Teken en naaste.

 

Nu de eerste puinhopen van de Notre Dame worden bekeken, blijkt het vergulde altaarkruis  ongeschonden door de furie te zijn gekomen. Het beeld van dat glanzende goud te midden van het as en de zwartgeblakerde muren roept veel emotie los. Mensen zijn er door geroerd, en dat kan ik mij wel indenken. De fantastische rozetramen zijn nog intact, het orgel staat er nog – dat bulderende en fluisterende instrument!- en het kruis. We trillen nog na op de woorden: “We hadden de hele Notre Dame kwijt kunnen zijn! De kathedraal had zomaar weg kunnen zijn!” Dan ben je blij met alles.

Een zekere Kaylee Crain ging een stap verder: leg me eens uit, schreef zij op Twitter, hoe je nìet in God kunt geloven als je dit hebt gezien? Een nogal tricky uitspraak. Want als er een logische verklaring is, dan sta je daar mooi te kijk met je god.

Die logische verklaring is er. “De brandtemperatuur van hout is 600 graden, antwoordde Dan Broadbent, “de smelttemperatuur van goud 1064” Daarom. Het was heet genoeg voor het hout, maar niet heet genoeg voor het goud.

Kaylee was een beetje dom. Maar het antwoord van Dan geeft mij evenmin wijsheid. Het komt zo aan verwondering te kort! De verwondering dat onder al het vuur en al het puin dan tóch nog dat kruis overeind staat. De verwondering dat het ueberhaupt zo is: hout brandt bij de ene temperatuur en goud smelt bij een andere. Alsof ze wéten wanneer het heet genoeg is. Heus, ik snap: dit is malle lekenpraat. Maar dat nuchtere “ja zo zit het nu eenmaal” is net zo mal. Er is niets nuchters aan het feit. Het is fantastisch dat het zo zit. Uitzonderlijk.

Je kunt niet net doen alsof je de brandtemperatuur van hout zelf bedacht hebt. 

Dan maar liever mijn lieve dichteres Szymborska. Zij beschrijft heel de werkelijkheid als één grote wonderkermis. “Alledaags wonder: een koe is een koe”. Je raakt niet uitverbaasd over alles. Dat het niet ander is. Dat het zó is.

Het kruis bleef toevallig staan. Maar het is wel toevallig dit toeval en geen ander.

 

Ondertussen rommelt er echter nog iets anders. Dit is pas het halve verhaal.

Het christelijk geloof heeft zulke godsbewijzen als een kruis dat blijft staan helemaal niet nodig. “Joden zoeken tekenen”, zo meldt Paulus, “Grieken zoeken wijsheid” – maar voor het christelijk geloof is noch het één, noch het ander een bewijs voor God.

Als je al een bewijs zou wìllen zoeken dan is het enige godsbewijs voor het christelijk geloof: de naaste. De andere mens. “Wie dit voor de minste van mijn broeders doet”, woorden van Jezus: “Die doet het voor mij.” “Want de glorie van God” schrijft Origenes: “Is de levende mens.”

Het grote keerpunt van het christelijk geloven: God is mens geworden. In tekenen, toevalligheden, of wetmatigheden schuilt het niet. Het zit in de mens die jou nadert, vriend of vijand. God woont in het antwoord dat jij geeft. Zul jij een vriend willen zijn?

Ik zal eerlijk zijn: ik heb niet zo veel met toevallige wendingen in het leven. Dat je rechtsaf fietste en kijk nou – daardoor ontkwam je aan een ongeluk. Het is jouw persoonlijke ervaring, maar ik kan er niet zo veel mee, alsof dit aantoont dat er wel een god moet zijn. Een ander fietst rechtsaf, en fietst het ongeluk tegemoet.

Ik geloof wel wat Ruth overkwam. Zij was arm, ze was vreemdeling, ze had honger en ging op zoek naar graan. “Per toeval”, zo staat er dan geschreven: “Kwam zij op de akker van Boaz terecht.” En Boaz? Boaz maakte het toeval tot geluk. Hij deed recht aan Ruth en schonk haar méér graan dan zij tot brood vermalen kon. Ja, uiteindelijk gaf hij haar ook zijn lichaam, maar dat is weer een ander verhaal.

Die bekering tot de andere. Dat is het punt. Daar woont God.

We hebben in de kerk, denk ik wel eens, de  toewending tot de andere mens nog altijd niet radicaal genoeg gemaakt. Daardoor blijven er van die niet zo slimme tweets komen “Als je niet in God gelooft, hoe kan dan volgens jou dit gouden kruis nog overeind staan?”

Als je in God gelooft, hoe kan het dan dat er nog zoveel mensen in je omgeving eenzaam zijn? Had ik teruggetweet. Maar ja. Ik heb geen mobiele telefoon. Toevallig.

 

Advertenties

Gedachten en gebeden?

 

“Al mijn gedachten en gebeden zijn bij de slachtoffers”, schreef Segers nadat een man (één man?) zijn geweer heeft leeggeschoten in een Utrechtse tram. Alsof de wereld daar van opknapt. Van gedachten. Van gebeden.

Wat we nodig hebben zijn woorden. Hardop uitgesproken nieuwe woorden. Woorden die nu eindelijk eens mensen aaneensmeden en niet uit elkaar drijven. Wie zal met gezag zeggen wat ons bindt? Dat we allen mensen zijn? Dat we hier allemáál wonen en leven? Dat er dus geen “wij” is die in een doofmakende herhaling kan roepen wat “zij” allemaal zouden moeten. “Van ons.” Niemand moet iets. Ook zíj niet. Er is geen zij.

Er zijn mensen. Dat is het enige verhaal. Goede mensen, slechte mensen. En heel veel mensen er ergens tussen in. Terwijl over hen allemaal de zon schijnt en de hemel blauw overeind staat.

Woorden van vertrouwen zijn nodig. Niet van argwaan.

Woorden van heling, niet van scheiding.

Woorden van liefde, niet van haat.

Als de woorden klinken, volgen de daden. Daden die de spot drijven met al die kooplieden van angst, met al die politici die drijven op onze menselijke onlust. Daden die tonen: het kan wel! Natuurlijk kan het wel. Dat je met elkaar leeft. Elkaar respecteert. Elkaar erkent. Deze grond is net zo van jou als van mij. Geboorte geeft geen enkel recht aan jou dat het niet geeft aan een ander.

“Nee”, zei Waleed Aly voor de Nieuw-Zeelandse televisie: “Er is niets aan deze aanslag wat mij schokt.” We maken nu al decennia mee, dat mensen uiteen worden gedreven. We horen nu al decennia de taal van haat, met of zonder baard. Decennia waarin mensen denken beter af te zijn zonder de ander. Je kon de aanslag verwachten. Je oogst wat je zaait.

We hoeven niet geschokt te zijn dat er echo’s zullen komen, overal ter wereld. Of het nu grote steden zijn, of kleine. Of het nu in het buitenland is of midden in ons eigen land. Haat roept haat op. Wraak baart wraak.

Maar liefde, liefde wekt liefde.

Afgelopen zaterdag zaten in een muziekdepot verschillende mensen koperen instrumenten te poetsen. Ze hadden allemaal een verschillende huidskleur. Sommige vrouwen droegen een hoofddoek. Eén vrouw droeg een opvallend kapsel: Beatrix.

Ik dacht: dit is wat de wereld nodig heeft. Mensen die de handen ineen slaan. Die alles mooier maken dan het is.

Segers, laat je gedachten en gebeden. Ga aan de slag.

En schep een nieuwe mensenwereld.

Nu. Liefde kan niet wachten.

Biddag

 

Bidden lijkt zoiets kinderlijks. Je wilt iets. Je kunt het zelf niet voor elkaar krijgen. Je roept onzichtbare machten in. Je krijgt wat je hebben wilt.

Of je krijgt het niet.

Verder maakt het dan ook niet zo uit, of je engelen inroept, kabouters, god, of het vliegend spaghettimonster. De gedachte is steeds dezelfde: ik geef uit handen, zodat een ander, een Ander, iets anders of Iets anders het gaat doen.

Bidden zoals overal gebeden wordt. Met of zonder offers erbij.

Ik begrijp wel dat sommigen er verlegen mee zijn. Als God, God is, dan weet hij toch al lang wat je wilt? Of een verlegenheid de andere kant uit: hoort iemand je wel als je bidt? Zesmiljard mensen. Dat is onmogelijk bij te benen. Is er zoiets als god?

Ik kom moeilijk meer los van het beeld uit de film “Bruce Almighty”. Ene Bruce mag voor een tijdje de plek van God innemen. Hij wordt stapel van alle gebeden die hij de hele dag hoort. Dus verzint hij een list: elk gebed print hij op een Post-it. Deze oplossing, geniaal als die is, wordt een ramp: miljoenen, nee, miljarden post-it-stickers stormen op zijn huis, stoelen, koelkast, haren, benen en armen af. Alles zit onder, in een mum van tijd. Kanariegeel.

Als iemand míj de vraag zou stellen: en heeft God ons nu gehoord? – die vraag wordt wel gesteld- dan voel ik hoe het haspelen in mijn keel begint. Het zweet staat mij in de handpalmen.

Ik bid, is steeds mijn antwoord. Ik bid.

Dat is het.

Een flink aantal jaar geleden wandelde ik de Hartebrugkerk binnen. Hoog torent het gebouw uit boven de binnenstad van Leiden. Met joekels van gouden letters op de voorgevel: “Dit huis van God is de poort naar de hemel”, valt het gebouw niet te ontlopen. Binnen, wat je in een kerk verwacht: schemer, heiligenbeelden verstild in de tijd, kaarsen, een altaar, een gebedenboek. In dat boek stonden allerlei verlangens en verwachtingen. “Laat mij morgen mijn rijbewijs halen”, “Zorg voor oma”, “Zegen mijn kinderen”, “Bekeer mijn man”, “Geef mij geld.” Kort, lang, poëtisch of prozaïsch, steeds was het een herhaling: God, doe iets voor mij.

Er was nog iets anders met het gebedenboek. Iemand had de tijd genomen om de gebeden te lezen. En om ze vervolgens van commentaar te voorzien. “Je haalt je rijbewijs wel, en als je het niet haalt, haal je het niet”, “Je oma? Wat kun jij voor haar doen?”, “Hoe zegenrijk ben jij voor je kinderen?”, “Moet ìk je man bekeren? Kun jij hem mijn liefde niet laten zien dan?”

Nee. Ik weet niet of deze antwoorden geïnspireerd waren. Ik vond ze wel inspirerend. In één klein ogenblik begreep ik: bidden betekent niet dat je bij god, God, Spaghettimonster je wensen en verlangens indient. Bidden betekent: open gaan voor de verlangens die bij jou worden ingediend. Zeg maar.

De beweging van bidden is niet van mij uit naar een ander. De beweging is naar mij toe. Niet ik spreek. Ik word aangesproken.

En je wòrdt aangesproken. Of je nu christen bent of niet. Dat doet er eigenlijk niet eens zo veel toe. Er wordt op ons allemaal een appèl gedaan. De straatkrantverkoper bij de Albert Heyn, de buurvrouw die met haar hak tussen de straatstenen is klem geraakt, de moeder die het allemaal niet krijgt rondgebreid, de man die om zijn gestorven vrouw treurt, de collega die nog net de lift wil halen, de vluchteling die aan je landsgrenzen staat, de werkloze die zich geen raad weet, de rijke die de zin van het leven niet kan ontdekken… en dan noem ik nu pas de menselijke stemmen. Maar wat te denken van de dieren, de bomen, het gras, de wolken, de aarde, de zon.

Ik word aangesproken. Om te zijn. Te doen. Te luisteren. Dat laatste het eerste

Ik bid om te luisteren.

Zodat ik hoor wie ik kan zijn.

 

De vraag is niet: luistert iemand dat je bidt?

De vraag is: luister ik wanneer ik bid?

Rutte brult.

 

Wagner schreef veel opera’s. Vaak misbegrepen en misbruikte opera’s. Bij zijn “Meistersinger von Nürnberg” zien velen de Hitlervaandels geheven worden, of horen zij de laarzen marcheren. Zo is het ook gegaan: Hitler liet zich begoochelen door de massaliteit en de magische regie van Wagners werk. Hij betoverde op zíjn beurt het Duitse volk. Het felle antisemitisme van de componist zette de deur er ook wel voor open.

Ken je deze geschiedenis niet, en kijk je als met een nieuw oog, dan ontvouwt zich een heel andere wereld. Niet van geweld, maar van erbarmen en liefde. Parsifal vertelt het verhaal van het lijden voor een gemeenschap. Verlossing zoeken voor een mens. De Ring des Nibelungen vertelt in veertien uur tijd de geschiedenis van liefde en macht. De godenwereld, zo schilderen componist en librettist, zoekt macht en offert de liefde. Die twee gaan niet samen. En op het moment dat je denkt “nu is de macht aan mij!”, stort je wereld in. Götterdämmerung.

Ik moest hier denken bij de lezing van Rutte. Een lezing over Europa. Geen wóord daarin over de kernwaarden van ons continent. Welke deze zouden moeten zijn. Waar staan wij voor? Waar moet het in Europa over gaan? Niets van deze vragen. Rutte beklom de ladder naar het klaroengeschal: Europa moet niet langer naïef zijn! We moeten realistisch worden! We moeten onze spierballen laten zien! Europa moet een harde macht worden in de wereld! Mee in de wedloop van de volkeren. Op de achtergrond riep Trump “America first”, riep Poetin. Onze Mark Rutte werd een muis die brulde, gisteren. In de hoop een leeuw te worden.

Tegenover de godenwereld van Wagner staat de godenwereld van Israël. Net zo onbegrepen. Net zo misbruikt. Wie het woord “God” hoort, ziet de oorlog al voor zich. Hoort “Deus le vult” schreeuwen. En zo is het, inderdaad, gegaan. Gefascineerd door eigen machtsverlangens vernietigden gelovigen wie en wat ze op hun pad maar tegen kwamen. Komen.

Paulus kende deze geschiedenis nog niet. Hij leefde in de eerste eeuw van onze jaartelling. Hij kent het geweld wel, hij is er zelf door ter dood gebracht, maar hij schrijft het niet aan God toe. “De God”, schrijft hij in één van zijn brieven “heeft zich leeg gemaakt.” In een lied bezingt hij hoe “Hij die in de gestalte God zijnde” het “aan God-gelijk-zijn niet als een roof heeft geacht”, maar “het heeft verlaten.”

Paulus schildert een godenwereld die de macht verlaat om de liefde te leven. Barmhartigheid, ontferming. Vrede. Macht wordt verlaten om het leven te laten worden wat het leven wil zijn. Wil je weten wat je moet doen, dan kijk je in het mishandelde gezicht van Jezus.

“Macht is geen vies woord meer!”, verkondigde Rutte gisteren. Opgelucht? Blij? Ik dacht: “Macht is nooit een vies woord geweest. Maar je moet wel weten wat je doet, zodra je de macht hebt.”

Wie macht met macht vult, valt.

Maar durf je je macht te vullen met zachte krachten, alsof jouw macht de baarmoeder is voor een nieuw bestaan – dan blijf je.

Daar had het over moeten gaan in Zürich. En daarover zweeg onze premier.

 

 

Rouw. Een ode aan het leven.

Nee, geen dankdienst voor mij als ik dood ben. Ik begrijp de keuze van anderen, maar voor mij is het te vroeg. Alles op z’n tijd. Die dank, die komt wel. Na de rouw. Sla de rouw niet over. De pijn niet. Noch het verdriet. Organiseer na mijn dood een rouwdienst. Trek het zwartste zwart aan, leg zwaar geurende lelies op mijn kist en vraag de organist traag en diep te spelen. Ik hoop dat er gehuild wordt. Dat het van de balkons klinkt en aan de gewelven kleeft: hier is iemand dood gegaan. Iemand die er was en was en was. Die iemand verdween, zomaar, en wij begrijpen er niets van.

Toast niet op het leven, als je mijn lichaam net in de aarde hebt begraven. Dat leven komt wel weer. Maar nu niet. Laat er hete troostsoep zijn. Of bedrukt zwijgen bij een kop koffie. Iedereen is vrij bij zijn afscheid te doen wat hem past. Voor mij echter geen al te jofel doen over de dood. De dood is niet grappig, licht of leuk. Hij is verschrikkelijk. Die ene is weg.  Een arm wordt van je afgerukt. Het hart uit je lijf getrokken. Een stuk van je ziel wordt losgescheurd. En het komt nooit meer terug. Nooit. Meer.

Ik weet wel: de dood maakt ons handelen zinvol. Stel dat we voor altijd zouden leven, Dan hoefde niets vandaag. Dan kon alles altijd nog morgen. Dan hoefde uiteindelijk helemaal niets. Ik weet óók, heel goed zelfs: de dood is niet bij machte om al het leven te vernietigen. De dood kan iets moois hebben. Iets troostends: het gaat hier voorbij. Goddank. Maar dat alles is theorie. Dat kun je bedenken zo lang de dood ver weg is. Zo lang je met een kopje koffie in de hand op de bank zit. Met je liefste dicht bij je.

Maar als de schaduw valt, is het met het verheven denken gedaan. Dan is dood rauw. Wat was, was. Wat er niet was, zal er dus nooit meer zijn. Wat werd gezegd is nu gezegd, wat werd verlangd is nu verlangd En wat uitbleef, zal voor altijd uitblijven.

“Is dit voor jou ook een treurige dag?”, vroeg een lieve neef aan mij, terwijl wij achter de baar liepen van mijn oudste broer. Hij, mijn broer, en ik hadden geen simpele relatie. Wij moesten altijd vele dwaalgangen door om elkaar te vinden. We waren de tocht niet vaak begonnen. “Ja”, antwoordde ik. “Ja, toch wel. Want nu weet ik dat het dit is. Nooit meer zullen we nog probéren om iets van elkaar te begrijpen.” De dood is een doek dat valt. Het oordeel is er. Het is klaar.

Verzwijg de pijn niet.

En als ik dan word uitgedragen, langzaam wiegend op de schouders van zes stokoude reumatische zwarte kraaien, zing dan met elkaar. Zing een lied. Het lied van de Steppe. Huub Oosterhuis’ lied van de steppe. Dat die – toch!- weer zal gaan bloeien.

Wanneer je dan met dichtgeknepen stem die veel te hogen noten zingt van: Dode, dode sta op! Die machteloze hulpkreet. Als je die zingt, dan zal ik een kaars omduwen. Mijn geest zal een kaars op de avondmaalstafel omduwen. Zodat je, wanneer je de schrik door de rijen hoort gaan, wéét: ik zou het óók willen. Opstaan.

En leven.

Want dat leven. Dat wint.

Maar eerst. De rouw.

Valse hoop bestaat niet.

Het is een nuttig woord gebleken voor allen die tegen een verruiming van de asielwet zijn: valse hoop. Neemt iemand het op voor vluchtelingen, dan is dit stopbord gauw neergezet. “We gaan ze halen”, de actie van Rikko Voorberg om naar de vluchtelingenkampen in Griekenland te reizen, kreeg het te horen: “Jullie geven valse hoop!” De kerkdienst in de Haagse Bethelkapel. “Valse hoop!”  De inzet voor vluchtelingen uit Azerbeidjan: valse hoop! Voor vluchtelingen uit Armenië: valse hoop!

Een mooi woord om de ander weg te zetten als dom en naïef.

Volgens mij kun je de valse-hoop-troefkaart alleen inzetten bij wanneer iets groter is dan jijzelf. Een arts die weet dat je niet meer geneest, geeft valse hoop als hij het tegenovergestelde beweert. Je zegt: “Ik zal voor altijd bij je blijven.”, terwijl je wéét “ik hou niet van je”,  dán geef je valse hoop. De werkelijkheid is onbuigzaam, maar jij doet alsof je toch met je handen buigen kunt.

De asielwet is niet groter dan wij. Hij is geschreven door ons. Elke wet is door mensen bedacht. Uitzonderingen zijn niet te maken, wellicht. Maar iets anders bedenken kan natuurlijk wel. Het waren geen goden die zeiden: trek grenzen en houd mensen daarmee van elkaar gescheiden.

Wanneer de bedenkers van de wetten zeggen: “Geef geen valse hoop!”, dan verschuilen ze zich. Achter hun verantwoordelijkheid. Ze doen alsof er geen keuze is. Alsof het nu eenmaal zo is dat wij hier wel mogen wonen en zij niet. Alsof ook vanuit het universum gegeven is wie “wij” zijn en wie “zij”. Het zijn stuk voor stuk ontwerpen die wij zelf hebben gemaakt. Waarvoor wij dus verantwoordelijkheid dragen.

De enige goddelijke wet die ik ken luidt: heb lief. De wees, de weduwe en de vreemdeling. Wees gastvrij. Getuig van de hoop die in u is. Geef niet op.

Met die wet begint een avontuur. Vol vragen, waarop het antwoord pas gegeven wordt, zodra het gegeven wordt. Wie komt er dan bij ons wonen? Dat weet je pas als je het weet. Hoe wordt ons land dan? Dat weet je pas als je het weet. Wat ìs gastvrijheid? Moet dan iederéén hier komen? Wanneer zeg je dan nee?

Misschien kan een staat niet met deze openheid leven, maar als wij dat nou zelf wel zouden kunnen?

Met verbazing hoorde ik de afgelopen maanden dominees zeggen: die kerkdienst in Den Haag – als het nou allemaal mislukt, hoe beëindig je die dan? Waarom wel dit gezin en geen ander?

Ik dacht: dat zijn nou precies de vragen van het geloof. Je weet het niet.

Inmiddels weten we het wel. Hoe het is afgelopen. Het is een beetje gemakkelijk om nu mijn gelijk binnen te halen. Zo van “zie je wel?”

Het is ook te vroeg om mijn gelijk binnen te halen. Ik ben er nog helemaal niet gerust op. Wat gaat Harbers doen? Schuift hij de zeshonderd “schrijnende gevallen” vooruit? Wacht hij totdat we even niet opletten? Stuurt hij ze tijdens onze zomervakantie alsnog het land uit?

De VVD voorzegt “een nu echt keihard en radicaal asielbeleid”. Om te beginnen, nemen we volgend jaar 250 minder asielzoekers op.

Ik protesteer daar nu alvast tegen. Ik begin mijn éénmans-actie “Valse Hoop!”. Want als er één ding is gebleken, ook buiten het geloof, dan dit: valse hoop kan soms zomaar echte hoop blijken te zijn. Omdat het mensenwerk is.

Nashville zal licht zaaien

 

Nog onder de lichtkring van kerst plofte de Nashville-verklaring op de mat. Een ijskoude tekst over gender, huwelijk en seksualiteit. In veertien artikelen delen tweehonderdvijftig predikanten en bijbelleraren even zovele klappen uit aan alle mensen die niet passen in hun kaders van “het huwelijk is door God gewild als levenslang verbond tussen één man en één vrouw. Klappen worden uitgedeeld aan homoseksuelen, lesbiënnes, aan transgenders, mensen met een intersekseconditie, aan mensen die gescheiden zijn, hertrouwd zijn. Aan bijna iedereen. Behalve aan henzelf.

Zij zijn, blijkbaar, man naar Gods wil. Getrouwd zoals God het wil. Zij zijn, blijkbaar, de norm. En ze staan, blijkbaar, op de positie om anderen hun plek te ontzeggen.

Ik lees de woorden “Wij erkennen”, “wij wijzen af” en ik weet:  ik val veertien keer in hun afwijzing. Ik lees dat “homoseksualiteit een positionering is”, een keuze. Alsof iemand ooit zichzelf afvraagt: “Kom, wat zal ik eens worden? Homo? Hetero? Bi, misschien?”  Ook transgenders kiezen niet om man of vrouw te worden, ze zíjn man, ze zíjn vrouw. Maar hun lichaam klopt niet met wie zij zijn.

Een dag lang dacht ik: “Ik laat dit niet dichtbij komen. Ik gun hen mijn verdriet niet. Ik sta hen niet toe om mij te kwetsen. Ik zwijg. Het is te genant. Te erg. Te dom.” Ik scrolde langs de websites van de EO, van het CIP van het Nederlands Dagblad – ik las de reacties. Homo’s gaan naar de hel. U wacht het laatste oordeel! God zal u straffen voor uw dwaling. Er staat geschreven: alleen een man, alleen een vrouw. Ik las vuur. Liefdeloosheid. Kou. Veel kou. Verbroken contact.

Het kwam toch dichterbij. Dat is wat vuile praat doet: het bezoedelt je ziel. Het kruipt onder je huid. Het trekt je naar beneden. Wie zijn zij, dat zij vies maken wat voor mij zuiver en heilig is?

Toevallig verscheen óók op die zaterdag in het Algemeen Dagblad een interview met mijn man. Hij vertelt daarin over zijn ziek-zijn, de dreiging van de dood die er jaren was, hij vertelt over zijn schilderkunst en over zijn grote levenslust. De dood week dankzij een nier die ik kon doneren. Ik ben zijn mantelzorger. En dan zou ons huwelijk zondig zijn?  Niet naar Gods wil?

Het kwaad kruipt van twéé kanten dichterbij. Op weg naar een viering met dak- en thuislozen in de stad, luister ik naar de radio. Daar vertellen mensen dat ze het nú zeker weten: godsdienst is het finale kwaad. Dominees zijn slechte mensen. Christenen zijn hypocriet.

Van de orthodoxen mogen wij niet bestaan. Van de seculiere Nederlander mogen wij óók niet bestaan. Iemand schreef: het is een heidens karwei om als LHBTI’er in de kerk uit de kast te komen, maar het is duivels werk om in de wereld als christelijke LHBTI’er uit de kast te komen.

Zo was het tot maandag.

Toen begonnen de panelen te schuiven. Er verscheen een regenboogvlag aan een kerk. Eerst in Bodegraven. Toen in Woerden. In Amsterdam; één, twee, drie, vier. Meterslange wimpels werden aan torens gehangen. Dominees keerden zich naar de LHBTI’ers in hun gemeenschappen en daarbuiten. Ds. De Smouter, directeur van de EO notabene, schreef: “Geloof Nashville niet! Wie je ook bent, je bent welkom bij God.” Zo’n helder geluid heeft de omroep nog nooit laten horen. Het stadhuis van Amsterdam, Utrecht, Amersfoort gaven verklaringen af. Over inclusiviteit. En dat geen mens géén plek onder de zon zou hebben.

Er verschijnen artikelen in de kranten van homoseksuele christenen. Ogen die je aankijken. Monden die zeggen: hier ben ik. Je krijgt me niet weg. Al zou ik niet in jouw ideale wereld passen, ik pas wel in de wereld van God.

 

De ondertekenaars zelf beginnen te schuiven. “Het is zo niet bedoeld”, schutteren ze. “Wat jammer dat we niet worden begrepen”, haspelen ze. Hun namen werden van internet afgehaald. Door henzelf. Ze trekken een jas aan die hen niet past: “Wij zijn slachtoffer. Mogen wij dan geen christen meer zijn in dit land?” Ze blijken een muis die brulde.

Dat mensen het zullen zien. In hun eigen gemeentes. Dat mensen de verhalen van alle mensen zullen horen, het eerst van hen die niet zijn zoals je zelf bent. Dat het contact hersteld wordt. Waar pennen sloegen, zullen handen elkaar zoeken.

Dit verhaal is nog niet ten einde. Wat ferm als een “stukje positionering” in de wereld werd gezet, zou wel eens een mosterdzaadje kunnen zijn. Zoals de Heer in zijn gelijkenis vertelt: “Een boer ging uit om graan te zaaien, maar toen hij achterom keek, stond er een mosterdplant.” Onbedoeld zouden de opstellers wel eens een nieuwe openheid hebben kunnen zaaien.

Overal wordt gesproken. Over wie wij zijn als mens. Wat onze diepste drijfveren zijn, onze liefdes, onze huwelijken, onze teleurstellingen.

“Wat je ook van de verklaring vindt”, zei iemand, zelf orthodox: “Dit doe je niet. Je zet mensen niet in een hoek. Je zet daar je handtekening niet onder. Je schrijft mensen niet af.”

“Ik ben niet zo van de statements”, schreef iemand anders, “maar ik kan er niet meer omheen. Hier komt ‘ie: ik ben christen. En ik ben homo.”  Onder zijn bericht begon het al gauw te kolken van warme, lieve, hartelijke en goede wensen en woorden. “Homo betekent toch mens?”, vroeg iemand gevat.

Ik denk aan pater Van Kilsdonk. In de jaren tachtig al bezocht hij homoseksuele mannen die ziek waren geworden door het HIV-virus. Wat wisten we daar toen van? Van de ziekte. Van homoseksualiteit? Toen was het nog veel méér: “Wij wijzen af!”  Pater van Kilsdonk niet. Hij wees niet af, hij bevestigde. Hij schreef: Als wij op deze aarde zoveel vrouwen en vrouwen en mannen en mannen gadeslaan die zelfs in een bedreigende cultuur niet ophouden een eigen liefdesaanleg met ontroerende ernst en bloei te handhaven, dan kan een gelovige niet anders begrijpen: deze behoefte en deze kunst om te beminnen en om bemind te worden, is niet zomaar een toeval, nog minder een ongeval. Zij is een vondst, een ontwerp van de Schepper. Zij is een gave én opgave. Net zoals zon, maan en sterren dat zijn, of zwart, bruin of blank, of man en vrouw als paar.”

Hij zal gelijk krijgen op het eind. Daar ben ik van overtuigd. Want het licht breekt door. Dat vierden we. In die kerstkring.

Elizabethsknuffel

Ik heb hem gezien, de knuffel van Elisabeth!
Lucas schrijft er zo ontroerend over. In zijn evangelie. Hij tekent Maria in haar haast om over de bergen te komen. Ze is zwanger, Maria. Ze is nauwelijks veertien, vijftien jaar. Een kind. Een meisje. Zwanger.

En geen vader bekend.

Al vanaf het allereerste moment wordt er over haar gezegd: zal wel een slet geweest zijn. Ze zal wel met de soldaten meegegaan zijn. Ze zal haar geld wel horizontaal verdiend hebben. Ze zal.

Het is niet moeilijk om vrouwen te vernederen.

Vernederen is nooit moeilijk. Je ziet iemand die anders is dan jij en je barst in een spottende lach uit. Je dolt wat. Je zeikt de ander af. Jij bent de held. De ander voelt zich vies. Ongewenst. Niet de moeite waard.

Bergen zijn niet alleen maar verheffingen in het landschap.

Maria haast zich. Naar Elisabeth. Ook zíj is in zwanger. Maar geen veertien meer. Eerder zestig. Zij weet van spot. Hoe je iemand kan afbreken. “Moet dat nog, op háár leeftijd?” “Dóen zij het dan nog?”

Wie heeft toch ooit vastgelegd, dat gepest moet worden wie van de norm afwijkt? Wie bepaalt de norm eigenlijk?

Elisabeth ziet Maria aankomen. En zegent haar. Elisabeth zegent Maria: jij bent de meest gezegende vrouw onder alle vrouwen, zegt ze. Een zegen van Abraham geeft ze door. Aan hem werd gezegd: jij bent de gezegende onder de volkeren. Elisabeth omarmt Maria en Maria groéit. Wordt Maria. Al zóu zij met een soldaat gevreeën hebben: zij is een gezegende vrouw. “En”  vervolgt Elisabeth kordaat: “Gezegend is de vrucht van je schoot!” Dat je niet dacht dat er reden tot schaamte zou zijn. Jij zult een prachtige moeder worden van een prachtig kind.

Dit weekend verscheen de Nashvilleverklaring. Honderd dominees (allemaal man, allemaal in een zwart pak, stel ik mij voor) ondertekenden een verklaring waarin zij nog maar eens uitdrukten dat zíj de norm zijn. Norm van mannelijkheid. En dat zij dus ook wel even de norm van vrouwelijkheid kunnen bepalen. Hun seksualiteit is hoe het hoort: één man en één vrouw. Wij verklaren, zeggen ze veertien keer. Wij verklaren dat iedereen die normaal is bij God hoort. En wij wijzen af dat iedereen die eigenaardig, anders, vreemd, scheef, krom, raar of typisch is óók bij God zou horen.

Het is niet moeilijk om mensen te vernederen.

Mensen eren. Verhogen. Doen stralen. Dat is de kunst.

Ik heb hem gezien, die Elisabethsknuffel. In de indringende serie van Margriet van der Linden. “How to be gay”. Een Syrisch journalist, vluchteling, vertelt hoe hij is gemarteld. “Omdat ik homoseksueel ben”.  Ze (mannen, zwarte jurken) hadden het op zijn computer ontdekt. Margriet was stil. Ze keken uit over een heet en kaal Libanees landschap. Een vliegtuig vloog over. “Ik heb al zo vaak gedroomd dat ik er in zou zitten.”, zei de journalist. Ogen verscholen achter een zonnebril. “Dat je in dat vliegtuig zou zitten?”, vraagt Margriet. De man begint te huilen. Margriet doet een stap naar hem toe. Ze slaat haar arm om hem heen. Samen kijken ze het vliegtuig na. Hoop, een klein beetje hoop wordt geboren.

Zo. En nu denk ik dat ik erg aan een groepshug toe ben.

God kleineert niet. God maakt groot.

Dat zong Maria al.

Zuivere tijden.

 

We leven in zuivere tijden.

Mensen willen het allerbeste. Voor zichzelf. Voor hun kinderen. Voor de wereld. En daar hebben ze ook een plaatje bij: bij dat allerbeste. Het moet mooi zijn. Goed zijn. Het moet kloppen. Het moet op een foto passen.

Alles heeft betekenis gekregen.

Welke woorden je gebruikt: “goede feestdagen!” moet het zijn want dan voelt iederéén zich thuis. “Nee! Goede kerstdagen! KERSTdagen”, dàt moet het zijn. We verkwanselen onze cultuur niet zomaar. Zelfs niet als we niets met Jezus hebben. Kerststol, feeststol, dames en heren, reizigers. Zwart, bruin, blank, wit, gekleurd, van kleur. Bij de kassa van de Albert Heyn stotterde een klant verward: “Nou eehhh, goede, eh.., dagen dan maar.” ze bloosde er bij.

Nooit meer onschuldig zeggen dat je naar de wintermarkt in Brugge gaat.

En nooit meer onschuldig je kerstmenu vertellen. “Wààt? Eet jij hèrt!” Dat kan niet meer anno 2018. En een sigaartje na is al helemáál .. Maar vegan is óók niets.  De “Omdat het december is”-Allerhande probeerde het. Er braken net geen gele, groene, of roze hesjes los.

Sla is ineens een statement geworden.

Natuurlijk. Er zit een krachtig verlangen achter: een verlangen naar een wereld die niemand zal kwetsen, die geen onnodig leed zal brengen, die ons verbetert.

Maar schade is er ook.

We zijn in strenge tijden terecht gekomen.

Leviticus is in de Bijbel het strengste boek dat je vinden kunt. Scherper dan hier zul je niet gauw vinden wat goed is en wat niet. Het boek dwingt de lezer om rücksichtlos voor het goede te kiezen.

In geen enkel ander boek wordt ook de doodstraf zó vaak uitgevaardigd als hier. Je hoeft maar een stap naar links, of een stap naar rechts te zetten, of je bent dóód. Gestenigd, gewurgd of van een flatgebouw geworpen, desnoods.

Dat is de ellende van zuiver. Er zit, voor je het weet, een vlek op.

Die vlek kun je wegpoetsen. Okej. Je kunt mensen verwijderen die je niet goed gezind zijn. Die niet in je ideologie passen. Die niet doen wat jij wilt. Je ziet de teksten ook voorbij komen: “Staat iemand in je aura, verwijder die dan.”

Leviticus revisited.

Maar op een dag kom je er achter dat je zelf de vlek bent. Op het witte tafellaken van een ander. En dan?

Waar zijn de krachten van mildheid gebleven? De krachten van vriendschap. Van mededogen. Van begrip?

Al rook ik nooit meer een sigaar, ik ben niet zuiver. En zal dat niet worden.
Al zeg ik altijd dat ik naar de kerstmarkt ga in mijn kersttrui, zuiver word ik niet.

Ik ben wind, toeval en mollenwerk (naar Szymborska)

Ik denk dat het de kunst is om daarvan te leren houden. Wij modderen ons een weg. Zuiverheid is strijd. Modder is een kinderspel.

Allen een prachtig, winters, kerstfeest toegewenst.

Met een vlek op je nieuwe, witte bloes

Psalm 73

 

Het werd een gesprek over politiek. Over macht. En geweld.

Hoe je er je tanden op kunt stukbijten dat de brutalen de halve wereld bezitten. Met een grote mond kun je je blijkbaar alles veroorloven.

Het werd een gesprek over Trump. We vroegen ons af: “Waarom kan niemand die man stoppen? Zelfs als hij de ene dag het ene zegt en de volgende dag het tegenovergestelde, blijft het hele politieke bedrijf gewoon doorgaan.”

“Ik hoorde hoe hij een stadion vol Amerikanen ophitste over de vluchtelingen uit Latijns-Amerika.”, merkte een van ons op. “Hij riep tegen de massa: “Dus wat zijn zij….?” En de massa krijste terug: “A-NI-MALS!”

We lazen de psalm kort na de Kristallnachtherdenking. We vielen stil.

De gedachten dwarrelden wat neer, iemand van ons hernam het gesprek. “Is het eerlijk dat we zo spreken?”, vroeg hij: “Ik bedoel, hoe hebben wij blanke Europeanen ons in de geschiedenis opgesteld? Hebben wij niet óók gedaan alsof de wereld van ons was?” “De mannen en vrouwen uit Afrika die wij als slaaf verkochten?” “De Indianen in Noord- en Zuid-Amerika hebben vermoord?” “Wij deden toch ook, alsof dat allemaal kon? En alsof er geen god is die het ziet of merkt?”

Psalm 73 spreekt over mensen die “hun mond in de hemel zetten” en “wier tong op aarde rondgaat”.  Ploert en schender, noemt Huub Oosterhuis ze wel in andere psalmteksten.

Er is een slag volk dat leeft ten koste van een ander. En wie zegt, dat wij dat slag niet zelf zijn?

Vanzelfsprekend was dit gesprek niet. Vroeger (vroeger?) werd het gedeelte over de mensen-die-schadelijk-leven nooit gelezen. “We zongen eigenlijk alleen maar over de hemel waar we naar toe gaan en hoe fijn dat is.”

Psalm 73 was, dankzij knip- en plakwerk, ooit ontdaan van zijn actualiteit, zijn aardsheid. Het was een lied geworden dat bezingt hoe de vrome naar de hemel gaat.

Het lot van heel de kerk. Als tegenbeweging op weg gegaan, dwazen van de Heer die geloven in de zachte krachten, in zegenen en delen, als proeftuin van Gods werkelijkheid begonnen: een hoekje op de aarde waar we in elk geval probéren om het anders te doen. Geen ploert te zijn. En geen schender. Ooit bedacht als spiegel: hoe ploertig ben ik zelf?

Ooit – is de kerk geworden tot een “spiritueel genootschap tot verbreiding van zielenzaken”. Ik zeg het maar eens zo. Ik hoop dat je het herkent. De kerk als een groep : geïnteresseerden in wonderlijke zaken. Ga je na de dood naar de hemel? Ja/nee.

“De Kerk moet zich niet bemoeien met..”, hoor je soms zeggen. Niet met vluchtelingen, niet met geld, niet met economie, niet met verdeling van rijkdommen, niet met politiek, niet met het aardse leven.

Psalm 73 roept ons tot de orde: de kerk moet zich er wel mee bemoeien! Het is haar kern. Een thuis te zijn voor vreemdeling en wees. Voor mensen van elke taal, elke kleur, elke afkomst en van elke toekomst.

“Ik was bijna uitgegleden”, zingt de psalmdichter. Uitgegleden over wat? “Over de gedachte van ‘trek je er niks van aan’, en over de gedachte van ‘doe maar net als ieder ander.’

De kerk doet niet als ieder ander. Zo zou het niet moeten zijn. Ze doet als de Heer.

Het werd een gesprek over politiek. En over macht

En zo moet het zijn, voor wie psalm 73 leest.

In zijn geheel.