Wie dient, blijft.

 

Goed. We kunnen een nieuw streepje zetten bij de column “populistische presidenten”. Na de Filipijnen, Polen, Hong Kong, Hongarije, de Verenigde Staten, heeft nu Brazilië óók zijn sterke man: Bolsonaro.  Opnieuw klinkt hetzelfde wapenarsenaal: ons land het eerst, weg met het uitschot, lang leve de familiewaarden, handel voorop, ons ras het beste. Hetzelfde offensief klinkt: wij worden bedreigd, aangevallen, vergeten, bedrogen, in de luren gelegd. Hetzelfde wondermiddel: ik ben degene die jullie nodig hebben. Ik los alles op.

Overal waren het christenen die met enthousiasme de populistische kandidaten steunden. Overal poetste de kerken de schoenen van de sterke mannen (mannen! Ja! Steeds weer.) En de mannen koketteerden op hun beurt met de sterke mannen van de kerken, bisschoppen, predikers, evangelisten. “Brazilië boven alles en God boven allen”, riep Bolsonaro. God als parel boven op zijn regering. Als stempel van goedkeuring. Macht die macht bevestigt.

Ik huiver. Ik heb het gevoel in het verkeerde kippenhok terecht te zijn gekomen. En ik begrijp het niet: die ogen die gaan stralen wanneer de macht “aan ons” gegeven wordt. Dat geloof in “eindelijk (eindelijk!) iemand die schoon schip gaat maken”.

Alsof schone schepen kunnen bestaan zonder mensen te slachtofferen. Sterke mannen willen vijanden. Zullen vijanden vinden. Bedenken desnoods. En ze zullen niet rusten, totdat hun vijand weg zal zijn. Om dan het spel opnieuw te beginnen.

Prawo i Sprawiedliwosci, de Poolse regeringspartij, die haar pijlen richt op “communistische krachten” en daarmee bedoelt: iedereen die democratisch, Europees, liberaal, niet-roomskatholiek is heeft te vrezen. Victor Orbán in Hongarije die tegen vluchtelingen kettert. Trump die onverbloemd anti-semitische taal uitkraamt “allen betaald door Soros zullen moeten verdwijnen”. Die stadions vol mensen laat schreeuwen dat de vluchtelingen “kakkerlakken” zijn. Trump: “Wat zijn zij?” Tribunes, kolkend in hun antwoord: “Kakkerlakken!”

Bolsonaro die èn anti-semitisch is, èn anti-feministisch, èn anti-LGTB, èn…… en de christenen dansen op de straten. Eindelijk een vent aan het roer.

In het Bijbelboek Samuel staat een intrigerend zinnetje over koning Saul. Dat “hij boven alle manschappen uitstak” namelijk. Hij is het toonbeeld van een leider. Iemand die weet hoe het moet. Willem Barnard tekent daarbij aan: maar het is de vraag op wie hij het meest lijkt; “op de farao van Egypte of op een knecht des Heren.” Daarmee raakt Barnard aan een van de kernpunten uit de Bijbelse geschriften. Wat geloof je? Wat volg je?

Egypte, Babel, Fenicië – alle volkeren rondom- geloven de macht. Opgelegde, uitgevoerde macht. Maar voor Israël zou het anders moeten zijn. Dienstbaarheid zou hun leidraad moeten zijn.  Niet omhoogkijken, maar naar beneden kijken. God, de God van Israël laat zich niet gebruiken als sieraad op het hoofd van de sterke man. Hij is die woont onder de verworpene, de weggestuurde. De verdrevene. En die blíjft vragen: de wees, de weduwe, de vreemde, de vluchteling, de andere – wat heb je voor hen gedaan?

Ishwarbai Patel was een Indiase activist. Hij overleed al in 2010, maar deze week stond er een in memoriam van hem in de krant. Hij was zijn leven lang betrokken op de sloppenwijken van zijn land. Zo bouwde hij er twee miljoen toiletten. Hij zei eens: “De rijken van ons land kijken neer op de inwoners van de sloppen. Zij noemen hen crimineel, opvreters, de schande van de natie. Maar in feite zijn de sloppenbewoners het kapitaal van ons land: ze werken hard, ze kosten weinig, ze verbruiken weinig, ze zijn de basis van de rijkdom aan de top. We zouden hen moeten koesteren” Ishwarbai sprak de taal van de verbinding. Niet van de verdeling. Hij vernederde niemand, hij eerde de ander.

Danste er maar eens iemand voor hem. Voor mensen zoals hij.

Ik dans vandaag voor hem.

 

 

Advertenties

Zo’n klein berichtje.

 

Het zat een beetje weggemoffeld tussen berichten over allerlei rechtszaken. Zoveel jaar voor moord, zoveel jaar voor kidnapping. Ineens begon de nieuwslezer op de radio over uitkeringsgerechtigden. Uit onderzoek was gebleken dat “uitkeringsgerechtigden massaal hun bezittingen in het buitenland verzwegen”. Voor mijn geestesoog verschenen lange, witte jachten met cocktaildrinkende dames en heren, huizen met zwembaden en auto’s met chauffeur. Aan mijn fantasie ligt het niet. Ondertussen koutte de nieuwslezer door; het ging om 17 miljoen niet opgegeven bezit “van honderden personen”.

“Oh”, dacht ik: “Dus dat zwembad kunnen we alvast doorstrepen”. 17 miljoen gedeeld door honderden, dan hou je slechts zeer gemiddelde huizen over.

Waar moesten we aan denken? “Aan tweede huizen in Turkije, bijvoorbeeld”, antwoordde de nieuwslezer gedienstig. En hup, verder ging het al naar het weerbericht. Dat het te warm is voor de tijd van het jaar.

Ik vroeg me af wie dit bericht had ingestoken? En met welk doel? Moest ik nu begrijpen dat uitkeringsgerechtigden allemaal ten onrechte elke maand hun geld opstrijken? Moest ik begrijpen dat het vooral de Turkse Nederlanders zijn die vals spelen? Wéér die Turkse Nederlanders? Wat moest ik nu eigenlijk weten?

Of ging het om de slotzin:  “dat alle mensen het ten onrechte ontvangen geld moeten terugbetalen”? Moest ik ervan doordrongen worden dat ons kabinet daadkrachtig is en tegen elke misstand opstaat?

Dan was het zinnetje: “Waarschijnlijk kunnen de betrokkenen niets terugbetalen, aangezien velen op of onder het bijstandsniveau leven” erg verwarrend. Want waar betaalden ze dat tweede huis dan van?

Vragen, vragen, vragen.

Er sijpelt vaker van die vaagheid door. Een paar weken geleden hoorden we over Poolse arbeiders die “massaal uitkeringen aanvragen” en vervolgens naar hun land terugkeren om daar op hun lauweren te rusten.

Ook toen die vieze bijsmaak. Uitkeringen en buitenlanders, die combinatie. Wat wil het bericht van mij?

Het wordt niet gezegd, dat is het giftige. Er wordt met semi-feiten gestrooid. Er wordt iets ingemasseerd, maar de masseur toont zich niet. Ontkent waarschijnlijk dat hij masseert.

Ondertussen doet het gif zijn werk.

Twee weken geleden was er een inspraakavond over nieuwbouw hier in de buurt. Nieuwbouw is een beetje groot woord: het gaat om tien huizen. Op het voormalige voetbalveld. Daar is onrust over, omdat sommigen hun hondenuitlaatplek niet kwijt willen. Na een onrustig rondje kwam het finale argument tegen nieuwbouw: “straks zitten daar asielzoekers van onze centen!”

Achter het masker van keurige cijfers en feiten daalt een dreinsregen op ons neer. Van ksenofobie, argwaan, wantrouwen. Een motregen waar we smerig nat van worden. De indruk wordt gewekt dat wij – fatsoenlijke Nederlanders die nooit iemand benadelen- achteruit worden gesteld. Dat ons geluk aan ons onthouden wordt. Dat we beter af zouden zijn zonder al die armoedzaaiers, gelukszoekers, ondankbaren.

Alsof je vanzelf op een jacht terecht komt door naar beneden te trappen.

 

 

De paranimfen van G’d

 

“Geld en Groei” ze waren de Knabbel en Babbel uit de troonrede. De zinnen die Rutte schreef juichten, omdat beide er weer waren. We hebben weer geld! En we groeien weer! De enige vraag die nog openstond: we moeten ervoor zorgen dat nu iedereen ervan gaat profiteren. De champagne stroomt inmiddels al zó lang bij wie geld heeft, dat er nu wel wat priklimonade geschonken mag worden bij wie dat niet heeft.

Geld en groei zijn twee paladijnen van een oeroude god. Van Baäl. Baas. Of van Ra, de zonnegod. Of van de Economie, huisgod van de rich and famous. En ja, het ìs heerlijk als je tot die groep behoort.

Ooit stonden heren in rok en dames in het lang glazen leeg te drinken op het grote balkon van de opera in Budapeszt. De zon ging onder. Wij wandelden in onze sjofele toeristenkleren voorbij. Ik voelde jaloezie. Waar zij stonden, wilde ik staan.

De weg naar dat balkon is die van, juist, geld en groei.

Maar. Er zit een lelijke kant aan dit verhaal. De Tsjech Sedlacek heeft dit een paar jaar terug scherp onder woorden gebracht. “Economie lijkt een neutrale, natuurkundige grootheid, maar is dat niet. Economie vraagt geloof in egoïsme en dat is een morele positie.” Een positie die, bij voorbaat al, anderen uitsluit.

Die mensen staan daar op het balkon, doordat anderen er niet staan. Zij hebben geld, doordat anderen het niet hebben. Marx schreef in zijn Das Kapital dat geld uiteindelijk op hopen terecht zal komen bij enkelen. En dat de velen niet zullen hebben.

Geld en groei hebben meer iets van een knikkerbak. Wie het diepst gaat met zijn egoïsme zal de meeste knikkers ontvangen. De rest heeft het nakijken.

In de Bijbelse geschriften heeft Baäl een tegenspeler. Een klein godje van een klein volkje. Ergens in de marge. JHWH. Ik ben er, betekent die naam. Ook híj heeft twee paranimfen. Chesed en Emet. Waar die twee verschijnen, daar is IK BEN. Waar IK BEN is, daar zijn zij.

Chesed en Emet zijn niet zo eenvoudig te vertalen als geld en groei. Ze zijn ook minder zichtbaar. Net als hun G’d. – die ik met een hoofdletter schrijf omdat je anders over hem (hem?) heen zou kijken.

Ze betekenen zoiets als “vriendschap en waarheid”,  of “liefde en echtheid”,  of “mild en waar”.  Het zijn twee woorden die niet omhoog klimmen tot in de torens van glas, ver verheven boven de schoonmakers, de rioolreinigers, de modderkruipers. Het zijn twee woorden die naar beneden komen. Ze dromen niet van een godenwereld. Ze willen, zal ik maar zeggen, mens onder de mensen worden

Het echte wonder gebeurt natuurlijk, waar mensen van hun balkon afkomen.

De vraag had niet moeten zijn: hoe worden wij sterk en rijk. De vraag had moeten zijn: hoe worden wij mild, echt, hartelijk, eerlijk, vriendelijk – kortom: hoe worden wij mens.

 

God wil geen god zijn.

 

Ooit was het duidelijk: goden leefden hun eigen soap-serie. In hun hemel. Ze vreeën, ruzieden, voerden oorlog en maakten het weer goed met elkaar, net naar het hen uitkwam. De gevolgen van hun gedrag waren voelbaar op aarde. De aarde van de mensen. Onweer? Dan was Wodan kwaad. Of Zeus. Had hij weer ruzie met zijn Hera. Het enige wat de mensen konden doen was smeken. Eerbiedig smeken. Met de pet in de hand. Smeken om een gunst. “Oh lieve Wodan, laat de bliksem niet bij mij inslaan.” “Oh machtige Zeus, laat de storm aan mijn huis voorbijgaan”. Want u weet toch wel hoe goed ik mijn best doe? Hoe ik alleen maar aan u mijn offers breng? Hoe ik het waard ben? Oh nee, niet waard ben: maar u, u bent het waard.

En als de goden dan  een goede dag hadden,  kreeg je het. Even een gelukje.

Fikte het huis van je buurman af. Blikseminslag.

De verwarring begon, toen de God van Israël het toneel betrad. Hem was het niet genoeg: douceurtjes uit te delen. Hem was het niet genoeg: God in de hemel te zijn. Met gouden kranen en eeuwige godendrank. Hij, schrijft Mozes, Hij daalt af. Hij verlaat zijn hemel.  “Ik heb het gejammer van de mensen gehoord”, zegt Hij. “Hoe ze worden gemarteld. Hoe ze worden gekleineerd. Ik heb het gehoord.” Ik ben afgedaald. En jij, Mozes, jij gaat nu op pad. Zeg tegen Farao: “Zo niet langer!”

Een gelukkige gebedsverhoring is niet genoeg. Want die buurman. Waarom zou de regen wel op jouw akker vallen en niet op die van hem? God, de God van Israël staat voor: het moet hier helemáál anders. Voor jou. En voor je buurman..

En? Gingen de mensen? Voor een andere wereld? Ja, soms. Franciscus van Assisi, bijvoorbeeld. Hij verliet zijn paradijs, kleedde zich uit, en deelde zijn leven met de armen.  Of moeder Theresa. Of Hebe Kohlbrugge. Of Miep Gies. Of al die mensen die we niet bij name kennen – die zich gaven, deelden, inzetten. In grote en kleine gebaren.

Vaak gaan mensen ook niet. Gaan de oproep van God niet aan. Blijven stil staan. En nemen er genoegen mee: als ik nou bid. En U geeft mij. Dan zal ik U prijzen.

Mensen nemen er genoegen mee.

God niet.

er blijft een stem, een verlangen roepen: geen gunsten maar recht

(afbeelding: Ikoon van Wassil Wasin, Mozes voor Farao)

Bidden om regen? Hoe wou je dat doen dan?

 

Dus zo is het gegaan: verontruste kerkleden belden naar Utrecht met de vraag: “Waarom bidt onze kerk nog niet voor regen?” Daarop gaf het hoofdkantoor van de Protestantse Kerk geen uitleg en weerwoord, maar gauw schreef preses Saskia van Meggelen verschrikt en schuldbewust een gebed. Opdat de droogte zou ophouden.

En daar stond alles weer rechtovereind: onze droge velden, onze gewassen die verpieteren. Onze problemen. En of god die even wil oplossen.

God als de grote Tovenaar. En wij voeren onze totemdansjes uit.

Denken we nu echt, dat god een soort sikkeneurige oude man is die niks doet, totdat wij het vragen? Denken wij sowieso dat er een al dan niet sikkeneurige man is die al dan geen regen geeft?

Ik dacht toch heus dat we sinds ongeveer de Joodse Ballingschap deze beelden hadden losgelaten. En dat is alweer gauw een twee-en-een-half duizend jaar geleden. Ontdekten niet de Joden dat God onze problemen niet oplost? Dat zulke goden ook helemaal niet bestaan? Ontdekten de Joden niet dat wij ons dus niet als machteloze dwazen moeten aanstellen? Dat wij een taak hebben? En daarmee een schuld? En dat van ons gevraagd wordt om onze verantwoordelijkheid op ons te nemen?

“Hoe zou jij dan bidden?”, vroeg een collega. Ik zou niet om regen bidden. Ik vind het kinderachtig. Het beeld is kinderachtig: grote pappa luister naar mijn gebed. Waarom zou God dat doen? Soedan! Dat is pas droog. En als hij naar de gebeden uit dát land al jaren niet luistert, dan ineens wel naar een paar woorden van Nederlandse, weldoorvoede protestanten?

Zou ik bidden? Ja, ik zou bidden. Dat is wat gelovigen nu eenmaal doen. Ik zou bidden: wat kan ik doen, God. Ik zou niet bidden: wat kan u voor mij doen. Voor mij is dit de kern van heel de bijbelse ommezwaai. Niet god doet wat wij willen, wij zijn geroepen te doen wat Hij wil.

We weten waardoor het al maanden droog is. Klimaatverandering. We kennen de oorzaak daarvan. Ons vliegen over de aardbol, ons rondscheuren in auto’s, onze overconsumptie aan olie en gas, onze intensieve veeteelt, onze industrie, onze inhaligheid, hebberigheid, onnadenkendheid. Ons.

En dan bidden: “laat het maar weer regenen”?

Nee. Het enige gebed dat oprecht klinkt is een gebed waarin wij zeggen wat wij tot hiertoe deden. En het enige gebed dat volgen kan is er één met onze handen: we minderen. In alles. We voegen ons naar wat ons gegeven is. We rekken de grenzen niet eindeloos op. We denken na over hoe we leven.

Het enige gebed kan zijn: hoe kan ik zo leven, God, dat ik zo min mogelijk schade aanricht.

Al het andere is religieuze tralala.

De kerk, de vijandige wereld.

 

Wilma Vermaat.

De naam dook op in een woordpuzzel. En ineens stond die gelovige vrouw, zij leefde van 1873 tot 1967, mij weer voor ogen. Schrijver was ze, van christelijke romans. Ze schuwde het woord God in haar werk niet en ze leefde daarbij vroom en strikt. Zo gaat de anekdote dat in de Tweede Wereldoorlog nazi’s aan haar deur klopten en op eisende toon vroegen of zij onderduikers in huis had. Ze wilde geen onwaarheid doen en zei heel naïef: “ja”.  De nazi’s dachten dat zij hen voor de gek hield en liepen door. Haar huis werd niet doorzocht.

In de jaren tien van de vorige eeuw, raakte zij bevriend met Willem de Merode, schoolmeester en dichter in Uithuizermeeden. De Merode had, in de beschrijving van die tijd, een fatale affectie opgevat voor één van zijn leerlingen. De leerling was minderjarig, èn man. Ik vermoed zomaar dat het tweede zwaarder woog dan het eerste. De Merode werd ontslagen en zat in Groningen een gevangenisstraf van acht maanden uit. Hij zou nooit meer terugkeren in het onderwijs, zelfs het openbare leven was voor hem onmogelijk geworden. Over homoseksualiteit sprak je òf niet, òf veroordelend. De Merode werd veroordeeld.

Maar niet door Wilma. Zij pakte de pen op en schreef het boek “Gods gevangene”. Daarin portretteert zij een homoseksuele onderwijzer. Ze laat zien dat de man geen perverseling is, dat hij niet ziek is,  niet verachtelijk is, maar wel een man die tot liefde in staat is.

In diezelfde jaren woonde er in de straat van mijn moeder een alleenstaande man. Die werd steevast Mietje genoemd. “En toen hij eens van een keldertrap gleed, was dat maanden de grootste grap”, vertelde mijn moeder: “kinderen riepen hem na “Mietje is van de trap gevallen! Mietje is van de trap gevallen.” Dat was de sfeer.

En die doorbrak zij. Ook al begreep zij het zo, dat een relatie voor haar onderwijzer niet mogelijk was. Die grens was hem, dacht zij, door God opgelegd. De Merode zal het zelf ook zo hebben geloofd.

Van de kerk en haar leden bestaat het beeld: altijd tegen homo’s geweest en nooit anders dan dat. De werkelijkheid is, zoals zo vaak, kleurrijker en gevarieerder. In de regressieve cultuur – die wàs er, binnen en buiten de kerk- stonden steeds mensen op die een andere toon aansloegen. Die deuren open deden. Die de mens zagen achter het etiket.

In de jaren vijftig hield Trimbos korte lezingen voor de K.R.O.-microfoon. Het boekje dat hij daarvan maakte “De homofiele naaste” ligt hier nog ergens. Het zijn moedige toespraken. Waarin hij de mensen bij de naam noemde. En onderwees: zij zijn niet gek. En dat in een tijd, waarin je als ambtenaar een onderzoek aan de broek kreeg bij het vermoeden van homofilie en een daaropvolgend ontslag.

Alje Klamer, pastor bij de IKON schreef begin jaren zestig: “Ook al hebben uw ei­gen ouders, uw kerk, uw vrienden u afge­we­zen, ook al zwijgen ze u dood, God aanvaardt u zoals u bent. Laat u niet wijsmaken, dat de Bijbel tegen u is. Dank God voor de liefde, die u als homoseksueel kunt beleven en mag beleven.” Hij had het pad van “je mag het wel zijn, maar niet doen” al lang verlaten.

Het zijn deze enkelingen die geschiedenis schrijven. En wat zij hebben open gemaakt, sluit niemand meer.

De kerk, een vijandige wereld? Het is maar welk verhaal je vertelt.

 

Waarom ik christen ben.

Het is een mysterie, uiteindelijk. Dat ik christen ben, daar ligt een heel fijn web aan ten grondslag van oorzaak en gevolg. Van een vrome oma en een geboorteplek op het westelijk halfrond. Van deze ouders, deze kerkelijke gemeenschap, deze leider van de zondagsschool. Een web dat wordt opgebouwd uit mijn behoeften en verwachtingen. Mijn antenne en mijn weerstand.

Waarom ik Nederlander ben, kan ik je ook niet helemaal uitleggen. Of man. Of wit. Of met schoenmaat 46.

Ik kan wel zeggen waarom ik mij ermee verzoend heb. Christen-zijn is één van die attributen die in mijn rugzak blijken te zitten. Sommige heb ik eruit gegooid. Sommige probeer ik mijn leven lang er al uit te gooien. Sommige keren hardnekkig weer. En sommige zitten er en daar ben ik blij mee.

Dat ik ermee heb ingestemd Nederlander te zijn komt, heel plastisch, door Beatrix. Haar plichtsopvatting. Haar blik op de samenleving. Haar poging om in de waarheid te leven, raakten mij. Als Nederlander-zijn betekent: ik probeer de ander te begrijpen, ik probeer ruimte te scheppen ook voor wie ik niet begrijp, ik probeer samen te leven. Dan wil ik wel Nederlander zijn. Vooruit. Maar goed. Ik zou dan ook een heel beroerde Spanjaard zijn. Ik hou niet van inktvis.

Dat ik christen wil zijn dat komt, al net zo plastisch, door Jezus. Zijn schuld. Hij is zo’n droomman. Niet om te hebben, maar om zelf te zijn. Ik denk dat dit mij als kind al emotioneerde: Jezus neemt geen ruimte in ten koste van. Maar hij geeft ruimte. Ten bate van. De ruimte die hij inneemt is tegelijk een ruimte om te delen. Legio zijn daarover de verhalen: er zit een bedelaar langs de kant van de weg. Hij roept en schreeuwt. Dat doet hij al jaren en niemand hoort hem meer. Maar – en dan worden de evangelisten ineens heel precies- Jezus staat stil. En hij hóórt de man. Hij keert zich om. En hij vraagt: Wat kan ik voor je doen?

Vier keer een wonder. Ik weet zelf hoe je opleeft, wanneer iemand je uit de massa wegvraagt en jou ziet. Niet iemand ziet, maar jóu.

En dan gaat het huppelen in mijn hoofd. Dus als ik het goed begrijp word ìk zo gezien. Want, grote stappen snel thuis, zoals Jezus zó God. En God, nog een keer grote stappen, dat is de waarheid over het bestaan. Dit is de waarheid: ik doe er toe. Als ik roep, word ik gehoord. Ik ben geen grijze muis. Dat is één.

En twee: je kunt zelf ook zo worden. Nou ja – nee. Ingewikkelder: zo zul je nooit worden. Het is daarom geen ramp als het je niet lukt. Het zal je niet lukken. En toch is het zinvol om te streven. Woonplaats van een ander te worden.

Het moderne seculiere geloof is: jij bent het centrum. Zorg voor jezelf. Jij werkt ervoor. Het komt jou toe. Het is van jou. Jij bepaalt. Je bent je eigen baas.  Het is allemaal waar. Maar als dit de enige toonladder is die wordt bespeeld, is het helemaal níet waar. Als wij allemaal het centrum zijn, wie zorgt dan nog voor de rest? Wie luistert er dan naar wie? Wie vangt dan wie op?

Het zegt bovendien niet hoe wij mensen in elkaar steken. Ik geloof (maar ja, geloof…) helemaal niet dat wij mensen zijn geboren om voor onszelf te leven.

Dan maar liever de andere kant: er wordt voor jou gezorgd, zorg jij evenzo voor de ander.

De belofte is dat als we dat doen, zo – met al onze fouten en falen en mislukkingen erbij, de wereld goed en mooi zal worden.

En daar ben ik blij mee.

Alleen die schoenmaat nog van mij.

Kan daar nou niet iemand wat aan doen?

Oh ja, de kerk

 

Het woord “kerk” is een blikopener. Het trekt het dekseltje van een pak vol narigheid. Kerk staat voor benepenheid, voor zwarte kousen, voor misbruik, voor gewetensbeperking, voor arrogantie, voor discriminatie, de kerk staat zéker voor slecht zingen. Ik begrijp wel, dat de kerk onderaan bungelt als het om het vertrouwen van Nederlanders in instituties gaat. Ze heeft het er zelf naar gemaakt.

En toch ben ik er – nog altijd- lid van. Sta in het hart van deze gemeenschap. My god, waarom?

Nou, niet alléén omdat de kerk mij betaalt. Als de golven van ook mijn afkeer voorbij zijn, en ze golven, vaker dan mij lief is, breekt er ook iets anders door. Ik zie in de kerk mensen die aandacht voor elkaar hebben. Die week-in-week-uit elkaars leven delen. Op een geduldige, barmhartige manier. Ik zie vriendschap, vertrouwen, ik zie mensen die het beste in elkaar wakker maken.

Een aantal jaar geleden lag hier het hele bestaan weer eens ondersteboven. Het was vijf mei. In de krant las ik,  toevallig, dat er in een kerkje in Oost-Groningen een kerkdienst zou zijn. Ik was er. Psalmen werden gezongen. Er werden oude teksten gelezen. Mensen waren stil en luisterden. Het licht viel door het ontluikende lentegroen tintelend en glimlachend de kerk in. Genesis 1 voor je neus.

Ik ben lid van de kerk, vanwege een onuitsprekelijk geheim. Je kunt er eigenlijk alleen maar verhalen over vertellen. Hoe een man hier op het dorp zijn leven op de rails kreeg doordat hij op een ochtend de kerkdrempel overstapte. Hoe een oude vrouw haar ogen dicht deed, zodra zij maar een psalm aanhief. Je voelde aan alles: zo zong zij al haar leven lang. Over een andere man die ziek werd en een hele gemeenschap mensen bewoog maanden, jaren met hem mee en slaakte een ontroerde zucht toen een kleinzoon van hem de kerk kwam binnenrennen en luid riep “Opaaaaa!” Het verhaal over een zoon die zijn vader meer dan een jaar trouw, elke zondag, naar de eredienst bracht. De vader verdween steeds meer in de wereld van alzheimer, de zoon zat naast hem. De vader werd dover en dover. De zoon en hij zaten naast elkaar. Werd het onze Vader gebeden dan bad – oh!- de vader mee. Hardop. En zei als laatste van allen “amen”. Alsof hij al dingen zag die wij nog niet zagen en daarbij had stil gestaan.

Ik ben lid van de kerk vanwege God. Laat ik het geheim maar een naam geven uit onze traditie. De God die zegt: “Ik zal er zijn”.

Ik zie het elke zondag gebeuren in de erediensten. Ik zie het door de week. Ineens zie je het overal: mensen, gelovig, niet-gelovig, godloos, leuke mensen, niet zo leuke mensen, je ziet hoe ze gebaren van vriendschap aan elkaar geven. Ik zie het, dankzij de bril die ik in de kerk leer te dragen.

Nou ja, soms zie ik het ook helemaal niet. Mensen maken er vaak een potje van.

De gemeenschap van de kerk, en ja vooruit: óók het instituut Kerk, zij hebben mij dit geleerd: geloof dat de momenten waarop je het wel ziet sterker zijn dan de momenten dat je het niet ziet. Verdraag de ellende, dan zul je de schoonheid zien.

En die is overweldigend.

“Vindt u dat normaal dan?”

Getergd riep Antoine Bodar zijn woorden uit. Of wij het normaal vonden: al die homo’s, lesbiennes, transgenders en interseksuelen. Het was in een gesprek dat moest gaan over iets als een “roze lente” in de christelijke kerken. Bodar vond dat het abnormale tot het nieuwe normaal werd verklaard. En het normale tot het nieuwe abnormale.

De Waarheidsvriend publiceerde afgelopen week een column over sekse en genderidentiteit. Beter gezegd: het was een column die wilde vaststellen dat er geen conflict tussen beide kon bestaan. Mannen zijn mannen. Vrouwen zijn vrouwen. Klaar Mannen vallen op vrouwen. Dat is normaal En omgekeerd. Dat is normaal. De LGBTI- wereld moet niet doen alsof dat anders is.

Rome en de nadere reformatie beginnen elkaar te vinden, blijkbaar.  In de gedachte dat er een normativiteit bestaat, waaraan niet getornd kan worden. Een scheppingsorde. Vaste zuilen. De hetero past daar in. De rest valt er buiten.

Mij verbaast die stelligheid. Nog los van de schrille toon waarmee zij wordt verdedigd. Hoe kun je van een vaste ordening spreken, als alles in deze wereld beweegt, vloeit en verandert. Onze opvattingen allereerst. Honderd jaar geleden werd heus anders gedacht over de rol en de eigenheid van mannen tegenover die van vrouwen. Homoseksualiteit werd toentertijd net als iets wezenlijks (en niet als perversiteit) ontdekt. Van transgenders had nog niemand gehoord -ook al waren ze er wel. Er zijn verhalen van vrouwen die als man leefden, ook toen. Alleen zag men er nog “niets” in. Structuren die wij menen te zien zijn ten hoogste hulpconstructies om onze wereld te ordenen. Ze bestaan totdat ze door andere vermeend geziene structuren worden overgenomen. Er is geen vaststaand gebouw. Geen binnen en geen buiten.

De stelligheid van “dit is de norm” verbaast mij nog meer, daar de Bijbelse geschriften helemaal niet door deze gedachte worden gedragen. Er is geen hok waarin alle mensen moeten passen. Ik zie wel een eindeloos doorgaande poging tot ordenen. En weer ordenen. En nog een keer. Exodus, Leviticus, Deuteronomium – en bij de evangeliën gaat alles nòg een keer door de gedachtenmolen.

De dragende term van de Bijbelse geschriften is “genade”. Wat je hebt is niet vanzelfsprekend. Je hebt het gekregen. Je hebt het niet verdiend. Het is niet logisch. Het is een cadeau. Het had allemaal ook net zo gemakkelijk heel anders kunnen zijn. Nog gekker: je kreeg alles ondanks jezelf.

Ik begrijp niet helemaal hoe iets wat je kréég de norm kan zijn. Is er een normatieve lengte van mensen? Een normatieve vorm van handen of voeten? Een normatieve knie? Ooit dachten we dat er normatieve neuzen waren. Daar is grote ellende van gekomen.

Genade is de speelruimte, waarbinnen alle vormen en bewegingen mogelijk zijn. De een kreeg dit, de ander dat. Dat het ene meer voorkomt dan het andere, wil niet zeggen dat het ene normatiever is dan het andere. Het water is toch niet normatiever op aarde dan het land, alleen maar omdat er meer van is?

Je bent blij dat ze er allebei zijn.

Ja, het is eigenaardig dat sommige mannen van mannen houden. Het is héél eigenaardig dat sommige mensen de ervaring hebben in een verkeerd lichaam geboren te zijn. Het is eigenaardig dat kinderen met een intersekseconditie geboren worden.

Maar het is niet eigenaardiger dan een man die verliefd wordt op een vrouw. Een vrouw die verliefd wordt op een vrouw. “Ware liefde”, vroeg Szymborska zich al af: “Is dat normaal?”

Nee. Het is niet normaal. Het is een groot, groot, groot wonder.

Welke vorm ze ook heeft.

daar trekt over de bergen en door het grote bos…

 

“God staat op, de vijand stuift uiteen.”

Zo’n zinnetje leest na Pasen ineens heel anders. In de kerken vierden we die ongelofelijke weg van Jezus. Die het volhield om het ware te doen, scheppend te zijn en te zegenen. Die nooit een verkorte route koos, maar die het geduld vasthield. Of de woede. Maar dan de woede op het juiste moment, op de juiste plaats. Als een halt tegen het duister. En niet al bron van duister.

Ik kijk vaak naar Hem, en alle keren gebiologeerd. Hoe hij in het tempo van het langzame door het land trekt. Met zíjn oog op mensen.

Onze wereld is ongeduldig en kent andere belangen dan het bestaan van mensen. De wereld liep Jezus onder de voet en verpletterde Hem. Einde verhaal. Einde van de poging in een andere wereld te leven.

En dat laatste, dàt is dus niet waar. Pasen viert dat de ‘weg van Jezus’ niet stópte, maar doorbrak. In Hem eindigde niet, in Hem begòn. In de kerken vieren we, elke zondag, God stond op. De hoop zal niet breken. Het recht zal niet barsten. De mensen zullen leven.

“God staat op, de vijand vlucht” staat in Psalm 68. En wij opgepoetste Germanen hebben de omweg via Jezus nodig om het regeltje te kunnen lezen. Vanwege dat woordje ‘God”. In onze contreien, met hun slagregens en koude winters wordt God al gauw iets als “die de sterkste is” God als een stootwapen tegen wie jouw boterhammetje wil. Jouw waterbron. Jouw man, jouw vrouw. God tegen jouw, eh, vijand.

Zo is de psalm ook wel gelezen, helaas. God staat aan onze kant, en al die domme anderen zullen verdwijnen. De Paapsen, de Gereformeerden, de Turk. Het is een diep-heidense gedachte dat hij-die-jij-niet-bent weg moet. Het is een nog dieper heidense gedachte dat God daar wel even voor zal zorgen.

We lazen de psalm in ons kleine winteravondgroepje. In het duister komen wij al jaren geregeld bij elkaar om in de psalmboek licht te vinden. We lazen na de eerste regel door. En raakten bedwelmd door de feestmuziek die opstijgt. Want, zo schrijft de psalmist, achter God aan komt een hele stoet van mensen. Van alle kanten komen zij. Kijk! Daar is Benjamin! En zie! Daar komt Juda! Vrolijk begroeten huisgenoten elkaar. Maar zie nog eens! Daar komt Egypte, het machtige Egypte. Het vijandige Egypte. Met -ooit- zijn tiggelgroeves en zijn martelkelders. Het heft zijn handen. Het wil meedoen! En daar is Kus. Ook zo’n wat-moet-jij-hier-land. Kus draagt geschenken voor God.

Want God, zo zingt de psalm beschermt de wezen, hij geeft weduwen onderdak. Hij biedt eenzamen een knappend haardvuur en sloffen aan de voeten. Hij bevrijdt gevangenen.

“Die zinnen”, zei één van de lezers: “vind ik wel het hart van God. Dit is alles wat wij over Hem kunnen zeggen. Hij komt op voor wie hier buiten de boot vallen.”

Er trekt een feeststoet door de wereld. Kreupelen, armen, zotten en dwazen dansen over de wegen. God loopt voorop. “En de machtigen”, zo vertaalt Kees Waayman: “de machtigen fladderen weg. Ze fladderen weg.”