Alsof ik geen buitenlander ben…

racismeNu gaat dit bericht weer rond op Facebook. En het geldt als een getuigenis van grote waarheid. De buitenlander besteelt ons! Hij vernedert ons! Hij zal ons vernietigen! En wij? Wij zitten allemaal in sneue bejaardentehuizen, waar we maar één maal in de twee weken worden gedouched. En zíj hebben daar schuld aan!

Maar ik ben geen racist.

Nee, een racist is mijnheer/ mevrouw niet. Maar wel een even domme als gevaarlijke gifmenger. Met een opeenstapeling van losse flarden wordt in het stuk een bedreigde wereld opgeroepen die in werkelijkheid zo niet bestaat. En de remedie die wordt gesuggereerd “wees dankbaar, of wij hebben het recht om je uit ons land te verwijderen’ is lulkoek. Was het gewone borrel lulkoek, dan maakte ik mij niet druk, maar dat is het niet. Het is gevaarlijke lulkoek. Op basis van een fout recept.

Feller dan een leugen is een halve waarheid. En feller dan een halve waarheid zijn een heleboel halve waarheden bij elkaar.

Eerst maar de waarheid dan. Ja, er zijn Bulgaren die de Nederlandse belastingdienst hebben opgelicht, en ja er zijn Antillianen en Surinamers die met hun al dan niet terechte kritiek de sfeer rondom Sinterklaas aardig verstjeerd hebben. En ja, sommige bejaardentehuizen bieden slechte service.

Tot zover de grotere en kleinere waarheidjes. Nu de rest. Wat hebben Bulgaren gemeen met Surinamers? Of Antillianen met Marokkanen? Niets. Het is appels en peren in één mand knikkeren en ze dan gaan vergelijken. Sowieso is het altijd tricky om mensen in groepen te gaan indelen. Is Aboutaleb verantwoordelijk voor de ontspoorde Marokkaans-Nederlandse jongere? Draagt de bejubelde Bulgaarse tenor Rousse schuld aan het bedrog van andere Bulgaren? Wat heb ik met Paul de Leeuw? Ben ik een Gerard Joling?

“Er is hier”, zei Haman tegen de koning Ahasveros: “een volk onder ons, dat onze taal niet spreekt en zich niet aan onze wetten houdt.” Dat er veel meer volkeren in zijn land woonden, dat verzweeg hij. En ‘de wetten waaraan dat ene volk zich niet hield’ was er maar één, deze namelijk: dat ene volk boog niet voor Haman als die voorbij kwam wandelen.

Eén bevolkingsgroep ontbreekt opvallend in het stuk van Facebook. Dat zijn de ‘originele’, de ‘witte’ Nederlanders. Ze worden opgevoerd als slachtoffers. Zijn ze dat ook?

Het huilende voorbeeld, van die zielige oudjes, is dat waar? Inmiddels is wel gebleken dat verpleegtehuizen nogal van elkaar verschillen. En een tehuis, dat zijn ouderen één maal in de twee weken onder de douche zet, is gewoon een slecht tehuis. Daar hebben buitenlanders niets mee te maken. Sterker nog: als er geklaagd wordt over ondermaatse zorg voor ouderen, dan heeft dat meer te maken met de veranderingen in ons belastingstelsel, sinds wij in de jaren negentig het neo-liberalisme hebben omarmd, dan met de Marokkaan om de hoek. Wij vonden het, de kiezers, een geweldig goed idee om de belastingen te verlagen. Wij vonden het een goed idee om de private sektor meer financiën te verschaffen ten koste van de publieke sektor. De scholen, de universiteiten, de zorg; zij zuchten onder bezuinigingen, omdat wij er voor kózen dat daar minder geld naar toe zou gaan. De grote huizen die gebouwd werden en de grote auto’s die gekocht werden – wat waren we blij dat we rijker werden!- gingen ten koste van de belangen van ons allemaal. Geld kan maar één keer uitgegeven worden. Zelfs in Nederland. De oudere gaat een keer in de twee weken onder de douche, omdat wij vier keer per jaar met vakantie wilden. Dat is hoe het zit. Sorry PVV.

En dan nog iets. Waarom vermeldt de tekst niet, hoeveel geld ‘witte” Nederlanders wegsluizen bij reisverzekeraars? Hoeveel zij onterecht declareren bij brandverzekeraars? Hoeveel nooit gekochte camera’s, computers, merkkleding wordt er gedeclareerd? Hoe zij de belastingen piepelen? Het loopt in de miljoenen per jaar. Ik roep maar even de familie in herinnering die voor 2,7 miljoen aan onterechte PGB’s uit de staatsruif plukte. Ze waren lelieblank. Maar niet schuldeloos. Moet ik mij nu verantwoorden voor hun gedrag, omdat ik toevallig óók wit ben?

Het stuk ademt deze geest: wij zijn de goede wij. En er bestaat een natuurrecht, waarom wij op dit stukje grond mogen wonen. “Zij” zijn hier binnengekomen. En ‘zij’ moeten zich buigen voor ‘onze’ regels.

Wij zijn geen goede wij. Er zit niet zo veel verschil tussen hullie en ons. En – breaking news- er is geen natuurrecht dat ons Nederland toewijst als rechtmatige grond. Ook ik ben een voorbijganger. Toen ik mijn ogen opendeed, had ik geen idéé wie ik was, waar ik woonde, dàt ik überhaupt ergens woonde. En op een dag ga ik ook weer dood. Ik heb geen recht. Ik kreeg het. Net zoals de man of vrouw die van elders hier naar toe kwam. Als ik vind dat die dankbaar moeten zijn, dan ik zelf ook.

Er is geen god die mij iets toewijst. Ik deed geen examen, waardoor ik hier wel en een ander hier niet zou mogen wonen. Als er een god is, dan is die god-over-ons-allen.

De wereld globaliseert. Mensen wonen soms hier en soms daar. En hier nemen ze wat, daar laten ze wat. En jij, jij bent daar een onderdeel van. Zelfs in je ‘eigen’ land. Er is geen eigen land. Wen er maar aan.

En bespaar ons zulke onzinteksten op Facebook.

Advertenties

Angst en liefde.

“Wil je met me bidden?”, vraagt de jonge vrouw onverwacht. Het is een aflevering van Inspector Lewis. In een razend tempo zijn mensen vermoord. En nu is ook zij gestoken. Ze ligt op de grond. En ze weet: “Ik ben stervende.”

Haar vraag is opvallend: ze heeft haar werkzame leven gebruikt om religie te bestrijden. Ze had de rotsvaste overtuiging, dat er na het leven niets meer is.

En dan nu toch de angst

en haar vraag.

Ik weet niet, waarom mensen met een innerlijke angst geboren worden. Of worden we er niet mee geboren? Babies lijken het leven niet zo ingewikkeld te vinden. Hen drijft eten, drinken, poepen, en slapen. Maar nooit de vraag: “doe ik het wel goed?” En nooit de angst: “Ik misluk. Ik leef voor niets.”

Later komen die vragen en angsten wel. En ze kunnen ons leven vergallen. Ben ik wel een goede moeder?

Waarom kreeg ik die promotie niet?

Mijn moeder vond mijn zus leuker dan mij.

Ik heb er niets van gebakken.

En de grootste angst:

ik ga dood en ik word vergeten.

Het stelde allemaal niets voor, bij mij.

Zelf nu ik dit zit te typen, voel ik een kille schaduw door mij heen trekken.

Er zijn kerken die de angst temperen door duidelijk voor te schrijven hoe je moet leven. Doe dit, en het komt goed met jou. We kennen de regels: je tienden geven, eerlijk zijn, elke zondag twee keer naar de kerk, je zonden belijden, en… ook altijd weer de regels die ons meest intieme leven in het corset naaien: geen seks voor het huwelijk, geen al te gekke standjes, geen seks met iemand van je eigen geslacht en geen seks buiten het huwelijk.

Eerst leren ze je te schamen voor je seksualiteit. Kleine jongetjes tonen zonder gene en vol trots hun piemel. Dat leren ze je gauw af – door schaamte. En daarna wordt de schaamte weer ingepakt in schuld. De regels zijn niet te houden. Seksualiteit is een sterke kracht. Sterker dan regels aankunnen.

Dat kerken ge- en verboden instellen, hoeft ons niet te verbazen. Ze willen de angst beperken, Onze basisangst.

Dat zij, en zij alleen, in onze tijd enig succes hebben, dat verbaast mij wel. Wat doen al die leuk, hippe, jonge mensen in die regels-voorschrijvende kerken? Raken ze verlost van hun angst?

Ik vertel je dit: regels zijn een helse remedie. Ze verminderen de angst niet. Ze voeden haar. Als schimmel op nat hout, zo groeit angst op regels. Want hield ik mij er wel aan? Het is niet eens, dat ik concrete dingen aan kan wijzen: dat ik naar een andere jongen knipoogde, ofzo. Ik knipoogde alleen naar wie bij mij hoort. Het is meer een een grauwe zeverangst met flarden van warme, nachtelijke dromen en herinneringen aan gloeiend bloed.

“En nou heeft die verdomde angst mij toch weer te pakken”, zei een vrolijke, stevige vrouw. Ze was ziek geworden. Ze was van orthodoxe huize. “Ik wéét, dat het onzin is, en tòch heb ik het gevoel dat God mij nu straft.”, vervolgde ze.

Omdat ik denk: doe ik het wel goed?

en een innerlijk stemmetje antwoordt vals: nee! je deed het fout!

angst krimpt op slechts één manier: door liefde.

Klinkt klef, ik weet het.

Maar jezelf lief te hebben is hard werken. Hard werken om het oordeel los te laten.

Hard werken ook om je verwachtingen los te laten. Over je carriere, je moeder-zijn, je levensperspektieven.

Het is wat het is

woorden van de liefde-

en zo is het goed.

Ik denk soms wel stiekem, dat de naam van G’d zo het best is te vertalen. Niet als Ik ben die ik ben (hoewel zo misschien ook), maar vooral als:

het is wat het is.

Het is een tegeltje, ik weet het. Je kunt het boven je bed hangen. Ook dat is waar

maar als het woorden in je ziel worden

komt er een grote vrijheid

ik hoef niet bang te zijn te falen, want er is geen eis

ik hoef ook geen oordeel te hebben over jouw bestaan-

want er is geen eis

er is alleen maar liefde

om die te leren, kan ik wel wat gebed gebruiken

dus:

wil je met mij bidden?

Je leven, een succes. Over psalm 128

In wat voor sprookjeswereld leeft die dichter van psalm 128 eigenlijk? Heeft hij het echt zo ervaren? Dat, als je de Heer maar vreest, alles lukt? Het leven wordt voorgesteld als gemakkelijk, glossy en fabulous: als je de sleutel daartoe maar vindt. Easy as cake.

En waarom in den vrede is het lied zo exclusief mannelijk? Het lijkt hier “In de ban van de ring” wel. Ook geen vrouw te bekennen. Allemaal mannen die heldendaden verrichten. En àls er een vrouw optreedt, dan als de schone, de te winnen, de te beminnen vrouw. Wat een rolverdeling zeg! Van een tiener. Een naïeve tienerjongen die zijn plek in het leven nog niet heeft gevonden en die zijn onzekerheid daarover verbergt achter een strak wereldbeeld: hij gaat het maken. De rest zal het eens zien. En ondertussen sneu je puistjes tellen voor de spiegel.

Vergeleken met de man uit psalm 128, ben ik maar een modderaar. Bij mij lukt niet zo veel. Ja, een taart soms. Maar zodra het slechts een béétje ingewikkelder wordt, ontbreekt er altijd iets aan. Ik ben niet de succesvolle dominee die ik ooit hoopte te zijn. Ik heb de verandering in de kerk niet teweeg gebracht. Ik heb niet eens de gemeentes die ik diende veranderd. Ik deed wat ik deed en soms was dat goed. En soms leek het niet zo veel. Aan mijn tafel geen vruchtbare vrouw (als een wijnstok! Notabene). En naast mij geen zonen als olijfloten. Welvaart, dat heb ik wel. In overvloed. Maar of ik die welvaart kréég? Ik vond haar. Ik had er geen recht op dankzij mijn zo grote vreze voor de Heer, of wat dan ook.

en Geluk?

tsja. Wat is geluk?

In de psalm is de huiselijkheid treffend. Het geluk schuilt blijkbaar niet in de grote zaken. Er worden mij geen luchtkastelen toegezegd, geen jacht in Saint Tropez, maar wel een vrolijk huis waar de lamp ’s avonds boven tafel brandt. Dat vind ik ontroerend. Misschien is de psalm ook wel een tienerdroom: ik wil een vrouw, een man, ik wil kinderen en ik wil dat mijn werk zinvol is. In de jaren tachtig vonden we dat maar burgerlijk en truttig. Nu noemen we het half-spottend: coccoonen. Dat we ons als een rups inspinnen tussen onze vrienden en familie tegen de boze buitenwereld. De psalm bekleedt de binnenwereld echter met al onze gewone-mensen-wensen.

Je merkt hoe fundamenteel je naar een stevig huis verlangt, zodra er iets aan ontbreekt. Niemand lijdt aan het gemis van een auto. Het kan vervelend zijn, maar zielepijn lijdt je er niet aan. Mensen kunnen wel lijden aan het gemis van een man of een vrouw naast hun zijde. Ze lijden er aan, wanneer hun man, hun vrouw ziek is. Je fundament breekt, wanneer zij sterft.

Het verdriet, wanneer er geen kinderen komen, is onuitspreekbaar. Zo groot. Mensen hebben veel tijd en energie nodig om hun leven vorm te geven als precies dat ontbreekt waar de psalm naar zucht. Een eega, een kind, werk.

Lees ik de psalm zo? Ja ik lees haar zo: als een uitdrukking van onze diepste verlangens. Zo zou het leven mooi zijn. Het is niet belachelijk, het huiselijk geluk. Het is het geluk bij uitstek. Je zou het ieder mens gunnen.

Gunden wij het ieder mens maar zo. Dan zouden we niet zo hemeltergend slordig met het leven van anderen omgaan.

Ik weet niet in wat voor wereld de psalmist schreef. In mijn wereld, dat weet ik zeker, tobben we allemaal. Puistjestellers voor de spiegel: maar met een droom. Dat het leven goed zal worden. En die droom maakt ons mensen tot mensen.

Elke ochtend weer fietst de accountant naar zijn werk en elke ochtend brengt de loodgieter zijn kinderen naar school. En beiden zijn ervan overtuigd dat het zinvol is, om zo te doen.

Dat – dat onze droom ons handelen drijft, dat lijkt mij wel de zegen

de zegen van de Heer.

Seth en onze tijd.

Hij wist van de gelaagdheid van de taal. Dat een woord niet zomaar zei, wat het leek te zeggen. Hij wist ook van de gelaagdheid van de werkelijkheid: wat je zegt is nog niet direkt een neerslag van wat je denkt. En daardoor nog veel minder een samenvatting van wat er is. Of van hoe het is. Taal is een sleutel die ons helpt de wereld om ons heen te ordenen, maar een slot is het evenzeer: taal zet ons vaak op het verkeerde been. En sluit delen uit, die daardoor onzichtbaar voor ons worden. Wie geen woord heeft voor de sneeuw-die-wel-kraakt-maar-niet-aan-je-schoenen-plakt, zal die sneeuw niet herkennen en niet zien. Het gaat simpel op de grote hoop met alle andere sneeuw, waarvoor ons ook de woorden ontbraken.

Het maakte hem charmant. Beschaafd, uitermate. Betrokken. En mild.

Maar “wij” waren Seth Gaaikema oubollig gaan vinden. De critici herhaalden het show na show. “Niet meer van deze tijd”. En dat we de taalgrapjes nu wel voorbij waren. Het zei meer over ons, dan over hem. Gaaikema ging rustig door waar hij mee bezig was. Kritiek kon hem niet vangen.

“Wij” waren de jaren ingegaan, waarin taal een wapen was geworden. Wapen van het eigen-gelijk, vooral. Ooit begonnen als een privilege van links. De grote mond van Youp van ’t Hek werd berucht. Zijn taal wist, en weet, hoe het allemaal zit. Zijn taal weet te benoemen wie schoften zijn en wie de goeden. Zijn taal weet vooral: wij behoren bij de goeden. Het werd overgenomen door vele andere bekende gezichten. Paul de Leeuw, Jochem Meyer, Geen Stijl, internet.

De nuance verdween. Het harde geluid bleef over.

We waren, jaren geleden, door iemand aangeraden Jochem Meyer te gaan zien. We zagen, en hoorden vooral, een man die de ene na de andere bevolkingsgroep belachelijk maakte: gehandicapten, zieken, ouderen. Toen hij na een scheldende woordenvloed over een oude vrouw die haar pinpas niet door het betaalautomaat kreeg – en hij moest wachten, HIJ MOEST WACH-TEN-  de toenmalige paus Johannes Paulus rochelend en kwijlend na deed, slopen wij beschaamd en met een verknoopte maag de zaal uit. Een zaal die uit elkaar barstte van het lachen.

Hoe wist iedereen zo zeker, dat zij nooit dat oude vrouwtje zouden worden? Hoe wisten zij, dat zij zelf nooit rochelend, kwijlend en incontinent zouden sterven? Want ons werd geen spiegel voorgehouden, zelfs geen grove, maar hier werd gewoon de ander keihard uitgelachen.

Dat is dan onze tijd, begrijp ik.

Of nee: de tijd is helemaal niets. Tijd is een lege ruimte. Een imaginaire, lege ruimte, die ons helpt afspraken met elkaar te maken en het gevoel te hebben dat de dingen in samenhang met elkaar gebeuren. “De tijd” dat zijn wij zelf.

En zo moest Seth ook maar worden. Hij weigerde. Jacques d’ Acona zie bij het afscheid van Gaaikema, dat die zijn schouders ophaalde bij de critici. ‘Ach”, zei hij: “Laat ze maar.” Hij wist, dat taal nooit de hele waarheid kon uitdrukken. Hij bleef staan, bescheiden, keurig, als iemand met heel veel eerbied voor het leven. En daarmee met eerbied voor de ander. En voor de woorden die je voor die ander gebruikt.

En nu is Set gestorven. Ik las het zomaar ineens op een voorblad van een roddelblad, notabene. Ik had niet opgelet. Ik ben bang, dat met hem een beschaving is voorbij gegaan.

“Hij kon niet tegen kritiek”, riep RTL-nieuws abusievelijk na D’Ancona’s toespraak. Ze begrijpen het niet: de vertegenwoordigers van “onze tijd”. Seth liet zich door kritiek niet van de wijs brengen. Hij bleef die hij was: iemand die een kaars aansteekt als het donker wordt. Omdat schreeuwen niet helpt, dan.