Teken en naaste.

 

Nu de eerste puinhopen van de Notre Dame worden bekeken, blijkt het vergulde altaarkruis  ongeschonden door de furie te zijn gekomen. Het beeld van dat glanzende goud te midden van het as en de zwartgeblakerde muren roept veel emotie los. Mensen zijn er door geroerd, en dat kan ik mij wel indenken. De fantastische rozetramen zijn nog intact, het orgel staat er nog – dat bulderende en fluisterende instrument!- en het kruis. We trillen nog na op de woorden: “We hadden de hele Notre Dame kwijt kunnen zijn! De kathedraal had zomaar weg kunnen zijn!” Dan ben je blij met alles.

Een zekere Kaylee Crain ging een stap verder: leg me eens uit, schreef zij op Twitter, hoe je nìet in God kunt geloven als je dit hebt gezien? Een nogal tricky uitspraak. Want als er een logische verklaring is, dan sta je daar mooi te kijk met je god.

Die logische verklaring is er. “De brandtemperatuur van hout is 600 graden, antwoordde Dan Broadbent, “de smelttemperatuur van goud 1064” Daarom. Het was heet genoeg voor het hout, maar niet heet genoeg voor het goud.

Kaylee was een beetje dom. Maar het antwoord van Dan geeft mij evenmin wijsheid. Het komt zo aan verwondering te kort! De verwondering dat onder al het vuur en al het puin dan tóch nog dat kruis overeind staat. De verwondering dat het ueberhaupt zo is: hout brandt bij de ene temperatuur en goud smelt bij een andere. Alsof ze wéten wanneer het heet genoeg is. Heus, ik snap: dit is malle lekenpraat. Maar dat nuchtere “ja zo zit het nu eenmaal” is net zo mal. Er is niets nuchters aan het feit. Het is fantastisch dat het zo zit. Uitzonderlijk.

Je kunt niet net doen alsof je de brandtemperatuur van hout zelf bedacht hebt. 

Dan maar liever mijn lieve dichteres Szymborska. Zij beschrijft heel de werkelijkheid als één grote wonderkermis. “Alledaags wonder: een koe is een koe”. Je raakt niet uitverbaasd over alles. Dat het niet ander is. Dat het zó is.

Het kruis bleef toevallig staan. Maar het is wel toevallig dit toeval en geen ander.

 

Ondertussen rommelt er echter nog iets anders. Dit is pas het halve verhaal.

Het christelijk geloof heeft zulke godsbewijzen als een kruis dat blijft staan helemaal niet nodig. “Joden zoeken tekenen”, zo meldt Paulus, “Grieken zoeken wijsheid” – maar voor het christelijk geloof is noch het één, noch het ander een bewijs voor God.

Als je al een bewijs zou wìllen zoeken dan is het enige godsbewijs voor het christelijk geloof: de naaste. De andere mens. “Wie dit voor de minste van mijn broeders doet”, woorden van Jezus: “Die doet het voor mij.” “Want de glorie van God” schrijft Origenes: “Is de levende mens.”

Het grote keerpunt van het christelijk geloven: God is mens geworden. In tekenen, toevalligheden, of wetmatigheden schuilt het niet. Het zit in de mens die jou nadert, vriend of vijand. God woont in het antwoord dat jij geeft. Zul jij een vriend willen zijn?

Ik zal eerlijk zijn: ik heb niet zo veel met toevallige wendingen in het leven. Dat je rechtsaf fietste en kijk nou – daardoor ontkwam je aan een ongeluk. Het is jouw persoonlijke ervaring, maar ik kan er niet zo veel mee, alsof dit aantoont dat er wel een god moet zijn. Een ander fietst rechtsaf, en fietst het ongeluk tegemoet.

Ik geloof wel wat Ruth overkwam. Zij was arm, ze was vreemdeling, ze had honger en ging op zoek naar graan. “Per toeval”, zo staat er dan geschreven: “Kwam zij op de akker van Boaz terecht.” En Boaz? Boaz maakte het toeval tot geluk. Hij deed recht aan Ruth en schonk haar méér graan dan zij tot brood vermalen kon. Ja, uiteindelijk gaf hij haar ook zijn lichaam, maar dat is weer een ander verhaal.

Die bekering tot de andere. Dat is het punt. Daar woont God.

We hebben in de kerk, denk ik wel eens, de  toewending tot de andere mens nog altijd niet radicaal genoeg gemaakt. Daardoor blijven er van die niet zo slimme tweets komen “Als je niet in God gelooft, hoe kan dan volgens jou dit gouden kruis nog overeind staan?”

Als je in God gelooft, hoe kan het dan dat er nog zoveel mensen in je omgeving eenzaam zijn? Had ik teruggetweet. Maar ja. Ik heb geen mobiele telefoon. Toevallig.