Soevereiniteit in eigen kring.

Ik houd van antiek, dat is algemeen bekend. Zo langzamerhand ben ik zèlf bijna antiek. Dus kan ik met een overtuigende zwaai een stukje negentiende eeuw op tafel gooien, zonder mijzelf belachelijk te maken. Een stukje dat door Abraham Kuyper is ingekleurd, bovendien. U vraagt zich af, of dàt nuttig kan zijn? Het kan uitermate nuttig zijn.

external image 414591947.jpg

Kuyper gaf een zwengel aan de term “soevereiniteit in eigen kring”. Of hij op dat moment ook aan verzuiling dacht, aan met krantenpapier dichtgeplakte levenssferen en aan allesbepalende dominees of pastoors lijkt me niet. Hij dacht niet eens aan de eigen kring: hij dacht aan de samenleving.

In een denkkracht die zó vernieuwend was, dat de Koreanen er vandaag de dag nog door omvallen, en veel Noord-Amerikanen met hen, veegde hij de samenleving schoon van alle mogelijke invloeden. Hij dacht niet, dat de samenleving christelijk moest zijn, of gekerstend moest worden – zoals later wel mijn eigen geliefde Hervormde Kerk droomde. Maar hij wilde evenmin, dat de samenleving liberaal zou zijn. Die vond hij net zo dogmatisch. Kuyper wilde dat in de openbare ruimte de krachten in alle openbaarheid met elkaar zouden kunnen strijden. En daar was vrijheid voor nodig. Om een woord van hem te parafraseren: democraten wassen niet op bij de chocoladeketel. Hij was negentiende-eeuwer, sommige onderwerpen zullen voor hem taboe zijn geweest, of volstrekt onbekend, maar zijn basis was deze: wij spreken met elkaar zonder blad voor de mond. Een vrijheid die hij zichzelf ook toedacht: als voorstander van een Duits koningshuis in Nederland en als tegenstander van een vrouw op de troon (jaja, negentiende-eeuwer he), schoffeerde hij meer dan eens Koningin Wilhelmina. Ook zij kon geen rechten laten gelden.

Koreanen bestuderen Kuypers geschriften met grote ijver, omdat hun samenleving door-en-door religieus is. En barstensvol taboes. Een open speelveld, dat lijkt hen wel wat. En vanuit Amerika wordt meegeknikt. Het publieke debat is gediend bij de afwezigheid van korset en angst, beide.

Maar dat is niet het hele verhaal. Er is ook het particuliere terrein. Dat van de scholen, de families, de bedrijven, de kerken, de moskees, de sportverenigingen. En die kringen mogen hun regels stellen. Moeten dat zelfs. Want daar klopt het echte leven.Zij zijn soeverein. Maar in de eigen kring.

In het openbare debat gaat het over principes,levensvormen, gedachten. In het particuliere contact gaat het om mensen. Die twee zijn nooit helemaal gescheiden. Maar een onderscheid helpt wel.

Als Theodor Holman neerkrast, dat hij elke christenhond een misdadiger vindt, krijgt hij terecht de ruimte van de rechter. Het raakt mij, zeker. Ik word niet graag christenhond genoemd. En ook geen misdadiger. Maar ik weet ook dit: Holman kent mij niet. Het gaat niet over mij. Het is zijn gedachte. En hij is vrij. Het zou te gek voor woorden zijn als hij niet zou mogen zeggen wat hij denkt. Hij denkt het.

Een aantal jaar geleden verlieten we de Martinikerk in Groningen. Aan de overkant van de straat begon een vrouw intens te schreeuwen: “vieze, vuile christenhonden!”. Daar keken we wel van op. Maar het raakte ons niet. Ze stond daar zo in het algemeen te schreeuwen. Misschien bedoelde ze wel de duiven in de dakgoot. Geen idee.

Maar zegt mijn buurman hetzelfde, tegen mij. Dan hebben we een ander debat. Ik zal excuses van hem eisen. Omdat het nu tussen hem en mij ligt. Hij kan zich niet meer verschuilen achter “dat denk ik in het algemeen”. En ik zal geen genoegen nemen met “maar ik vind jou wel leuk, hoor”.  Er zal iets tussen hem en mij moeten worden rechtgezet, willen wij samen verder kunnen gaan als goede buren.

Dat is het verschil. De samenleving héét wel zo, maar ik leef niet samen met 16 miljoen andere Nederlanders. Ik leef samen met hen die ik ontmoet, En dan gelden andere regels. Dan gelden omgangsvormen.

Scholen stellen antipestprotocollen op. Dat is hun goed recht. Als scholen een manier van omgaan willen voorschrijven, dan zijn ze vrij. Ouders doen precies hetzelfde in hun gezin. Kerken doen het. Politieke partijen doen het. Kranten doen het. Iedereen doet het. Als het je niet zint, kun je naar een andere school, een andere kerk, een andere krant.

Een andere samenleving is echter niet mogelijk. Daar is er maar één van. Zij wordt niet anders gemaakt dan door het voortgaande gesprek. In lieve woorden, harde woorden, leuke woorden, nare woorden. En de overheid moet maar niet te snel willen ingrijpen.

Dat Youp Buckler kapot heeft gemaakt met zijn woorden, zoals Pieter schrijft, lijkt me wat ongeloofwaardig. Youp wil wel graag God zijn, maar hij is het niet. Toen hij vorig jaar op dezelfde manier een telefoonaanbieder klein wilde krijgen, lukte het hem niet. Blijkbaar zag de samenleving wel iets in de woorden over Buckler, maar niets in zijn kritiek op de belcolporteur. En tsja, wie Buckler een keer proefde…

Democraten groeien niet bij de chocoladeketel op. Bij alcoholvrijbier ook niet. Ze groeien op bij jenever. En die kan, weten wij, erg branden van tijd tot tijd.

Advertenties

Kwetst u maar!

Hou ik van Hans Teeuwen? Neuh. Niet echt. Ik draai hem weg, zodra ik hem hoor. Ik heb een heel rijtje van mensen die ik censureer. Paul de Leeuw. Jochem Meyer. Geer en gelijk ook maar Goor. Pauw en Witteman vroeger. Pauw tegenwoordig. De televisie blijft veel uit, zo. Lekker rustig.

Ik houd niet van schreeuwen. Tenminste, niet als anderen dat doen. Ik vind De Leeuw plat. En zijn humor moet altijd anderen hebben. Ben ik ook al niet van. Pauw en Witteman vond ik verzuurd in hun stalen gelijk. En wel erg gemakkelijk in hun eentonige gezeik op godsdienst. En Hans Teeuwen? Hij kwetst mij, daar kom ik rond voor uit en dus ga ik niet vrijwillig bij hem zitten.

Ephimenco is een twijfelgeval. Ik ben niet dol op hem, maar lees tussen mijn oogharen toch stiekem wat hij schrijft. Vooruit. Ik moet in mijn voorkeuren nou ook niet àl te gesloten worden, ej.

Moeten deze mannen, ja allemaal mannen, Freud zal wel weten waarom, daarom het zwijgen worden opgelegd? Moet er een grens zijn aan kwetsen? Aan platheid? Banaliteit?

In mijn eigen wereld doe ik dat wel. Iedereen heeft zijn censor, denk ik. Anderen walgen van Wagner. Of vinden Maarten van Rossem een kwal. Er zit een uitknop aan de televisie. De krant kan dicht. En je kunt je abonnement opzeggen. Dus ja, er is een grens.

Maar of die door de wet moet worden vastgelegd? Ik twijfel. Ik ben bang van Dieudonné. En Wilders ondermijnt de rechtsstaat met zijn geschal. Het ontkennen van de holocaust doet mij de maag omdraaien. Maar dat doen de ontkenners van de global-warming-up ook. Waar liggen de grenzen?

Fatsoen kan geen norm zijn. Fatsoen is diffuus. Wat ik fatsoenlijk vind, vind jij burgerlijk. Fatsoen maakt, bovendien de kring steeds kleiner. Is het eerst onfatsoenlijk om God belachelijk te maken. Later is het onfatsoenlijk om zijn dienaren te beledigen, daarna om Gods gelovigen te bespotten, en daarna…. Fatsoen trekt de lijnen steeds strakker, totdat het leven er uit is en wij: inderdaad, in de dictatuur van het fatsoen zijn beland. Fatsoen ordent alleen mijn persoonlijk leven. En dat van jou op een andere manier. En God verhoede het, dat de een voor de ander gaat bepalen wat fatsoenlijk is.

Gekwetstheid kan geen norm zijn Want dezelfde dynamiek. Gisteren werd ik gekwetst door Teeuwen, vandaag is hij weg maar kwetst de buurman mij met zijn poepende hond. Het laatste wagentje van de trein blijft altijd schudden, hoe kort je de trein ook maakt. Uiteindelijk houden we een dwangbevel over van alle gekwetsten van deze aardkloot. Orden je eigen leven er mee. Je samenleven met je naaste misschien. Maar zeker niet de samenleving. God verhoede het!

Er is slechts één ordenend principe voor ons allemaal. Vrijheid.

Met slechts één grens is: wie die vrijheid bedreigt. De RAF werd terecht vervolgd. Of RARA toentertijd. Djihadisten worden terecht met een vergrootglas gevolgd. Zij willen immers dat Hun Wil de vorm van de samenleving zal bepalen.  En Hun Wil, Mijn Wil, zal altijd, vroeg of laat, eindigen met jouw onvrijheid. Met jouw dood, als het moet. Volgens hen moet, dan. Niets vrijheid.

Democratie is het paradijs niet, maar een betere tuin legde tot nog toe niemand aan. Ik bedoel: ik zou niet weten hoe je een plek op een andere manier kunt inrichten zodat iedereen er in leven kan: christenen, heidenen, republikeinen, homo-haters, Gerard Joling, democraten, islamieten, D ’66 ers. Laat iedereen zich dus maar uitspreken, ook als hun vormen smerig zijn, onderbroekerig, hetzerig. Stel er je eigen woord-wapens maar tegenover.

Hoe walgelijk ik uw mening misschien ook vind. Ik zal uw recht verdedigen om uw mening te uiten. Hans Teeuwen, ga je gang.

Haar zal ik verdedigen.

En als jij haar aanvalt,

zal ik jou niet in elkaar slaan

en niet doden

dan dien ik jou van repliek

met mijn woorden.

 

Of ik zet de teevee uit. Dat kan ook.

De god van Youp.

“Van mijn god mag alles”, verklaarde Youp publiekelijk (hier). Ik moest er hard om lachen. Dat is best knap, van Youp. Dat ik om hem lachen moest.

huisaltaar-openNiet eens de naam van zijn god was zo grappig, maar de botsing met wat ik tot nog toe van zijn god had vernomen. Ik had altijd gedacht dat Youps god juist helemaal niks goed vindt. Zijn god lijkt mij een oude chagrijn. In een flodderige outfit, om een ‘kijk-maar-niet-naar-mij-want-niemand-vindt-mij-aantrekkelijk lijf. Een god die scheldt op alles en iedereen, tamelijk diffuus, hoe het hem uitkomt, maar met zekere constanten. Ziet zijn god iemand van het koninklijk huis, dan wordt het hem oranje voor de ogen, ziet hij een rechtse politicus dan geeft hij gal op. Maar past een linkse politicus niet in het straatje van zijn god, dan krijgt díe er van langs. En Youps god heeft altijd gelijk. Dat laatste is geen goddelijk wonder, overigens: Youps god meldt zich altijd pas achteraf. En ja, dan heb je het gelijk al gauw aan je kant, natuurlijk. Komen er bankiers voorbij, hou je dan maar vast, dan braakt zijn raspende stem van totale verontwaardiging. Daarbij kan hem zelfs een zekere vrome hypocrisie niet ontzegd worden. Want zijn eigen tempeldomicilie is een alleraardigst optrekje aan een Amsterdamse gracht. Ook niet echt op Douwe-Egberts-punten verkregen, lijkt me zo.

En als u nu denkt: maar dat is Youp zelf!, je tekent zijn portret!, dan zijn we al een aardig eind op weg. Youp lijkt nog altijd te denken, dat god een soort essentie is ergens in het buitenste buitenheelal. Een man met een lange baard en een al even lange jurk, waarin sommigen wel geloven en anderen niet.

Tsja.

Zo’n beeld is nogal gemakkelijk omver te gooien.

En dat gebeurt dan ook.

Is al vele keren vóór ons gedaan.

Is het meest indringend gedaan in de zin “jij bent geschapen naar Gods beeld”.

Youp is de eerste niet. Niet echt. Drieduizend jaar geleden ontdekten mensen dat de werkelijkheid iets ingewikkelder in elkaar steekt dan tot dan toe vermoed. Of misschien hebben mensen het stiekem altijd al gedacht, maar was de gedachte, dat de werkelijkheid niet uitgesproken is door te zeggen “goden besturen onze wereld”, een angstige. Een eenzame.

Drieduizend jaar geleden werd de gedachte geboren: wij vertegenwoordigen god.

welke god dan ook maar

iedereen heeft een god

dus ja, Youp je hebt gelijk: in de ogen van Andries Knevel ziet god er anders uit, dan in de ogen van de Paus. En in het lachende hoofd van de Dalai Lama is een andere voorstelling van god, dan in het hoofd van de broers Kouachi. En zo moet het zijn.

God gaat over de drijfveren van ons bestaan. Over onze ervaringen, meningen, gewoonten. God gaat vooral over de manier waarop wij die ordenen. En nee, Youp, die god “verzinnen wij niet”. Jij hebt jezelf ook niet verzonnen. Je bent een toevallig samenkomen van toevallige gebeurtenissen die jij op jouw toevallige manier bij elkaar hebt gebracht. Je echtgenote kwam je op een dag tegen, je had haar ook niet tegen kunnen komen. Je kinderen zijn toevallig jouw kinderen en je weet: als één zaadcel harder gezwommen had, had je andere kinderen gehad. En dat huis?  Lang verhaal: wie het bouwde, dat er een gracht lag, dat jij het kon kopen, dat het te koop stond. Jij hebt het niet bedacht. Het kwam naar je toe.

En zo werd jij een knooppunt van veel. En hoe jij daar jouw leven uit samenstelde, langs welke prioriteiten en gedachten: dat is jouw god. In jou. En tegelijk van buitenaf, naar jou toekomend.

Het meest valt mij nog op, hoe je voortdurend herhaalt, dat je niet lastig gevallen wilt worden. Zo kom je ook op mij over. Iemand die niet lastig gevallen wil worden. Maar ondertussen anderen onafgebroken lastigvalt. Met, ja je begrijpt het al, met jouw god.

Van mij mag je. We leven in een vrij land. En misschien ontdek ik dankzij jou dan werkelijk iets wat voor míj van blijvende waarde is.

Maar één verzoekje: doe iets aan dat geschreeuw, alsjeblieft.

En aan dat verslonsde lijf.

Je verdient meer aandacht van jezelf en meer aardigheid dan je jezelf nu lijkt te gunnen.

Maar goed, dat zegt mijn god. En daar hoef je je niets van aan te trekken. Vanzelf.