bravour leven of als bangeriken, deze waarheid delen we: niemand komt er gaaf of heel doorheen.

Daar ontspruiten de vragen. Hoe kan dat? Waarom kan het niet anders? Waarom is er kwaad? Waarom trof het deze ene, terwijl die andere vrolijk fluitend doorfietste?

Die vragen baren op hun beurt nieuwe vragen, als kinderen: als het leven dan toch op een dag stopt, waarom is het er dan überhaupt? Waarom zou ik mij druk maken over mijn bestaan, als ik toch dood ga? Wat kan mij het schelen, dat ik er ben? Tien jaar na mijn dood weet niemand meer wat de kleur van mijn ogen ook al weer was. Twintig jaar na mijn dood vervaagt de herinnering aan mijn naam – hoe heette hij ook maar weer. Dertig jaar na mijn dood wordt de steen op mijn graf opgeruimd en is alles van mij vergeten. Lekker dan.

Veel antwoorden zijn er niet te geven. Welk antwoord je ook maar geeft: het is gissen. We weten het niet. Niemand kan aan de andere kant gaan staan en zeggen: “O ja, maar nu zie ik het – het is daar en daar om.” We kunnen het leven alleen maar vanaf onze kant leven. Leven, lezen en interpreteren. Ook dat delen we met elkaar. In die zin zijn alle mensen gelovigen: we doen allemaal waarvan we geloven dat het zo het beste is. Ja toch?

De antwoorden die ik ken zijn, grofweg in vier groepen in te delen

1. Het kwaad is niet kwaad.

Deze bewering komt het meest voor, denk ik, in de nieuwe spiritualiteit. Vaak worden er wijze indianen bij aangehaald. Of anders heeft Barbara Streisand het wel voor ons gezongen: “There are no mistakes, just lessons to be learned.” Het is een even doorzichtige als effektieve herdefiniëring van het kwaad. Je geeft het gewoon een andere naam. De dood van iemand is niet pijnlijk. Jij ervaart haar als pijnlijk, maar als je het anders gaat beschouwen: dan zie je de harmonie of de logica en neemt de pijn af. Zonder schaduw geen licht. Je moet alles aanvaarden en je niet verzetten, want alles is ten diepste harmonie. Om zo ver te komen, moet je je emoties niet vertrouwen, maar loslaten. Je moet je ego overwinnen.

2. Het kwaad doet wel pijn, maar dient een doel.

Dit is een oude bekende, zowel in de nieuwe spiritualiteit als in verschillende christelijke stromingen. Het kwaad heeft zijn eigen plek. Het kan je wel pijnlijk treffen, maar wanneer je nog eens rustig kijkt, dan zul je zien dat het een doel diende. Je moest iets leren (daar is ‘ie weer!). Er moest iets groeien, doorgebroken worden, of herstellen. Binnen het Christelijk geloof bestaat het beeld van een tapijt. G’d knoopt een tapijt. Daarvoor moet Hij draden doorsnijden en andere draden met elkaar verbinden. Wij kijken tegen de achterkant van het tapijt en zien de losse eindjes. G’d echter ziet de bovenkant en begrijpt welke patronen Hij weeft. Op een dag zullen wij het ook zien. Je moet je niet toevertrouwen aan je pijn, maar je moet vertrouwen hebben.

3. Zonder kwaad geen werkelijkheid.

Binnen de filosofie is dit een sterke stroming. Ze erkent, dat deze werkelijkheid niet perfekt is, maar voegt eraan toe, dat het niet anders kan. Wit bestaat dankzij zwart. Kwaad bestaat dankzij het goede. Dood bestaat dankzij het leven. Er kan geen leven zijn, zonder een aanval daarop. Geluk zonder dreigend ongeluk is geen geluk. Het is hier niet perfekt, maar een betere werkelijkheid is niet denkbaar. Je kunt je het beste maar verwonderen. Verwonderen, dat het zo is. In de verwondering verlies je de gedachte dat je het moest begrijpen. Er is niets te begrijpen. Je kunt slechts bestaan in deze dubbele realiteit, door haar in haar dubbelheid te aanvaarden. Michel de Montaigne is in het moderne Europa een van de vaders van deze gedachte.

4. Het kwaad dwingt ons tot positiebepaling.

In de christelijke ethiek is het kwaad vaak scherp onderscheiden van het goede. Deze tweedeling, hoewel die elders ook weer wordt afgezwakt, doortrekt veel van de bijbelse geschriften. Naast de dood staat het leven, naast de kwade bestaat het goede. Dit zijn echter geen gelijkwaardige grootheden. Niet zoals de filosofen dat beschouwen. Het kwaad is ook werkelijk kwaad: je gevoel klopt daarin wel. Je kunt haar vertrouwen. Tegelijk is dit waar: het pijnlijke is het enige niet.

Uit goed en kwaad gaat een stem uit. De stem van G’d. Dat je je inspant om het kwaad te mijden en het goede je toe te eigenen. De dood maakt, dat de dag van vandaag alle urgentie krijgt: er komt geen andere dag zoals deze van vandaag. Er is geen ander leven nu, dan dit wat je in je lijf voelt. Leef het leven. Het goede wijst op zichzelf en nodigt je uit. Het kwade wijst óók op het goede. Het goede is sterker dan het kwaad.  Ook al is het kwade pijnlijker.

Wat mij het meeste opvalt in deze antwoorden is dit: beschouw je de werkelijkheid als een harmonie (dan misleiden je gevoelens je), of beschouw je de werkelijkheid als gebroken (dan zijn je emoties juist en wijzen ze je de weg).

 

De woede om de dood.

media_xl_306397

Ben ik niet bekeerd genoeg, dat ik de dood het grootste schandaal vind dat mensen wordt aangedaan? Elke keer, wanneer een mens sterft, kookt het in mij. Ik begrijp het niet goed, wanneer iemand zegt: “Ach, de dood hoort bij het leven.” Hoe kan de dood nou bij het leven horen? De dood verwoest het leven. Jaren leer je, oefen je, val je en sta je op om te worden wie je uiteindelijk bent. En dan nòg ontwikkel je je verder. Waarvoor? Om dood te gaan? Ik vind het een rotstreek.

Mij troost je ook niet direkt met de gedachte “dat zij nu in de hemel zijn.” En zeker niet met de uitspraak: “Dat ze het nu veel beter hebben.” Hoe zouden zij van wie ik houd het ooit beter kunnen hebben, dan hier, bij mij? Op mij komt het toch over, alsof je tegen een bedrogen echtgenote verklaart: “dat hij nu bij die ander veel gelukkiger is.” Ik wil mijn doden niet gelukkig hebben waar ik niet ben. Ik mis ze. Ik mis hun stem, hun bewegingen, de geur van hun haar, de klank van hun lachen. Ik mis zelfs, waar ik ze vroeger zo om heb verafschuwd: hun onhebbelijkheden, hun onmogelijkheden. hun dwarse en onophoudelijke “Ik-zijn”.

Psalm 30 troost mij wel. Het is een vlammende schreeuw tegen de dood. Een tirade aan G’d gericht. “Hebt u er iets aan, als ik dood ben?”, roept de psalmist tegen de deuren van G’ds huis. Het antwoord laat hij klinken in zijn driftig zwijgen: “Nee, ook u hebt niets aan gestorvenen!” vervolgt hij. Ze zijn stof. Ze kùnnen u niet loven. Ze hebben geen stem meer. De dichter hamert zijn gemis er in bij G’d. Moedig mens, dat hij zich zo woedend laat gaan. Wij zijn opgevoed en beschaafd. Tussen de muren van de rouwkamers fluisteren wij en vermanen wij met onze ogen wie zijn zelfs zijn lepeltje te luidruchtig op zijn koffiekopje terug legt. Wij ruisen stil in zwarte kleren.

De psalmist schreeuwt.  Roept zijn pijn uit.

9 U, HEER, roep ik aan,

u, Heer, smeek ik om genade.
10 Wat baat het u als ik sterf,
als ik afdaal in het graf?
Kan het stof u soms loven
en getuigen van uw trouw?

 

Ik lees en voel mij herkend. Deze dichter is blijkbaar ook niet zo bekeerd. Nu niet. Hier niet. Hij slaat zijn troost niet om mij heen als een wollen deken, stil maar. Hij nodigt mij uit te doen als hij: te schreeuwen tegen de donkere lucht op een koude avond. Deze hier begrijpt mij.

De psalm roept, tot hij begint te huilen. Tegen de dood kunnen wij niet op. Ik kan protesteren. Ik zal niets kunnen veranderen. De dood komt en gaat. Neemt mee, of laat liggen.

“Gij” zegt de psalmist uiteindelijk. Hij spreekt het woordje tegen G’d uit. En hij ademt open van binnen. En.. begint te zingen.

Ik ben elke keer weer verbaasd, verbijsterd. Wat gebeurt hier? Vanwaar deze aanvaarding, in de psalm? In – bijna-  elke psalm? De vechter vecht zich stil en geeft zich over. Aan wat?  Aan wie? Aan het leven. Aan het korte, vergankelijke leven. Aan het leven uit G’ds hand.

Ik blijf protesteren tegen de dood. En toch zal ik moeten leren leven met de gedachte. “Ook ik.” Dat is nog niet eens de ergste gedachte. Erger is deze: “Ook de mensen van wie ik houd sterven.”

Ik zal sterven, op een dag. Ik weet niet meer, wie het schreef, ooit: “Maar als ik sterf, dan in groot verzet. De dood zal mij wel krijgen. Maar de krassen van mijn nagels zullen op zijn gezicht staan.” Het leven is te mooi, om het zomaar weg te geven.

Wil je reageren? HIeronder een poll over de dood:

De economie van de weduwe.

Soms spat de actualiteit uit de Bijbelteksten. Ik weet wel, er zijn ook Bijbelteksten waar het stof van eeuwen op blijft liggen, hoe vaak je ze ook leest en herleest, maar andere staan springlevend voor je en spreken je aan, alsof ze vlak voor je neus geschreven werden. 1 Koningen 17 is zo’n verhaal. Er komt wat ogenschijnlijke hocus-pocus in voor. Van zo’n meelpotje dat alsmaar meel blijft geven. Lastig voor ons, no-nonsens publiek. Laten we er daarom voor even dit over afspreken: als bij de Harry Potterfilms tieners op een bezemsteel stappen voor een potje zwerkbal, dan is er niemand die vraagt om het bioscooplicht aan te draaien voor een discussie “of zoiets wel kan, of niet.” Je dompelt je onder in het verhaal en laat het daar doen wat het wil doen. Ja, toch?

Zo wil ik het Bijbelverhaal ook lezen. Het gaat niet om de vraag “hoe kan dat?” of  “heb je nog altijd potjes die voor eeuwig meel geven?”, maar het gaat om de vraag: wat wil het ons zeggen. En: wat ga je nu doen. Vooral dat laatste.

Wat is er nu zo aktueel aan 1 Koningen 17? Dit: er is een koning die druk doende is met welvaart, groei en voorspoed. Hij zoekt de kracht van zijn land in de kracht van geld. In hoofdstuk zestien heet het: de koning aanbad de Baäls, de Astartes en de heilige palen.

Over die palen vroeg professor Van der Woude ooit in een examen, wat hun betekenis was. Ik wist het niet. “Kom, kom mijnheer Van Dijk. Het zijn palen, ze staan rechtop. Wat kan dat nu zijn?”, moedigde hij mij aan.  Het begon mij enigszins te dagen. Ik was nog erg onschuldig in die tijd.

Okaye, die koning dus. Met zijn economie, zijn groei en zijn voorspoed. Hij lijkt het centrum van de wereld. Dat is hij ook: hij woont in Den …., o pardon, in Jeruzalem.

Het Bijbelverhaal zwenkt de spotlights echter een totaal andere kant op. Naar de periferie. Daar loopt een profeet. Elia. “Let nu op, wat hij gaat doen”, lijkt de bijbelschrijver ons te willen zeggen: “want hij doet wat waar is en leven geeft.”  Hij, niet de koning.  Elia, de profeet, hij gaat naar een weduwe. Toevallig uit dezelfde landstreek als de vrouw van de koning. De koning is er dus óók geweest, op die plek. Maar hij had er vooral de mooie vrouwen gezien. Elia ontmoet een weduwe. Ze heeft niet veel: nog een potje vol meel en een kruik vol olie. Genoeg om brood te bakken voor haarzelf en haar zoon. “Bij u moet ik zijn”, zegt de profeet.

Dat heeft hij niet van zichzelf. Die keuze, om bij de weduwe te willen zijn, komt voort uit zijn spiritualiteit, uit zijn visie op het leven en op wat belangrijk is. Zijn keuze komt voort uit G’d, zo zeggen de schriften.

10434522-havana-19-mei-oude-dames-met-sigaren-mei-19-2011-in-havana-iconic-personages-als-deze-zijn-een-attraOok de koning wordt door spiritualiteit gedreven. Door de spiritualiteit van “meer is beter”

Elia wijst met zijn aanwezigheid op de mensen die door de politiek van de koning zwak worden gemaakt. In de bijstand raken. Of buiten beeld vallen.

Bij de koning valt de weduwe uit het beeld. Zijn camera staat er niet op. Hij heeft er geen antenne voor

Bij Elia valt de koning uit beeld. Zijn camera staat op deze vrouw. Hij ziet haar. En hij ziet haar schoonheid.

En dan het wonder: bij de koning is het nooit genoeg en er is altijd tekort. Er moet altijd méér bij.

Bij Elia en de weduwe is er nooit tekort. Want zij hadden genoeg.

Zij zien elkaar.

Goed, blijft dus de vraag: wat zouden wij kunnen doen?

 

Het persoonlijke zet in beweging.

Is het persoonlijke mode? Je zou het soms denken. Er is een stortvloed aan emo-televisie. De camera zoemt in op tranen. Dat willen we hebben. Na drie uur “Zomergasten” kreeg Wouter Bos het verwijt ‘onecht’ te zijn, te veel schuil te gaan achter een imago. Hij wimpelde vragen af, waarvan hij vond dat ze te persoonlijk waren. We hadden liever oh-gaan-we-persoonlijk-wordende echte Wouter Bos gezien.

Een terecht verlangen? Sommige commentaren vinden het pornografisch.

Ik zou de vraag willen omdraaien: waarom zouden mensen zich schuil houden achter een rol?

Een nefroloog die ons begeleidde was steeds vakkundig, afstandelijk en zakelijk. We wisten nooit helemaal wat we aan haar hadden. Ook wij bewaarden afstand tot haar. Toen gebeurden er steeds grotere dingen. Mijn partner werd zieker en zieker. Ze stond bij zijn bed. Ze begon een toespraak over beleid, prognoses en verwachtingen. Ik moest mijn kop erbij houden om het allemaal te volgen. Ik dwaalde af. Mijn donkerste gedachten kregen vat op mij. Toen drongen ineens andere woorden door: “Ja, dit is moeilijk, hè? Ik weet het.” Ik keek opzij en zag een bewogen vrouw. Op dat moment dacht ik: dit komt goed.

Het persoonlijke beweegt meer, denk ik soms, dan het algemene. Omdat wij mensen persoonlijk zijn. Uitzonderlijk, daardoor afgezonderd van elk ander en toch uit op contact. Ik genees, wanneer jij weet waar ik ben. Jij ziet weer licht als een ander van binnenuit deelt wat jou raakt.

Willem-Alexander sprak over zijn moeder en over zijn broer. En wij dachten aan onze moeders en onze broers. En hoe veel, hoe rijk en hoe pijnlijk de verhalen zijn die wij met hen delen. Daarna kwam het beleid. De woorden stroomden aan ons voorbij als het geruis van de zee. Koopkrachtplaatjes en participatiemaatschappijen laten ons nogal onbewogen.

Wat gek nou, dat sommige dominees G’d dan toch onpersoonlijk willen hebben.

Een aardige koan van de Heer zelf.

Even je geheugen opfrissen: een koan is een uitspraak met een tegenstelling er in. Daardoor fascineert hij en blijft hij in je zijn werk doen. Cruyff was heel goed in zulke koans. Maar de Heer wist er ook wat van. Deze, over het kwaad en wat je er mee moet doen is wel een héél erg aardige:

Verzet u niet tegen wie u kwaad doet.

Jezus

 

 

 

Graan en onkruid.

“Onkruid is kruid dat op de verkeerde plaats staat”, preekte eens een statige, oudere, dame. We zaten, veertig keurig gekapte en geklede mensen, in de kloosterkerk van Ter Apel. Je kon je een wereld voorstellen waarin dat zo was. Als het kwade op een andere plek zou staan, dan zou het zijn rol vervullen en geen kwaad meer zijn.

Maar oorlog? Een kruid dat op de verkeerde plaats staat? Haat? Geweld? Verkrachtingen?

Ik zou niet kunnen bedenken op welke plek dat zijn functie zou hebben.

Soms is onkruid wat het is: een nare plant die de voeding van andere opsoepeert.

Preharvest%202

Die mannen en vrouwen uit de gelijkenis over het onkruid die vragen of het kwaad niet verwijderd kan worden hebben gelijk. Er zijn niet altijd verhalen te vertellen waarin het lelijke toch mooi blijkt te zijn. Ik ben niet zo van “wij zien alleen de achterkant, maar als je het kleed omdraait dan snap je waarom het allemaal zo moest gaan”. Er valt niet altijd veel te snappen. Er is goed graan en er is kwaad onkruid. En geen idee hoe het zo kon komen.  Jezus houdt het kort op “zijn vijand” zaaide het kwade zaad.

Het is er. En daar hebben wij het mee te doen.

Dat weten maakt al stevig.

Jezus ontraadt het zijn leerlingen om het onkruid uit te trekken. “Het zou het graan beschadigen”, zegt hij. Vaak heb ik gedacht: “onbedoeld raak je ook de goede mensen”.

In Polen ontbrandde in de jaren negentig een hevige politieke strijd over de vraag, of het geen tijd werd uit te zoeken wie er in de communistische tijd verrader was, wie er met de geheime diensten had samengewerkt en wie niet. Het werd een zwarte strijd. Er werd over en weer met veel modder gegooid. De meest vooraanstaande mensen werden belasterd. Sommigen zeiden: “Misschien moet je het helemaal niet willen weten. Je komt er niet uit.”

Nòg denk ik: als je onkruid probeert uit te trekken, neem je ook de goede mensen mee. Het verlangen naar een zuiver graanveld, wordt een heksenjacht op het eind. Maar daarnaast begin ik ook dit te zien: het verlangen zèlf ondermijnt. Zolang je denkt dat het haalbaar is.

Je zult het niet bereiken, die zuivere wereld. Je zult jezelf verwijten dat je het niet kon.

Wat moeten we dan doen?

Het verlangen koesteren. En tegelijk weten: we bereiken het nooit.

Te midden van goed en kwaad zelf het goede blijven doen.

Gisteren stond in de krant een mooi voorbeeld: er is een organisatie opgericht van mensen die zich inspannen om contact te krijgen met pedoseksuelen. Ze trekken met elkaar op en bevrijden elkaar uit angst en eenzaamheid. Tachtig procent  van de pedoseksuelen vervalt niet in herhaling. Blijft twintig procent over.

Dat laatste kun je maar beter weten. Dat twintig procent wel weer op pad gaat.

Het maakt je sterk om het goede te blijven doen.

Waarom het geen goed idee is pedo’s te verjagen.

Zijn we kwetsbaarder geworden? Voelen wij ons meer bedreigd dat de generatie vóór ons?

Wel in onze kinderen in elk geval. Ik speelde ooit op klimrekken zonder valtegels eronder. Je kunt je het nu niet meer voorstellen. Ik rende op de overloop rond en er was geen rekje voor de trap. Mijn ouders hadden geen dopjes op de stopcontacten. Niemand in mijn kinderomgeving had zoiets. En toen ik zes was geworden, vonden mijn ouders mij scalegroot genoeg om voortaan lopend naar school te gaan. En weer terug. Het argument, “dat het verkeer toen veel minder druk was” gaat niet op. Veertig jaar geleden vond iedereen ook al dat er verschrikkelijk veel auto’s op de weg waren. En dat het gevaarlijk was.

Mijn ouders dachten dat ik kracht en verstand genoeg had om mij er tussen te bewegen.

Mijn moeder gaf mij deze waarschuwing mee: “Oppassen, maak gebruik van het stoplicht en ga niet met vreemde mannen mee.”

Kon ik het ook? Nee, niet altijd. Ik ben ooit knalhard voorover uit een klimpaal gevallen. Ik klapte bovenop een fietsenrek en brak twee voortanden. Een gejank schetterde terug van alle stenen gevels om mij heen. “Nou”, zei de tandarts: “je zult voortaan wel beter uitkijken, niet?” Twee kunsttanden getuigen nog altijd van dat hardhandig ingegoten inzicht. Van de wereld heb ik geen medelijden te verwachten.

Op een ochtend, waarvan niemand het begin meer weet, is met de zon het idee opgekomen dat de wereld veilig moest zijn, vooral voor kinderen. Als zij zich onbedreigd zouden kunnen bewegen, dan zou het goed zijn. Er verschenen nopjes op tafelhoeken, ingewikkelde stekkers en contactdozen en kindveilige flessen. Ik zeg er niks over. Ik heb geen kinderen, maar ik begrijp wel: in je kinderen ben je kwetsbaar. Hen kan van alles overkomen. Je kunt hen nauwelijks beschermen. Ik begrijp de behoefte de wereld veilig te maken, maar het is een hopeloos projekt. Onveiligheid is als onkruid: je trekt het ene weg en het andere komt op. Dat is de realiteit.

Tegen een onveilige wereld helpt alleen weerbaarheid. Jouw eigen weerbaarheid.

 

Het vloeibare antwoord.

En daar zijn we ineens getuige van de vloeibaarheid van de orthodoxie. ‘Wat anders zó traag stroomt, dat het onzichtbaar blijft, versnelt de laatste weken. Alsof het bloed van Januarius uit zijn verstarde toestand is gekomen.

Twee weken geleden meldde Lilian Janse zich als eerste politica binnen de gelederen van de SGP. Ze skeelerde op de televisie voorbij in een broek en ze oogstte vooral lof en enthousiasme. Er kwam nauwelijks commentaar. De enige op refoweb die er schande over sprak, bleek een satiricus. Blijkbaar had het water achter de rotswand van de principes al lang genoeg gestroomd.

Afgelopen week kwam een rapport binnen de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt uit over ‘de vrouw in het ambt’. Daarin wordt met doekjes het bloeden gestelpt -het is een ingewikkelde zaak, er zijn verschillende meningen, een tegenstander van het rapport krijgt ruimte voor zijn mening- maar de eindconclusie is rond en duidelijk: vrouwen mogen en kunnen kerkelijke ambten vervullen. De teksten, van Paulus met name, die zich daartegen lijken uit te spreken “zijn tijd- en cultuurgebonden.”

De vraag is, of dit rapport net zo eenvoudig wordt aangenomen als de kandidatuur van Janse. Alain Verheij zet de mogelijkheden op een rij.

De SGP had zich in zijn principes kunnen terugtrekken. Dat lijkt standvastig. Standvastiger misschien dan de omgaande bewegingen die we nu zien. Ik denk dat het een verzoeking zou zijn geweest. Het kan nog, die beweging terug, Kees van der Staaij heeft zich nog steeds niet uitgesproken, maar ik hoop van niet.

Eeuwige antwoorden zijn zwakke antwoorden. Ze houden geen stand. Ze verliezen hun relevantie. Ze staan als eenzame rotsen in een veranderend landschap. Leuk voor een foto. Meer niet.

Het leven beweegt en vraagt om steeds weer nieuwe antwoorden. Onbewogen zekerheid bestaat alleen in ons hoofd. Daarbuiten is alles waaien, stromen en bewegen.

Ik moet vaak denken aan Paulus. Hij zette zijn hele leven in voor het evangelie en de vrijheid daarvan. Hij verzette zich daarom tegen de besnijdenis. Want die bindt ons opnieuw aan de wet, waarvan wij nu juist bevrijd zijn. Maar op het moment dat een Griekse leraar binnen de gemeenten geen gehoor krijgt, omdat hij niet besneden is, stopt Paulus de wagen aan de kant van de weg en besnijdt de man ter plekke.

Op het moment dat de ampul vloeibaar bloed toont, bidden de mensen en worden ze gelukkig.

UPDATE:  De Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt heeft van zusterkerken in het buitenland al drie maanbrieven gehad. Daarin wordt gewaarschuwd tegen de veranderende theologie binnen de GKV.