Er is geen god, zegt de dwaas.

Psalm 53

Het lijkt wel een verslag van onze tijd, die psalm 53.

Die verzuchting, dat er geen god kan zijn – omdat het kwaad niet stopt

mensen doen elkaar oorlog aan en bedreigen elkaar met de dood

hoe kan er dan een god bestaan?

zou die niet ingrijpen?

We dachten aan de strijders van IS. Hoe zij, uit naam van hùn god notabene, mensen de keel afsnijden.

We dachten aan de miljoenen op de vlucht. En hoe moeilijk het is probleemloos gastvrij te zijn.

Zou God niet ingrijpen?

Toch wordt de mens die zegt dat God niet bestaan kan

– Huub Oosterhuis schrijft hier: God zegt mij niks meer!-

“dwaas” genoemd.

waarom?

De psalm erkent allereerst

dat het leven niet altijd grappig is

en dat wij mensen niet altijd de leukste diersoort zijn

“niemand doet het goede”

zegt God.

Wij lazen de tekst en antwoordden: “Het is nogal hoogmoedig om te zeggen dat een ander fout is.

Het getuigt niet van veel zelfkennis als je het zou houden bij: “De anderen doen allemaal kwaad.”

Bij ons staat evenmin alles stralend in het licht.

Goed, ik sneed nooit iemand de keel door. (God verhoede!) Maar zou ik er niet toe in staat zijn?

Psychologische tests wezen uit, dat mensen tot alles in staat zijn

alle mensen zijn tot alles in staat.

“Niemand doet het goede”

zegt de psalmist met Gods lippen.

We waren er, al lezende, een tijdje stil van.

Moesten wij nu onze handen moedeloos in de schoot leggen?

Moesten wij onszelf afwijzen?

Onszelf zoiets als zondebesef aanleren?

we waren stil

de psalmtekst klapte om

en wees ons een andere richting

als er geen god bestond, dan zou het enig juiste oordeel zijn-

de wereld is verrot

en ik erbij.

Maar er is wèl een god

al was het maar, om te beginnen, in ons verlangen

wij willen geen kwade wereld

God, in de woorden van David

is Hij die het kwaad

en daarmee de kwaden

verdrijven zal

God is de hoop!

de levende hoop.

En als hij verdwijnen zou….

De psalmist

David in de traditie,

eindigt met een gebed

dat God komen zal

en leven zal.

Frere Roger antwoordde eens een meisje dat had gezegd:  “Maar ik geloof niet dat God bestaat” – Hij antwoordde haar met:  “Stel God zou niet bestaan, en Jezus sterft. Dan zijn wij geroepen, hoe dan ook, aan de kant van Jezus te gaan staan.”

God is de hoop

dat deze wereld niet verloren is

hoe verloren zij zich ook gedraagt

Chinees

Hij was kerkelijk dakloos geworden.”

Zo’n bericht wil je niet horen. Niet over iemand van wie je houdt en met wie je je verwant voelt. Ik dacht: “Hij voelde zich thuis bij de diensten in het verpleeghuis.” Nog niet zo heel lang geleden had hij verteld, hoe hij elke keer weer getroffen werd door die zoektocht hoe hij zó open kon zijn dat de ander hem zou kunnen begrijpen. En omgekeerd: het ontroerde hem als hij en een van de bewoners met alzheimer elkaar aankeken en beiden wisten: “Hé, dáár ben jij.”

Hij was wel kerkelijk dakloos. De predikante had, denk ik, gelijk. Bij zijn uitvaart werd de Bergrede gelezen. Indringende woorden van Jezus over hoe-het-op-aarde-zou-kunnen-zijn. Dat die mens die onderop ligt, ruimte krijgt. En dat wij daar met z’n allen garant voor zullen staan. Onze vriend herkende die woorden niet meer in de kerk, niet meer in zíjn kerk. Het zou in het geloof moeten gaan om rechtvaardigheid, en om het bewaren van de aarde voor de volgende generaties. Maar het gaat in de kerk, ook in de Protestantse Kerk, meer en meer – en daardoor minder en minder- over het persoonlijk heil. Dat het met mij goed gaat. In plaats van: dat het met de ander goed gaat. Hij had zich verlaten gevoeld.

De scriba van de synode heeft een paar weken geleden gezegd, dat onze kerkdiensten “Chinese schouwspelen” lijken. Hij is een man met gezag, of althans zijn rol brengt gezag met zich mee. Ik weet niet eens, wat hij er precies mee bedoelt. Had hij ons lijzige zingen in gedachten? De soms vreemde woorden als genade, barmhartigheid, gerechtigheid? Of een absurd woord als goedertierenheid? Bedoelde hij dat? Of de dominee in een zwarte toga? De kansel?

Of dacht hij aan de oecumenische gemeentes met hun uitgewerkte liturgische vormen? Bedoelde hij een bepaalde theologie? Het is mij niet helder. En toch raakte het mij. Ik was er door in verwarring gebracht. Het verlamde mij. Ik voelde mij aangevallen.

“Als iets je diep raakt”, ik had het zelf eens geroepen: “is er een onzekerheid die in jou als een raampje open staat.”

Waarom raakte de scriba mij zo?

Misschien ben ik zelf wel kerkelijk dakloos aan het raken. Terwijl het dak volop over mij heen gespannen staat. Nee, ik ben niet mijn geloof aan het verliezen, als ik al begrijp wat dàt dan weer is: je geloof verliezen. En nee, ik houd ook niet minder van de kerk. Ik hou wel van die nukkige gebruiken. Die psalm die ik niet één-twee-drie begrijp. En de vierde keer nòg niet. Ik voel mij op mijn gemak bij het orgel, zelfs als er beroerd op gespeeld wordt. Brigitte Kaandorp heeft er eens mooie dingen over gezegd, over het ontroerende van het nutteloze. Zoiets.

Ik fleur niet persé op, als er gitaren komen, een drumstel of een stel mooie zingende meiden.

Maar ik herkende mij toch in de eenzaamheid van onze vriend. De kerk is slechts zo moeizaam een beweging naar het koninkrijk van God. En àls het al, dan blijft het vaak zo in een wereld van woorden. De kerk is vaak alleen maar taalwereld. Zoveel taal en zoveel woorden, dat ik er soms een beetje dood in ga.

Vorige week waren een paar jonge jongens op televisie. Zij liepen met bewoners van een AZC het Lowlands-terrein af. Ik ga hier even voorbij aan mijn verpletterde verbazing over de hoeveelheid tenten, slaapzakken, bier en voedsel dat de festivalgangers domweg na hun vertrek hadden achter gelaten. De mannen liepen de lege tenten af, op zoek naar slaapzakken. Ze wilden er vijfhonderd verzamelen. Daarvan werden in een atelier water- en winddichte jassen gemaakt, met een rits onderaan. Die jassen waren voor vluchtelingen bedoeld, onderweg. Aan de rits zouden ze, voor de nacht, een slaapzak kunnen haken. “Warm” zei één van de jongens, hij probeerde een slaapzak uit: “Lekker warm en zacht.”

Zo praktisch. Zo recht voor z’n raap. En zo met het oog op een ander.

Ik was er jaloers op. Dit had een initiatief vanuit het netwerk van kerken kunnen zijn. Geen woorden, maar daden. Potentieel genoeg. Mensen genoeg. Gaven genoeg.

En je hoeft er niet eens chinees voor te spreken.

Uit machteloosheid te hard gereden.

Het is al jaren aan de gang, natuurlijk. Dat borrelpraat de politici in de greep heeft. Uitkeringsgerechtigden worden al lange tijd bespioneerd. Hoeveel tandenborstels zij in hun badkamer hebben staan. Of zij niet toevallig tòch ergens werken. Of ze geen huis hebben in Marokko, Turkije of waar-dan-ook. En dat niet, omdat zij aantoonbaar méér frauderen dan anderen. Ook niet, omdat het goed is voor henzelf. Gelóófde er nou nog maar een politicus, dat dit beleid de terugkeer naar de arbeidsmarkt stimuleert…. maar nee.

De controles worden opgevoerd om wat er in het café wordt gefluisterd. Door mensen met een baan. En een huis. En een kachel die brandt: dat ik laatst toch echt zag hoe iemand van de voedselbank met een Mercedes kwam aanrijden.

Dus, ja, ik had het kunnen verwachten. Dat ook vluchtelingenbeleid in de kroeg zou worden gemaakt.

Ik reed zaterdag naar een begrafenis. Van iemand die zich voor vluchtelingen had ingezet. Zozeer, dat hij had gevraagd een collecte te houden bij zijn afscheid: voor hen. Het was een lange rit. Drie, vier keer hoorde ik Halbe Zijlstra praten over “de vluchtelingen zijn een bedreiging voor onze welvaartsstaat. Straks moeten de uitkeringen naar beneden! De pensioenen! De WAO!.” Ik hoorde het met verbijstering aan. Dat Halbe ineens zo begaan was met uitkeringsgerechtigden. Ik had hem nooit eerder op die empathie kunnen betrappen…

Of was het wat anders? Moest ik bang worden? Was dàt zijn plan? Hij waait wat met spookpoppen “hoooooeh!”, en ik beef? Ik keek naar buiten, ik zag een ogenschijnlijk lief en groen landschap, de Rijn stroomde traag aan de weg voorbij. “In Woerden is een opvang voor asielzoekers aangevallen”, zei de nieuwslezer met monotone stem. Wie zijn nu de wilde horden, eigenlijk? En wie is hier nu een bedreiging voor wie?

Moet het wel over economie gaan?

Gaat het niet veel meer over ons. En de vraag, wie wij zijn?

Goslinga, politiek commentator, schreef diezelfde zaterdag over Cort van der Linden, minister-president ten tijde van de eerste wereldoorlog. Er woonden toen zes miljoen mensen in Nederland. Uit België waren één miljoen mensen gevlucht. Het land moest dus één zesde van zijn eigen grootte opvangen. Cort vond dat het moest. Het was een menselijke plicht om elkaar bij te staan. En dat bleef hij volhouden, ook toen in het derde oorlogsjaar hongersnood dreigde. Menselijkheid staat of valt met de mate, waarin je er voor een ander wilt zijn. Moeilijke zin? Nog een keer: menselijkheid staat of valt met de mate, waarin je er voor een ander wilt zijn. Punt.

In het licht van deze geschiedenis verbleken onze problemen tot akkefietjes. Maar erger: onze politici verbleken tot, ja tot wat eigenlijk?

Angsthazen? Zijn ze bang dat ik naar de PVV loop, als mensen worden opgevangen?

Of zijn ze verwende doetjes. “Kom niet aan mijn centjes?”

Tsja. Ik rijd wel eens naar Amsterdam en zie rondom Muiden de eindeloze zandwoestijnen: miljoenen worden er uitgegeven per strekkende meter. Voor een nieuwe snelweg die waarschijnlijk niet nodig is. Binnenkort vliegen er nieuwe straaljagers door de lucht. Voor het luttele bedrag van vijf miljard. Het kost wat, maar dan heb je ook wat. Er is geld zàt. Geld is nooit het probleem.

Maak er dan ook het probleem niet van.

Het probleem is een heel andere: dat we niet moedig zijn

en niet hartelijk

en niet open.

Op de terugweg, na de begrafenis, klonk wéér Halbe Zijlstra. Ik wist nog niet eens, dat wat hij zaterdag zei, vandaag al beleid zou zijn. “Containerwoningen, een paar tientjes, soberheid”. Hij had het over de eerste vijf jaar nádat een asielzoeker een tijdelijke status zou hebben. Bedenk, dat zo’n vluchteling dan al jaren achter de rug heeft. In een AZC. Tien jaar, vijftien jaar soms.

En dat is dan het beleid van mijn land.

Ik werd ineens geflitst. Ongemerkt was ik van machteloosheid en woede te hard gaan rijden.

Nou ja, ik zal de boete betalen.

Als het dan maar naar vluchtelingen gaat.

Twee manieren.

Vroeger vond ik het wel een bruikbare indeling: die van de gelovigen aan de ene en ongelovigen aan de andere kant. De eerste groep, leek mij, had zelfs een streepje voor. De gelovigen begrepen iets van de wereld. Van God. Van Jezus. Dus ja: ook ik heb geëvangeliseerd. Toen ik nog jong, slank en simpel was.

“Gedenk de zonde van mijn jeugd niet”, zingt een psalm. Met de jaren bleken de antwoorden die ik had, helemaal niet mijn antwoorden te zijn. Ik wilde bij een groep horen. Een groep van “zeker-weten”. Dat hield veel innerlijke angsten op een afstand. Het maakte ook keuzes gemakkelijk.

Ik geloofde niet dat “God de wereld in zes dagen had geschapen”, om maar wat te noemen. Ik geloofde evenmin dat het huwelijk uitsluitend voor één man met één vrouw is, om nog even iets anders te noemen. Ik wilde het graag geloven. Ik wilde het zó graag geloven, dat ik spéélde alsof ik het geloofde. Mijn spel was overtuigend. Ik geloofde het zelf.

Ik geloofde dat ik het geloofde.

Om die acteur te kunnen blijven, had ik publiek nodig. “De ongelovigen”. Ik dacht, dat zij het evangelie nodig hadden. Het was anders: ik had hen nodig. Als ik zou ophouden op de waarheden de hameren, dan zouden ze uit elkaar vallen.

Zo kijk ik er nu naar:

Ik had zekerheden nodig om niet uit elkaar te vallen. Ik had publiek nodig, zodat mijn zekerheden op hun beurt niet uit elkaar zouden vallen.

Ze vielen natuurlijk toch.

Je innerlijk is sterker dan alles van buitenaf. Ik viel om. En mijn waarheden vielen met mij.

Ik doe het nu al decennia met vragen. En nee: de vraag, of God bestaat, is daarbij voor mij niet de belangrijkste. Ook helemaal niet zo’n interessante vraag. Ik ben christen. Dat is wie ik ben. Dus ik neem een aantal dingen als bagage mee. Als uitgangspunten. God is zo’n uitgangspunt.

Uitgangspunt van vragen. Zoals: Wie ben ik? Wat doe ik hier? Wat is van belang? Wie zijn anderen? Wie ben ik voor hen en wie zijn zij voor mij? Vragen die nooit ophouden.

Ze houden je niet bij elkaar. Nee. Maar ze houden je wel op weg. Je beweegt door het bestaan. Met je onzekerheden. De onzekerheden steken als vraagtekens in je ziel. En jij, ik, wij stumperen onze antwoorden bij elkaar. Die dan weer uit elkaar vallen tot een nieuwe vraag.

Ik heb nog wel een indeling, trouwens, van mensen. Misschien ben ik nog steeds evangeliserend. Ook al evangeliseer ik vandaag-de-dag de twijfel.

Je hebt mensen, zoals mijn jonge ik. Vol van hun zekerheden. Het doet er niet toe waar zij die aan ontlenen. Aan hun moeder, de wetenschap, de Mayakalender, de Bijbel, de wichelroede. Er is een soort mensen, dat heel precies weet wat alles zeggen wil en hoe het in elkaar zit. Ik kijk wel eens naar zulke mensen. Het is echt een soort persoonlijkheid. Ik verbaas mij. Zouden zij zelf geloven wat ze zeggen? De mensen die zichzelf bij elkaar houden.

Zo’n Paul Witteman (lekker, als je je opponenten ken). Als die zegt, dat hij niet in wonderen gelooft. Gelooft hij dat nou zelf? Ik denk dan vertwijfeld: dat er een heelal bestaat, onmeetbaar voor ons, dat het rond is, geen begin en geen einde kent en toch uitdijt; dat in dat heelal een bolletje hangt dat je nauwelijks terugvindt tussen miljarden andere bolletjes; dat op dat bolletje leven is, watervlooien, paarden, olifanten, koekoeksbloemen, mensen; en dat tussen al dat leven iemand rondloopt die “Paul Witteman” heet? Is dat alles niet zó belachelijk absurd, dat je het gerust een wonder kunt noemen?

Ik vraag maar eens wat.

Alle mensen hebben, denk ik, een pakketje geloof in huis. Goed, niet iedereen zal vertrouwd zijn met “wandelen over water”, of “blinden die weer kunnen zien”. Dat snap ik. Maar ergens leven we allemaal met een aantal aannames, die we verder niet bevragen.

Dat we hier zijn “om iets voor een ander te betekenen”, bijvoorbeeld. Of “dat je respekt voor elkaar dient te hebben.” Ook niet te bewijzen waarom dat zou moeten. Maar we vinden allemaal van wel. Op een enkele hork na dan, misschien. Maar die meent iets, denkt iets, houdt iets voor waar.

Gelovigen en ongelovigen, ik doe er niet meer aan.

Wel aan zeker-weters, en twijfelaars. Mensen die zichzelf vasthouden en mensen onderweg. Met als onderafdeling: gevaarlijke en ongevaarlijke.

Een IS-soldaat is een gevaarlijke. Gevaarlijke zeker-weter. Dat vindt ‘ie fijn. Hij wil een gevaarlijke zijn. Hij wil dat wij bang zijn voor zijn zekerheid. Nou vertik ik dat laatste. Ik laat mij niet gekmaken. Maar ik zou hem, en daarmee ook onszelf, wel een beetje twijfel gunnen. Gewoon: dat hij zou zien hoe verschrikkelijk het is een ander de strot af te snijden. En hij aan de zin er van zou twijfelen. Even.

Christen-gekkies zijn, nou ja: vaak aandoenlijk. Soms onnozel. Een enkele keer ronduit ergerlijk. Maar ik zou het hen zo gunnen – twijfel. En daarmee groeikracht. Dat het leven veel en veel rijker is, dan zij in hun structuren denken.

Dat laatste zou ik alle Paul Wittemannen onder ons trouwens ook héél erg gunnen. Je kunt wel denken dat je weet hoe het zit.Dat het rationeel is. Of wetenschappelijk bewezen. Maar het zit op beslissende momenten toch anders. Dat hij daar ruimte voor zou hebben. Voor “het andere, dat ik niet had verwacht.”

Gelovigen noemen dat dan trouwens weer “god”. Nou ja.

Hoewel ik vroeger zelf een van hen was, verbaas ik mij vandaag over iedereen die “het weet”. Hoe kun je iets, dat zo veel groter is dan jij zelf – het leven namelijk, hoe kun je dat nou “weten”? Je kunt hooguit vermoeden. Totdat je weer iets anders vermoed.

Meer dan tijdelijk weten is er niet. Dat zegt ons de twijfel.

 

Ja, en dat weet ik zeker.