Oh ja, de kerk

 

Het woord “kerk” is een blikopener. Het trekt het dekseltje van een pak vol narigheid. Kerk staat voor benepenheid, voor zwarte kousen, voor misbruik, voor gewetensbeperking, voor arrogantie, voor discriminatie, de kerk staat zéker voor slecht zingen. Ik begrijp wel, dat de kerk onderaan bungelt als het om het vertrouwen van Nederlanders in instituties gaat. Ze heeft het er zelf naar gemaakt.

En toch ben ik er – nog altijd- lid van. Sta in het hart van deze gemeenschap. My god, waarom?

Nou, niet alléén omdat de kerk mij betaalt. Als de golven van ook mijn afkeer voorbij zijn, en ze golven, vaker dan mij lief is, breekt er ook iets anders door. Ik zie in de kerk mensen die aandacht voor elkaar hebben. Die week-in-week-uit elkaars leven delen. Op een geduldige, barmhartige manier. Ik zie vriendschap, vertrouwen, ik zie mensen die het beste in elkaar wakker maken.

Een aantal jaar geleden lag hier het hele bestaan weer eens ondersteboven. Het was vijf mei. In de krant las ik,  toevallig, dat er in een kerkje in Oost-Groningen een kerkdienst zou zijn. Ik was er. Psalmen werden gezongen. Er werden oude teksten gelezen. Mensen waren stil en luisterden. Het licht viel door het ontluikende lentegroen tintelend en glimlachend de kerk in. Genesis 1 voor je neus.

Ik ben lid van de kerk, vanwege een onuitsprekelijk geheim. Je kunt er eigenlijk alleen maar verhalen over vertellen. Hoe een man hier op het dorp zijn leven op de rails kreeg doordat hij op een ochtend de kerkdrempel overstapte. Hoe een oude vrouw haar ogen dicht deed, zodra zij maar een psalm aanhief. Je voelde aan alles: zo zong zij al haar leven lang. Over een andere man die ziek werd en een hele gemeenschap mensen bewoog maanden, jaren met hem mee en slaakte een ontroerde zucht toen een kleinzoon van hem de kerk kwam binnenrennen en luid riep “Opaaaaa!” Het verhaal over een zoon die zijn vader meer dan een jaar trouw, elke zondag, naar de eredienst bracht. De vader verdween steeds meer in de wereld van alzheimer, de zoon zat naast hem. De vader werd dover en dover. De zoon en hij zaten naast elkaar. Werd het onze Vader gebeden dan bad – oh!- de vader mee. Hardop. En zei als laatste van allen “amen”. Alsof hij al dingen zag die wij nog niet zagen en daarbij had stil gestaan.

Ik ben lid van de kerk vanwege God. Laat ik het geheim maar een naam geven uit onze traditie. De God die zegt: “Ik zal er zijn”.

Ik zie het elke zondag gebeuren in de erediensten. Ik zie het door de week. Ineens zie je het overal: mensen, gelovig, niet-gelovig, godloos, leuke mensen, niet zo leuke mensen, je ziet hoe ze gebaren van vriendschap aan elkaar geven. Ik zie het, dankzij de bril die ik in de kerk leer te dragen.

Nou ja, soms zie ik het ook helemaal niet. Mensen maken er vaak een potje van.

De gemeenschap van de kerk, en ja vooruit: óók het instituut Kerk, zij hebben mij dit geleerd: geloof dat de momenten waarop je het wel ziet sterker zijn dan de momenten dat je het niet ziet. Verdraag de ellende, dan zul je de schoonheid zien.

En die is overweldigend.

Advertenties

En toen vloog Van der Kaay er weer uit…

Er loopt een lijn door de brieven van Paulus, ik weet het, van waarschuwingen tegen dwaalleraren, tegen “een ander fundament, dan ik heb gelegd”,  tegen een “andere Christus”. De apostel maakt zich zo druk, voor zo ver we dat nog kunnen traceren, omdat er steeds weer mensen elkaar de maat begonnen te nemen. Er waren in Paulus’ tijd leraren die – opnieuw- gingen zeggen: je moet hier aan voldoen, je moet daar aan voldoen. Er waren leraren die mensen opnieuw eisen oplegden: als je nou maar zus of zo doet, dan komt het goed met je. En ze vonden van zichzelf, natuurlijk, dat ze al aan al die eisen voldeden. “Want zie eens hoe voorspoedig het met ons gaat”.

“Ik ben zo succesvol niet”, grapt Paulus over zichzelf. Ik ben maar een minkukel. Hij had ooit iemand ter dood laten brengen: Stefanus. Dat was een totale miskleun gebleken. Het was terecht geweest, als Paulus daarmee zijn recht-op-leven had verspeeld. “Maar kijk nu! Ik ben een apostel geworden!” En dat had hij niet bereikt door voorbeeldig te worden. God had dat in hem gedaan. Paulus was een ander mens geworden. De oude Paulus is er niet meer: die is dood. Hier staat de nieuwe Paulus.

De vrijheid om opnieuw te beginnen. De vrijheid om te leven. De vrijheid om er te zijn, al voldoe je verder nergens aan. Paulus was er diep van onder de indruk. Hij leefde er zelf van.

En wie die vrijheid bedreigde, die kon de wind van voren krijgen.

Daarmee leek hij, uiteindelijk, op Jezus. Die reikte zijn hand naar iedereen. Daklozen, drugsverslaafden, mislukkelingen, overspeligen, hoeren, klaplopers, verraders, noem maar op. Maar wie zei: “Godallemachtig, maar dat is een verrader, mijden die man”, die kon de wind van voren krijgen. Een heer-lijke tegenwind.

Tot zo ver Paulus.

Inmiddels zijn we tweeduizend jaar verder. De kerk heeft een spoor getrokken van uitgesloten mensen. Van zogenaamde dwaalleraren en valse fundamenten. Van vrouwen die verbrand zijn “omdat ze heks waren”, van brandstapels, galgen en rechterlijke uitspraken “omdat deze persoon de ware leer niet aanhangt”. De draad van Paulus is een giftige draad geworden. Waar hij verpletterd was door Gods vrijheid, daar is de Kerk zo langzamerhand verpletterd door de argwaan, de angst, de voortdurende – menselijke- neiging om te zeggen “jij doet het goed” en “jij doet het fout”.

Paulus’ brieven zijn een certificaat van macht geworden: met Paulus in de hand veroordeel ik jou!

We richten geen brandstapels meer op. Nee. Maar het geloer het geoordeel en het gemeet is wel gebleven. Fennie Kruize, Klaas Hendrikse, Cees den Heyer, om een paar namen uit de laatste jaren te noemen. Zeiden zij iets: dan stonden er direkt mensen klaar om te zeggen: “dat mag niet!” Ze werden er uit gezet. Of uitzetting dreigde.

Wat is er van de kerkelijke familie geworden die begon met “ga maar”?

We schrijven vandaag een nieuwe naam bij de buitengeworpenen: Van der Kaay. Hij had gezegd, dat Jezus nooit historisch heeft bestaan. Niet mijn opvatting. Ook niet direkt een erg sterk te onderbouwen opvatting. Maar een opvatting. Ik kan in mijn eigen gemeente zo een aantal mensen aanwijzen van wie ik weet, dat ze ongeveer hetzelfde denken. Dat was met Klaas Hendrikses “God bestaat niet, hij gebeurt”, al net zo. Beiden roepen niet iets buitenissigs. De gedachten leven bij allerlei mensen. Zelfs in de meest rechtzinnige hoek plopt soms de verontrustende vraag omhoog: “Bestaat Hij eigenlijk wel?”

Maar goed. Het mag dus niet. Je mag die vraag in de kerk niet hardop stellen. Ik word er triest van. Van der Kaay moet opstappen. Dat het een nogal opportunistische stap van zijn kerkenraad lijkt – waarom nu? Van der Kaay schreef zijn boek al twee jaar geleden – maakt het er niet vrolijker op.

Kent de kerk dan geen grenzen? Ik vind het een vraag naar macht. En zelfbehoud. Dat is de vraag “waar staat de kerk dan nog voor?” eveneens. Terwijl de hele bedoeling van die kerk toch was: verbanden aangaan met elkaar, en: jezelf verliezen voor de ander. Een spreuk tussendoor: de kerk bestaat niet voor de leer, de kerk bestaat voor de Heer.

Dat lijkt mij het springende punt. Ja, de kerk heeft wel grenzen. Maar niet zoals een kamer grenzen heeft met muren en deuren. De kerk heeft grenzen zoals een familie. Iedereen heeft een globaal beeld van zijn familie. Maar ooit een verjaardag georganiseerd voor je oma? Je blíjft aan het uitnodigen: als Piet erbij hoort, dan zijn vrouw Marie ook. En zijn zus, en daar de kinderen weer van. De grens ligt daar, waar de betrokkene zelf zegt: ik heb niet zoveel met jouw oma. Of, waar het aantal couverts belegd is. Zo ging het wel met ons trouwen. Honderdtien couverts, en daar lag de grens. Tamelijk subjektief.

Zoals oma op het verjaardagsfeest, zo is de Heer temidden van zijn kerk.

Van der Kaay hoort er bij, omdat hij er bij wil horen. Het past niemand om te vragen: “en waarom wil hij dat, als hij niet gelooft dat de Heer ooit heeft bestaan?” Paulus indachtig ligt de vraag immers ook op onze eigen voeten: waarom willen wij bij de kerk horen, als wij nergens aan voldoen en steeds weer falen?”

Onopgeefbaar verbonden?

“De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.”, zegt de grondwet van de kerk waarvan ik lid ben. Het is een duidelijke stellingname tegenover wat de geschiedenis van de kerk toont: haar haat tegen de Joden. Tot drie, vier, generaties geleden dachten christenen: de Joden hebben Christus verworpen, zij zijn blind en tellen niet meer mee, wíj hebben de Heer aangenomen en daarom hebben wij de waarheid. Het is altijd een geruststellende positie: te weten dat je aan de goede kant staat. Het verheft je ver boven andere mensen en ver boven alle kritiek. Het is ook een gevaarlijke positie: waar de kritiek verstomt, vallen slachtoffers. En dat is dan ook gebeurd: op grote schaal. Zo groot, dat de kerk en al haar pretenties er bijna onder bezwijken. In naam van de Heer zijn vele, vele Joden vermoord. Pogroms startten met angsten en leugens tegen de “vreemde Joden”, ze werden nog eens extra aangezwengeld door kerkelijk godsdienstige theologieën. De Joden, die waren het volk dat God niet meer wilde hebben. En daarom hielpen “wij” een handje door hen uit te sluiten, op te jagen en desnoods te vermoorden. Het bloed van Abel roept tot ons geweten.

De Tweede Wereldoorlog met zijn Shoah schudde ons hardhandig wakker. Dat die Endlösung in een land vol kerken en christenen uitgedacht werd móest de gedachten aan de kerkelijke uitmuntendheid wel breken.

Mede door het werk van Karl Barth, bisschop Niemöller en Dietrich Bonhoeffer ontdekte de kerk een nieuwe plek: naast het Joodse volk. Wij hebben de waarheid niet. De Joden leerden haar kennen en gaven haar door.

En daarmee ging veel kantelen: dat de waarheid geen vaststaande leer is, maar een begrip dat jouw relatie met de werkelijkheid uitdrukt, bijvoorbeeld. Maar ook: dat het gaat om wat je doet en niet om wat je zegt te geloven. En ook: dat de aarde het middelpunt van ons leven is en niet een hemel van welke soort dan ook.

Het revolutionaire van de Bijbelse geschriften is dit: dat er een naaste is. En dat die net is als jij.

Ik ben er nog altijd stil van: van die omwenteling. Wij dachten dat wij het hadden, we leerden dat alles wat een mens zoekt bij de naaste in bewaring ligt. Wij werden weer die wij waren: de heidenen die de G’d van Israël leerden kennen.

Dat daarmee óók de beelden van G’d als de Oppermachtige, de Baas, de Onveranderlijke op de helling gingen, hoeft bijna geen betoog meer. Ook G’d bleek van aards materiaal. De aarde is Zijn domein.

Zonder Joden zou de Kerk het Instituut zijn gebleven dat de weg naar de hemel wist. Doordat de Kerk gedwongen werd naar zichzelf te kijken via de ogen van de Joodse geschriften en via haar eigen geschiedenis met de Joden, stortte haar arrogantie neer en hervond zij zichzelf. Zij is de aardse gemeenschap van mensen.

Het was dus nodig, om in de kerkorde te zetten: onopgeefbaar verbonden

maar

de tijd schreed voort sinds 1951, het jaar waarin Israël voor het eerst in de Hervormde kerkorde werd genoemd. En er kwamen nieuwe vragen. Met wie is de kerk verbonden als zij zegt: “het volk Israël”?

Ligt dat volk geborgen in de Schriften? Gaat het om mensen die er vandaag niet meer zijn?

Zijn wij verbonden met het gelóóf van het “volk Israël” ? Met hun verhalen, getuigenissen en commentaren?

Of gaat het om mensen die vandaag leven.

En wie dan?

Zijn wij verbonden met de religieuze Joden? Met alle Joden?

En de dringenste vraag van alle vragen: is de Kerk verbonden met de Joden èn de staat Israël?

en als dat laatste het geval is: wat betekent die verbondenheid dan?

er zijn er die zeggen: het gaat alleen om de geestelijke erfenis. Dat wij onze Joodse wortels herkennen en erkennen.

er zijn er die zeggen: wij zijn alleen verbonden met de religieuze Joden

er zijn er die zeggen: de Kerk is verbonden met de Joden en met hun staat.

Als ik serieus neem, wat ik hierboven zei: dat wij van de Joden leerden dat het om de aarde gaat en dat geloven vooral betekent: handelen – dan kan ik niet anders zeggen dan: wie verbonden is met de Joden is ook verbonden met de staat Israël. Of je dat nu leuk vindt of niet. Ik zeg het eerlijk: ik kan mij op dit moment leukere verbondenheden voorstellen.

Ik schaam mij voor de oorlog tussen Israël en de Palestijnen. En ik ben mij bewust van alle vooronderstelling die deze zin al in zich draagt. Is het een oorlog? Of is het een conflict? Is het een bezetting? Of is het legitieme zelfverdediging van de staat Israël? Is het een oorlog tegen de Palestijnen? Tegen Hamas? Of tegen de Islam, misschien? Alle posities zijn in de kerk te vinden.

Ik denk: wij zijn verbonden met de Joden. En daarmee met de staat.

Maar verbondenheid sluit kritiek niet uit. In tegendeel. Verbondenheid roept juist op tot zowel solidariteit als kritiek.

We leerden van de Joden dat het leven gevonden wordt door de naaste. En we leerden het sleutelwoord: rechtvaardigheid.

Mag de kerk de vragen opnieuw aan de staat Israël stellen? In hoeverre zijn de Palestijnen jullie naasten? En wat betekent het om recht aan hen te doen?

Ben nog altijd lid van de kerk!

“Het is je werk”, zul je nu denken.”Natuurlijk ben jij nog lid van de kerk.”Je krijgt er je salaris van, tenslotte. Uit de kerk stappen zou een totale revolutie van mijn leven betekenen.

Inderdaad. En toch liggen, zoals zo vaak, de zaken ingewikkelder.

Een paar dagen geleden schreef een collega-blogger over zijn geestelijke ontwikkeling. Als vijftienjarige, schreef hij, vond hij dat je vurig vóór Christus moest zijn en een trouw kerklid. Zijn vijftienjarige zelf vond kerstgangers hypocriet. Je bent christen of je bent het niet, maar je bent het in elk geval niet voor één kerkdienst per jaar.  Zijn twintigjarige ik dacht: “Nou, die mensen die met kerst binnenkomen zijn een mooie kans. Om met het geloof in aanraking te brengen.” Zij missen iets, wat “wij” wel hebben. Inmiddels is hij weer een aantal jaar verder. Hij ging minder en minder vaak naar de kerk. Uiteindelijk schreef hij zich uit.

Dat laatste raakte mij. Hoewel hij en ik nooit fysiek met elkaar in de kerk hadden gezeten, miste ik hem ineens met terugwerkende kracht. Vond ik nu, dat hij een foute beslissing had genomen? Dat hij in de kerk thuis hoorde? Dat je sowieso in de kerk beter af bent? Die vragen kon ik niet met een “ja” beantwoorden. Daarvoor herkende ik te veel in zijn betoog.

Ook mijn vijftienjarige ik zou een hekel hebben aan de dominee die ik ben geworden. Ook ik vond, dat je als dominee “voor je zaak moest staan” en de zaak was: wij zijn zondaars, wij hebben de Heer nodig, zonder Hem ga je verloren. Mijn moeder, geen kerkganger, vroeg eens of een gestorven tante, van wie ik veel had gehouden, nu dan niet in de hemel was. Ik had de moed om te zeggen: “Tsja, ze heeft nooit voor de Heer gekozen, dus nee, ik denk niet dat ze in de hemel is.” Diep van binnen voelde ik, dat dit antwoord niet klopte. Maar ik vond het ook een rotstreek, die vraag van mijn moeder. En ik zou elke dominee veroordeeld hebben die een ander antwoord had gegeven.

Inmiddels ben ik zo’n dominee. Ik heb een ander antwoord. Of erger nog: ik heb geen antwoord. De hele term ‘hemel’ is uit mijn draagbuidel getuimeld. Ik weet er geen raad meer mee.

Ik herken de vervloeiing van het geloof. Ik herken de vervreemding: waar gaat het in de kerk in ’s hemelsnaam over. Misschien daarom mijn ergernis over de kerstcommercial van de Protestantse Kerk: zó leeg, dat het je niet zou verbazen als de kerstman in beeld kwam. Misschien ben ik zelf zo leeg geworden, maar wil ik het niet weten?

Zou ik uit de kerk willen?

Nou, dolgraag. Soms, althans.

Maar dan toch uiteindelijk ook weer niet. Ik houd van de gemeenschap van mensen. Ik houd van de concrete mensen die concreet in Sauwerd, Adorp en Wetsinge bij de gemeenschap horen. Ik mis tientallen anderen. Ik zou een brug willen zoeken naar een nieuw ‘wij’.  En ik houd er onnoemelijk van, dat zij bij elkaar komen – in welke vorm dan ook- rondom de Schriften, die sterke verhalen over leven en dood. En dat we bidden! Die bijzonder intense manier van samen-zijn en omgaan met elkaar.

Iemand vroeg mij deze zomer, waarom ik dominee was. Ik hoorde mijzelf, tot mijn stomme verbazing, vloeiend antwoorden: om de kracht van de verhalen uit de Bijbel en om de kracht die ik in de mensenlevens ontdek.

“Dat kan ik ook buiten de kerk vinden”,  zo ongeveer schreef mijn blogcollega. Ik heb misschien nog niet goed genoeg gezocht: ik vind het niet buiten de kerk. Ik vind de gebaren van brood en wijn die gebroken worden niet. Niet zó. Ik herken de gebaren wel. Maar ze worden nergens gevierd, zoals in de kerk. Ik vind er ook de verhalen van de Heer niet terug.

Dat is denk ik mijn eigenlijke troef: ik ben gefascineerd door wat mensen in het leven van Jezus hebben herkend. Ik ben gefascineerd door de evangeliën. Door hun enorme liefde. Daar wil ik bij horen. Bij die liefde.

Ik ben – ik streep dat alles zeggende woordje nog door- lid van de kerk

en ik houd ervan.

 

“Het gezin is in een crisis.”

Er is niet veel voor nodig om je aandacht te trekken. Eén zin kan voldoende zijn om je innerlijk in beweging te zetten. Een wesp is een klein beestje, maar kan ons hele grote mensenlijf in alarmfase 2 brengen.

gezinEr rolde een zinnetje uit een gespreksnotitie. De synode van de Protestantse Kerk wil spreken over familie en gezin. Ik heb – eerlijk is eerlijk- de notitie niet helemaal gelezen. Voel me ook wat vreemdeling als ik de urgentie hoor, waarmee mijn kerk over ‘het gezin’ wil praten. Wil de kerk er alleen over praten? Of wil ze ineens een punt maken? Er zijn meer punten te maken, lijkt me.

Enfin, dat was wat gemorrel vooraf. Als een haaievin uit de golven torende ineens deze zin omhoog: “Men zegt ook wel, dat het gezin in een crisis verkeert.” Een slimme zet, van de auteur. “Men”, niet noodzakelijk de schrijver, maar het is toch alvast gezegd. Hij had vlak daarvoor een somber beeld geschilderd met echtscheidingspercentages en woorden als “patchworkgezinnen, één-ouder-gezinnen en, o heden, homohuwelijken”. De notitie zag er vooral problemen in, begreep ik. Ik had het gevoel dat een oud, stoffig archief openging en een oude geur mij in het gezicht woei.

Ik geloof er niets van, dat het gezin in een crisis verkeert. Mensen trouwen er nog steeds vrolijk op los, wonen samen, zoeken een partner, willen met een ander verder en geloven ook nog dat dat kan. Iedereen vindt, tenminste de meerderheid wel, dat je het meest compleet kan zijn in verbondenheid met andere mensen. Sla een willekeurig tijdschrift open, een reclameblaadje van de Aldi desnoods, en de gezinnen springen je tegemoet.

De Kerk zou er niet over moeten mopperen dat de verschijningsvormen van het gezin zo veranderd zijn. Er zijn meer vormen denkbaar dan van een man en een vrouw en kinderen. Dat hele concept, van één gezin in één huis stamt uit de omslag van de negentiende en de twintigste eeuw. Vóór die tijd woonde er van alles bij elkaar. Broers, zussen, vaders, moeders, opa’s, oma’s, buren. Al was het maar vanwege woninggebrek. Tot halverwege de negentiende eeuw was het percentage vrijgezellen hoger dan dat van de getrouwden. Terwijl er toch heus kinderen geboren werden, anders waren wij er niet geweest.

In de Bijbel is het al net zo’n veelkleurige toestand: Abraham had twee vrouwen, okay het ging nog niet fantastisch, maar dat was voor zijn zoon geen enkele reden om niet óók met twee vrouwen getrouwd te zijn. Bij Jakob ging het al een stuk gemakkelijker, maar dat was dan ook de derde generatie, he. Tamar krijgt een kind met haar schoonvader en de Bijbel rekent het haar als gerechtigheid. Maria heeft een zoon, maar is -nog- in ondertrouw met een man die, zegt men, de vader er niet van is. Petrus had wel een schoonmoeder, Paulus was ongetrouwd.

Wanneer leert de Kerk, mijn Kerk in elk geval, de mensen om lief te hebben en wanneer leert ze hen om niet bang  te zijn voor hun liefde? Waarom wil de syode nu toch weer tot een soort richtwijzer komen? Wie kan de liefde van een ander peilen? En wie kan zeggen welke vorm hem of haar past?

Ondertussen is er misschien wel iets met onze beelden van familie en gezin. We hebben grote verwachtingen, torenhoge verwachtingen. Er is geen crisis, dat de mensen het gezin zouden minachten.  Ik denk wel, dat wij zó veel van het gezin zijn gaan verwachten dat de teleurstelling al ingebakken zit. Mijn man moet mij aanvullen, begrijpen, verrijken, inspireren, onderhouden en de seks moet ook nog adembenemend zijn. Mijn vrouw moet beeldschoon zijn, attent, moet mij inspireren, begrijpen, naar mij luisteren en onze kinderen moeten het ook heel goed doen. One big happy family.

Sinds wanneer is het leven zo’n Barbara Cartland boekje?

Waren onze voorouders beter in het accepteren van de middelmatigheid? Ik denk het soms. En soms verdenk ik hen ervan, dat ze stiekem gelukkiger waren dan wij. Het scheelt al enorm als je begrijpt dat geluk en perfectie twee verschillende grootheden zijn.

Wat zou de Kerk wel kunnen doen? Mensen het vertrouwen in hun liefde teruggeven. Ze hoeven niet te voldoen aan de beelden die ons overal worden voorgeschoteld. Samen onderuit op de bank met een patatje kan net zo goed zijn als fijn-gemanicuurd aan een sterrendis.

Van mijn ouders leerde ik dit: dat het soms goed kan zijn om te accepteren wat niet zo geweldig is en de pijn ervan te omarmen. Er kwamen tijden waarin ze weer naar elkaar toe groeiden en alle moeite toch vruchtbaar bleek te zijn.

Ik koos daarna mijn eigen vorm. Mijn weg, mijn liefde, mijn eigen, gezellige patchworkfamilie.

Daar hoeft geen synode zich in te mengen.

De neiging om dingen te verkloten.

Of ik wel eens theologie lees, vroeg iemand. Ik geef toe: theologie om de theologie is niet helemaal mijn liefhebberij. Theologie ontdekken, waar die niet direkt is bedoelt fascineert mij meer. G’d tegenkomen, zoals een oude bekende op een onverwachte plek, dat is het leukste. Maar soms treft Hij je op een bedoelde plek.

Onverwacht kreeg ik “Dit is geen verdediging!” in handen. Het is wel vaker zo, en ook nu: de Engelse titel is leuker: “Unapologetic”. Totaal onvertaalbaar. “Dit heeft geen verdediging nodig”, zou je ook kunnen zeggen. Of “Ik ga geen sorry zeggen!” Francis Spufford is de schrijver. En hij bedacht er een negentiende-eeuwse fantastisch lange ondertitel bij: “Waarom het christendom, ondanks alles, verrassend veel emotionele diepgang heeft.”

Wel eens een hardloper uit zijn startblok zien schieten? Zo knalt het boek weg. Drie bladzijden lang somt Spufford alle bezwaren op die je tegen het Christelijk geloof kunt aandragen. Zijn zesjarig dochtertje zal ze de komende jaren allemaal horen, in steeds toenemende geluidssterkte. Het varieert van: geloof is achterhaalde onzin, naar “geloof is onverdraagzaam”, langs “God is een bewezen onmogelijkheid” tot: “gelovigen zijn stumperds die de werkelijkheid niet aandurven en er daarom uit wegvluchten.” Je zou zeggen, na dit spervuur van verwijten en bezwaren is er geen enkele ruimte meer om nog iets aardigs over geloven te zeggen. Het ligt nu toch op z’n minst morsdood op de grond, zou je denken.

Maar nee: de race mag dan al begonnen zijn, voor Spufford is het nu pas tijd voor het startschot: voor hem is het christelijk geloof een mogelijkheid om de werkelijkheid juist scherp te zien. En die mogelijkheid is deze: het christelijk geloof liegt niet over de ongelofelijke oelewapperigheid van mensen. En houdt tegelijk staande dat mensen geweldig en geliefd zijn.

Dat laatste zegt alle moderne spiritualiteit ook, schets Spufford. Dat wij goed zijn, wordt ons van alle kanten toegeroepen. Over eventuele andere kanten wordt gezwegen. Spufford noemt het “gevaarlijk optimisme”. Wie van zichzelf denkt dat hij alleen maar goed is, zal zijn donkere kanten voor zichzelf en voor anderen gaan verhullen. Hij ontkent zijn wezen en voelt zich aangevallen zodra door een of andere oorzaak zijn mindere kanten toch zichtbaar worden. “Onze samenleving”, zegt Spuford: “weet zich geen raad met het kwaad, omdat zij niet gelooft dat mensen – ondanks hun geklungel, toch geliefd zijn.

“Mijn neiging om de dingen te verkloten” noemt Spufford het. Hij wil breken met de oude termen, omdat mensen die niet meer verstaan. Bij ‘zonde’ denken mensen aan seks op het verkeerde moment met de verkeerde persoon, of aan een ijsje met te veel calorieën, of in elk geval horen ze er een afwijzing in van alles wat leuk, spannend en lekker is. “Daar gaat het niet om”, reageert Spufford.

Waar gaat het dan wel om? De schrijver landt hier op de meest ontroerende bladzijden van zijn boek: hij vertelt hoe hij zijn vrouw verraden heeft. Zij is woest op hem. En hij op haar. Want als zij niet…. dan zou hij niet…. Ruzies die steeds weer opnieuw beginnen en die nergens eindigen en nergens naar toe gaan. Ze verwoesten alles wat er was en alles wat er nog zou kunnen komen. Direkt na één van dergelijke explosies van woede gaat Spufford ergens koffiedrinken. En terwijl een zwarte wolk van schade om hem heen hangt, prikken daar ineens de tonen van een Adagio van Mozart dwars doorheen. De schoonheid van het stuk, de onverwachtheid ervan, dringen tot hem door als stralen licht. Liefde zoekt hem. En in die liefde durft Spufford te erkennen: ik heb de dingen verkloot.

“G’d”, zegt Spufford verderop: “haalt dit truukje iedere keer weer uit.”

De bladzijden komen eigenlijk te vroeg. Er volgen nog taaie hoofdstukken over godsbewijzen, hoewel hij helemaal niet wou bewijzen dat G’d wel of niet bestond. Spufford zegt zinnige dingen, maar hij drinkt hier duidelijk uit een rustiger kopje koffie dan toen hij het Adagio hoorde. Er volgt een nòg taaier stuk over Jezus. Ik biecht het maar op: hier sloeg ik hele bladzijden over.

Het einde van het boek maakt weer veel, heel veel goed. Hij zegt daarin: de kerk is de kring waarin wij elkaars ‘verkloot” aanvaarden, zoals G’d ons gekloot aanvaardt. Het is allemaal nog erg experimenteel. Elke generatie begint opnieuw. Maar het is de moeite meer dan waard.

Hij schildert hoe op zondagochtend na de kerkdienst wat oude vrouwen, een paar gezinnen en kinderen onwennig koffie staan te drinken met elkaar. “We zochten elkaar niet uit. We werden uitgezocht. Ons deelt Onze Neiging Om de Dingen te Verkloten.”

Je voelt je bij zijn beschrijving van een landelijke Anglicaanse kerkdienst als in een aflevering van “Midsummer murders”, met dat lieflijke landschap, de oude vriendelijke vrouwtjes en de stille dorpjes. Maar je weet: onder die uiterlijke schijn van goedheid grommelt het kwaad. En toch lijkt het je een heerlijke plek, daar in Midsummer.

 

Openstaan voor de ander.

Begin jaren zestig werd hij naar Rome geroepen. Pater van Kilsdonk moest er verantwoording af komen leggen van zijn verkondiging. Hij had gedacht dat het over seksualiteit zou gaan, het waren de jaren van de seksuele ontketeningen, maar tot zijn grote verbazing ondervroeg men hem over zijn opvattingen over Christus en – vooral- Maria. Hoe is haar maagd-zijn te verstaan. Drie mannen van groot kaliber zaten het examen voor. Van Kilsdonk had een zekere verwachting van hen. Bij één van zijn antwoorden wilde hij Bultmann citeren. Hij geneerde zich een beetje; hij dacht dat hij hen toch niet hoefde uit te leggen wat deze protestantse theoloog te bieden had, dus zei hij in een bijzin “Ach, u kent zijn boeken ook wel.” Nee, die kenden zij dus niet. Ze herkenden zijn naam niet eens. Terwijl die toch echt door alle theologie echode, en nog.Image

Het was niet de orthodoxie van Rome die Van Kilsdonk trof. Van Rome kun je niets anders verwachten. De orthodoxie is zijn bestaansrecht, zou je kunnen zeggen. Het was wel de desinteresse, de blaséheid van de geestelijken, die hem onaangenaam raakten. De examinatoren waren overtuigd van hun gelijk, zo sterk, dat zij zich niet in anderen verdiepten en zich niet in anderen hoefden te verdiepen: dat kon toch nooit wat zijn.

Getrouw aan de ontwikkelingen in de jaren vijftig, legde Van Kilsdonk uit dat de geschriften verhálen zijn en geen verhandelingen. Je kunt ze daarom, wil je ze verstaan, het beste als zodanig verstaan: als verhaal. Narratief in de taal van theologen. De maagdelijkheid van Maria zegt iets over wie Jezus is. Wat zijn wezen is. Het zegt niets over de biologische gesteldheid van Maria’s geslachtsorganen.

Na het examen, waarvoor van Kilsdonk overigens slaagde, stelde hij een vraag aan zijn examinatoren. Het was voor hem een wezenlijke vraag: hoe moest hij spreken over homoseksualiteit. In 1963 had je een grote moed nodig om het woord hardop uit te spreken. Zeker tussen de putti van de Vaticaanse paleizen. Eén van de examinatoren keek hem enigszins glimlachend aan. Hij begreep niets van de ernst die in de vraag lag. Hij zei wat meewarig: “Ach ja, ja, weet je. Ik zie ze ook wel eens staan, die jongens op het Piazza Navona.” En hij haalde zijn schouders op. Hij vond het een randverschijnsel. Van Kilsdonk dacht: “Je zou van schaamte overvallen moeten zijn. Wat een onvermogen van een toptheoloog in de moraaltheologie!”

Ik dacht, dat ik wel zo’n beetje wist wie Van Kilsdonk was. Een beetje linksige man die niets met decorum heeft. Een luis in de pels. Een man met een grote loyaliteit voor de mensen die niet mee (kunnen) doen. Ik wilde zijn memoires eigenlijk niet lezen, omdat ik dacht dat het niets zou toevoegen. Ik had mij – zoals zo vaak, ik moet niet zoveel denken bij nieuwe boeken- vergist. Van Kilsdonk bleek veel gelaagder en veel vromer dan ik had gedacht.

“Soms zit ik hier in de straat op een muurtje en dan overdenk ik de geschriften uit de eerste concilies. Ik heb ze op seminarie moeten leren en ken ze uit mijn hoofd. Dan vraag ik mij af, waar ik in die eeuwen zou hebben gestaan. Zou ik ook gevonden hebben dat Jezus geen deel aan de goddelijkheid heeft, of zou ik voor de orthodoxie gekozen hebben?” Het deed hem verdriet dat in de hiërarchie bijna niemand zich die vragen stelde.

Na de oorlog was hij aangesteld als pastor voor NSB-ers. Die zaten in kamp Vught. Van Kilsdonk wilde contact met hen. “Schuld delen wij met elkaar.”, vond hij. Pas als je naast iemand wilt zitten, kan die ander de vrijheid vinden om nieuwe wegen te vinden. Zo lang je de ander beschuldigt, zal hij afstand van je nemen. Heb jij een goed gevoel, want jij staat aan de juiste kant, maar je bereikt niets. Later werd hij in het studentenpastoraat van Amsterdam geplaatst, niet eens direkt zijn keuze. Hij moest er op zondagmorgen de mis opdragen. Er kwam bijna niemand. En die kwam, zat achterin. Van Kilsdonk pakte zijn lezenaar en ging vlak voor de bank staan, waar de eerste studenten zaten. Toen hij wat ging schrijven in een ‘nieuwbrief”, zoiets bestond nog helemaal niet, Van Kilsdonk had er ook nog niet helemaal bij voor ogen wat hij er mee wilde, toen stroomde de mis vol. Van Kilsdonk sprak keer op keer zijn vertrouwen uit in de jongeren en in hun keuzes. Hij hield er adressen aan over van mensen die hij door de week ging bezoeken. Na zo’n bezoekje, schreef hij vaak een brief aan de betreffende student. “Daarin bracht ik het gesprek op een ander niveau.”

Diezelfde nieuwsbrief zou hem in de problemen brengen. Van Kilsdonk werd geschorst.

Waarom bleef hij in de kerk? Dat heeft hij zich vaak afgevraagd. In de tijd van zijn schorsing, maar ook in de jaren daarna. En zeker in de laatste decennia, die van de grote ontkerkelijking. Waarom ging hij niet weg? Hij dacht dat het door zijn discipline kwam: waar hij aan begon, dat maakte hij ook af. Maar het kwam zeker door de geloofsinhoud. “Het evangelie is voor mensen steeds een inspiratie geweest om zich voor de ander in te zetten. Ontelbaar zijn de mannen en vrouwen die hun leven hebben gegeven aan een ander, met zo’n grote intensiteit en met zo’n grote onvoorwaardelijkheid , dat die alleen vanuit het evangelie te verklaren zijn.” Bij zulke mensen wilde Van Kilsdonk horen.

Inmiddels is hij al vijf jaar dood. De kerkelijke wereld waarin hij opgroeide is verdwenen. Geen spoor bleef ervan over. De kerkelijke wereld waarin hij werkte wankelt. Maar zijn appel blijft klinken: er is geen leven zonder de ander.

Over: Pater van Kilsdonk, memoires, van Alex Verburg.