Gedachten en gebeden?

 

“Al mijn gedachten en gebeden zijn bij de slachtoffers”, schreef Segers nadat een man (één man?) zijn geweer heeft leeggeschoten in een Utrechtse tram. Alsof de wereld daar van opknapt. Van gedachten. Van gebeden.

Wat we nodig hebben zijn woorden. Hardop uitgesproken nieuwe woorden. Woorden die nu eindelijk eens mensen aaneensmeden en niet uit elkaar drijven. Wie zal met gezag zeggen wat ons bindt? Dat we allen mensen zijn? Dat we hier allemáál wonen en leven? Dat er dus geen “wij” is die in een doofmakende herhaling kan roepen wat “zij” allemaal zouden moeten. “Van ons.” Niemand moet iets. Ook zíj niet. Er is geen zij.

Er zijn mensen. Dat is het enige verhaal. Goede mensen, slechte mensen. En heel veel mensen er ergens tussen in. Terwijl over hen allemaal de zon schijnt en de hemel blauw overeind staat.

Woorden van vertrouwen zijn nodig. Niet van argwaan.

Woorden van heling, niet van scheiding.

Woorden van liefde, niet van haat.

Als de woorden klinken, volgen de daden. Daden die de spot drijven met al die kooplieden van angst, met al die politici die drijven op onze menselijke onlust. Daden die tonen: het kan wel! Natuurlijk kan het wel. Dat je met elkaar leeft. Elkaar respecteert. Elkaar erkent. Deze grond is net zo van jou als van mij. Geboorte geeft geen enkel recht aan jou dat het niet geeft aan een ander.

“Nee”, zei Waleed Aly voor de Nieuw-Zeelandse televisie: “Er is niets aan deze aanslag wat mij schokt.” We maken nu al decennia mee, dat mensen uiteen worden gedreven. We horen nu al decennia de taal van haat, met of zonder baard. Decennia waarin mensen denken beter af te zijn zonder de ander. Je kon de aanslag verwachten. Je oogst wat je zaait.

We hoeven niet geschokt te zijn dat er echo’s zullen komen, overal ter wereld. Of het nu grote steden zijn, of kleine. Of het nu in het buitenland is of midden in ons eigen land. Haat roept haat op. Wraak baart wraak.

Maar liefde, liefde wekt liefde.

Afgelopen zaterdag zaten in een muziekdepot verschillende mensen koperen instrumenten te poetsen. Ze hadden allemaal een verschillende huidskleur. Sommige vrouwen droegen een hoofddoek. Eén vrouw droeg een opvallend kapsel: Beatrix.

Ik dacht: dit is wat de wereld nodig heeft. Mensen die de handen ineen slaan. Die alles mooier maken dan het is.

Segers, laat je gedachten en gebeden. Ga aan de slag.

En schep een nieuwe mensenwereld.

Nu. Liefde kan niet wachten.

Biddag

 

Bidden lijkt zoiets kinderlijks. Je wilt iets. Je kunt het zelf niet voor elkaar krijgen. Je roept onzichtbare machten in. Je krijgt wat je hebben wilt.

Of je krijgt het niet.

Verder maakt het dan ook niet zo uit, of je engelen inroept, kabouters, god, of het vliegend spaghettimonster. De gedachte is steeds dezelfde: ik geef uit handen, zodat een ander, een Ander, iets anders of Iets anders het gaat doen.

Bidden zoals overal gebeden wordt. Met of zonder offers erbij.

Ik begrijp wel dat sommigen er verlegen mee zijn. Als God, God is, dan weet hij toch al lang wat je wilt? Of een verlegenheid de andere kant uit: hoort iemand je wel als je bidt? Zesmiljard mensen. Dat is onmogelijk bij te benen. Is er zoiets als god?

Ik kom moeilijk meer los van het beeld uit de film “Bruce Almighty”. Ene Bruce mag voor een tijdje de plek van God innemen. Hij wordt stapel van alle gebeden die hij de hele dag hoort. Dus verzint hij een list: elk gebed print hij op een Post-it. Deze oplossing, geniaal als die is, wordt een ramp: miljoenen, nee, miljarden post-it-stickers stormen op zijn huis, stoelen, koelkast, haren, benen en armen af. Alles zit onder, in een mum van tijd. Kanariegeel.

Als iemand míj de vraag zou stellen: en heeft God ons nu gehoord? – die vraag wordt wel gesteld- dan voel ik hoe het haspelen in mijn keel begint. Het zweet staat mij in de handpalmen.

Ik bid, is steeds mijn antwoord. Ik bid.

Dat is het.

Een flink aantal jaar geleden wandelde ik de Hartebrugkerk binnen. Hoog torent het gebouw uit boven de binnenstad van Leiden. Met joekels van gouden letters op de voorgevel: “Dit huis van God is de poort naar de hemel”, valt het gebouw niet te ontlopen. Binnen, wat je in een kerk verwacht: schemer, heiligenbeelden verstild in de tijd, kaarsen, een altaar, een gebedenboek. In dat boek stonden allerlei verlangens en verwachtingen. “Laat mij morgen mijn rijbewijs halen”, “Zorg voor oma”, “Zegen mijn kinderen”, “Bekeer mijn man”, “Geef mij geld.” Kort, lang, poëtisch of prozaïsch, steeds was het een herhaling: God, doe iets voor mij.

Er was nog iets anders met het gebedenboek. Iemand had de tijd genomen om de gebeden te lezen. En om ze vervolgens van commentaar te voorzien. “Je haalt je rijbewijs wel, en als je het niet haalt, haal je het niet”, “Je oma? Wat kun jij voor haar doen?”, “Hoe zegenrijk ben jij voor je kinderen?”, “Moet ìk je man bekeren? Kun jij hem mijn liefde niet laten zien dan?”

Nee. Ik weet niet of deze antwoorden geïnspireerd waren. Ik vond ze wel inspirerend. In één klein ogenblik begreep ik: bidden betekent niet dat je bij god, God, Spaghettimonster je wensen en verlangens indient. Bidden betekent: open gaan voor de verlangens die bij jou worden ingediend. Zeg maar.

De beweging van bidden is niet van mij uit naar een ander. De beweging is naar mij toe. Niet ik spreek. Ik word aangesproken.

En je wòrdt aangesproken. Of je nu christen bent of niet. Dat doet er eigenlijk niet eens zo veel toe. Er wordt op ons allemaal een appèl gedaan. De straatkrantverkoper bij de Albert Heyn, de buurvrouw die met haar hak tussen de straatstenen is klem geraakt, de moeder die het allemaal niet krijgt rondgebreid, de man die om zijn gestorven vrouw treurt, de collega die nog net de lift wil halen, de vluchteling die aan je landsgrenzen staat, de werkloze die zich geen raad weet, de rijke die de zin van het leven niet kan ontdekken… en dan noem ik nu pas de menselijke stemmen. Maar wat te denken van de dieren, de bomen, het gras, de wolken, de aarde, de zon.

Ik word aangesproken. Om te zijn. Te doen. Te luisteren. Dat laatste het eerste

Ik bid om te luisteren.

Zodat ik hoor wie ik kan zijn.

 

De vraag is niet: luistert iemand dat je bidt?

De vraag is: luister ik wanneer ik bid?