De minste zijn.

“De minste willen wezen”, het lijkt zo ongeveer de samenvatting van heel het christelijk leven. Het gonst door heel wat pastorale adviezen heen. Tot in het mooie gezang “O grote God die liefde zijt” aan toe. Maar wat lost het eigenlijk op, als je ‘de minste’ wilt zijn?

Het wordt je zó voorgesteld: conflicten worden opgelost, wegen gaan open, mogelijkheden groeien. Er wordt dit gesuggereerd: jouw onbuigzaamheid houdt nare situaties in stand. Maak je kleiner dan je bent, slik het even weg. Wees flink, want het levert je veel goeds op.

We deden eens een oefening. Een docent ging in de zaal staan en zei: “storm nou eens op mij af en laat je door mij niet tegenhouden.” Zo deed ik.Vlak voor het moment dat we tegen elkaar aan zouden botsen deed ze een stap opzij en ik vloog, half struikelend door. “Hoe voelde dat?”, vroeg ze, toen ik eenmaal stil stond. Nou, het voelde nogal, stom, eigenlijk. “Loste het iets op?”, vroeg de docente. Nee, niet echt. Het conflict was omzeild. Maar het was er nog wel. Ik had grote zin om nòg een keer tegen haar aan te botsen. En nu echt.

Ja, maar de Heer zegt het. En wie zou de Heer willen tegenspreken? Verwezen wordt naar Mattheus. Onder andere. Waar hij zegt, dat je je linker wang moet toekeren aan diegene die jou net op je rechterwang heeft geslagen. En dat je beter twéé mijlen met iemand kunt optrekken als hij je dwong om er eentje met hem mee te gaan.

Wat heb ik mijzelf vaak verweten, dat ik het niet kon. Ik kon dingen niet wegslikken. Ik werd er boos van. Boos op mijzelf, op anderen, op de hele wereld. Het was net een olievlek. Wat heb ik mijzelf vaak gestraft, omdat ik niet de liefste kon zijn, het niet over mijn kant kon laten gaan. Ik was, zo dacht ik, ik was de hinderpaal. Wanneer zou ik leren buigen?

De grote vraag is, of Jezus – Mattheus zou ik moeten zeggen – wel voorstelt om de minste te zijn. Zo ‘min’ was hij zelf ook niet bepaald! Hij maaide de handelaren zonder pardon uit de tempel. Hij gaf de farizeeërs van katoen. Hij smeekte de rijke jongeling niet om bij Hem te blijven. En toen hij werd geslagen, zei hij: “Waarom slaat u mij?”

“Wat had wel geholpen?” De afgelopen week lazen we Mattheus in de kerk. Ik hoorde de docente van tóen op de achtergrond. “Wat had wel geholpen?”, vroeg ze. Ik zei: “Als je mij had aangekeken.” Ik had op z’n minst afgeremd. En misschien was ik wel gestopt. Ik dacht aan de Chinese man op het Tiananmenplein in 1989. Hij dwong een colonne tanks tot stoppen. Door zijn plaats in te nemen. Om hem heen strekte “heilige grond” zich uit. Zó krachtig dat de soldaten niet verder durfden te rijden.

89-63_tank_man_-_webHij ging er, onbewust misschien, van uit, dat de soldaten mènsen waren. Hij raakte hen in hùn binnenste. In hùn “heiligheid”.

Ik weet niet, of je me nog kunt volgen. Ik denk, dat de woorden van Jezus niet gaan over “jezelf klein maken”, ze gaan over “je plaats innemen”. Op een zo’n sterke en vanzelfsprekende manier, dat de ander ook zíjn plek inneemt. Je wilt dat ik een mijl met je optrek, ik trek twéé mijl met je op. Je zult weten, wat ik hier ben.

Nog niet zo veel jaar terug, woei ik om bij elke kritiek. Soms liet ik het stormen in mijzelf. Maar vaak sloeg ik ook terug. Geen van beide wegen bleken heilzaam. Geen van beide wegen brengen je nader tot jezelf, en zeker niet nader tot de ander. Ik begon dit te begrijpen: zou mijn innerlijk zó stevig kunnen worden, dat het niet stormt? Dat ik blijf staan. In mijn waardigheid. Zo, dat de ander mij ziet? En ik de ander? Zou ik zó stevig kunnen zijn?

De woorden van Jezus in het evangelie van Mattheus zijn méér dan mooie adviezen voor een gelukkig en evenwichtig leven. Het gaat om méér dan handelen alleen. Ze gaan allereerst over jouw binnenkant. De plek vanwaar uit je handelt. Waar vindt die zijn balans? Zijn voeding?

“Ik had liever gezien, dat je mij was blijven aankijken. Dat jouw innerlijk mijn innerlijk had gezocht”, zei ik.

“Ja”, antwoordde de docente: “dat moet ik dan wel durven.”

Ik zing: “En laat ons zonder vrezen, sterk in onszelf doen wezen”

Advertenties

Ik werd de gelovige die ik vroeger niet begreep. En ik ben gelukkig.

Ik hield van mijn ouders. Zeg ik alvast maar, voordat je er aan twijfelt. En op een bepaalde manier hou ik nog van hen, ook al zijn ze gestorven. Maar missen? Nee, dat doe ik hen niet. Ik heb geen “had ik maar”, of “was ik maar”. Ik herken de gedachte niet, dat je nog zou willen dat ze er nog waren. Nee.

Ik vond het een soort bevrijding, toen mijn moeder stierf. Voor haar; ze was oud en telde de dagen. “Hoe vaak word ik nou nog wakker?”, vroeg ze eens doodvermoeid. Maar het was ook een bevrijding voor mij. Begrijp me goed: niet het soort, waarbij je de vlag uitsteekt en naar de buren uitroept: “Eindelijk!” Of “wat een prachtige dag wordt het hè?” Nee dat soort was het niet. Het was meer, zoals een kuiken uit het nest wordt gegooid. En nu op eigen vleugels het leven in. Je dondert wel naar beneden, maar voordat je de grond raakt, zeil je weg. Je had meer in je, dan je eerder dacht. Zo lang je ouders leven, blijf je toch kind. En vergelijk je je met wat zij vinden en zeiden, je zet je er tegen af, je vecht ertegen, of je voldoet eraan. Wilt de zoon zijn die zij in je zien. Of juist opzichtig niet. Een deel van jezelf blijft  in elkaar gefrommeld zitten. Toch.

Je merkt het pas, als ze er niet meer zijn. Ik hoef nergens meer aan te voldoen, ze kijken niet meer.

Maar ik kan hen ook niet meer om raad vragen. Of hoe het nou zat, vroeger. Wat mijn eerste stapjes waren. Ook dat is voorbij. Het heden strekt zich uit.

1334692621_Loejse Kaart Het Leven is Een Feest 1

Aan mij òf ik ga vliegen. En hóe ik dat ga doen. Ik vond het wel mooi, die ontwikkeling. “Fantoompijn” heb ik niet gekend. Toen mijn ouders leefden, was het goed

. Toen zij er niet meer waren, was het op een andere manier goed. En allebei paste, op dat moment, op die manier. Ik ging staan.

Het is deel van het leven. Dat je meer en meer gedwongen wordt op je eigen voeten te gaan staan en vanuit je eigen innerlijk te gaan leven. Geen steun meer van buiten.  Met G’d verging het mij al evenzo. Dat is lastig en prachtig tegelijk.

Toen ik een kind was, was G’d altijd bij mij. Ik kon gaan slapen, want G’d hield de wacht. Ik kon naar school, want G’d lette op. Hoe ik dat dacht met auto’s en verkeer, weet ik niet. IK dacht er niet over na, volgens mij. Hij was er bij. Mij zou niets gebeuren.

Toen ik zeven was, werd ik door een auto aangereden.

Dit verloor ik: dat G’d voor veiligheid zorgt. Dit behield ik: dat G’d mij de weg zou wijzen. Ik zou een teken ontvangen, merken, of ontdekken wat mijn weg zou zijn. “Zolang”, want ja dat hoorde er wel bij: “zolang ik deed wat Hij van mij vroeg.” En ja, helaas. Dat vragen stroomde al gauw, als water, naar het laagste punt: mijn schaamte en mijn verborgenheid. Ik leerde vertrouwen. Maar ik leerde ook angst. Als ik maar niet toegaf aan… Als ik maar..

En toen werd ik verliefd op een jongen. Ik was 24. Tsjonge wat werd het een onoprecht, verwrongen, verborgen gedoe. G’d zou er vast iets van vinden. En positief zou het niet zijn. Mijn schaamte keerde zich binnenstebuiten. En G’d? G’d werd een last.

Na hun dood werden mijn ouders opnieuw geboren. Niet in een andere wereld, dat misschien ook, ik weet daar niet zo veel van. Ze werden allereerst geboren in mij: als vrijheid. Ik had alles meegekregen wat nodig was. Zelfs als ik vond, dat ik niet het juiste had meegekregen, moest ik het hier toch maar mee doen. Ik doe het er mee. Zij deden wat zij konden en het was goed. Nu doe ik wat ik kan.

Mijn grote verbazing was deze: bij het lezen van de Schriften zag ik, door de bijbelboeken heen, hoe G’d zich terugtrok. Hij blijft de mensen niet op hun nek zitten. Hij doet stappen achteruit. Laat het.

Is hij in het begin nog de Schepper van de mensen, en in die zin verantwoordelijk voor hun bestaan, het blijft niet zo. Stap voor stap, schok na schok, wordt Hij hun tegenover, hun verwoester, hun Knechter. Het lijkt wel de tienertijd van de mens, als je leest in Exodus, als je stilstaat in Leviticus. Wat de mensen allemaal niet moeten! En wat ze allemaal niet mogen! Ik vind de ogen terug van mijzelf, toen ik zestien was.

Maar het gaat verder: G’d die in de eerste boeken onbekommerd spreekt, wordt later vertegenwoordigd door engelen. Later zijn het profeten die spreken “namens”. Later is er de Zoon  die spreekt. G’d wordt ouder en verlaat het toneel.

Voor wie?

Voor de mensen.

Voor mij. “Gij zult”, spreekt de Heer: “grotere dingen doen, dan ik.” Daarbij gaat het niet over gekkigheid als het oppakken van slangen. Maar om dit: dat jij jouw leven vormt met de ingrediënten waarover je las.

“The bible is like a cookingbook”, zei een rabbijn en het sprak mij gelijk aan: “It writes how to cook chickensoup. But you must cook it.” Aan jou, hoe je het gaat doen.

Fantoompijn? Ik was er bang voor, ooit. Stel, dat G’d niet zo dichtbij is, als ik nu denk!

Maar ik leerde de angst loslaten, ik moest wel. Dit was de ontdekking: de pijn bleef uit. Ik vond het onthullend. Dat er zo veel vertrouwen aan mij is gegeven, dat mijn ouders konden sterven.

Dat G’d zich kon terugtrekken.

Offer alleen aan de HEER, want anders…!

Exodus 22 valt open voor komende zondag. Vanaf vers 19. Tenminste: eigenlijk valt het er nèt niet in het te lezen gedeelte. Maar ik lees het wel. Er staat: wie offert aan andere goden dan aan de HEER, wordt in de ban geslagen. Ik hou wel van dergelijke “harde” teksten. Ze vragen mijn aandacht. En het loslaten van mijn vooroordelen en ergernissen. Iemand schreef deze woorden ooit op en vond er wijsheid in. Aan mij is het, om mijn wijsheid te ontdekken. Eigenlijk vind ik akelige bijbelteksten leuker dan de lieve. Daarbij knik ik te snel van “ja” misschien en verzucht ik te snel “o, mooi!” Om vervolgens onveranderd en ongeschonden mijn weg weer te gaan.

Een rake belediging kan je voor jaren plezier meegeven. Ze vormt en voedt je ziel. Kan.

Goed. Exodus dus. De eerste die ik altijd weer de deur moet wijzen is de Maarten ’t Hart in mij. Ik lees vers 19 en denk: o, wat intolerant! Ik denk: god, wat hard! En ik denk: wat een egocentrische rotgod is hier toch aan het woord. Hij wil weer alle aandacht. Maarten heeft het in zijn boeken op vele manieren geniaal verwoord. Mijn eigen verzet vind ik bij hem terug.

Ik luister naar mijn verzet. Net zo lang totdat de vragen komen: is mijn verzet niet een omkering van iets? Van mijn wens om in het midden te staan? Ik denk het soms.

Ik luister naar mijn verzet, totdat het doorgang geeft aan de woorden. Waarom zou ik aan de HEER alleen offeren? En wat betekent dat dan?

En – hier komt de hamvraag- wat zijn dan de goden?

Het gaat, zoals zo vaak in de schriften, om een keuze tussen wel en niet.

Nou las ik toevallig verder in Exodus. En daar klonken woorden met een frisheid die me verblufte. Dat je een ander het vel niet van de neus moet trekken. En zeker de arme niet. Dat je een vreemdeling onderdak moet verschaffen. Hij is van jou afhankelijk op dit moment. Net als de wees en de weduwe, beide mensen die zichtbaar anderen nodig heeft om verder te kunnen. Loop niet door. Wend je niet af, maar wees er voor ze.

Want jij bent zelf vreemdeling geweest.

Ik viel stil. Bij deze laatste woorden. Ik ben zelf niet van ander materiaal gemaakt dan een arme, een wees, een vreemdeling. Wie zij vandaag zijn, kon ik gisteren wezen. We verschillen niet veel. Alleen ben ik nu in de gelegenheid een “jij” te zijn voor jou.

Ik kijk nog eens naar dat eerste vers: wie aan andere goden offert dan aan de HEER. Ik dacht dat het zou gaan om: naar de juiste kerk gaan. Om de juiste gebeden zeggen, de juiste dogma’s aanhangen. Vroom zijn, zeg maar.

Ik was te snel met mijn oordelen over de tekst.

De HEER blijkt helemaal niet het centrum van de tekst te zijn. Ook de godsdienst niet. Centrum van de tekst is: jij. Jij die mij aankijkt, vertaalde Breukelman ooit.

En alle keren dat ik jou niet aankijk: omdat ik haast had, omdat ik vond dat je maar beter had moeten opletten, omdat ik je niet zo mag, omdat ik baal van al die vreemdelingen, omdat ik vind dat eerst de economie maar moet aantrekken, omdat- …. al die keren offerde ik aan goden.

en dat lijkt juist

maar uiteindelijk val je er zelf door buiten de boot.

Dat is de hardheidsclausule van deze tekst, en die blijft, hoe je hem ook uitlegt: wie niet in het aangezicht van zijn naaste leeft, verliest.

Hoe intelligente mensen bij G’d het spoor bijster raken.

En opnieuw gaat Bert Keizer op speurtocht naar G’d. Verbeten haast schijnt hij met de zaklamp van zijn pen alle hoeken van de wereld af. Om aan te tonen dat hij gelijk heeft: er is nergens een wezen te bespeuren dat zou kunnen luisteren naar de naam “God”. Elfjes bestaan ook niet, tenslotte. En het “Verschrikkelijke Spagghettimonster” evenmin. Die twee zijn toevoegingen van mij. Om duidelijk te maken: de queeste van Keizer – en van zo veel intelligente mensen met hem- is deze: de David van Michelangelo bestaat. Je kunt hem bezoeken, aanraken, bekijken, hij neemt plaats in en is van een substantie. Van G’d kun je dat niet zeggen. Sterker nog: er is geen enkele werkelijkheid waarin G’d zou kunnen bestaan.

IMG_20140215_105628 (2)Anton Dingeman ziet in dezelfde krant G’d dan ook naast de kabouter en de draak staan, bang dat hun niet-bestaan ontdekt wordt. Ik vind Anton Dingeman vermakelijk. Ook vanmorgen. Maar daarom geloof ik nog niet alles wat hij mij voorschildert.

Beiden delen een harde klap uit, maar pijnlijk: naast de spijker. Terwijl ze zelf denken dat ze boven op de kop slaan. Nee dus.

“God behoort tot de verbeelding”, zegt Daniël Dennet, de Amerikaanse filosoof. Hij kreeg er zelfs een prijs voor uit handen van onze koning. Ik zie die uitreiking ook maar als een klein eerbetoon aan mij, in alle bescheidenheid. Ik zou immers niet weten, tot welk terrein G’d anders zou moeten behoren. Niemand heeft G’d ooit gezien. De Bijbel, grote kenner van G’d, zegt het zelfs: “Nee, wij hebben Hem nooit gezien”. Niemand was erbij toen de aarde begon, laat staan het heelal. “En al zou je er wel bij zijn, bij het begin, en je zou er met je neus bovenop staan, dan nog zou je het niet zien.”, zegt de nog altijd intrigerende Teilhard de Chardin. Niemand sprak met Hem, niemand van de levenden in elk geval, niemand hoorde Hem. Zelfs wetenschappelijk onderzoek toonde aan, dat die stukjes van onze hersenen oplichten bij het noemen van G’d die ook actief worden bij woorden als “hoop”, “ideaal”, “verwachting”. Het verbaast mij niets.

Mensen hebben een ongeneeslijke neiging om in alle dingen een verband te zien. Het is drie uur, er staan drie primulaatjes in de vensterbank en ik lees in de Donald Duck, precies op dat moment, “de drie neefjes gingen op stap”. Mij valt dat op. En ik denk: “Hé….!” Mijn hond ligt naast mij. Hem valt niets op. Nou, misschien dat de kachel wel wat hoger mag. Maar verder slaapt hij door als een marmot. Een vergelijking die ook alleen in mijn hoofd bestaat.

De verbeelding helpt ons om te kiezen en om te besluiten hoe te handelen. Wie met een lege maag door een winkelstraat loopt, nou goed: vóór de internetwinkelhausse dan, ziet de modezaken niet. Wie in de Libelle las dat paars he-le-maal hip is deze winter, ziet geen enkel rood jasje hangen. “G’d” gaat over de verbanden die wij leggen. Over wat wij vermoeden en als achtergrond beschouwen van ons bestaan. Misschien is het nog krasser: bestaan onze keuzes en handelingen ook enkel in onze verbeelding.

Wie objektief op Venus gaat zitten en naar de aarde kijkt, ziet geen keuzes, maar ziet de maalstroom van het leven. Leegte. Totale leegte. Vreest mijn verbeelding.

Dennet beschouwt het alles als een overblijfsel uit de oertijd. Als in die dagen struiken begonnen te ritselen, dan kon je maar beter denken dat er een roofdier achter zat en het op een lopen zetten. Je zag het roofdier niet. Je hoorde het evenmin. “Ritselen” betekende domweg “roofdier” en “rennen, nu!”. “Drie primulaatjes” betekent, daardoor, nòg: dit kan geen toeval zijn.

Nou, dat laatste ziet Dennet dan als een doordraaien van ons systeem. Gelovigen zijn eigenlijk cro-magnon mensen die nog niet tot het niveau van de magnetron zijn opgestegen. Uit onbepaalde signalen trekken ze ongegronde conclusies. Voor hem is daarmee “het geloof”  afgeschreven.

Kijk, dat begrijp ik nou nooit. Je hebt een bult hersenen. Je doorziet de dingen haarscherp. En dan trek je zulke onnozele conclusies. Dennet toch. Keizer toch.

Ik denk dit: iedereen verbeeldt zich verbanden. Of je nou christen bent, moslim of helemaal niks, zogenaamd. Ik ben geen wetenschapper, ik kan het niet met feiten onderbouwen en toch denk ik dat dat zo is. Ik ben een blogger. “De president van Amerika niest, de yen stijgt op de beurs van Tokio en de huizenmarkt in Nederland trekt aan”. Een nieuwslezer kan het met droge ogen voorlezen. En ook nog woordjes er tussendoor vlechten als: doordat, daardoor, en dus. Wij zien de economie stijgen. We zien de economie dalen. We weten dat de economie offers vraagt, helaas. We denken dat mannen-van-naam alléén de zaak weer op de rails kunnen krijgen. Wij, het klootjesvolk, de postbodes en machinebediendes, wij moeten het maar zo’n beetje ondergaan. Heeft iemand ooit “de economie” gezien? Nee. Er mee gesproken? Nee. Er aan geroken? Nee. Wij verbeelden ons dat ze bestaat. En dan het mirakel: doordat wij het ons verbeelden, komen wij het tegen.

Wie honger heeft, ziet bakkerijen. Wie van mode houdt, spot direkt de winkel van Cool Cat.

Dit wordt een lang blog. Ik wil nog een finale: G’d gaat over verbeelding, zei ik. Dat deelt Hij met heel veel dingen – en nu wil ik af van de kabouters en spagghettimonsters en andere gekkigheid- wij hebben sterkere geloven: wij geloven in macht (om verschil te kunnen maken moet je macht hebben) alsof die bestaat buiten de verbeelding om, wij geloven in roem (Madonna heeft het toch net iets beter gedaan dan de uitkeringstrekker bij mij vergeten om de hoek), wij geloven in gezondheid en in jeugd. Wij geloven in een bepaalde indeling van onze samenleving. Wij geloven zelfs dat er verschillende mensen bestaan: Turken en Nederlanders, Moslims en christenen, gelukten en mislukten; nou ik heb nieuws: we delen allemaal dezelfde aardkloot en hetzelfde knullige leven. Kans op dementie lopen we allemaal evenveel. En de kansen om dood te gaan zijn ook gelijkelijk over iedereen verdeeld. Hoezo, verschillen? Wij verbeelden het ons. En daarom bestaat het.

Dit wordt de finale: niet elke verbeelding is gelukkig of heilzaam. Dat ik denk van mijn partner te houden omdat hij zo edel is en oprecht, zo grappig en moedig, is in mijn voordeel. De werkelijkheid is geloof ik, dat je verliefd wordt op elkaar doordat je genen iets willen. Bij mij hebben die dan nog pech ook. Ik geef de voorkeur aan de verbeelding, in dit geval. If you don’t mind.

Maar er zijn ook gevaarlijke verbeeldingen. Dat we gas onder de grond meer waard vinden dan de levens van mensen er bovenop, vind ik zo’n ongelukkige verbeelding. Dat de grondprijs (om in deze hoek verder te gaan) bepaalt welke speelruimte boeren hebben om zorgvuldig met hun vee en hun producten om te gaan, is ook zo’n verbeelding. Sinds wanneer staat de grondprijs in gouden letters in het heelal beschreven?

Nog gevaarlijker: dat de ene groep mensen meer waard is dan de andere. Denk maar niet, dat we daar sinds de Tweede Wereldoorlog vanaf zijn Syrië, de gevechten tussen “wij” en “jullie”. Werden “jullie” op een andere manier geboren, dan “wij”? Zijn “jullie” moeders niet van vlees en bloed? Kunnen “jullie” van een flat vallen zonder dood te gaan? “Jullie” koken de spruitjes anders dan wij, dat was het geloof ik.

G’d is een poging om de heilzame verbeeldingen te scheiden van de onheilzame. Om de gelukkige verhalen te onderscheiden van de ongelukkige. In de Bijbel zie je dat proces voor je ogen gebeuren. G’d, die zelf gelooft in macht en kracht en doden en rondmaaien als de Terminator himself, wordt een mens en verliest geloof na geloof, totdat Hij niks meer overhoudt.

Soms ziet een stervende het ineens. De juiste verbeelding. En roept hij zijn buurman met wie hij twintig jaar niet sprak vanwege, wie zal het zeggen, een verkeerd gelegd tuinpad. Dat hij nog wil praten. Nu.

G’d gaat niet om een wezen op een bepaalde plek. Keizer richt zijn lampje in de verkeerde richting. Daardoor ziet hij niks. G’d gaat om het juiste hongerig worden.

En dan de goede bakkerij te vinden. 

Dat is het.

Het begint bij vervreemding. Of niet.

Het is een hilarische scene in een verder nogal serieus boek. Emiel Hakkenes is op zoek naar zijn familiegeschiedenis (God van de gewone mensen, Uitgeverij Thomas Rap 2013) en vooral naar de betekenis van God en geloof daarin. Hij gaf zijn betoog deze ondertitel mee: Hoe het geloof uit een familie verdween. Duidelijk. Emiel laat zijn kinderen niet dopen. En hij gaat na, hoe het zo gekomen is.

Hij neemt geen halve maatregelen en begint in de achttiende eeuw. Met liefde en een open oog verhaalt hij over zijn voorgeslacht. Hun geploeter, hun geluk, hun woonplaatsen en hun ergernissen. Maar, dus ook, hun verbondenheid met de kerk. Hij doet daarbij bijzondere ontdekkingen. Dat familieverhalen niet altijd op feiten gestoeld zijn, bijvoorbeeld. Maar meer op een gevoel van identiteit. “Onze familie was altijd gereformeerd”, is zo’n one-liner waarmee de familie Hakkenes zichzelf beschreef. Maar dan blijkt het toch niet zo in hart en nieren te zitten als gedacht. De overgrootvader van Emiel was de eerste gereformeerde. Daarvoor was de familie Rooms-Katholiek. Met overtuiging, zo lijkt het.

Maar Emiel zelf dan? Hoe raakte het geloof in zijn leven kwijt? Hij verhaalt over een huisbezoek van een ouderling. Hakkenes is verhuisd. Hij is inmiddels een volwassen man. Gesetteld in zijn leven. Hij besluit als hij de ouderling binnenlaat, zo schrijft hij, om de man “alle kans te geven om hem voor de kerk te herwinnen.” Maar daar komt niets van terecht. Nee.

De ouderling, niet veel ouder dan Emiel, spreekt met hem en valt daarbij van de ene verbazing in de andere. En Emiel met hem. Dat hij toch niet van hier is, maar zijn leven lang heeft rondgetrokken! De ouderling kan zich niet voorstellen. Waarom zout iemand ergens anders willen wonen dan op de plek waar hij zelf is geboren: hier, namelijk? Nu geven de statistieken hem gelijk: in meer dan honderd jaar is de actieradius tijdens ons leven kleiner geworden. Ja, u leest het goed: kleiner. Meer mensen sterven tegenwoordig dichtbij de plek waar ze zijn geboren dan een eeuw geleden. Maar goed. Emiel op zijn beurt is stomverbaasd dat de ouderling niet doet zoals híj: een beetje rondzwerven, iets van de wereld zien en proeven. Hij is echter nog niet aan het einde van zijn avontuur dat dit bezoek begint te worden. De ouderling vraagt hem, hoe het zo komt: dat rondtrekken van hem. “Nou”, antwoordt Emiel: “Ik ben journalist.” Ik weet niet wat hij voor reaktie hij had verwacht, maar niet, zeker niet, wat de ouderling nu gaat zeggen: “O, ik lees eigenlijk nooit een krant.” Hakkenes raakt na jaren nog in ademnood bij de herinnering: iemand die vooraanstaand is in de kerkelijke gemeente en die geen krant leest! In de wereld van Emiel is zoiets ondenkbaar. Onbestaanbaar. Schokkend nieuw.

Na een tijdje fietst de ouderling weg: hij heeft het wel gezien. Emiel noteert, niet helemaal vrij van pathetiek:”Nooit voelde de kerk verder weg dan nu.” Ik schoot in de lach. Dat beoogde hij vast niet. Maar ik zag het voor me: Hakkenes die zichzelf etaleert als een lekker hapje voor deze kerk, ze hoeven alleen maar wat moeite te doen. En een ouderling die geen enkele moeite doet. Geen enkele verwachting inlost. Emiel laat vallen in al zijn verwachtingen, aspiraties en eigen gedachten.

Ik vond het mooi. Op een soort treurige manier mooi. Ik denk dat de interessante, echt interessante, dingen daar beginnen waar wij de draad volledig kwijt raken. Waar aan alles wordt getrokken, wat voor ons zó vanzelfsprekend is dat we er nooit aan dachten, dat ooit iemand er aan trekken zou. Het echte, ik noem het godsdienst, je mag het ook anders noemen ‘bron’, ‘uiteindelijke bodem’ of hoe dan ook, begint daar waar je schokkend ontdekt dat jij niet de maat van alle dingen bent. En dat jouw gedachten niet de maat zijn. Dat je niet alleen kijkt, maar dat er ook naar je gekeken wordt. En dat je dan zelf de vreemdeling bent.

Vreemdeling. En toch erbij horend.

Wat is het treurige aan dit fantastische bezoek? Want echt, de ouderling had geen beter werk kunnen afleveren. Al zal hij het zich niet bewust zijn geweest. Het treurige is, dat Emiel niet in de vervreemding stapte. De ouderling ook niet, trouwens, maar dat is een verhaal dat ik niet helemaal kan zien. Hakkenes bleef in de burcht van zijn eigen wereld: dat je een krant hoort te lezen en dat journalisten best bijzonder zijn op hun manier.

Hij liep, inderdaad, op dat moment precies mis, wat zo dichtbij was. En waar hij naar had gezocht.

Zo dichtbij. Wat zo ver weg leek.

Toen God zijn helderheid verloor, won ik aan helderheid.

Het heeft mij nogal bezig gehouden in mijn leven, waar het kwaad vandaan komt. Dat kwam een beetje door mijn oma, eigenlijk. Zij was ervan overtuigd, dat alles uit de hand van God kwam. Het goede – en ik knikte lief mee- maar ook het slechte. Zei zij: “Het is geen vreemde hand die je het aandoet”, dan stuiterde ik van binnen. Nou ja, niet direkt. Ik was nog geen zeven toen zij stierf. In die leeftijd knik je nog bij alles wat er gezegd wordt. Om er van af te wezen en om door te gaan met je eigen dingen. Knikkeren bijvoorbeeld.

Later groeiden de tegeltjes van oma in mijn hoofd. Dat God wel wist waar het toe diende. Dat je kracht kreeg naar kruis. En ja, ook dat van die geen vreemde hand. En daarmee groeide ook mijn verzet. Als God het zou willen dat kinderen ziek worden, dan hoefde ik zo’n God niet.

Toch had mijn oma recht van spreken. Zij heeft haar portie narigheid wel gehad. Je zou er een film mee kunnen vullen.

Met de jaren is de vraag tot stilstand gekomen. Is het wijsheid? Of ongeloof? Vrijzinnigheid, misschien? In elk geval is het dit: ik vind het antwoord “God heeft het gewild” net zo dodelijk als “God heeft dit niet gewild.” Wat heb ik er aan te weten, wat God voor gedachten had? Daar verandert niets aan. Wat gebeurd is, is gebeurd en wat gevallen is, is gevallen. Kous af.

Waar het kwaad vandaan komt?

Zo langzamerhand vind ik het wel stoer om met de psalmist (Psalm 39, we lezen hem vanavond) uit te roepen: “Jij, jij, jij hebt het gedaan!” En in zwijgen te vervallen. Het is net zo’n oerkreet als die van Jobs vrouw. “Laat God los!” En ga dood.  Kreten die er toe doen, omdat ze een energie in zich dragen die jou een richting op duwen. En òf dat wordt de goede richting, of het wordt je ondergang. Er is bij oerkreten geen tussenweg. Leven of dood. En niet blijven weifelen, dan wordt het zeker je dood.

De psalmist schreeuwt uit, dat het kwaad – de zanger schijnt dodelijk ziek te zijn- er is. En het gaat ook niet meer weg. Want het was van G’d. Doe het er dus maar mee.

Ik heb mij jaren verzet tegen ziekte die ons leven binnensloop. Niet mijn eigen leven, maar toch ook weer wel. Ze kwam het leven van mijn echtgenoot binnenkruipen. Ze zoog licht weg. En vreugde. En energie. Ik heb gedacht: “Dit gaat over!” Ik heb geroepen:”Ik wil deze situatie niet!” Ik dacht dat ik bij machte was iets te veranderen.

Ik was god niet. En die God wel was? G’d leek mij uit te lachen.

Want dat gebeurde ook. Toen ik mijn verzet opgaf en dacht: oké, dit is het dus. Dit is de troep van je leven, neem er verantwoordelijkheid voor. Toen werd mij ook minder helder wie God was. Hij verloor zijn ‘o’, zeg maar. Dat was eerder al wel zo. Ik heb nooit gedacht te weten van hoe of wat, hoed of rand. Maar nu wist ik, dat ik het al lang wist: G’d is niet te verwoorden. Niet klein te krijgen, zodat ik er iets van begrijpen kon. Hij stuurt niet, of bedoelt niet. Of, misschien stuurt Hij wel en bedoelt Hij wel. Maar dan zal ik toch niet weten waarom of waartoe.

Ik kan maar één ding: oppakken wat er is. Het aannemen als mijn leven. Er iets van maken. En er mijn geluk in vinden.

Ik denk wel eens: als ik in mijn leven aanwezig ben, op die intense manier, dan zal G’d dat ook zijn. Want dat werd mij helder, in alle onhelderheid: G’d is.

Nou goed, dan zal ik er ook zijn.

door sybrandenhenk Geplaatst in God