Evangelii Gaudium

“Opwindend” is niet het eerste woord waaraan je denkt bij een schrijven van de Paus. Daar is Franciscus zich zeer van bewust. “Ik weet”, schrijft hij in zijn pauselijke aansporing “De vreugde van het evangelie”: “dat teksten niet meer zo indringend zijn als vroeger. Mensen worden erdoor overspoeld en zijn ze daarom weer snel vergeten.” Maar hij wil het toch proberen, omdat de zaak hem aan het hart ligt. “Misschien vinden sommigen dat ik te veel in détail treed”, verontschuldigt hij zich, maar hij hoopt dat de lezer het hem zal vergeven. Hier ligt zijn hart, en dan word je altijd wat breedsprakig. De aansporing staat vol dergelijke frisse one-liners. Je kunt, zoals Frank Bosman ook opmerkt, een glimlach bij tijd en wijle nauwelijks onderdrukken.

pauspers-568x380Dat is wel het eerste dat opvalt. Wat is er een open en hartelijke man in onze schoot gevallen! Vanaf de eerste woorden die hij als paus uitsprak “Bon Giorno!” is er een andere wind gaan waaien. Zo licht en zo vanzelfsprekend, dat je je verbaast: waarom liet de vorige Paus zich zo in een pak naaien? Letterlijk: de barokke gewaden die Benedictus droeg, de rode schoentjes, de enorme ceremoniën, maar ook figuurlijk: werd hij gevangen door de angst? Door de curie? Door zijn eigen verleden?

Franciscus weigerde de kappa en de stola aan te trekken toen hij aan de mensen werd voorgesteld. “Het is geen carnaval meer”, zou hij hebben gezegd. Het zou symbolisch blijken voor zijn strijd om de kerk. Het gouden gordijn ging pas open, toen de paus er menselijk uitzag. Ontroerend in zijn – op dat moment nog- veel te kleine witte toog.

Het evangelie is vreugde, schrijft de Paus. Het is de centrale gedachte van deze Exhortatio. Anderen telden: 109 keer verschijnt het woord. Hij lijkt hiermee voort te borduren op Paus Johannes ll. Die zei zo vaak: “Wees niet bang!” Franciscus gaat verder: Verheug je! “Sommige christenen zien er uit, alsof ze rechtstreeks van een begrafenis komen”, zegt de Paus met een kwinkslag. Dat is onbestaanbaar. “Anderen leven in een eindeloze vastentijd, zonder dat het ooit Pasen wordt” vervolgt hij. Terwijl het evangelie vreugde en goedheid is. God deelt zich aan de mensen uit in een groot vertrouwen en in een brandende liefde. Zouden wij daar stijf en zuur onder blijven?

De Paus strijdt voor een open kerk die allen welkom heet. “Goedheid wil zich delen. Dat is de kern ervan.” Hij vraagt om alle strijd te staken en om bovendien los te laten wat niet meer van deze tijd is. “Gebruiken kunnen nog zo mooi zijn en nog zo geliefd, als zij niet meer de goedheid naderbij brengen moeten wij er afstand van nemen.” De kerk moet zich hervormen. “Decentralisatie” is een woord dat als een lelie midden in de tekst open gaat. ‘De intensieve centralisatie heeft de kerk geen goed gedaan.” Franciscus beoogt een collegiaal samenspreken van de bisschoppen, ook al ziet hij dat de kerkelijke regelementen hier nog niet voldoende in voorzien. “Wat ik anderen voorhoud, zal ik ook zelf moeten doen”, noteert hij hierbij. De Paus zal meer “Bisschop van Rome” moeten worden. Commentatoren was het al opgevallen dat Franciscus zich nergens als leider van een wereldkerk presenteerde. “Bisschop van Rome”, zo had hij zich steeds genoemd. “En voor vrouwen moet een nieuwe vorm van kerkelijke presentie worden gecreëerd.” Duidelijk zoekt de paus naar een opening in het door voorgangers bepaalde verbod op vrouwelijke priesters. Hij ziet mogelijkheden om vrouwen meer bevoegdheden te geven. “Wij hebben de inspiratie en de kracht van vrouwen nodig”, noteert hij. Anders blijft een deel van het evangelie onbelicht.

De Paus laat vier keer “nee” klinken. Een “nee”  tegen het buitensluiten van mensen. Onze economie stoot mensen uit. De Paus ziet het met verbolgenheid aan. We zijn allen kinderen van God. We mogen anderen niet in armoede, niet in werkloosheid en niet in veroordeling brengen. Hij spreekt een “nee” uit tegen ‘de verafgoding van het geld”. Mensen mogen niet worden gereduceerd tot hun consumptieve behoeften. Franciscus roept “nee” tegen het financiële systeem dat wel dicteert, maar niet dient. De mens staat centraal, zegt hij. Geld is een hulpmiddel. Maar wij leven in tijden, waarin dat is omgedraaid. Het geld staat in het midden en mensen moeten zich maar naar deze dwingelandij voegen. Franciscus spreekt een “nee” tenslotte tegen de ongelijkheid van het geweld. “Wij beschuldigen de armen ervan, dat zij in opstand komen en geweld gebruiken”. Maar wat is hun keuze, als mogelijkheden zo onrechtvaardig verdeeld zijn?

We zijn op een scharnierpunt van de geschiedenis aanbeland, zegt Franciscus: het casino-kapitalisme is failliet gegaan. Nu is het aan ons om te kiezen: willen we terug wat er was, of slaan we nieuwe wegen in? De Paus, het zal niet verbazen en toch verrast het wel, kiest voor de nieuwe wegen. Waarbij mensen, en de armen allereerst, tot hun recht komen.

Vier keer een nee, om een groot ja mogelijk te maken. Een “ja” dat inclusief is. Dat mensen het leven geeft. Dit “ja” herkent de Paus in het leven van de Heer. Hij citeert elders Paus Benedictus: Christen-zijn is geen morele positie-bepaling. Het is leven in een relatie. In de relatie met Christus.

Hoe kan de kerk mensen helpen om deze relatie te ontdekken en als nieuwe vrijheid aan te nemen? Door de mensen te vertrouwen. Het straalt van elke regel af, dat hier Franciscus’ hart ligt: mensen zijn sterk. Schenk je vertrouwen aan hen en God zal zijn weg met hen gaan. De Kerk, dat zijn allereerst de gelovigen. De priesters en de andere geestelijken zijn er om hen te dienen. Het is maar dat je het begrijpt.

Gelovigen keren zich naar buiten toe. Het is de natuurlijke beweging van elke christen. Met lede ogen ziet de Paus aan, hoe de kerken naar binnen gericht zijn geraakt. “De kerk is er niet voor liefhebbers, niet voor de ware gelovigen en niet voor de weinige uitverkorenen”. Opvallend is zijn aansporing ruimhartig te zijn met de sacramenten. “Die zijn geen beloning voor perfecte gelovigen, maar een krachtig medicijn voor de zwakken”. En dat zijn we allemaal, uiteindelijk, zwakken. Voor je geestesoog zie je de mensen die buitengesloten werden omdat ze gescheiden zijn, of homo, of anderszins niet pasten binnen de Roomse wetten. “Het evangelie is geen wet”, zal de Paus antwoorden. Maar vreugde.

De laatste maanden verschijnen er keer op keer foto’s van de Paus met mensen. Beroemd is de foto waarin hij een door tumoren misvormde man omarmt. Daarna verscheen een foto waarop hij praat met een man zonder gezicht. Iemand reageerde: “Ik word nu wel een beetje moe van deze P.R.” Evangelii Gaudium toont, dat het geen simpele P.R is, maar het wezen van deze Paus. Deel je vreugde met de mensen, het meest met hen die het verst van de vreugde verwijderd zijn.

Ik denk dat we daar pas moe van mogen worden, als we het zijn gaan doen.

Advertenties

Dies illa

Een grauwe dag vandaag. De wolken hangen futloos en saai boven je hoofd. En in je hoofd lijkt het al niet veel anders. Niet in dat van mij, in elk geval. Waar is het licht gebleven? Waar de energie van de zomer? In ons sluimert een herinnering aan het volle leven. Zelfs als het niet tastbaar voor handen is, begrijpen wij dat we voor het goede geboren zijn.
Misschien is het nog wel anders: juist op dagen als deze breekt de herinnering aan de zomerse heerlijkheid fel door. Wanneer zal het opnieuw zo zijn?

De Kerkelijke traditie las in de ziekenhuisweken van November over het Koninkrijk dat zal doorbreken. Dat nu zal gebeuren, waar mensen om roepen: dat kinderen lang en gezond zullen leven en niemand het in zijn hersens zal halen om ze te misbruiken. Dat jongeren stevig in hun schoenen leren staan en het leven omarmen zoals het naar hen toekomt. Dat ouders in balans met hun kinderen groeien en rijpen. Dat volkeren elkaar als buren zien en niet als concurrenten. Dat de aarde niet meer zal nemen, niet meer zal doden, niet meer onbetrouwbaar zal zijn. En de mensen zullen worden zoals zij: levengevend, scheppend, mooi.

Grote woorden. Ze lijken ver weg. Net zo ver weg, als dat ze dichtbij zijn in ons hart.

Willem Barnard schreef een gedicht over “die dag”.  Hij schreef aan zijn vrouw Tinka van wie hij onnoembaar diep hield. In zijn liefde voor haar zag hij Liefde geboren worden met een grote L. Hij beschrijft de stad Amsterdam. Met zijn grachten en huizen en zijn hoge bomen. Maar Barnard schrijft met een innerlijk oog. Hij ziet in de stad “een nieuwe stad”. Een zonder “poep op de stoep” – Danny de Munk. Maar met een prachtig licht achter het Centraal Station.

Het is een lang gedicht. De woorden trekken je mee in het verlangen. En even wordt het allemaal waar. Zo lang de woorden klinken is het er allemaal: brood, wijn, leven, vriendschap, liefde. Daarom leest de Kerk, keer op keer.

Ik hoop dat de zon nog doorbreekt vandaag.

Die hoop laat ik niet los.

Piet de Winter leest:

“Het gezin is in een crisis.”

Er is niet veel voor nodig om je aandacht te trekken. Eén zin kan voldoende zijn om je innerlijk in beweging te zetten. Een wesp is een klein beestje, maar kan ons hele grote mensenlijf in alarmfase 2 brengen.

gezinEr rolde een zinnetje uit een gespreksnotitie. De synode van de Protestantse Kerk wil spreken over familie en gezin. Ik heb – eerlijk is eerlijk- de notitie niet helemaal gelezen. Voel me ook wat vreemdeling als ik de urgentie hoor, waarmee mijn kerk over ‘het gezin’ wil praten. Wil de kerk er alleen over praten? Of wil ze ineens een punt maken? Er zijn meer punten te maken, lijkt me.

Enfin, dat was wat gemorrel vooraf. Als een haaievin uit de golven torende ineens deze zin omhoog: “Men zegt ook wel, dat het gezin in een crisis verkeert.” Een slimme zet, van de auteur. “Men”, niet noodzakelijk de schrijver, maar het is toch alvast gezegd. Hij had vlak daarvoor een somber beeld geschilderd met echtscheidingspercentages en woorden als “patchworkgezinnen, één-ouder-gezinnen en, o heden, homohuwelijken”. De notitie zag er vooral problemen in, begreep ik. Ik had het gevoel dat een oud, stoffig archief openging en een oude geur mij in het gezicht woei.

Ik geloof er niets van, dat het gezin in een crisis verkeert. Mensen trouwen er nog steeds vrolijk op los, wonen samen, zoeken een partner, willen met een ander verder en geloven ook nog dat dat kan. Iedereen vindt, tenminste de meerderheid wel, dat je het meest compleet kan zijn in verbondenheid met andere mensen. Sla een willekeurig tijdschrift open, een reclameblaadje van de Aldi desnoods, en de gezinnen springen je tegemoet.

De Kerk zou er niet over moeten mopperen dat de verschijningsvormen van het gezin zo veranderd zijn. Er zijn meer vormen denkbaar dan van een man en een vrouw en kinderen. Dat hele concept, van één gezin in één huis stamt uit de omslag van de negentiende en de twintigste eeuw. Vóór die tijd woonde er van alles bij elkaar. Broers, zussen, vaders, moeders, opa’s, oma’s, buren. Al was het maar vanwege woninggebrek. Tot halverwege de negentiende eeuw was het percentage vrijgezellen hoger dan dat van de getrouwden. Terwijl er toch heus kinderen geboren werden, anders waren wij er niet geweest.

In de Bijbel is het al net zo’n veelkleurige toestand: Abraham had twee vrouwen, okay het ging nog niet fantastisch, maar dat was voor zijn zoon geen enkele reden om niet óók met twee vrouwen getrouwd te zijn. Bij Jakob ging het al een stuk gemakkelijker, maar dat was dan ook de derde generatie, he. Tamar krijgt een kind met haar schoonvader en de Bijbel rekent het haar als gerechtigheid. Maria heeft een zoon, maar is -nog- in ondertrouw met een man die, zegt men, de vader er niet van is. Petrus had wel een schoonmoeder, Paulus was ongetrouwd.

Wanneer leert de Kerk, mijn Kerk in elk geval, de mensen om lief te hebben en wanneer leert ze hen om niet bang  te zijn voor hun liefde? Waarom wil de syode nu toch weer tot een soort richtwijzer komen? Wie kan de liefde van een ander peilen? En wie kan zeggen welke vorm hem of haar past?

Ondertussen is er misschien wel iets met onze beelden van familie en gezin. We hebben grote verwachtingen, torenhoge verwachtingen. Er is geen crisis, dat de mensen het gezin zouden minachten.  Ik denk wel, dat wij zó veel van het gezin zijn gaan verwachten dat de teleurstelling al ingebakken zit. Mijn man moet mij aanvullen, begrijpen, verrijken, inspireren, onderhouden en de seks moet ook nog adembenemend zijn. Mijn vrouw moet beeldschoon zijn, attent, moet mij inspireren, begrijpen, naar mij luisteren en onze kinderen moeten het ook heel goed doen. One big happy family.

Sinds wanneer is het leven zo’n Barbara Cartland boekje?

Waren onze voorouders beter in het accepteren van de middelmatigheid? Ik denk het soms. En soms verdenk ik hen ervan, dat ze stiekem gelukkiger waren dan wij. Het scheelt al enorm als je begrijpt dat geluk en perfectie twee verschillende grootheden zijn.

Wat zou de Kerk wel kunnen doen? Mensen het vertrouwen in hun liefde teruggeven. Ze hoeven niet te voldoen aan de beelden die ons overal worden voorgeschoteld. Samen onderuit op de bank met een patatje kan net zo goed zijn als fijn-gemanicuurd aan een sterrendis.

Van mijn ouders leerde ik dit: dat het soms goed kan zijn om te accepteren wat niet zo geweldig is en de pijn ervan te omarmen. Er kwamen tijden waarin ze weer naar elkaar toe groeiden en alle moeite toch vruchtbaar bleek te zijn.

Ik koos daarna mijn eigen vorm. Mijn weg, mijn liefde, mijn eigen, gezellige patchworkfamilie.

Daar hoeft geen synode zich in te mengen.

Luister, ik zeg niet wat ik zeg.

Psalm 35 is er een van het betere gooi- en smijtwerk. David, of iemand die zijn naam heeft geleend, bidt, roept, smeekt, eist om zijn tegenstanders tegen de vlakte te gooien. En dan bedoelt hij een vlakte waaruit nooit meer iemand opstaat.

We lazen het lied en voelden ons onhandig. Wat moet je hier nu mee? “Je moet G’d niet opzadelen met jouw problemen.”, zei iemand. Hij vond de psalmist laf. Hij moest maar eens met zijn tegenstanders gaan praten, of in elk geval zijn verantwoordelijkheid nemen. Als een klein kind naar G’d rennen, dat doe je niet.

“Nou”, reageerde iemand anders: “Ik kan mij wel in zijn woede inleven.” “Je kunt zó getergd zijn door anderen, zo verschrikkelijk gekleineerd worden, terwijl niemand om je heen merkt wat er gebeurt, dat je het ergste uitschreeuwt.” Ze vond het een nogal geruststellende gedachte, dat G’d zulke wensen toch niet vervult. Er zou geen mens meer recht overeind blijven, als Hij eraan zou beginnen. We staan allemaal wel bij iemand ‘op een lijstje’, tenslotte.

Een derde bracht in, dat je je donkerste gedachten kunt uitschreeuwen. Je kunt maar beter onder ogen komen wat er aan blubber in je wordt opgekookt. Schreeuwen tegen G’d is een betere oplossing tenslotte, dan met getrokken messen de ander te lijf gaan. En er daarbij ook nog van uit gaan, “dat je vanzelf in je recht stond.”

Zo spraken we over onze woede. En het geweld. Wat doe je ermee?

Eruit gooien is een therapeutisch betere weg.

En toen werd het stil.

We wisten niet zo goed meer wat te zeggen. En toch hadden we de indruk niet dichterbij de psalm gekomen te zijn.

Iemand begon voorzichtig. “Misschien gaat het niet over woede”.  Is dat alleen de buitenkant, de vorm. “Zou het ook kunnen dat er een heel ander verlangen achter schuilt?”, vroeg ze meer aan zichzelf dan aan iemand in het bijzonder. Zouden wij verlangen in boosheid omzetten? Is dat wat wij doen? En welk verlangen drijft dan deze psalmist?

“Hij wil gezien worden”, zei zij die las. “Zeg tot mijn ziel: zie Ik ben uw verlossing”, wees ze aan.

We dachten aan de vele keren waarop wij hadden geroepen: “Ben je nu pas terug! Wat ben je laat! Ik sta al een uur op je te wachten!” Terwijl wij hadden willen zeggen: “Fijn, dat je er bent. Ik had me zorgen gemaakt. Het gaat je goed, gelukkig.”

En dat was pas een piepklein voorbeeld. Wij zijn geen geweldige communicators. Wij vermommen ons boodschappen onherkenbaar.

Achter hoeveel verwijten schuilt een hart dat alleen is en gehoord wil worden?

De psalm bleef nog lang onrustig bij ons naschuren.

Over onvolmaaktheid, ergernis en aanvaarding.

Tussen de Mies-Bouwman-lieve-mensen kwam hij gisteren dan toch ook tevoorschijn. Pal na een jongetje dat zijn verjaardagsgeld in de bus kwam doen. Mijnheer Critisch. “Het is opvallend”, sprak hij van onder een strakke snor: “dat Giro 555 nauwelijks aandacht trok, toen er voor de Syrische vluchtelingen werd gecollecteerd.” Terwijl dat toch ook groot lijden was en nog steeds is. “Bovendien”, vervolgde hij: “is het geld dat na de aardbeving op Haïti werd ingezameld, lang niet allemaal goed gebruikt.” Er liggen nog veel projekten onbegonnen te wachten.

Hij wilde maar zeggen: “Het is nog maar de vraag, of we zo goed doen met z’n allen, nu we zo begaan zijn met de Filippino’s.”

Nu gaat het, volgens mij, helemaal niet om ons goed doen, maar om mensen die alles kwijt zijn geraakt; hun huis, hun zekerheid, hun buren, hun familie, hun geld, hun eten en drinken. Alles. Hoewel sommigen met veerkracht uit de rotzooi hutjes hebben opgetrokken, even kwetsbaar als zij zelf, kunnen de inwoners van de Filippijnen nu niet zonder hulp van buitenaf.

Toen er in 1953 een stormramp over Zeeland trok, was het erg fijn dat Zweden houten huizen doneerde, Duitsland woonwagens, en andere landen, dekens, geld, en medicijnen.

Komt al het geld goed terecht? Nee. Er zijn altijd goochemerds die geld naar zich toe weten te trekken, in het management, in de verdere organisatie, bij de mensen die hulp nodig hebben. Het gaat nooit goed. Nooit helemaal. Er zijn strijkstokken, fouten, vergissingen en kwade bedoelingen.

Het is mensenwerk, namelijk. Het is nogal oppervlakkig om te zeggen “dat ‘ze’ het niet goed doen”.  Wij, op dezelfde plaats, zouden het niet beter doen. Ik hielp ooit mee op een grote jongerenbijeenkomst, tachtigduizend jongens en meisjes bij elkaar. Ik was verantwoordelijk voor de maaltijdverstrekking. Het waren allemaal gezonde, goed gevoede en sterke mensen. En toch hoefde er niets te gebeuren of ze stonden ruzie te maken over een maaltijd, een appel of een toetje. Het foute is bij ons nooit ver weg.

Daar kun je van schrikken. Je kunt je er afzijdig van willen houden. Het klinkt heel verantwoord, critisch en rationeel om te zeggen, dat de directeur van de hulporganisatie nu eerst maar eens salaris moet inleveren, voordat je zelf geeft. Maar het helpt niemand. Wij mensen zijn niet rationeel.

Het is niet te verklaren waarom we voor Syrië niet zo gul waren. En de antwoorden die te bedenken zijn, verheffen ons niet bepaald.  Tegen die feiten kun je protesteren of je verzetten. De feiten veranderen er niet van.

Wij doen de dingen maar voor de helft.

We zouden dat ook kunnen aanvaarden. Dat betekent nog niet, dat we alles goed zouden moeten vinden. Het betekent ook niet, dat we niet naar verbetering moeten streven. Het betekent wel, dat we de helft die we kunnen doen, dan nu ook maar doen.

“We falen allemaal”,  zegt de hoofdpersoon in de film “La grande belezza”: “dat zou je barmhartig moeten stemmen.”

Mijnheer Critisch zag een aantal jongens auto’s wassen voor Giro 55. Voor hen was het wel goed, oordeelde hij: dan leerden ze in elk geval dat er meer was dan alleen hun eigen wereldje. Er klonk iets in mee: “maar wij, grote mensen, moeten beter weten.”

“Nee”, dacht ik: “wij moeten niet beter weten. Wij moeten niets, maar doen wat er te doen is.”

Sint Nicolaas en Christus

Vaak wordt hij aan de heidense goden gelinkt. Daar zijn zijn attributen schuldig aan: zijn witte paard, zijn kunst om over daken te galopperen, zijn zwarte knecht en ook de afgeschafte parafernalia: de roe en de zak. Thor en Wodan verstonden de kunsten van door de luchten rijden ook, en ook zij gingen gepaard met zwarte gedaantes om hen heen. En: ja, ook zij verschenen vooral in de winter.

sinterklaas2013 143Het is wel vaker voorgekomen, dat de in onbruik geraakte heidense verschijnselen en verhalen aan heiligen gekoppeld werden. Het lag er zomaar ongebruikt in het reservoir van de volksverbeelding, en dat was toch jammer. Dan kon je het beter een likje verf geven en gerecycled weer in gebruik nemen. Blijkbaar vond met dat de heiligheid van Nicolaas prima door deze heidense toevoegingen werd verstaan en uitgelegd.

Voor alles is Nicolaas een heilige: een getuige van de Heer. In eerdere eeuwen (Sint Nicolaas werd geboren in de derde eeuw) je alleen voor de titel “heilige” in aanmerking komen, als je omwille van je christen-zijn gedood was. In je overgave aan het leven van God weerspiegelde je Jezus de Heer. Ook Hij had zich immers overgegeven.

Toen de christenvervolgingen afnamen en er een tekort ontstond aan “echte” heiligen, werden de eisen wat bijgesteld: wie op een bijzondere wijze in zijn daden had laten zien wie de Heer is, kon heilig verklaard worden. Nou, zo rationeel ging het er niet aan toe. Maar kijk je terug, dan was dit wel zo ongeveer de regel. En voor de fijnproevers: heiligen die gedood zijn omdat zij Christus volgden, dragen in hun afbeeldingen een palmtak in de hand. Dan zie je gelijk het verschil.

Sint Nicolaas heeft die palmtak niet, zoals wij allemaal weten. Wat maakte hem dan  heilig? Waarschijnlijk niet, dat hij aanwezig was bij de vergadering die bijdroeg aan de geloofsbelijdenis van Nicea. Maar wel, doordat hij zijn geld uitdeelde. Dat is altijd een mirakel: als mensen hun geld weggeven. Hij zou in de late avond vermomd langs de huizen van de armen in zijn woonplaats zijn gegaan en zakjes geld naar binnen hebben gegooid (does it ring a bell?). Hij had drie meisjes vrijgekocht die aan een hoerenmadam doorgesluisd dreigden te worden. Hij gaf ze daarna zelfs een bruidsschat mee, zodat zij naar hun stand konden trouwen. Hij had, zo wordt verteld, drie officieren door diplomatie vrij gekregen uit krijgsgevangenschap. Dat laatste verhaal ging een heel eigen leven leiden, doordat de officieren héél klein naast hem werden afgebeeld in een toren. Mensen dachten: dat zijn vast kinderen in een ton. En daarmee was het verhaal geboren dat de Sint drie jongetjes had gered die door een kwaadaardige slager in stukken waren gehakt en in een pekelton gestopt om tot worst te worden verwerkt. De Sint wekte hen weer tot leven. Net als de Heer dat had gedaan met Lazarus.

Nicolaas moet een enorme indruk hebben gemaakt. Hij gaf aan iedereen het leven terug.

In de eeuwen daarna dreven ook elementen uit de Schriften naar hem toe: het grote boek, de uitspraken over goed en kwaad en – niet te vergeten!-  de vrijspraak. In de jaren zeventig werd dit allemaal parmantig voor de televisie overboord gegooid. Een grote vergissing lijkt mij. Sint had nog nooit een kind meegenomen naar Spanje. En al helemaal nooit tot pepernoten vermalen, zoals mijn lieve moeder mij dat voorhield. Dat zijn onze angsten. Onze angsten dat wij zullen falen, dat wij fout zijn, stout zijn, niet goed zijn. De Sint ontslaat ons van al die angsten.

En daarin lijkt hij nog het meest op de Heer.

Het ‘christelijke’ van G’d.

Christelijke partijen maken het gezin veelal tot speerpunt van hun beleid. De ‘natuurlijke band tussen man en vrouw en kinderen’ verdient bescherming. De grote kerkgenootschappen doen evenzo. Hun bescherming drukken ze uit door verzet tegen alles wat hen ‘tegennatuurlijk’ lijkt: echtscheiding, abortus, homohuwelijk.

Veel christelijke partijen hangen nationalistische waarden aan. G’d beschermt het vaderland. Nationalistische groepen bedienen zich van christelijke symbolen. Bij demonstraties van de “Jeugd van Groot-Polen” worden grote plakkaten met de Zwarte Madonna meegedragen, of anders wel kruisen of vaandels met heiligen. Deze grond komt ons van nature toe, ze is van ons.

Ik heb die fascinatie met het “natuurlijke” nooit zo begrepen. Dat komt vast door mijn eigen ietwat uhm tegendraadse bouw. Maar ook vroeg ik mij vele malen af: is G’d inderdaad de behoeder van de kringen die wij als natuurlijk en vanzelfsprekend beschouwen?

Of maken wij, door zo te spreken, van G’d een huisgod: een vriendelijke geest die ons huis en onze haard zal beschermen, méér dan het huis en de haard van een ander.

Mij treft de nonchalance waarmee de Heer over zijn familie spreekt. Zijn moeder wil hem zien. Jezus antwoordt: “Ja, en?” Zijn broers willen met hem spreken. De Heer lijkt zijn schouders op te halen en zegt: “Wat dan nog?”

Een béétje zoon zou er vandaag zelfs niet mee wegkomen. Hij kon rekenen op verwijten van zijn familie, op z’n minst. Als het geen klap van zijn moeder zou zijn om hem tot bezinning te brengen.

Jezus vervolgt: “Wie mijn woorden hoort en ze doet, die zijn mijn broers en mijn zussen.” Ik sta er iedere keer van te kijken, hoe Jezus de bestaande verbanden doorbreekt en nieuwe vormen van gemeenschap schept. Je bent verbonden met veel meer mensen dan je voor mogelijk houdt. Je kunt bij veel meer mensen thuis zijn, dan je dacht. Je bent met veel meer mensen verwant dan je veronderstelde. Je draagt veel meer verantwoordelijkheid. En je wordt zelf door veel meer mensen gedragen.

Jezus leefde wat hij zei: hij zat in de huizen van hoeren en tollenaars. Lachte met hen, at met hen, deelde zichzelf met hen. Wilde hij iets van hen? Zo zien we het vaak: “zij” moeten worden zoals “wij”. Daarom is Hij daar. Als een voorpost van ‘ons g0ed-oppassende burgers”. Ik denk niet dat dit de gedachte van de Heer is. Hij vertrouwt dat zijn aanwezigheid nieuwe verbanden schept. Over de grenzen van familie, vrienden en vaderland heen. “Zij” en “wij” worden tot een “nieuw wij”.  Wij worden een beetje hoer. En dat is goed zo.

“Houd van de vreemde”,  zei Jezus: “want die is als jij.”

De krachten van “eigen volk eerst” doven nooit uit. Er is een bijna onweerstaanbare neiging om ons in te spinnen in wat ons bekend is. Daarmee maken wij onszelf echter kleiner, onbeduidender en angstiger dan nodig.

Frere Roger van Taizé schreef ooit: “Jezus heeft nooit een nieuwe godsdienst voor ogen gehad, maar wel een nieuwe mensengemeenschap.”

John Tavener

Hij brak door met zijn  “Song for Athens”. Het werd gespeeld bij de begrafenis van Prinses Diana. Maar wat is doorbreken? In de decennia daarvoor schiep hij al een eigen Bestand:John tavener 2005.JPGuniversum. Een klankwereld die geloofde dat er een zinvolle orde zou kunnen bestaan. Hij behoorde tot dezelfde ‘school’ als Górecki en Arvo Pärt. Zij reageerden op de moderne, klassieke, muziek. Schönberg had de chaos en de toevalligheid willen verklanken. “Pling-plong”- muziek zeiden sommigen spottend. Schönberg vond elk denken in orde pervers. Is armoede orde? Is geweld in orde? Welke orde zou er in een wereld kunnen bestaan, die gewetensloos en gevoelloos kinderen doet sterven van honger? Schönberg, en vele componisten met hem, wilde laten horen dat er niets anders kan zijn dan wat jij opvangt en verstaat.

Tavener leefde in een ander bestaan. Leefde, verleden tijd: hij is gestorven. 67 jaar. Geïnspireerd door het christelijk denken meende hij dat er een geheim moest zijn waar het leven op gegrond is. Een dragende grond. Noem het “G’d”, of “liefde”. Misschien is de dragende grond in zijn muziek alleen zijn muziek zelf. Zolang ik zing word ik gedragen. G’d en werkelijkheid zijn niet uit elkaar te trekken.

Jaren gold zijn muziek als kitscherig en romantisch. Dat laatste was niet positief bedoeld. Het eerste ook niet. Algemeen werd gedacht, dat Tavener zijn tijd niet verstond. Hij zou zijn achtergebleven in een droomland. Slechts wie van zijn muziek wist betrad de ruimtes ervan met liefde. Ooit, jaren negentig, vond Tavener mij, heel simpel in mijn keuken. Ik dacht dat ik gezocht werd en ik wilde bidden. De critici lachten.

De tijd kan echter wat je voor onmogelijk hield. De tijd brengt boven wat beneden lag en maakt zichtbaar wat verborgen bleef. Arvo Pärt werd ontdekt. Zijn Spiegel im Spiegel klinkt vaker, is geen vreemde meer. De kitsch sleet weg uit onze oren. Klinkt nu de moderne klassieke muziek niet juist als tijdgebonden?

Wanneer je Tavener hoort, gaat de verwondering open. Dat alles er is. Gaat zelfs de verwondering over de chaos open. Dat het bestaat. Alles.

Gisteren luisterden wij naar zijn “Icons”.  Vandaag stond er één kolommetje in de krant. Dat hij niet meer hier is, bij ons. Het is vast toeval. Of een kwinkslag van de chaos. Maar het zou ook een knipoog kunnen zijn. Van een liefde die, toch, ondanks alles, is en draagt.

De geit van Jan Mankes. Haar vrede.

656951b9-d589-4b9a-b220-dcc4eb362fb5_GeitIn 1914 schilderde Jan Mankes een geit. Hoog op de poten, schitterend wit en met ogen om in te verdwalen. Het was het eerste oorlogsjaar. Mankes was zich daarvan bewust. Hij schreef aan een vriend: “Wij gaan moeizame tijden tegemoet.” Willem van Toorn schreef, ruim tachtig jaar later, een gedicht over het dier. Hij beschrijft haar, zoals wij haar op het doek zien. Hij schrijft haar los van het doek en wekt haar weer tot leven. Zij staat in levende lijve voor ons. In al haar rust. Zij is tevreden op de plek waar zij staat. Al zou zij ook ergens anders kunnen zijn. In een stal met hooi en een vrouwenstem die haar roept. Ze blijft waar ze is. In heelheid met zichzelf en haar omgeving.

Het is 1914. In Europa wordt zwaar gevochten. Jonge mannen worden opgeroepen voor de oorlog. Ze sterven. Miljoenen gebroken levens. Honderdduizenden zullen zwaar gehavend van het front terugkeren. De bommen dreunen nog in hun oren, de modder, het bloed, de regen hebben zich in hun ogen geëtst.

Het is niet de wereld van de geit. Zij is wit. Zij kijkt ons aan.

Vandaag gedenken wij hoe 95 jaar geleden de “Grote Oorlog” werd beëindigd.

Je vraagt je af: waarom begonnen we haar ooit? En waarom beginnen we de oorlog steeds en steeds weer?

Jan Mankes

Geit,

 

Zo hoog in beeld staat ze dat wij van onder aan

een kleine helling naar haar kijken, een lage wal

tussen bosrand en veld. Drie berken staan

voor avondlijk land achter haar. Er zal

 

een huis nabij zijn, Een geurende stal

en herfstig hooi. Een vrouwenstem die haar roept

Maar naar dit ander leven wil zij niet toe,

zij wil daar staan, voelend hoe de avond valt,

 

en louter wit zijn, tot haar oren toe

die net binnen de lijst passen. Haar ogen,

als van het meisje dat ze ook is, geloken

maar waakzaam onder de blik die zij vermoedt

van de onbescheiden kijkers die wij zijn.

 

1914. Haar aarde is niet de onze,

waar juist dit jaar het moorden is begonnen

dat ons lat bloeden uit miljoenen wonden,

Zij staat in onze droom van vrede. Zij kijkt ons aan.

 

 

Is Hij in de aardbeving?

aardbeving_lissabon2Op een vroege ochtend in 1755 schudde de aarde onder Lissabon. Het zou één van de ingrijpendste rampen in de mensengeschiedenis worden. Op de aardbeving volgde een reusachtige vloedgolf. En na de vloedgolf brak er een brand uit die aanzwelde tot een vuurstorm. Tienduizenden mannen, vrouwen, kinderen, jongens en meisjes, kwamen er bij om. Ze stonden de was te doen. Hadden hun huis juist in grote boosheid verlaten, de klap van de deur achter hen had nog net ruimte om te klinken, voor het water kwam. Of ze gingen juist een bloemetje kopen, omdat ze zo’n lieve vrouw hadden. Het beloofde een mooie dag te worden. Het werd een vernietigend drama.

“Er waren moderne nieuwsbronnen ontstaan”, vertelt mijn geschiedenisleraar droog: “Kranten verspreidden het verschrikkelijke bericht. Binnen een maand wist heel Europa wat er was gebeurd, daar in Portugal.” De mensen hadden het gevoel dat de grond onder hun eigen voeten beefde. “Het idee, dat G’d alles bestuurt brak in dat jaar”,  zeggen alle hedendaagse commentaren.

Het zou daarna nog duizenden malen breken. In ieders leven tientallen keren. Je hoopt, tegen beter weten in, dat er enige logica in de dingen zit. Dat er gestuurd wordt, überhaupt. Dat er een stuwende zin is. Iets, waarvan je zou kunnen zeggen: “Daarom was het nodig.” Zodat wij ons veilig voelen en geborgen.

Het is echter nauwelijks vol te houden, dat een goedbedoelend wezen het verloop van alles regelt. Waarom zou jouw portemonnee wel gevuld zijn en die van je buurman niet? Had jij het verdiend? En hij niet? Was jij beter? Had je een schoner karma? Was G’d jou wel goedgezind? De vragen vermenigvuldigen zich als vlooien op een hond, maar een antwoord blijft uit. Zelfs als er al een antwoord zóu zijn, dan kennen wij het niet.

Waarom zitten wij veilig achter dijken en liggen de Filippijnen onbeschut voor water en wind? Omdat wij rijk zijn en zij arm, zegt u. Maar waarom is dat dan zo? Stuurde G’d het?

Je kunt je verbazen dat het tot 1755 duren moest, voordat een bestaand beeld van God in duigen viel.

Het beeld mocht dan bestaan. De G’d die er achter schuil gaat, bestaat in die vorm niet.

Daar kunnen we het over eens zijn.