Harmonie is niet voor handen

 

Ik zag een filmpje en werd boos. Het filmpje toonde een idealistische jonge vrouw. Zij wilde huisarts worden. Geen gewone, maar “waarschijnlijk de eerste medicatievrije arts in Nederland”. Zij ging geen pillen, poeders of zalfjes voorschrijven.

Dat zit zo: het lichaam, zei ze, heeft een eigen wijsheid. Daar moeten wij goed naar luisteren. Is er een deel van het organisme ziek, dan wil ons dat iets zeggen. Er is een oorzaak achter onze kwalen. Nemen we een pil, dan zullen we, vervolgde zij, de verschijnselen wel aanpakken, maar de oorzaak blijft. En dan wilde ze nog maar niet beginnen over de chemische samenstellingen van medicijnen, of over de macht van de farmaceutische industrie. Kende je die, dan begreep je helemaal dat je niks moet slikken.

Zo jong als de vrouw is, ze hangt een oer-oude mythe aan. Dat er een heelheid in alle dingen zit. Niets gebeurt in haar wereldbeeld zó maar. Alles spréékt. Heb je griep? Dan is dat niet alleen een virus, het is een verháál. Je zorgt niet goed voor jezelf. Je eet niet goed. Je bent aan je lichaam voorbij gelopen – dat soort dingen. Heb je de oorzaak en handel je daar naar – zo vertelt de mythe- dan zul je herstellen.

Met griep, met een gebroken been, met een hernia, met kanker.

Disclaimer: zelfs ik vind dat je voor jezelf moet zorgen. En dat er soms verbanden zijn tussen een aandoening en ons gedrag. Wie rookt moet niet verbaasd staan dat zijn tanden bruin worden.

Maar. Een heel dikke maar. Deze regel is slechts zéér fragmentarisch aanwezig. De rest is toeval, pech, narigheid. Het valt niet vol te houden: “Heb je kanker? Oh joh, dan moet je koffie laten staan.” De christelijke variant, dat je ziekte wordt veroorzaakt door iets tussen jou en God, gaat evenmin heel vaak op.

Mensen worden ziek.

En daar kunnen ze vaak niets aan doen. Ze hebben er geen schuld aan en gedragsverandering zal hen niet genezen.

Mijn man is chronisch ziek. De lijst van aandoeningen is te lang om dit blog mee te vullen. Ze zijn alle even ernstig. Hij heeft zich vaak afgevraagd wat de oorzaak daarvan is. Ligt er een ziekte ten grondslag aan alles wat hij heeft? Is er misschien een genetisch defekt? Er is nooit iets aangetoond.

Dat hij een redelijk leven heeft, is te danken aan artsen die hem opereerden en die hem medicatie voorschreven. Wanneer iemand dat in alle idealisme afdoet als “symptoombestrijding”, dan slaat het rood mij voor de ogen. Er is niets anders dan symptomen. Zonder medicijnen was hij al lang dood geweest.

Ziekte is geen verhaal. Ziekte is een ziekte.

Ik vrees dat de medicatievrije artsenij niet veel gezondheid zal brengen. Ik weet niet wat de vrouw zal zeggen als haar patiënten sterven. Er zijn idealisten die zeggen: “dan is de dood óók wat je op dat moment nodig had.” Maar dat is het einde van alle mededogen. Je kreeg immers wat je verdiende.

“Een goede graadmeter voor de gezondheid van spiritualiteit”, zei onlangs een collega: “is dit: hoeveel ruimte krijgen de stumper, de knoeier en de hakkelaar.”

En zo is het.

Advertenties

Natuur is (g)een luxe.

Het hele woord “natuur” is al misleidend. Alsof het iets is, wat buiten ons staat. Je stapt in de auto, je koopt een kaartje je gaat naar binnen en bent in “de natuur”.  Alsof het iets is, waar je in en uit kunt gaan.

Toen we het woord bedachten, suggereerden we dat het een luxe is, die je je kunt veroorloven, of waar je van af kunt zien.

Dus zeggen mensen: “Nederland is te klein voor natuur”. Of ze zeggen, bij monde van de LTO: “Liggen natuurgebieden wel op de goede plek, eigenlijk?” Dat laatste, omdat de rechter in het stikstofarrest heeft gezegd, dat we nu maar eens moeten ophouden met vernietigen en plunderen. Dat het nu tijd wordt om een stap op de plaats te zetten en liever nog: een stap terug. Stop nou maar met het verbreden van snelwegen, het aanleggen van bedrijventerreinen, het bouwen van woonwijken en megastallen.

De natuur staat niet buiten ons. Eén virus en je weet het weer: ik ben zelf natuur. Ik ben er een zoon van, een dochter van. Ik doe wel heel gecultiveerd en onkwetsbaar, maar één zuchtje wind en ik lig onder de zoden. Te voelen dat “de natuur” niet “iets” is, maar dat zij het is die mij baarde, die mij voedde, verzorgde, droeg en nu vernietigt voor nieuw leven.

Ik heb de laatste weken gewandeld. Meer dan anders. En ja, het was prachtig. Maar het was ook ontluisterend. De kroonjuwelen van ons land zag ik. Het Fochteloërveen, het Bargerveen, gebieden van vennen en heide. Die heide was er. Maar er was ook héél veel pijpestrootje, brandnetel, braam – tekenen dat er stikstof over de gebieden waait. Stikstof dat wij mensen verspreiden. En wat ik óók zag: droogte. Beangstigende droogte: zelfs grote vennen zijn drooggevallen.

Kijk je naar de cijfers dan hoor je niet anders dan: de populatie loopt terug. Zwaluwen: verdwijnen langzaam, insecten: verdwijnen in rap tempo, vogels van allerlei aard: verdwijnen, de hoeveelheid bloemen: neemt af. Die cijfers spreken een duidelijke taal: het vlot dat ons draagt, zinkt. De kraanvogels die in het Fochteloërveen zijn gekomen of die ene wolf doet aan dat feit niets, helemaal niets af.

De oermythe van de mens in de tuin (Genesis 2) helpt ons op dit moment niet. Die mythe zit ons mensen van het westelijk halfrond in de genen. Of we nu christen zijn of niet. We vinden van onszelf dat we een vanzelfsprekend recht hebben om hier rond te lopen. En om te doen wat we willen. Wij vinden dat we wegen mogen aanleggen (waarom niet?), varkensstallen mogen bouwen (waarom niet?). En op onze beste momenten, ’s avonds met een glas wijn, willen we ook nog wel zeggen dat we dit verantwoordelijk moeten doen, maar als het dan weer ochtend is vervliegen die woorden te vaak in de werkelijkheid.

Gisteren las ik, dat de giraffenstand decimeert. Dat het dier, dat voor mij tot het elegantste, mysterieuste, schoonste dier van de aarde mag worden uitgeroepen, richting uitsterven gaat.

Als de giraf sterft, sterven wij ook. Moreel allereerst. Waarom zouden wij nog moeten bestaan, als wij de oorzaak zijn van een aarde die met de dag leger, viezer en saaier wordt? Wat blijft er van onze status als “redelijk wezen” over, als we alles verpulveren onder onze voet?

Maar waar de giraf sterft, zullen wij uiteindelijk zelf sterven. De “natuur” is geen tuin. De natuur, dat zijn wij, dat is de adem die wij ademen, dat is het geluk dat ik geboren ben, dat is alles.

Niet de natuurgebieden, ook een misleidende naam, liggen op de verkeerde plek, maar de vervuilers. De rechter heeft gelijk: het ìs tijd om een stap terug te doen. Terug naar het  aangeklede dier dat wij zelf zijn.

De vraag, de plek, de vrijheid

 

(preek gehouden tijdens de Pride-dienst op 4 augustus 2019 in de Keizersgrachtkerk

schriftlezing: Johannes 4)

 

Ik wist heel goed hoe het bij mij zat

Dat wist ik al sinds Waldolala

Het voor zijn tijd opwindende televisieprogramma

Jaren zeventig, ik was elf. Twaalf misschien.

 

Dat er veel blote vrouwen te zien waren

Daar had iedereen het over

 

Maar ik

Ik vond het niet zo veel

 

Mijn moeder liep ook wel eens bloot, tenslotte

 

Nee, mannen!
die moesten ze maar eens laten zien

 

Dat leek mij nou opwindend.

 

Maar toen ik dat op het schoolplein zei

Tegen de jongens die daar met hoog omslaande stemmen

Tegen elkaar stonden te roepen bijna

 

Viel het gesprek stil

Er was maar één zinnetje nodig

 

eentje

 

Een met neus ophalen uitgesproken:
Gatver, je bent toch geen homo?

 

En ik voelde me beschaamd

Vies

Raar

 

Gemáákt

 

Ik begreep: dit zeg ik dus nooit meer.

 

**

 

Wie nu precies die vrouw is

Bij de put

 

Weten we niet

 

We horen haar náám niet eens

 

We horen alleen dit:

Ze heeft vijf mannen gehad

En de man die ze nu heeft is haar man niet

 

Zes mannen

Daar raken wij niet meer erg van overstuur

 

Maar voor haar

In haar leven

Is het blijkbaar een issue

 

Een verzwegen issue

 

Iets wat brandt in haar

 

En gesuggereerd wordt

Door Johannes, de schrijver

 

De mensen in de stad

Moeten haar daarom niet

 

Gatver

Jij toch niet

 

Elkaar schaamte aandoen

doodt

 

Je kijkt wel gauw uit

Om je te melden

 

En het gekke is:

Je voelt haarfijn aan

Wanneer je je mond moet houden

 

Je ziet de blikken

Je voelt het oordeel

 

Je wéét wanneer je de hand van je vriend moet loslaten

Wanneer je beter niet kunt zeggen dat je transvrouw bent

 

Beter jezelf beschadigen

Dan dat anderen het doen.

 

***

Ik weet niet , waarom Jezus vraagt

Haal je man eens

 

Ik weet wel

Dat hij met die vraag

Al het zwijgen doorbreekt

En aan de vrouw het leven terug geeft dat haar ontnomen was

 

Soms zijn er van die intuïties

Dat iemand, zonder misschien zelf te weten

Precies

 

Die ene vraag stelt

Die jou uit elke beklemming bevrijdt

 

Bij mij was het de lerares wiskunde

Zij zei op een hele gewone woensdagmorgen

Na de les

 

Als je dat wilt, kun je altijd bij mij komen om te praten

Dat weet je he

 

Dat wist ik

Maar ik durfde niet

 

Ik vond school onveilig

Ik was bang voor de gevolgen

 

Het is een wonder

Dat de vrouw

Rustig

Tegen

 

Jezus zegt

 

Ik heb geen man

 

En het is een wonder

Dat Jezus háár dan weer antwoordt

 

Ja, dat is zo.

 

Geen enkel oordeel

 

Alleen aanvaarding

 

Ja, dit ben jij.

 

***

Wat heb ik er naar verlangd

Dat iemand dat zou zeggen

Jij bent homo en dat is okej

Jij bent jij

 

En wat was ik er bang voor

Dat iemand mij de vrijheid terug zou geven

 

Wat was ik bang voor wie ik worden zou

 

Wat was het een gevecht

 

Verlangen

Willen

Niet willen

Bang zijn

Klem

**

 

Vanouds

Waren het de cafés

 

Met hun humor

Hun ruimte voor verdriet

Hun gekkigheid

En hun liefde

 

Waar dit alles tegen elkaar gezegd werd

 

Je wilt wel

Je durft niet

 

Je kunt wel

Al denk je van niet

 

Waar men de moed kreeg

En de ruimte

 

Om te zeggen

Maar ook om te proeven

En te doen

 

Wie men was

 

Café Het Mandje op de Zeedijk

Of vandaag Club Church

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder trots hervond

 

Afgenomen trots terug pakte

 

Begreep: er is niets om mij voor te schamen

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder de kracht terug kreeg

Om zich niet in een hoek te laten drukken

 

En zich nooit meer in een hoek te laten drukken

 

Nooit meer een stap terug

 

Wat is gezegd

Kan niet meer worden ontzegd

 

Dit zijn wij

Hier zijn wij

 

En jij zal mij niet meer krenken

Trots.

Je zou willen dat de kerk

Ook zo’n plek was

 

Hier ben ik.

 

Is de naam van God

Notabene

 

En dat de kerk

Bij monde van haar dienaren

Zou zeggen

 

Ja,

Hier ben jij.

Welkom in de mensenfamilie

 

Er zijn kerken

Waar dit zo is

 

Uiteindelijk vroeg een predikant aan mij:

Wat wil jij nu eigenlijk?

 

En ik riep uit

 

Ik wil dat er van mij gehouden word

En ik wil van iemand houden

 

Ik wil van een man houden

Ik wil mijn verlangens volgen

 

En de predikant antwoordde

 

Ja, dat is wat je wilt

 

Die dag draaide

Mijn leven om

 

Ik ging naar buiten

 

En ik zou

Vanaf die dag zeggen

 

Als er naar werd gevraagd

Zeggen

 

Ja, ik ben homo

Heb je er iets op tegen?

 

Jouw probleem.

 

Het zou nooit meer worden: mijn probleem

Het is niet mijn probleem

De liefde is de grootste gave in ons leven

Het mooiste

Het ontroerendste

 

***

De vrouw rent terug naar de stad

 

Ik voel met haar mee

Wat een feest van vrijheid

Zij in zich voelt

 

Ze stormt de stad binnen

En zegt

 

Ik heb iemand ontmoet

En die heeft

Gezegd

 

wie ik ben

 

Zou Hij niet de messias zijn?

De heelmaker?

 

De genezer?

 

En de mensen luisterden naar haar

Ze luisterden

Naar

Haar.

.

 

*

 

Eindelijk was zij geworden

Wie zij is

 

En geen mens neemt haar dat meer af.

 

Niemand

Ooit.

 

Ik wens de kerk toe

Genoeg kan lachen

 

Ik wens de kerk toe

Dat zij genoeg van tranen weet

 

En genoeg van liefde

 

Om te begrijpen

Te aanvaarden

Te omarmen:

 

This is me

Yes this is you

 

This is my life

Yes this is your life

 

**

 

Als de kerk die plek niet kan zijn

Of niet wil zijn

 

Dan gaan wij maar beter naar de kroeg

Daar worden tenminste

 

De echt slechte grappen verteld

 

amen

 

 

Dorpsdominee verlaat Sauwerd

 

SAUWERD – (dit artikel verscheen op 6 juni in de Ommelander Courant) Hij wilde dolgraag in een dorp aan de slag gaan en dat is predikant Sybrand van Dijk uiteindelijk zeer goed bevallen. Tien jaar geleden kwam hij vanuit Zuid-Holland naar Sauwerd, waar hij uitgroeide tot een geliefde dorpsdominee. ,,Ik vroeg de kerk om de ruimte om dominee voor het hele dorp te kunnen zijn”, zegt de uit Utrecht afkomstige voorganger en nu, tien jaar later, kan vastgesteld worden dat hij daarin is geslaagd. Maar er komt deze maand een einde aan zijn verblijf in Sauwerd. Hij en zijn echtgenoot Henk van Donk nemen zondag 23 juni afscheid van de protestantse gemeente Adorp, Sauwerd en Wetsinge. De laatste dienst met Van Dijk als voorganger begint om 09.30 uur.

Sybrand van Dijk is een bijzondere predikant. Vaste prik is dat hij in Sauwerd Sinterklaas ontvangt en ook is hij bestuurslid van de Oranjevereniging. ,,Dat is voor een dominee inderdaad niet gebruikelijk”, geeft Van Dijk lachend toe. Daardoor staat de dominee echter wel middenin in het dorpsleven en dat is precies wat hij wilde bereiken.  Zo komt hij namelijk ook in contact met mensen die niet naar de kerk gaan. ,,Bij God is voor iedereen ruimte, niet alleen voor mensen die trouw naar de kerk gaan. Het is geen kwestie van zegeltjes sparen”, aldus de dominee.

Van Dijk groeide op in een protes­tants gezin, maar zou zich later in zijn leven afvragen of hij daar wel op zijn plek was. Dat verhaal begint bij Hebe Kohlbrugge, die in 2016 op 102-jarige leeftijd overleed en in de Tweede Wereldoorlog actief was als verzetsstrijdster. ,,Na de oorlog zette zij zich in om bij te dragen aan het verminderen van de haatgevoelens tussen Nederland en Duitsland en bruggen te slaan tussen beide landen. Uiteindelijk richtte ze zich vooral op Oost-Europa, op landen die communistisch geworden waren. Vanaf de jaren zestig zorgde ze ervoor dat Nederlandse theologiestudenten in Oost-Europa konden gaan studeren. Die studenten waren volgens haar levende boeken, die niet gecensureerd kunnen worden. Wat ze hebben gezien, hebben ze immers gezien”, vertelt Van Dijk. Eind jaren tachtig ging hij zelf als ‘bruggenbouwer’ die kant op, naar Polen om precies te zijn. ,,Dat was in 1989, pal voor de omwenteling. Ik heb Polen van de ene op de andere dag zien veranderen, al heerste er in de nacht van de val van de muur ook veel angst. Men was bang voor een Russische inval.” In Polen raakte hij ook onder de indruk van paus Johannes Paulus II. Van Dijk maakte de Poolse kerkleider mee tijdens bezoekers aan diens vaderland. ,,Een van zijn thema’s was ‘Vrijheid begint waar mensen hun verantwoordelijkheid nemen’ en dat sprak mij heel erg aan”, aldus de Sauwerder. Mede door het optreden van de paus kreeg hij steeds warmere gevoelens voor de katholieke kerk. ,,Wat bij de katholieken heel sterk geldt, is dat de kerk en het geloven als een gemeenschap worden gezien. Bij de protestanten is dat veel minder uitgewerkt en sta je als individu voor God”, legt Van Dijk uit. Een ander groot verschil is in de katholieke kerk een grote rol is weggelegd voor symboliek. ,,Protestanten willen alles onder woorden brengen, maar soms is bijvoorbeeld het aansteken van een kaars voldoende. Niet alles hoeft plat gepraat te worden”, vindt Van Dijk, die op een bepaald punt in zijn leven overwoog om  priester te worden. ,,Ik kreeg een gesprek met kardinaal Simonis, die toen aartsbisschop van Utrecht was. Dat gesprek mislukte volledig”,  kijkt Van Dijk terug.  De overstap naar de katholieke kerk was meteen van de baan. Hij bleef protestants. ,,Je ontdekt jezelf in anderen”, zegt de predikant over dat proces. Toch stond op dat moment nog helemaal niet vast dat Van Dijk dominee zou worden. Dat inzicht kwam pas in Taizé. Na 2,5 jaar in Polen te hebben verbleven, bracht hij ook 2,5 jaar in deze Franse gemeenschap door. Als kloosterling bad hij veel en hielp hij mee om de bijeenkomsten voor de soms wel 9000 jongeren te organiseren. Na 2,5 jaar dacht Van Dijk zijn roeping te hebben gevonden: hij werd broeder in het klooster van Taizé. ,,De broeder die mij begeleidde, vond dat geen goed idee. Toen ben ik, best ontdaan, teruggegaan naar Nederland”, vertelt Van Dijk. Een jaar later keerde hij terug om het uit te praten. Op de vraag wat Van Dijk met zijn leven ging doen, antwoordde hij dat hij sowieso geen dominee zou worden. ,,Maar eenmaal buiten overkwam me iets heel bijzonders. Ik voelde me heel raar en plots wist ik zeker dat ik wél dominee wilde worden. Ik ervoer ineens de vrijheid om mijn eigen keuze te maken en belde meteen mijn familie op om het te vertellen. Die wisten het al lang. Ik had immers theologie gestudeerd, dus verrast waren ze bepaald niet”, lacht Van Dijk. Hij kon meteen als predikant aan de slag. op verschillende plaatsen in Zuid-Holland.

Op 11 oktober 2009 werd hij predikant in Sauwerd. ,,Ik wilde heel graag in een dorp werkzaam zijn en de advertentie van de PKN-gemeente in Sauwerd sprak me heel erg aan. Het was een evenwichtige advertentie, terwijl ik soms advertenties tegenkwam waar de wanhoop vanaf droop. Dan lees je gewoon dat de gemeente op het punt staat te verdrinken en ze een reddingsboei nodig hebbeen”, vertelt Van Dijk.

Het goede gevoel dat hij bij Sauwerd had, bleek terecht. Nu, tien jaar later, prijst hij de kerkgemeente als een warm bad, waar iedereen zich welkom mag voelen. ,,Het is een open kring en mensen staan meteen klaar om te helpen. Dat geldt ook voor het dorp Sauwerd als geheel.” Sauwerd is een dorp van aanpakkers, de geschiedenis rond de buurtsupermarkt is daarvan het bekendste voorbeeld. Van Dijk illustreert zijn verhaal met een andere gebeurtenis. ,,Vier jaar geleden overleed een alleenstaande man. Hij had geen geld en geen familie. ‘We gaan hem toch niet zomaar onder de grond stoppen?’, vroeg zijn buurvrouw zich af. Toen is er van alles losgekomen. Er werd een kist geregeld, de bloemist zorgde voor de bloemen en ik wilde de dienst wel doen. Omdat hij lid was van SIOS, heeft de kist op de middenstip van het voetbalveld gestaan met spelers van SIOS er omheen. Het hele dorp liep uit. Dorpshuis Ubbegaheem zat afgeladen vol. Dat is zo Sauwerd.” Het dorp Sauwerd laat zien wat de kracht van een gemeenschap kan zijn. ,,In onze tijd worden mensen steeds individualistischer, terwijl een gemeenschap sterker is dan losse individuen bij elkaar. Natuurlijk is ook het dorp Sauwerd veranderd, maar hier is het wel zo dat als iemand hulp nodig heeft er altijd iemand voor hem of haar klaar staat. Dat heb ik zelf ook gemerkt. Mijn partner is heel ziek geweest. Hij heeft een konijnenfokkerij en er kwam meteen iemand bij ons achter huis. ‘Ik had het zo bedacht dat ik de hokken schoon maak’, zei hij meteen. Hij was heel praktisch en ook dat is echt Sauwerd.”

 

door Hielko Merkus

 

 

De machten.

 

Douwe Egberts zou twee procent Max-Havelaar-Koffie in hun pakken doen. Twee procent. Niet dat je denkt: hier val ik van achterover. En toch zou het een groot verschil gaan maken. Het waren de jaren negentig en Solidaridad was optimistisch over de groei van eerlijke koffie, eerlijke bananen, eerlijke ananassen en een eerlijk inkomen voor de boeren die de producten teelden. “Dan zouden hun kinderen eindelijk naar school kunnen!”, was het bericht. En zeg nou zelf: wie wil dat niet? Een goede toekomst voor iedereen. Voor slechts een paar dubbeltjes méér.

Het is er nooit van gekomen. In een groot afscheidsinterview, gisteren in Trouw, doet de bedenker van de Max-Havelaar-koffie, Nico Roozen, uit de doeken hoe dat zo kwam. Het had niet met de smaak te maken, de slag die de fabrikant tóen nog om de arm hield. Het was iets heel anders: “Douwe Egberts heeft het imago van gezelligheid.” En een keurmerk op je pak koffie, dat is niet gezellig.

Ook de consumenten deden niet wat Solidaridad twintig jaar geleden had verwacht. Als de mensen kennis hebben van de oorsprong van hun levensmiddelen dan zouden ze wel kiezen, was de gedachte. Die gedachte kwam niet uit. “De consument is veel minder autonoom in zijn keuze dan wij dachten”, zegt Roozen nu: “Het zijn de supermarkten en de grote merken die bepalen wat we eten.”

En zo bleef Fairtrade koffie een nicheproduct. Sympathiek. Goed bedoeld. Lief. Vol hoop. Maar klein.

Afgelopen dinsdag lazen we psalm 82. Het was de laatste keer dat we bij elkaar kwamen. Acht mensen die acht jaar trouw zich over de oude woorden bogen. Meer dan 160 uur!

“God staat in de raad van de goden”, lazen we. Buiten ging de zon oranjerood onder. We haperden al. Bij die eerste zin. Wie zijn die goden?, vroeg iemand. Wat een gek beeld! Er is toch maar één God? Hoe zit dat dan?

We sloegen andere vertalingen op. “Goden”, legde één vertaling uit: “Dat is de eretitel van de machthebbers.”

Er klaarde iets op. Zij die het voor het zeggen hebben worden ter verantwoording geroepen: wat doen jullie voor de wees, de weduwe, de vreemdeling, de arme? Voor wie zorgen jullie eigenlijk? Voor hen? Of voor jezelf?

Het gesprek werd politiek. Over Rutte die gezegd had, dat werkelozen er wat harder aan moesten trekken om weer aan het werk te komen en dat het van de gekke was dat zij vakantiegeld kregen. Zelf vliegt hij deze zomer naar, waar zal het heen zijn?, Bali. Thailand. Of naar de piramiden van Zuid-Amerika. Dan is het gemakkelijk om te zeggen: wie pech heeft, heeft die pech aan zichzelf te wijten.

Ik weet niet meer precies hoe het gesprek kantelde, maar op zeker moment spraken we over de landbouw. Over de bezetting door Meat the Victims. De woede van de boeren. De zorg voor dieren. De zorg die wij hebben voor de toekomst: kunnen we wel op deze weg van intensivering voortgaan?

Al pratend begrepen we: het zijn mensen die keuzes maken. Maar er nog méér aan de hand. De keuzes zijn niet vrij. De boeren zitten klem tussen hun hypotheek, de eisen van de consument, de lage prijs, het beleid van de regering, de stem van LTO en dan óók nog hun eigen verwachtingen. “Toen de eerste boer een trekker kocht, nou toen wilden we allemáál wel”, vertelde een van ons. Hij had het zelf meegemaakt.

Goden, zegt psalm 82. We gebruiken het woord niet zo veel meer. Daardoor klinkt het ons onwennig in de oren. Goden? Dat zijn dan toch Allah? Krishna? God? Dat “goden” ook alle belangen kunnen zijn waardoor we niet doen wat we moeten doen. Dat “goden” ons imago kunnen zijn. Onze begeerte. Onze economie. Onze aandeelhouders. Onze privileges. Dat lijkt zó ver weg.

“Toch moeten we het blijven zeggen”, reageerde de groep: “dat we niet vrij zijn. Niet zo vrij als we wel denken.”  Want als je dát weet, kun je uit de rij stappen.

“Wie wil er nog een kopje koffie?”, vroeg ik. De groep keek mij weifelend aan. “Het is fairtrade en biologisch!”, voegde ik er opgewekt aan toe.
Toen wou iederéén wel.

Teken en naaste.

 

Nu de eerste puinhopen van de Notre Dame worden bekeken, blijkt het vergulde altaarkruis  ongeschonden door de furie te zijn gekomen. Het beeld van dat glanzende goud te midden van het as en de zwartgeblakerde muren roept veel emotie los. Mensen zijn er door geroerd, en dat kan ik mij wel indenken. De fantastische rozetramen zijn nog intact, het orgel staat er nog – dat bulderende en fluisterende instrument!- en het kruis. We trillen nog na op de woorden: “We hadden de hele Notre Dame kwijt kunnen zijn! De kathedraal had zomaar weg kunnen zijn!” Dan ben je blij met alles.

Een zekere Kaylee Crain ging een stap verder: leg me eens uit, schreef zij op Twitter, hoe je nìet in God kunt geloven als je dit hebt gezien? Een nogal tricky uitspraak. Want als er een logische verklaring is, dan sta je daar mooi te kijk met je god.

Die logische verklaring is er. “De brandtemperatuur van hout is 600 graden, antwoordde Dan Broadbent, “de smelttemperatuur van goud 1064” Daarom. Het was heet genoeg voor het hout, maar niet heet genoeg voor het goud.

Kaylee was een beetje dom. Maar het antwoord van Dan geeft mij evenmin wijsheid. Het komt zo aan verwondering te kort! De verwondering dat onder al het vuur en al het puin dan tóch nog dat kruis overeind staat. De verwondering dat het ueberhaupt zo is: hout brandt bij de ene temperatuur en goud smelt bij een andere. Alsof ze wéten wanneer het heet genoeg is. Heus, ik snap: dit is malle lekenpraat. Maar dat nuchtere “ja zo zit het nu eenmaal” is net zo mal. Er is niets nuchters aan het feit. Het is fantastisch dat het zo zit. Uitzonderlijk.

Je kunt niet net doen alsof je de brandtemperatuur van hout zelf bedacht hebt. 

Dan maar liever mijn lieve dichteres Szymborska. Zij beschrijft heel de werkelijkheid als één grote wonderkermis. “Alledaags wonder: een koe is een koe”. Je raakt niet uitverbaasd over alles. Dat het niet ander is. Dat het zó is.

Het kruis bleef toevallig staan. Maar het is wel toevallig dit toeval en geen ander.

 

Ondertussen rommelt er echter nog iets anders. Dit is pas het halve verhaal.

Het christelijk geloof heeft zulke godsbewijzen als een kruis dat blijft staan helemaal niet nodig. “Joden zoeken tekenen”, zo meldt Paulus, “Grieken zoeken wijsheid” – maar voor het christelijk geloof is noch het één, noch het ander een bewijs voor God.

Als je al een bewijs zou wìllen zoeken dan is het enige godsbewijs voor het christelijk geloof: de naaste. De andere mens. “Wie dit voor de minste van mijn broeders doet”, woorden van Jezus: “Die doet het voor mij.” “Want de glorie van God” schrijft Origenes: “Is de levende mens.”

Het grote keerpunt van het christelijk geloven: God is mens geworden. In tekenen, toevalligheden, of wetmatigheden schuilt het niet. Het zit in de mens die jou nadert, vriend of vijand. God woont in het antwoord dat jij geeft. Zul jij een vriend willen zijn?

Ik zal eerlijk zijn: ik heb niet zo veel met toevallige wendingen in het leven. Dat je rechtsaf fietste en kijk nou – daardoor ontkwam je aan een ongeluk. Het is jouw persoonlijke ervaring, maar ik kan er niet zo veel mee, alsof dit aantoont dat er wel een god moet zijn. Een ander fietst rechtsaf, en fietst het ongeluk tegemoet.

Ik geloof wel wat Ruth overkwam. Zij was arm, ze was vreemdeling, ze had honger en ging op zoek naar graan. “Per toeval”, zo staat er dan geschreven: “Kwam zij op de akker van Boaz terecht.” En Boaz? Boaz maakte het toeval tot geluk. Hij deed recht aan Ruth en schonk haar méér graan dan zij tot brood vermalen kon. Ja, uiteindelijk gaf hij haar ook zijn lichaam, maar dat is weer een ander verhaal.

Die bekering tot de andere. Dat is het punt. Daar woont God.

We hebben in de kerk, denk ik wel eens, de  toewending tot de andere mens nog altijd niet radicaal genoeg gemaakt. Daardoor blijven er van die niet zo slimme tweets komen “Als je niet in God gelooft, hoe kan dan volgens jou dit gouden kruis nog overeind staan?”

Als je in God gelooft, hoe kan het dan dat er nog zoveel mensen in je omgeving eenzaam zijn? Had ik teruggetweet. Maar ja. Ik heb geen mobiele telefoon. Toevallig.

 

Gedachten en gebeden?

 

“Al mijn gedachten en gebeden zijn bij de slachtoffers”, schreef Segers nadat een man (één man?) zijn geweer heeft leeggeschoten in een Utrechtse tram. Alsof de wereld daar van opknapt. Van gedachten. Van gebeden.

Wat we nodig hebben zijn woorden. Hardop uitgesproken nieuwe woorden. Woorden die nu eindelijk eens mensen aaneensmeden en niet uit elkaar drijven. Wie zal met gezag zeggen wat ons bindt? Dat we allen mensen zijn? Dat we hier allemáál wonen en leven? Dat er dus geen “wij” is die in een doofmakende herhaling kan roepen wat “zij” allemaal zouden moeten. “Van ons.” Niemand moet iets. Ook zíj niet. Er is geen zij.

Er zijn mensen. Dat is het enige verhaal. Goede mensen, slechte mensen. En heel veel mensen er ergens tussen in. Terwijl over hen allemaal de zon schijnt en de hemel blauw overeind staat.

Woorden van vertrouwen zijn nodig. Niet van argwaan.

Woorden van heling, niet van scheiding.

Woorden van liefde, niet van haat.

Als de woorden klinken, volgen de daden. Daden die de spot drijven met al die kooplieden van angst, met al die politici die drijven op onze menselijke onlust. Daden die tonen: het kan wel! Natuurlijk kan het wel. Dat je met elkaar leeft. Elkaar respecteert. Elkaar erkent. Deze grond is net zo van jou als van mij. Geboorte geeft geen enkel recht aan jou dat het niet geeft aan een ander.

“Nee”, zei Waleed Aly voor de Nieuw-Zeelandse televisie: “Er is niets aan deze aanslag wat mij schokt.” We maken nu al decennia mee, dat mensen uiteen worden gedreven. We horen nu al decennia de taal van haat, met of zonder baard. Decennia waarin mensen denken beter af te zijn zonder de ander. Je kon de aanslag verwachten. Je oogst wat je zaait.

We hoeven niet geschokt te zijn dat er echo’s zullen komen, overal ter wereld. Of het nu grote steden zijn, of kleine. Of het nu in het buitenland is of midden in ons eigen land. Haat roept haat op. Wraak baart wraak.

Maar liefde, liefde wekt liefde.

Afgelopen zaterdag zaten in een muziekdepot verschillende mensen koperen instrumenten te poetsen. Ze hadden allemaal een verschillende huidskleur. Sommige vrouwen droegen een hoofddoek. Eén vrouw droeg een opvallend kapsel: Beatrix.

Ik dacht: dit is wat de wereld nodig heeft. Mensen die de handen ineen slaan. Die alles mooier maken dan het is.

Segers, laat je gedachten en gebeden. Ga aan de slag.

En schep een nieuwe mensenwereld.

Nu. Liefde kan niet wachten.

Biddag

 

Bidden lijkt zoiets kinderlijks. Je wilt iets. Je kunt het zelf niet voor elkaar krijgen. Je roept onzichtbare machten in. Je krijgt wat je hebben wilt.

Of je krijgt het niet.

Verder maakt het dan ook niet zo uit, of je engelen inroept, kabouters, god, of het vliegend spaghettimonster. De gedachte is steeds dezelfde: ik geef uit handen, zodat een ander, een Ander, iets anders of Iets anders het gaat doen.

Bidden zoals overal gebeden wordt. Met of zonder offers erbij.

Ik begrijp wel dat sommigen er verlegen mee zijn. Als God, God is, dan weet hij toch al lang wat je wilt? Of een verlegenheid de andere kant uit: hoort iemand je wel als je bidt? Zesmiljard mensen. Dat is onmogelijk bij te benen. Is er zoiets als god?

Ik kom moeilijk meer los van het beeld uit de film “Bruce Almighty”. Ene Bruce mag voor een tijdje de plek van God innemen. Hij wordt stapel van alle gebeden die hij de hele dag hoort. Dus verzint hij een list: elk gebed print hij op een Post-it. Deze oplossing, geniaal als die is, wordt een ramp: miljoenen, nee, miljarden post-it-stickers stormen op zijn huis, stoelen, koelkast, haren, benen en armen af. Alles zit onder, in een mum van tijd. Kanariegeel.

Als iemand míj de vraag zou stellen: en heeft God ons nu gehoord? – die vraag wordt wel gesteld- dan voel ik hoe het haspelen in mijn keel begint. Het zweet staat mij in de handpalmen.

Ik bid, is steeds mijn antwoord. Ik bid.

Dat is het.

Een flink aantal jaar geleden wandelde ik de Hartebrugkerk binnen. Hoog torent het gebouw uit boven de binnenstad van Leiden. Met joekels van gouden letters op de voorgevel: “Dit huis van God is de poort naar de hemel”, valt het gebouw niet te ontlopen. Binnen, wat je in een kerk verwacht: schemer, heiligenbeelden verstild in de tijd, kaarsen, een altaar, een gebedenboek. In dat boek stonden allerlei verlangens en verwachtingen. “Laat mij morgen mijn rijbewijs halen”, “Zorg voor oma”, “Zegen mijn kinderen”, “Bekeer mijn man”, “Geef mij geld.” Kort, lang, poëtisch of prozaïsch, steeds was het een herhaling: God, doe iets voor mij.

Er was nog iets anders met het gebedenboek. Iemand had de tijd genomen om de gebeden te lezen. En om ze vervolgens van commentaar te voorzien. “Je haalt je rijbewijs wel, en als je het niet haalt, haal je het niet”, “Je oma? Wat kun jij voor haar doen?”, “Hoe zegenrijk ben jij voor je kinderen?”, “Moet ìk je man bekeren? Kun jij hem mijn liefde niet laten zien dan?”

Nee. Ik weet niet of deze antwoorden geïnspireerd waren. Ik vond ze wel inspirerend. In één klein ogenblik begreep ik: bidden betekent niet dat je bij god, God, Spaghettimonster je wensen en verlangens indient. Bidden betekent: open gaan voor de verlangens die bij jou worden ingediend. Zeg maar.

De beweging van bidden is niet van mij uit naar een ander. De beweging is naar mij toe. Niet ik spreek. Ik word aangesproken.

En je wòrdt aangesproken. Of je nu christen bent of niet. Dat doet er eigenlijk niet eens zo veel toe. Er wordt op ons allemaal een appèl gedaan. De straatkrantverkoper bij de Albert Heyn, de buurvrouw die met haar hak tussen de straatstenen is klem geraakt, de moeder die het allemaal niet krijgt rondgebreid, de man die om zijn gestorven vrouw treurt, de collega die nog net de lift wil halen, de vluchteling die aan je landsgrenzen staat, de werkloze die zich geen raad weet, de rijke die de zin van het leven niet kan ontdekken… en dan noem ik nu pas de menselijke stemmen. Maar wat te denken van de dieren, de bomen, het gras, de wolken, de aarde, de zon.

Ik word aangesproken. Om te zijn. Te doen. Te luisteren. Dat laatste het eerste

Ik bid om te luisteren.

Zodat ik hoor wie ik kan zijn.

 

De vraag is niet: luistert iemand dat je bidt?

De vraag is: luister ik wanneer ik bid?

Rutte brult.

 

Wagner schreef veel opera’s. Vaak misbegrepen en misbruikte opera’s. Bij zijn “Meistersinger von Nürnberg” zien velen de Hitlervaandels geheven worden, of horen zij de laarzen marcheren. Zo is het ook gegaan: Hitler liet zich begoochelen door de massaliteit en de magische regie van Wagners werk. Hij betoverde op zíjn beurt het Duitse volk. Het felle antisemitisme van de componist zette de deur er ook wel voor open.

Ken je deze geschiedenis niet, en kijk je als met een nieuw oog, dan ontvouwt zich een heel andere wereld. Niet van geweld, maar van erbarmen en liefde. Parsifal vertelt het verhaal van het lijden voor een gemeenschap. Verlossing zoeken voor een mens. De Ring des Nibelungen vertelt in veertien uur tijd de geschiedenis van liefde en macht. De godenwereld, zo schilderen componist en librettist, zoekt macht en offert de liefde. Die twee gaan niet samen. En op het moment dat je denkt “nu is de macht aan mij!”, stort je wereld in. Götterdämmerung.

Ik moest hier denken bij de lezing van Rutte. Een lezing over Europa. Geen wóord daarin over de kernwaarden van ons continent. Welke deze zouden moeten zijn. Waar staan wij voor? Waar moet het in Europa over gaan? Niets van deze vragen. Rutte beklom de ladder naar het klaroengeschal: Europa moet niet langer naïef zijn! We moeten realistisch worden! We moeten onze spierballen laten zien! Europa moet een harde macht worden in de wereld! Mee in de wedloop van de volkeren. Op de achtergrond riep Trump “America first”, riep Poetin. Onze Mark Rutte werd een muis die brulde, gisteren. In de hoop een leeuw te worden.

Tegenover de godenwereld van Wagner staat de godenwereld van Israël. Net zo onbegrepen. Net zo misbruikt. Wie het woord “God” hoort, ziet de oorlog al voor zich. Hoort “Deus le vult” schreeuwen. En zo is het, inderdaad, gegaan. Gefascineerd door eigen machtsverlangens vernietigden gelovigen wie en wat ze op hun pad maar tegen kwamen. Komen.

Paulus kende deze geschiedenis nog niet. Hij leefde in de eerste eeuw van onze jaartelling. Hij kent het geweld wel, hij is er zelf door ter dood gebracht, maar hij schrijft het niet aan God toe. “De God”, schrijft hij in één van zijn brieven “heeft zich leeg gemaakt.” In een lied bezingt hij hoe “Hij die in de gestalte God zijnde” het “aan God-gelijk-zijn niet als een roof heeft geacht”, maar “het heeft verlaten.”

Paulus schildert een godenwereld die de macht verlaat om de liefde te leven. Barmhartigheid, ontferming. Vrede. Macht wordt verlaten om het leven te laten worden wat het leven wil zijn. Wil je weten wat je moet doen, dan kijk je in het mishandelde gezicht van Jezus.

“Macht is geen vies woord meer!”, verkondigde Rutte gisteren. Opgelucht? Blij? Ik dacht: “Macht is nooit een vies woord geweest. Maar je moet wel weten wat je doet, zodra je de macht hebt.”

Wie macht met macht vult, valt.

Maar durf je je macht te vullen met zachte krachten, alsof jouw macht de baarmoeder is voor een nieuw bestaan – dan blijf je.

Daar had het over moeten gaan in Zürich. En daarover zweeg onze premier.

 

 

Rouw. Een ode aan het leven.

Nee, geen dankdienst voor mij als ik dood ben. Ik begrijp de keuze van anderen, maar voor mij is het te vroeg. Alles op z’n tijd. Die dank, die komt wel. Na de rouw. Sla de rouw niet over. De pijn niet. Noch het verdriet. Organiseer na mijn dood een rouwdienst. Trek het zwartste zwart aan, leg zwaar geurende lelies op mijn kist en vraag de organist traag en diep te spelen. Ik hoop dat er gehuild wordt. Dat het van de balkons klinkt en aan de gewelven kleeft: hier is iemand dood gegaan. Iemand die er was en was en was. Die iemand verdween, zomaar, en wij begrijpen er niets van.

Toast niet op het leven, als je mijn lichaam net in de aarde hebt begraven. Dat leven komt wel weer. Maar nu niet. Laat er hete troostsoep zijn. Of bedrukt zwijgen bij een kop koffie. Iedereen is vrij bij zijn afscheid te doen wat hem past. Voor mij echter geen al te jofel doen over de dood. De dood is niet grappig, licht of leuk. Hij is verschrikkelijk. Die ene is weg.  Een arm wordt van je afgerukt. Het hart uit je lijf getrokken. Een stuk van je ziel wordt losgescheurd. En het komt nooit meer terug. Nooit. Meer.

Ik weet wel: de dood maakt ons handelen zinvol. Stel dat we voor altijd zouden leven, Dan hoefde niets vandaag. Dan kon alles altijd nog morgen. Dan hoefde uiteindelijk helemaal niets. Ik weet óók, heel goed zelfs: de dood is niet bij machte om al het leven te vernietigen. De dood kan iets moois hebben. Iets troostends: het gaat hier voorbij. Goddank. Maar dat alles is theorie. Dat kun je bedenken zo lang de dood ver weg is. Zo lang je met een kopje koffie in de hand op de bank zit. Met je liefste dicht bij je.

Maar als de schaduw valt, is het met het verheven denken gedaan. Dan is dood rauw. Wat was, was. Wat er niet was, zal er dus nooit meer zijn. Wat werd gezegd is nu gezegd, wat werd verlangd is nu verlangd En wat uitbleef, zal voor altijd uitblijven.

“Is dit voor jou ook een treurige dag?”, vroeg een lieve neef aan mij, terwijl wij achter de baar liepen van mijn oudste broer. Hij, mijn broer, en ik hadden geen simpele relatie. Wij moesten altijd vele dwaalgangen door om elkaar te vinden. We waren de tocht niet vaak begonnen. “Ja”, antwoordde ik. “Ja, toch wel. Want nu weet ik dat het dit is. Nooit meer zullen we nog probéren om iets van elkaar te begrijpen.” De dood is een doek dat valt. Het oordeel is er. Het is klaar.

Verzwijg de pijn niet.

En als ik dan word uitgedragen, langzaam wiegend op de schouders van zes stokoude reumatische zwarte kraaien, zing dan met elkaar. Zing een lied. Het lied van de Steppe. Huub Oosterhuis’ lied van de steppe. Dat die – toch!- weer zal gaan bloeien.

Wanneer je dan met dichtgeknepen stem die veel te hogen noten zingt van: Dode, dode sta op! Die machteloze hulpkreet. Als je die zingt, dan zal ik een kaars omduwen. Mijn geest zal een kaars op de avondmaalstafel omduwen. Zodat je, wanneer je de schrik door de rijen hoort gaan, wéét: ik zou het óók willen. Opstaan.

En leven.

Want dat leven. Dat wint.

Maar eerst. De rouw.