Mijn broer…

Als mijn broer in de penarie zat en hij zou bij mij aankloppen, dan nam ik hem zonder meer onder mijn hoede. In hem voelt het immers alsof ik zelf hulp nodig heb.

Als ik in het buitenland ben en een landgenoot komt in de problemen en ze verstaat de taal niet, dan schiet ik te hulp. Op z’n minst zou ik vragen “kan ik iets voor u doen?”. Haar taal, haar lichaamsbewegingen, haar manier van kijken: ik herken er het mijne in. Mijn taal. Mijn manier van doen. En dat verplicht.

Mensen zijn groepsdieren. Groepen vormen zich rondom herkenning. Ik meen eens gelezen te hebben dat we mensen met dezelfde naam elkaar vanzelf een stukje aardiger vinden dan een ander.

Ik ben dol op Sybrand Buma. Maar dat begreep je.

It’s what nature desires. Zorg voor hen die op je lijken.

Vanavond lazen we aan tafel een bizar gedeelte uit Marcus. De broers van Jezus en zijn moeder (zijn moeder! Je krijgt al weke knieën als je aan je moeder denkt) laten hem roepen. Marcus suggereert, dat ze zich zorgen om hem maken. Hij lijkt totaal de weg kwijt. De mensen zeggen: je familie zoekt je. En dan geeft Jezus een antwoord, dat de angst bevestigt. Hij is niet goed wijs. Jezus antwoordt: “Mijn broers? Mijn moeder? Wie zijn dat?”

Als een bezetene roept hij: “wie de wil van mijn vader doet. Die zijn mijn broers. En die is mijn moeder.”

Mijn natuur zegt: waanzin. Het is waanzin om je gelijken zo te schofferen.

Of is Jezus geniaal?

En verbreekt hij alle natuurlijke banden met opzet.

Rekt hij de mensenfamilie op?

Heeft Jezus gelijk dan word je een broer van iemand die in niets op jou lijkt.

Tinkebell deed een gek voorstel: geef tegenpolen dezelfde naam. Geef Geert Wilders de naam Mohammed erbij. En geef elke Mohammed de naam Geert erbij. Ze zullen iets voor elkaar gaan voelen, iets familiairs. Ze zullen zich verbonden voelen met elkaar en voor elkaar instaan. Tegenpolen worden één.

Ik vind Jezus geniaal. Ook als ik hem niet geniaal vind, vind ik hem geniaal. Dat heb ik lang geleden al besloten.

“De wil van de Vader” schuift hij over alle mensen heen. Alle mensen gaan elkaar herkennen.

Als mijn vader mijn vader is, dan ben jij een vreemde voor mij. Als jij dan bij mij aanklopt, houd ik mijn deur gesloten.  Vreemdelingen komen er van nature niet in. Kom je met honderd, duizend, drieduizend tegelijk, dan haal ik de brandspuit van de muur en spuit je van mijn stoep af. Ik heb ook nog wel een roestige handgranaat in mijn linnenkast. Voor als je blijft komen. Mijn huis is mijn huis. Mijn familie mijn familie. Je komt er niet in.

“God is je Vader” zegt Jezus. En ineens lijken we allemaal op elkaar. Gelukszoekers, vluchtelingen, luxe-boot-bezitters, angstigen achter de Europese grenzen. Er is geen ‘mijn huis’. Er is alleen ‘huis van de vader’. En daar woon jij dus ook.

Er klopt een broer aan je deur, Europa.

Er kloppen broers aan je deur.

Zusters

Moeders

ze lijken niet op je

ze zijn als jij.

Laat je ze niet binnen?

Ze zullen binnen komen.

ze zullen in je koelkast kijken en het lekkers er uit halen

ze zetten je TV aan

en gaan op de bank zitten

jouw bank

want dat is wat ze doen, broers

ze beschouwen jouw huis als hun huis.

En gelijk hebben ze.

Advertenties

Religie? Man, alles is religie

Neem nu Griekenland. Het woord waar we al weer sinds een jaar slapeloze nachten van hebben. Politici maken zich dik en druk, vliegen heen-en-weer, net als hun beschuldigingen. “Wij”, nee: “jullie”. Wij doen het economisch goed. Sowieso doen wij het goed. Jullie niet.

Griekenland is een afspraak. Een vondst uit de negentiende eeuw. Net als “Duitsland”, “Nederland”, “Frankrijk”.

In 1829 onttrok Griekenland zich aan de Turkse overheid. Niet geheel toevallig juist tóen. Het waren de jaren van de romantiek. Er moest zoiets bestaan, dacht men, als een ‘volksgeest’. En die moest omtuind door eigen grenzen, vond men. Daar nog een eigen monarch bij. En een eigen geschiedenis, waar je trots op kunt terugkijken. En het plaatje was compleet: één volk, één land, één regering, één cultuur. Overal op de Griekse archipel werden weer Hera’s geboren, en Helena’s en Arthexerxessen. De Grieks-sprekende moslims werden de Middellandse Zee overgejaagd. Het romantische plaatje moet niet verstoord worden, ej.

Een zeventiende-eeuwer zou er van opgekeken hebben. Ik sla honderd jaar over, inderdaad. De achttiende eeuw begon al voorzichtig met ‘volksaard’ enzo, dus vandaar. Het moet hier niet àl te genuanceerd worden. Je had een landsheer, dacht de zeventiende-eeuwer. Daar merkte je wat van, als er belastingen geïnd moesten worden. Of als er recruten nodig waren voor een oorlog. Maar verder? Je was bewoner van je stad, je dorp, je vlek, je modderpoel. Nationale trots? Nog nooit van gehoord.

Griekenland bestaat, omdat we het geloven. We geloven dat de Grieken bij elkaar horen. Wij horen daar dan weer niet bij. Omdat zij de hele dag olijven en knoflook eten in de zon en wij niet? Misschien. Maar meer, doordat het gevierd wordt en wij aan dat vieren niet meedoen. De Griekse nationale dagen gelden hier niet als vrije dag. De militaire parade in Athene wordt hier niet uitgezonden. Wij steken de Griekse vlag niet uit en wij zingen het Griekse volkslied niet. Ook al klinkt dat laatste wel heel gezellig. Wij lopen ook niet in minirok de erewacht langs de Acropolis, trouwens. Zij wel.

De oude Grieken waren niet gek, toen ze zeiden dat Pallas Athene een godin was. Allereerst godin. Dan pas stad. Zij waren geen ‘mensen die het nog niet helemaal begrepen hadden’. Zij begrepen het beter dan wij: macht is macht voor zover mensen macht erkennen. Je moet er aan werken om het zo te houden. Macht groeit met de moeite die mensen zich er voor getroosten. Offer je offers op het altaar van Athene. Daar vaart de stad wel bij.

Houden mensen op zich te identificeren met, zich te binden aan – dan valt de stad uiteen.

Griekenland bestaat niet. Griekenland wordt gesmeed. In de verhalen, de symbolen, de rituelen.

Christenen uit de eerste eeuwen waren ook niet gek, trouwens, toen zíj zeiden dat je aan de staatsceremonieën niet deel moest nemen. Macht kwam alleen toe aan Christus, de pantokratoor. Macht is alleen macht voor zover het mensen dient. Zoals de God in wie zij geloofden, mensen dient.

Dat hun oproep de verhalen als verhalen te erkennen maar nooit als absolute waarheden, dat die ooit zou leiden tot een nieuw, christelijk nationalisme – Christus is de ware macht, Christus staat aan onze kant, dus wij hebben de ware macht, hoppa- dat had de eerste eeuw onmogelijk kunnen voorzien.

Religie is: het verhaal is waarheid geworden.

Wij zijn geen negentiende-eeuwers meer. Wij zouden het verhaal kunnen herschrijven, als we zouden willen. Niet langer de natiestaat doorvertellen, maar iets nieuws: dat er een wij, en enkel een wij bestaat. Een verhaal van ‘één mensenfamilie’, waartoe wij allen behoren. Ophouden met ‘het is hun probleem’ Het is òns probleem. Als het een probleem is. Want: geld? Bestaat geld?

Eén aarde, één mensenfamilie. Al het andere is van ondergeschikt belang.

Blijf ik wel Grieks eten. Dat dan weer wel.

 

Zelfontplooiïng zonder zorgen.

We leven in een rare, harde tijd.

Ogenschijnlijk is het alles hier zelf-ontplooiing en vrijheid. Maar als dat zo is,waarom lijken we dan allemaal zo verhipte veel op elkaar? Je zou denken, dat iedereen in een andere richting ontplooit, als er vrijheid is. Maar nee. Kinderen worden in dezelfde bakfietsen (is het Boobeloo? Zoiets) naar school gereden. We drinken rosé en prosecco. Allemaal. Gojibessen zijn niet aan te slepen. En elke aankoop van een huis beginnen we steevast met de sloop van de keuken en de badkamer. Je kunt op het toilet precies zien hoeveel jaar de bewoners hier al wonen.

We hebben onszelf normen opgelegd: zo-en-zo moet het er allemaal uitzien. Peilbare, voor anderen peilbare normen die zeggen: wij voldoen. Wij kunnen het allemaal bijbenen. Wij wel.

Rosé. Tsss. Tien jaar geleden wilde je er nog niet dood mee gevonden worden. Rosé was voor versleten oma’s.

Wanneer is het begonnen? Die exposure van ons geluk en ons succes? Facebook helpt erbij. Kijk mijn kind! Kijk mijn delicious food! Kijk mij op mijn sloep ( 80.000 euro) fijn door de Leidse grachten varen!

Ik zeg er niks over. Het is heerlijk. Rosé is heerlijk. De Leidse grachten zijn heerlijk. Prima. Fine with me.

Maar ik proef ook angst. Angst achter die nieuwe keuken. Angst dat we straks ineens niet meer meetellen. Dat het ons ineens niet helemaal gelukt blijkt. Je zou maar net Snor drinken, in plaats van prosecco (of is Snor nu juist weer überhip? Je weet maar nooit). Of, o foute boel, vandaag nog vet-cool zeggen. Zóóó 2010. Je valt door de mand, voor je het weet.

En door de mand vallen….

Stel dat de anderen zouden denken, dat je zelf ook maar wat doet. Je moet er niet aan denken.

Nu zijn dit zomerdingetjes. Soit. Keukens en badkamers vind ik trouwens al van een zwaardere neurose getuigen. Maar de ratrace om de juiste-school-voor-mijn-kind, de ratrace om de-juiste-carrière-voor-mij. De juiste partner. Het juiste huis op het juiste moment. De juiste, juiste, juiste.

Geluk en succes zijn niet langer aangename bijverschijnselen van het leven. Het zijn keiharde doelen geworden. We hebben een standaard hoog te houden. Met onze vakanties. Promoties. Aantallen “likes”. We zijn geworden, denk ik wel eens, wat we doen en wat we hebben. Onze keuken is onze identiteit.

En we hebben blijkbaar slechts één kans. Eén mogelijkheid om te stralen. Verkeken is verkeken.

De moderne religie: je bent wat je hebt bereikt. Je krijgt slechts één kans.

Woef.

Zelfontplooiing zou betekenen, dat het je allemaal geen snars zou kunnen schelen. Jij ontplooit. Geen mode kan je zeggen hoe je dat moet doen. Slechts één compas zou je kunnen schelen, en dat is je binnenkant en je buitenkant. En dat die twee met elkaar zouden corresponderen. Dat ik van buiten ben waarvan mijn binnenkant zegt: “zo kun je zijn”. Zelfontplooiing is een proces. Je vouwt uit. Zoals de Teunisbloem. Blad, voor blad. En kansen? Die zijn er net zo veel, als de keren dat je opnieuw begint.

Zelfontplooiïng is geen eis. Ze is een uitnodiging. Een vriendelijke uitnodiging.

Ik lees Paulus op het moment. Een zinnetje uit de brief aan de Korintiërs blijft steeds bij mij hangen: door genade ben ik wie ik ben. Ik klop even het dogmatische gruis uit het woord “genade”. Ik denk aan de Amsterdamse Joden en hun bargoens. “Gein” zeiden zei, waar in het hebreeuws ‘chen’ staat. Genade is een grapje. Een leuk geintje.

Mijn hoofd heeft Paulus in een eigen gedachte gezet: het is grappig dat ik ben die ik ben.

Als je dat kan zeggen, is er geen angst. Je bent dicht bij jezelf. En daarmee dicht bij God.

En dan mag je er van mij best een roseetje bij drinken.

Of Snor.

The queer God.

Als God nou die potentaat was die de norm stelt, dan zou ik het begrijpen. Begrijpen, dat een Zwitserse bisschop kwaad wordt over gendertheorieën (hier). Dat de Paus transgenders vergelijkt met atoomwapens. Dat keer op keer de Kerk zich te weer stelt tegen alles wat anders is, tegen alles wat afwijkt en wat zwak lijkt. Hoe lang heeft het geduurd, voordat de Kerk toegaf toch een beetje fout te zitten met haar oordeel over mensen met een andere huidskleur dan de witte? Het schaamrood vliegt je op de kaken.

Zulke goden zijn er wel, in de Bijbel. Goden die mensen in een keurslijf zetten. Als radertjes in een systeem. Maar ze komen nooit op in Israël. Goden-die-de-norm-stellen zijn die van Egypte. Of van Babel. Die twee. De landen van “angst” en van “dwang”.

In die historische gedaanten verschijnen werkelijkheden, die er nog altijd zijn. Als er een farao in een verhaal verschijnt, heeft het niet zo veel zin, om je af te vragen welke dat dan is en wanneer die dan leefde. En Nebukadnessar uit de Bijbel is evenmin de Nebukadnessar die we uit – schaarse- andere bronnen kennen. En nu we toch bezig zijn: ook Pontius Pilatus staat vooral voor een gang-van-zaken die nòg door mensen draaiende wordt gehouden. De teksten verlichten onze tijd. Niet het verleden.

In Egypte staan de goden ten dienste aan de heersende macht.  Fijn voor de mensen die er in mee kunnen draaien, fijn voor de edelen, voor de bewoners van het huis van Farao, fijn voor de machtigen. Maar de boer op zijn akkertje aan de Nijl vindt het iets minder fijn, allemaal.

Ik denk aan Japan met zijn shinto godsdienst. De priesters daar, en de keizer daar vormen van ouds een eenheid die de Staat houdt zoals de Staat in hun ogen altijd is geweest: hun tuin. En wie afwijkt…. subversieve elementen die verwijderd moeten worden.

Het is flauw te wijzen naar Japan. De tekst verlicht ons heden. Niet het heden van een ander. Nòg wordt vastgesteld door mensen “hoe het zou moeten”. De economie doet dat. De moraal doet dat. “Men” doet het.

Egypte is het “land van angst”, schrijft de theoloog Willem Barnard. En dit is wat angst met ons doet: we verdragen de nuance niet. We verdragen de veelheid niet. We willen duidelijkheid. En eenheid.

Angst jaagt ons naar de kracht.

In tijden van recessie korten we de uitkeringen. Maar de rijken laten we ongemoeid.

In tijden van dreiging, wordt de schuld op de zwaksten gedrukt. In 1672 stonden de Fransen aan onze grenzen. In Utrecht, en al gauw op vele plaatsen in de Nederlandse Provinciën braken rellen uit tegen (vermeende) homoseksuelen. In Faam werden 24 jonge mannen opgehangen. De “immoraliteit” moest weg. Dan zou de orde als vanzelf herstellen.

En het werkt nog. Vraag het Mugabe. Vraag het Putin.

Het is niet Egypte, het is niet Babel. Het is ook de economie niet.

Wij zijn het zelf. Die bij twijfel terugvallen in de vaste structuren. Die ons heil zoeken bij de sterkste. Bij de sterke man.

God, en dan spreken we over de God van Israël, doet aan angst en dwang niet mee. Toegegeven, dat was voor Israël ook een hele weg van vallen en opstaan, voordat het een beetje fatsoenlijk op papier kwam, maar het schemert steeds duidelijker: deze God staat aan de kant van de zwakke. Deze God schrijft zijn geschiedenis met de handen van hoeren, buitenlanders, achtergestelden, overspelers, moordenaars. Het is een dwaze God. Omdat Hij gelooft in de vrijheid van allen.

Ik wil de bijbel steeds – toch-  weer lezen. Ik overwin er mijn eigen Babel en mijn eigen Egypte mee. Mijn vooroordelen. Mijn jij-hoort-er-niet-bij-gedachten. Ik vind het van een ongelofelijke wijsheid, dat de verhalen uiteindelijk zeggen: als je iemand buitensluit, sluit je God buiten. En “God” is het codewoord voor de meest kostbare, voor de kern van het bestaan, voor “win-of-verlies-waar-het-in-je-leven-om-gaat.”

Toen de kerkelijke mensen begonnen te klappen, daar in Chur. Omdat de bisschop las: “Als een man samen met een andere man slaapt, zoals hij met een vrouw kan slapen, dan moeten beiden worden gestenigd.” Toen de mensen daar applaudisseerden, omdat hij zei: “Voldoende antwoord op de vraag of homoseksualiteit ooit bij het geloof zou kunnen passen.”, toen sloop God, volgens mij, de kerk uit.

Hij vertrok.

Hij vertrok naar Amsterdam.

Zo dwars is God wel.