Blindgeboren

 

Plato lijkt er op, met zijn grot-mythe. Lijkt op hoofdstuk 9 uit het evangelie van Johannes. De filosoof vertelt dit: de mensen zitten gevangen in een grot. Ze zitten met hun rug naar de uitgang en achter hen brandt een vuur. Allen kijken naar een muur waarop schaduwen te zien zijn. Omdat ze niet beter weten, houden ze die schaduwen voor de echte wereld. Maar dan ontsnapt er één. Die sluipt de grot uit, ziet de kleuren van de bomen, zon en lucht en keert lyrisch terug. Hij wordt niet geloofd.

Dit is het verhaal van Johannes: een man is blindgeboren. Jezus opent hem de ogen. Je zou denken: feest voor iedereen. Maar zo gaat het dus niet: de man wordt gewantrouwd. Wie heeft hem de ogen open gemaakt? En wat heeft hij dan gezien? Is hij eigenlijk wel blind geweest? Is het geen truuk?

Johannes vertelt even geestig als vilein. De beelden buitelen bij hem over elkaar heen en niet alleen in dit hoofdstuk trouwens. Het gaat over blind zijn, maar ook over zien. Over licht en over donker. Over zien en toch blind zijn. Het gaat over Jezus zelf, uiteindelijk.

Die blindgeboren man, dat zijn wij allemaal. De evangeliën zijn als dromen: jij kunt elk personage in de vertelling zijn. Het zijn kanten van onszelf. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Blindgeboren wil zeggen: je ziet het niet. Niet zomaar.

Die ervaring herken ik wel. Dat het niet goed gaat met een vriend en je ziet het niet. Dat je door iemand gemanipuleerd wordt en je hebt het niet door. Het is me vaak gebeurd dat ik het verband tussen de dingen niet zag. En daardoor de plank finaal missloeg.

Een andere ervaring: ik zie de verbanden anders dan anderen. Een eenzame positie. Want wie de verbanden meent te zien, heeft ook ideeën over beleid, beslissingen of richtingen.  In het evangelie ontstaat een enorm debat over de vraag wie  gelijk heeft en hoe dat gelijk er dan uit ziet. Het raakt mij, dat het blijkbaar zwaar is om elkaar werkelijk te verstaan. Werkelijk te begrijpen waarom de ander ziet wat hij ziet. En te begrijpen waarom maatregelen worden genomen die worden genomen.

In het evangelie gaat het om nóg een diepere  laag. Zo schrijft Johannes. Hij benoemt het ene en hij bedoelt tegelijkertijd ook het andere. De diepere laag is deze: dat wij niet weten waarvoor wij leven. We zien het niet. En dat is niemands schuld. Zo is het nu eenmaal.

Wij bestaan. En doe het er maar mee. Ook die wankelheid van het leven ken ik. Al die knagende vragen: waarom ben ik er? Doe ik er wel toe? Als ik er niet was, zou dat niet net zo goed zijn? Nu ik er ben, wat doe ik dan met mijn leven?

Ik ken de twijfel aan het leven en aan mijzelf. En het verdriet om mislukkingen. Dat je als mens nooit verder lijkt te kunnen komen dan menselijk geknutsel. Vaak denk ik: ‘Een paar dagen gaat het goed, maar dan ga ik weer hard onderuit.” En veel verder dan dat kom ik niet. Omdat ik mijn geduld verlies, toch niet zo leuk was, niet het succes behaalde dat ik had verhoopt.

Die momenten van falen openen dat gat: ik ben er en ik weet niet waarom.

Jezus lijkt in het verhaal de man die de grot uit sloop en van kleuren weet die wij nog niet kennen. Hij raakt de blinde man aan. En de man kan zien.

Nee, ik kan niet zeggen dat ik heb gezien wat Jezus heeft gezien. Misschien ben ik pas halverwege. Ik begrijp wel dit: dat er een liefde is die al mijn twijfel omringt. Dat er een aanvaarding is die al mijn onzekerheid draagt. Dat ik mijzelf niet hoef vast te houden. Niet hoef te bewijzen. Ik hoef mijzelf mijn bestaansrecht niet te geven.

Mij ontroert altijd weer het slot van het hoofdstuk. De man is door iedereen weggestuurd. Hij is in het buitenste buitenbos terecht gekomen. En juist dáár komt Jezus hem tegemoet. Jezus die zelf óók weggejaagd zal worden. Eenzaamheid ontmoet eenzaamheid. En beiden worden getroost.

Kijk, en dáár weet Plato dan weer niet van. Bij hem is iedereen die in de schaduwwereld blijft hangen een stommeling.

Maar Johannes omarmt ons. Ook als wij stom zijn.

Bloedbruidegom

 

Wat is dit nou weer voor bijbelverhaal? Exodus 4. God heeft Mozes geroepen om naar Egypte te gaan en op te komen voor de Joden die daar als slaaf worden gehouden. Dit is al ingewikkeld genoeg. Wat is God? Wat is roeping? En hoe doe je dat: de machthebbers ter verantwoording roepen? Mij is het nog nooit gelukt. Ik zou niet weten hoe.

De bijbel rent al weer door. Geen tijd voor vragen. Het is nacht. Mozes is op weg. En dan staat er: En God zocht Mozes om hem te doden. Verder geen uitleg. Niets. God wil Mozes doden. “Van kant maken”, vertaalt Pieter van Oussoren. Een wilde, bloederige moordpoging.

Verder al weer: dan is daar Zippora, de vrouw van Mozes. Zij pakt een scherpe steen, besnijdt daarmee haar zoon, tikt met de voorhuid tegen de voeten van Mozes en zegt: “Jij bent nu mijn bloedbruidegom”. Omdat zij dat heeft gedaan en heeft gezegd, daarom laat God Mozes vervolgens met rust.

Er zijn leukere verhalen om te lezen.

Sprekender verhalen ook.

Een God die een mens wil doden? Een besnijdenis die dan het kwaad weer weet te weren? Het is allemaal nogal van een magische fantasie. Angstig en magisch.

En toch. In de kerk hebben we ooit afgesproken dat we de bijbel serieus zouden beluisteren. Al was het maar omdat generaties vóór ons hier wijsheid in hebben gehoord.

Dus. Een poging.

Het eerste wat mij opvalt is die tegenstelling tussen mannelijk en vrouwelijk. Tussen Mozes en Zippora. Vooral omdat de bijbel een mannenboek is, helaas. Je moet altijd op je qui-vive zijn of niet één of andere man zijn status, rechten of gedrag legitimeert met een of ander zinnetje. Dat lijkt hier niet het geval. In tegendeel.

Mozes wordt bedreigd. En de oplossing is dat er iets van de mannelijkheid moet worden weggesneden. De stootkracht van de man. De vanzelfsprekende vruchtbaarheid. Mozes wordt in zijn zoon verwond. En doordat Zippora de voorhuid van de zoon tegen de voeten van Mozes tikt, geldt de verwonding óók Mozes zelf.

Een verwond mens heeft iemand anders nodig. Je beseft je afhankelijkheid, wanneer je lichaam wordt aangetast. Die zinnetjes moeten te verstaan zijn in de huidige tijden van Covid-19.

Ik denk aan al die mannen “die het wel eens even zouden gaan oplossen”. Die zich bleven verweren tegen anderen. Die vonden dat ze recht hadden op hun mening, op hun bezit, op hun grond. Ik denk aan al die mannen die dachten dat ze het zonder de ander wel konden.

Ik denk aan de grote polarisatie. Wij tegen zij. En wij hebben alle rechten. En zij niet. Ik denk aan de sterke man die het voor het wij zal opnemen. En die ervoor zal zorgen dat zij zullen verdwijnen.

Wie zo optreedt, dreigt te sterven. Je verliest je menselijkheid. Je verliest het meest wezenlijke wat ons mens maakt: wij zijn fundamenteel met elkaar verbonden.

De besnijdenis brengt Mozes terug bij dat besef.

Mijn moeder zei ooit: “Je kan wel denken dat je rijk bent of zelfstandig. Dat je alles kan en niemand nodig hebt. Maar als je niet piesen ken, dan heb je een groot probleem. Dan moet de dokter komen.” Zij was, inderdaad, vrouw.

Het zijn beelden. De sterke man kan ook een vrouw zijn, de vrouw die besnijdt kan ook een man zijn. Het gaat om archetypes die de vraag stellen wie je zelf zult zijn.

De sterke mens die wel zonder kan, of de mens die weet van verwondheid en die de verbinding zoekt.

Wie de verbinding zoekt, zal leven.

Wat voor verhaal dit is? Een pleidooi om mens te zijn.

En zoals hij ze noemde, zo zouden ze heten.

 

“Abram en zijne wijf Sara”, vertaalden de zeventiende-eeuwers onbekommerd. Ik weet niet welke bijklank het woord “wijf” had, óf het een bijklank had. Ik weet wel dat later eeuwen “wijf” grof vonden. Beledigend. Vernederend ook.  In onze tijd zeg je het alleen nog om iemand neer te zetten. Sara is al lang Abrams vrouw.

Woorden zijn wonderbaarlijke sleutels. Zonder hen zouden we niet veel gedachten met elkaar kunnen delen. Ik zou voor jou niet kunnen omschrijven wat de wind in de bomen met mij doet, om maar wat te noemen. Woorden helpen daarnaast om de wereld te ordenen. Wat wel verstandig is voor mij en wat niet. Ze geven mij instrumentarium om te zeggen wie ik ben of wat ik wil.

Een kleindochter, ze was twee, ontplofte eens in woedeaanvallen, simpelweg omdat ze ons iets duidelijk wilde maken terwijl de woorden haar ontbraken.

Maar lastige sleutels zijn het óók.  Een woord is nog niet zomaar een leeg karretje dat de boodschap ongeschonden naar jou toebrengt. Veel woorden (misschien wel alle) zijn al boodschappen in zichzèlf.  Bedoeld, maar ook onbedoeld, delen woorden mensen en dingen in. Naar nuttigheid, belangrijkheid, waarde.

In het sterfhuis van Wagner waren panelen aangebracht met teksten over zijn leven, zijn werk, zijn liefdes en zijn haat. Er werd ook verteld hoe het later in de geschiedenis is gegaan met de verschillende visies op wie hij was geweest. De panelen spraken over de “Amerikaanse bevrijders”. En hoe die Bayreuth weer in de benen hadden gebracht. Een bezoeker had de woorden “Amerikaanse bevrijders” stelselmatig doorgestreept en vervangen door “Amerikaanse bezetters” En onderaan elk paneel had hij dit toegevoegd: “Het zijn altijd de overwinnaars die zichzelf bevrijders noemen. Daartoe hebben zij de macht”

Ik vond het schokkend, toen. Ik dacht dat dit commentaar wel van een neo-nazi moest zijn. Of wellicht van een oud-SSer. Je kan zoiets verwachten op de plek waar de notoire anti-semiet Wagner heeft gewoond. Maar nu, jaren later, denk ik: de commentator had gelijk.

Hoe jij heet wordt bepaald door iemand met net iets meer macht dan jij.

Wie is de loser, wie is de winnaar. Wie is respektabel en wie is te verachten. Wie mag in het spotlight staan en wie niet. Zonder dat we het precies zeggen, zeggen onze woorden het toch.

“Waarom roepen jullie de hele tijd “homo”?”, vraagt Nicolaas Veul in Pisnicht, de movie. De jongens aan wie hij het vraagt halen hun schouders op. “We bedoelen er niks mee!”, luidt hun verweer. Maar als Veul dóórvraagt, bedoelen ze er tóch iets mee: “Ja, homo’s zijn toch slapper hè. Ze hebben geen vechtersmentaliteit. Ze zijn toch losers.” Ze zijn minder dan wij, dus.

Ik heb wel eens geprobeerd terug te schelden met “mosselprikker”. Maar dat is nooit wat geworden. Ik was daartoe niet in de positie.

Ik denk, hoop, dat we in de laatste jaren steeds meer oog hebben gekregen voor het scheppende of vernietigende mechanisme tussen macht en woord. Want, scheppend, dat kan het óók worden: toen Carrie Jansen modeshows organiseerde waarbij de prostituees van de Keileweg mannequin waren en toen zij hen daarbij “Topwijven” noemde, toen werkte dát óók. De vrouwen rechtten hun rug en liepen trots over de catwalk.

Het is tijd in te zien dat woorden niet neutraal zijn, maar politiek. En dat het dus nodig is om het er over te hebben of we nog wel “moorkop” moeten zeggen, “homo” moeten roepen, of over “negers” moeten spreken. “We” is namelijk een wijdere kring dan alleen die van de mensen die op mij lijken. “We” zijn niet alleen de mensen die zichzelf enige macht toedichtten.

In het bijbelboek Genesis staat een fragment van de mens die alles bij name noemt “en zoals de mens riep, zo zou het heten”, staat er. Lange tijd heb ik gedacht, dat het een eenmalige actie was. We hebben onze taal en klaar. Nu begrijp ik: het is een opdracht om steeds weer opnieuw uit te voeren. Noem, noem de dingen en de mensen bij name. Noem ze net zo lang, totdat ze niet meer heten naar hoe ik naar hen kijk, maar noem alles totdat allen heten naar wie we zijn.

Schuld en verzoening

“Het meest vernederende wat een mens zichzelf of de ander kan aandoen is dit: verlies van schuldbesef”, zei hij. Met zijn wonderlijk milde en vriendelijke stem. Hier sprak een man die het leven had gewogen, dat hoorde je, die er waarschijnlijk ook zelf de klappen van had gehad en die daar wijsheid uit had weten te putten. Hij, dat was Bert Hoedemaker. En hij zat bij mij in de auto. We waren op weg naar een groep kerkleden die zijn boek “Ik bid dus ik ben” hadden gelezen en daarover met elkaar in gesprek waren geweest. Dit was de laatste avond en Bert zou er zelf bij zijn.

Filosofische essays over de Shoah hadden het gezegd, dat over verlies van het schuldbesef. Zij hadden willen doorgronden hoe mensen er toe hadden kunnen komen om andere mensen te vermoorden. Door het schuldbesef te elimineren, hadden de daders zichzelf ontmenselijkt. “Ik denk dat ons schuldbesef ons allen met elkaar verbindt.”, dacht Hoedemaker hardop na: “Het houdt ons oog ook open voor schade die we de ander kunnen berokkenen.”

“Wat is schuld?”, zou later die avond iemand vragen. We spraken opnieuw. We luisterden. De temperatuur in het zaaltje was ondertussen flink opgelopen. “Allereerst”, zei Hoedemaker: “dat je als mens onmogelijk op jezelf kunt bestaan. Je hebt de ander nodig. Wij kunnen alleen in relatie bestaan. Door wat de ander ons geeft, staan wij bij de ander voortdurend in het krijt.”

Ik dacht aan een broeder uit Taizé. Vijfentwintig jaar geleden alweer. Die had bij de uitleg van het Onze Vader lange tijd stilgestaan bij het “vergeef ons onze schulden”. “Er is onnoemlijk veel aan ons vooraf gegaan”, had hij gezegd. Onze ouders, hun inzet, de wereld die klaar lag, onze talenten, de liefde die we kregen.” We beginnen al met achterstand.

“Ik vond het een enórme bevrijding om dat te lezen wat u over schuld schrijft”, zei een jonge vrouw. “Als puber heb ik geprobeerd om alles zelf te begrijpen en op te lossen, maar dat krijg je gewoonweg niet voor elkaar! Je kunt jezelf onmogelijk vasthouden.”

“Als puber móet je dat ook doen hè”, reageerde Hoedemaker: “Je móet proberen op jezelf te bestaan, anders kun je jezelf niet worden.”

“Maar je komt er toch vroeger of later achter”, antwoordde de vrouw: “Dat je anderen nodig hebt.”

Dat is al een schuld. “En dan hebben we het nog niet eens”, zei Hoedemaker: “Over wat er vervolgens fout gaat in onze relaties. Ouders die hun kinderen opvoeden kunnen niet anders dan hun kinderen liefhebben èn beschadigen. Allebei tegelijk.”

Hij herkende zich niet in het post-moderne beeld van de mens die zichzelf ontplooit, die groeit, die het roer in handen neemt en een kunstwerk van zijn leven maakt. “Het is allemaal wel wáár, maar niet het héle verhaal.” Je kunt jezelf alleen ontplooien binnen de relatie met de ander.

Je kunt jezelf alléén ontplooien, als je jezelf gééft.

“Mensen vinden het praten over schuld vaak ouderwets”, had Hoedemaker in de auto gezegd. De groep dacht dat veel spanning tussen mensen juist hieruit voortkwam. Omdat wij niet meer praten over schuld, lijkt alles goed. Moeten we de schijn ophouden dat het goed gaat en goed is. “We hebben een cultuur die als een maniak probeert aan te tonen dat er niets aan de hand is.” En als vervolgens iemand die schijn dóórprikt…

“Op Instagram zitten ze allemaal vrolijk te lachen bij een buitengewoon geslaagd kerstmaal. In hun smetteloze, witte zelfgebreide kersttrui”, zou Brigitte Kaandorp zeggen. Háár lukt zoiets nou nooit.

Mij ook niet, trouwens.

Hoedemaker wilde van “schuld” weer een hoop-woord maken. Een woord dat de relatie van mensen aanduidt. Zodat ook de weg gewezen wordt: die van de verzoening.

Waar die uit bestaat? “Dat er over de breuk heen, de relatie toch weer opnieuw gestalte kan krijgen.”, antwoordde Hoedemaker.

Het enig mogelijke antwoord op ons menselijke gedoetje is barmhartigheid. Heb een beetje mededogen met het geklungel en het gerommel. Heb een beetje mededogen ook met jezelf.

Eén van de groepsleden vertelde een ingrijpend verhaal. Zijn vader had in het verzet gezeten. Hij was verraden geweest en opgepakt. Hem hing de doodstraf boven het hoofd, maar de bevrijding had de voltrekking daarvan tegen gehouden. Vervolgens had zijn verrader de doodstraf gekregen. Zijn vader was daar niet vóór geweest. Hij was de dader gaan opzoeken. Ze hadden gesproken. Zijn vader had bijbel gelezen. Ze hadden samen gebeden. Met rode ogen zei de zoon nú:  “Dat is zó’n groot voorbeeld van wat verzoening kan doen!”

We waren stil van zijn verhaal. Het moest bij ons indalen.

“Wat een goeie groep”, zei Bert Hoedemaker, eenmaal weer terug naar huis. Ik had het ook een mooi gesprek gevonden. Wat Hoedemaker eigenlijk als kosten rekende? Hij glimlachte. “Je hebt me heen- en weer gebracht. Die kosten zijn voor jou.”

Droeg ik zomaar zelf de schuld.

 

N.a.v. Ik bid dus ik ben

een boek van Bert Hoedemaker

En van wie is zij nu?

 

Je bepaalt niet zelf wie je bent. Niet helemaal, in elk geval. Er gaat ontzagwekkend veel aan jou vooraf: het gezin waar je in geboren werd, de tijd waar je in leeft, de vrienden die jou omgeven. En, niet in het minst, hoe anderen naar je kijken.

Buber, Martin Buber, zegt dit het scherpst: “Door de ogen van jou word ik ik.”

Doordat jij mij bevestigt. Mij erkent. Mij namen geeft. Maar óók doordat jij mij ontkent.

En daar zit nu precies óók de pijn. Want mensen ontkennen heel veel van elkaar. Ontnemen ruimte aan elkaar. Gunnen elkaar het licht niet.

Wij zijn leuk. Wij zijn niet leuk.

Gisteren vertelde een homoseksuele man waarom hij eerder in zijn leven getrouwd was geweest met een vrouw: “Je wilt jezelf niet blootstellen hè aan de spot van anderen.” De kring om hem heen zei nooit hardop: “Homo’s zijn niet gewenst.”, maar het onderhuidse taalgebruik, de woordgrappen, de praat over “wijven” en de harde grappen maakten het hem wel duidelijk. “Dan zoek je veiligheid.”

Oók gisteren brak er weer een nieuw deel in het pietendebat aan. Het gaat daarin niet om een potje schmink. Het gaat om de vraag: wat doet de witte meerderheid? Welk beeld schept zij van mensen van kleur? Welke ruimte krijgen zij? Er was een spannend gesprek op de avondradio. Over de intocht van Sinterklaas op Curacao. Of de roetveegpiet daar óók zijn intrede had gedaan? Nee. Er zijn geen schoorstenen op Curacao. Maar méér nog: er is geen witte meerderheid die bepaalt wat de plek van een zwarte minderheid zou moeten zijn. Daar wordt Sint juist wit geschminkt “en in dat spel komt men sterker uit het slavernijverleden.”, zei de geïnterviewde journalist. “Maar”, vervolgde hij: “Ook op Curacao klinken protesten. Niet iedereen gelooft in dat overwinnen van.”

Wie bepaalt wie de ander is? Wie heeft daarin de macht?

Vanmorgen klonk een bizarre geschiedenis in de kerk. Er komen mannen bij Jezus. Ze hebben een raar en pijnlijk verhaal. Over een man die kinderloos sterft. “En nu zegt de wet van Mozes, dat zijn broer met de weduwe moet trouwen.” Zo zullen er alsnog kinderen geboren worden. Alsof dat al niet krankzinnig genoeg is, herhalen de mannen de geschiedenis zeven keer. De man had zeven broers. En ze “hadden haar allemaal als vrouw.” Maar kinderen werden er niet geboren. “Als zij nu sterft”, vragen de mannen met – zo stel ik mij voor- triomfantelijke grijns: “Van wie is deze vrouw?”

De enige rol die de vrouw krijgt in het verhaal is: bezit zijn. Wat zij had gewild wordt niet gevraagd, niemand is er in geïnteresseerd wie zij is, wat haar verlangens waren, haar mogelijkheden, haar kracht. Zij is bezit en zij moet ervoor zorgen dat de naam van haar man wordt doorgegeven.

Zeggen de mannen.

Een huiveringwekkend verhaal. Ontluisterend hoe wij onszelf macht toedichten. En de ander onmacht.

“De vrouw”, zegt Jezus: “Zal van niemand zijn.” Zij zal leven in het licht van God en als de engelen zijn.” Vrij. Hij spreekt over een denkbeeldige tijd. “In de opstanding”. Maar die “in de opstanding” maakt duidelijk hoe het nu al zit. “Niemand heeft macht over een ander.”

Of wacht. Nee. Dat gaat te snel. Wij voeren voortdurend macht over elkaar. We houden elkaar van het lijf. We gebruiken elkaar en we zijn bang voor elkaar.

Maar dit besef wil geboren worden: je word zelf méér iemand, naarmate je de ander vrij laat.

Harmonie is niet voor handen

 

Ik zag een filmpje en werd boos. Het filmpje toonde een idealistische jonge vrouw. Zij wilde huisarts worden. Geen gewone, maar “waarschijnlijk de eerste medicatievrije arts in Nederland”. Zij ging geen pillen, poeders of zalfjes voorschrijven.

Dat zit zo: het lichaam, zei ze, heeft een eigen wijsheid. Daar moeten wij goed naar luisteren. Is er een deel van het organisme ziek, dan wil ons dat iets zeggen. Er is een oorzaak achter onze kwalen. Nemen we een pil, dan zullen we, vervolgde zij, de verschijnselen wel aanpakken, maar de oorzaak blijft. En dan wilde ze nog maar niet beginnen over de chemische samenstellingen van medicijnen, of over de macht van de farmaceutische industrie. Kende je die, dan begreep je helemaal dat je niks moet slikken.

Zo jong als de vrouw is, ze hangt een oer-oude mythe aan. Dat er een heelheid in alle dingen zit. Niets gebeurt in haar wereldbeeld zó maar. Alles spréékt. Heb je griep? Dan is dat niet alleen een virus, het is een verháál. Je zorgt niet goed voor jezelf. Je eet niet goed. Je bent aan je lichaam voorbij gelopen – dat soort dingen. Heb je de oorzaak en handel je daar naar – zo vertelt de mythe- dan zul je herstellen.

Met griep, met een gebroken been, met een hernia, met kanker.

Disclaimer: zelfs ik vind dat je voor jezelf moet zorgen. En dat er soms verbanden zijn tussen een aandoening en ons gedrag. Wie rookt moet niet verbaasd staan dat zijn tanden bruin worden.

Maar. Een heel dikke maar. Deze regel is slechts zéér fragmentarisch aanwezig. De rest is toeval, pech, narigheid. Het valt niet vol te houden: “Heb je kanker? Oh joh, dan moet je koffie laten staan.” De christelijke variant, dat je ziekte wordt veroorzaakt door iets tussen jou en God, gaat evenmin heel vaak op.

Mensen worden ziek.

En daar kunnen ze vaak niets aan doen. Ze hebben er geen schuld aan en gedragsverandering zal hen niet genezen.

Mijn man is chronisch ziek. De lijst van aandoeningen is te lang om dit blog mee te vullen. Ze zijn alle even ernstig. Hij heeft zich vaak afgevraagd wat de oorzaak daarvan is. Ligt er een ziekte ten grondslag aan alles wat hij heeft? Is er misschien een genetisch defekt? Er is nooit iets aangetoond.

Dat hij een redelijk leven heeft, is te danken aan artsen die hem opereerden en die hem medicatie voorschreven. Wanneer iemand dat in alle idealisme afdoet als “symptoombestrijding”, dan slaat het rood mij voor de ogen. Er is niets anders dan symptomen. Zonder medicijnen was hij al lang dood geweest.

Ziekte is geen verhaal. Ziekte is een ziekte.

Ik vrees dat de medicatievrije artsenij niet veel gezondheid zal brengen. Ik weet niet wat de vrouw zal zeggen als haar patiënten sterven. Er zijn idealisten die zeggen: “dan is de dood óók wat je op dat moment nodig had.” Maar dat is het einde van alle mededogen. Je kreeg immers wat je verdiende.

“Een goede graadmeter voor de gezondheid van spiritualiteit”, zei onlangs een collega: “is dit: hoeveel ruimte krijgen de stumper, de knoeier en de hakkelaar.”

En zo is het.

Natuur is (g)een luxe.

Het hele woord “natuur” is al misleidend. Alsof het iets is, wat buiten ons staat. Je stapt in de auto, je koopt een kaartje je gaat naar binnen en bent in “de natuur”.  Alsof het iets is, waar je in en uit kunt gaan.

Toen we het woord bedachten, suggereerden we dat het een luxe is, die je je kunt veroorloven, of waar je van af kunt zien.

Dus zeggen mensen: “Nederland is te klein voor natuur”. Of ze zeggen, bij monde van de LTO: “Liggen natuurgebieden wel op de goede plek, eigenlijk?” Dat laatste, omdat de rechter in het stikstofarrest heeft gezegd, dat we nu maar eens moeten ophouden met vernietigen en plunderen. Dat het nu tijd wordt om een stap op de plaats te zetten en liever nog: een stap terug. Stop nou maar met het verbreden van snelwegen, het aanleggen van bedrijventerreinen, het bouwen van woonwijken en megastallen.

De natuur staat niet buiten ons. Eén virus en je weet het weer: ik ben zelf natuur. Ik ben er een zoon van, een dochter van. Ik doe wel heel gecultiveerd en onkwetsbaar, maar één zuchtje wind en ik lig onder de zoden. Te voelen dat “de natuur” niet “iets” is, maar dat zij het is die mij baarde, die mij voedde, verzorgde, droeg en nu vernietigt voor nieuw leven.

Ik heb de laatste weken gewandeld. Meer dan anders. En ja, het was prachtig. Maar het was ook ontluisterend. De kroonjuwelen van ons land zag ik. Het Fochteloërveen, het Bargerveen, gebieden van vennen en heide. Die heide was er. Maar er was ook héél veel pijpestrootje, brandnetel, braam – tekenen dat er stikstof over de gebieden waait. Stikstof dat wij mensen verspreiden. En wat ik óók zag: droogte. Beangstigende droogte: zelfs grote vennen zijn drooggevallen.

Kijk je naar de cijfers dan hoor je niet anders dan: de populatie loopt terug. Zwaluwen: verdwijnen langzaam, insecten: verdwijnen in rap tempo, vogels van allerlei aard: verdwijnen, de hoeveelheid bloemen: neemt af. Die cijfers spreken een duidelijke taal: het vlot dat ons draagt, zinkt. De kraanvogels die in het Fochteloërveen zijn gekomen of die ene wolf doet aan dat feit niets, helemaal niets af.

De oermythe van de mens in de tuin (Genesis 2) helpt ons op dit moment niet. Die mythe zit ons mensen van het westelijk halfrond in de genen. Of we nu christen zijn of niet. We vinden van onszelf dat we een vanzelfsprekend recht hebben om hier rond te lopen. En om te doen wat we willen. Wij vinden dat we wegen mogen aanleggen (waarom niet?), varkensstallen mogen bouwen (waarom niet?). En op onze beste momenten, ’s avonds met een glas wijn, willen we ook nog wel zeggen dat we dit verantwoordelijk moeten doen, maar als het dan weer ochtend is vervliegen die woorden te vaak in de werkelijkheid.

Gisteren las ik, dat de giraffenstand decimeert. Dat het dier, dat voor mij tot het elegantste, mysterieuste, schoonste dier van de aarde mag worden uitgeroepen, richting uitsterven gaat.

Als de giraf sterft, sterven wij ook. Moreel allereerst. Waarom zouden wij nog moeten bestaan, als wij de oorzaak zijn van een aarde die met de dag leger, viezer en saaier wordt? Wat blijft er van onze status als “redelijk wezen” over, als we alles verpulveren onder onze voet?

Maar waar de giraf sterft, zullen wij uiteindelijk zelf sterven. De “natuur” is geen tuin. De natuur, dat zijn wij, dat is de adem die wij ademen, dat is het geluk dat ik geboren ben, dat is alles.

Niet de natuurgebieden, ook een misleidende naam, liggen op de verkeerde plek, maar de vervuilers. De rechter heeft gelijk: het ìs tijd om een stap terug te doen. Terug naar het  aangeklede dier dat wij zelf zijn.

De vraag, de plek, de vrijheid

 

(preek gehouden tijdens de Pride-dienst op 4 augustus 2019 in de Keizersgrachtkerk

schriftlezing: Johannes 4)

 

Ik wist heel goed hoe het bij mij zat

Dat wist ik al sinds Waldolala

Het voor zijn tijd opwindende televisieprogramma

Jaren zeventig, ik was elf. Twaalf misschien.

 

Dat er veel blote vrouwen te zien waren

Daar had iedereen het over

 

Maar ik

Ik vond het niet zo veel

 

Mijn moeder liep ook wel eens bloot, tenslotte

 

Nee, mannen!
die moesten ze maar eens laten zien

 

Dat leek mij nou opwindend.

 

Maar toen ik dat op het schoolplein zei

Tegen de jongens die daar met hoog omslaande stemmen

Tegen elkaar stonden te roepen bijna

 

Viel het gesprek stil

Er was maar één zinnetje nodig

 

eentje

 

Een met neus ophalen uitgesproken:
Gatver, je bent toch geen homo?

 

En ik voelde me beschaamd

Vies

Raar

 

Gemáákt

 

Ik begreep: dit zeg ik dus nooit meer.

 

**

 

Wie nu precies die vrouw is

Bij de put

 

Weten we niet

 

We horen haar náám niet eens

 

We horen alleen dit:

Ze heeft vijf mannen gehad

En de man die ze nu heeft is haar man niet

 

Zes mannen

Daar raken wij niet meer erg van overstuur

 

Maar voor haar

In haar leven

Is het blijkbaar een issue

 

Een verzwegen issue

 

Iets wat brandt in haar

 

En gesuggereerd wordt

Door Johannes, de schrijver

 

De mensen in de stad

Moeten haar daarom niet

 

Gatver

Jij toch niet

 

Elkaar schaamte aandoen

doodt

 

Je kijkt wel gauw uit

Om je te melden

 

En het gekke is:

Je voelt haarfijn aan

Wanneer je je mond moet houden

 

Je ziet de blikken

Je voelt het oordeel

 

Je wéét wanneer je de hand van je vriend moet loslaten

Wanneer je beter niet kunt zeggen dat je transvrouw bent

 

Beter jezelf beschadigen

Dan dat anderen het doen.

 

***

Ik weet niet , waarom Jezus vraagt

Haal je man eens

 

Ik weet wel

Dat hij met die vraag

Al het zwijgen doorbreekt

En aan de vrouw het leven terug geeft dat haar ontnomen was

 

Soms zijn er van die intuïties

Dat iemand, zonder misschien zelf te weten

Precies

 

Die ene vraag stelt

Die jou uit elke beklemming bevrijdt

 

Bij mij was het de lerares wiskunde

Zij zei op een hele gewone woensdagmorgen

Na de les

 

Als je dat wilt, kun je altijd bij mij komen om te praten

Dat weet je he

 

Dat wist ik

Maar ik durfde niet

 

Ik vond school onveilig

Ik was bang voor de gevolgen

 

Het is een wonder

Dat de vrouw

Rustig

Tegen

 

Jezus zegt

 

Ik heb geen man

 

En het is een wonder

Dat Jezus háár dan weer antwoordt

 

Ja, dat is zo.

 

Geen enkel oordeel

 

Alleen aanvaarding

 

Ja, dit ben jij.

 

***

Wat heb ik er naar verlangd

Dat iemand dat zou zeggen

Jij bent homo en dat is okej

Jij bent jij

 

En wat was ik er bang voor

Dat iemand mij de vrijheid terug zou geven

 

Wat was ik bang voor wie ik worden zou

 

Wat was het een gevecht

 

Verlangen

Willen

Niet willen

Bang zijn

Klem

**

 

Vanouds

Waren het de cafés

 

Met hun humor

Hun ruimte voor verdriet

Hun gekkigheid

En hun liefde

 

Waar dit alles tegen elkaar gezegd werd

 

Je wilt wel

Je durft niet

 

Je kunt wel

Al denk je van niet

 

Waar men de moed kreeg

En de ruimte

 

Om te zeggen

Maar ook om te proeven

En te doen

 

Wie men was

 

Café Het Mandje op de Zeedijk

Of vandaag Club Church

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder trots hervond

 

Afgenomen trots terug pakte

 

Begreep: er is niets om mij voor te schamen

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder de kracht terug kreeg

Om zich niet in een hoek te laten drukken

 

En zich nooit meer in een hoek te laten drukken

 

Nooit meer een stap terug

 

Wat is gezegd

Kan niet meer worden ontzegd

 

Dit zijn wij

Hier zijn wij

 

En jij zal mij niet meer krenken

Trots.

Je zou willen dat de kerk

Ook zo’n plek was

 

Hier ben ik.

 

Is de naam van God

Notabene

 

En dat de kerk

Bij monde van haar dienaren

Zou zeggen

 

Ja,

Hier ben jij.

Welkom in de mensenfamilie

 

Er zijn kerken

Waar dit zo is

 

Uiteindelijk vroeg een predikant aan mij:

Wat wil jij nu eigenlijk?

 

En ik riep uit

 

Ik wil dat er van mij gehouden word

En ik wil van iemand houden

 

Ik wil van een man houden

Ik wil mijn verlangens volgen

 

En de predikant antwoordde

 

Ja, dat is wat je wilt

 

Die dag draaide

Mijn leven om

 

Ik ging naar buiten

 

En ik zou

Vanaf die dag zeggen

 

Als er naar werd gevraagd

Zeggen

 

Ja, ik ben homo

Heb je er iets op tegen?

 

Jouw probleem.

 

Het zou nooit meer worden: mijn probleem

Het is niet mijn probleem

De liefde is de grootste gave in ons leven

Het mooiste

Het ontroerendste

 

***

De vrouw rent terug naar de stad

 

Ik voel met haar mee

Wat een feest van vrijheid

Zij in zich voelt

 

Ze stormt de stad binnen

En zegt

 

Ik heb iemand ontmoet

En die heeft

Gezegd

 

wie ik ben

 

Zou Hij niet de messias zijn?

De heelmaker?

 

De genezer?

 

En de mensen luisterden naar haar

Ze luisterden

Naar

Haar.

.

 

*

 

Eindelijk was zij geworden

Wie zij is

 

En geen mens neemt haar dat meer af.

 

Niemand

Ooit.

 

Ik wens de kerk toe

Genoeg kan lachen

 

Ik wens de kerk toe

Dat zij genoeg van tranen weet

 

En genoeg van liefde

 

Om te begrijpen

Te aanvaarden

Te omarmen:

 

This is me

Yes this is you

 

This is my life

Yes this is your life

 

**

 

Als de kerk die plek niet kan zijn

Of niet wil zijn

 

Dan gaan wij maar beter naar de kroeg

Daar worden tenminste

 

De echt slechte grappen verteld

 

amen

 

 

Dorpsdominee verlaat Sauwerd

 

SAUWERD – (dit artikel verscheen op 6 juni in de Ommelander Courant) Hij wilde dolgraag in een dorp aan de slag gaan en dat is predikant Sybrand van Dijk uiteindelijk zeer goed bevallen. Tien jaar geleden kwam hij vanuit Zuid-Holland naar Sauwerd, waar hij uitgroeide tot een geliefde dorpsdominee. ,,Ik vroeg de kerk om de ruimte om dominee voor het hele dorp te kunnen zijn”, zegt de uit Utrecht afkomstige voorganger en nu, tien jaar later, kan vastgesteld worden dat hij daarin is geslaagd. Maar er komt deze maand een einde aan zijn verblijf in Sauwerd. Hij en zijn echtgenoot Henk van Donk nemen zondag 23 juni afscheid van de protestantse gemeente Adorp, Sauwerd en Wetsinge. De laatste dienst met Van Dijk als voorganger begint om 09.30 uur.

Sybrand van Dijk is een bijzondere predikant. Vaste prik is dat hij in Sauwerd Sinterklaas ontvangt en ook is hij bestuurslid van de Oranjevereniging. ,,Dat is voor een dominee inderdaad niet gebruikelijk”, geeft Van Dijk lachend toe. Daardoor staat de dominee echter wel middenin in het dorpsleven en dat is precies wat hij wilde bereiken.  Zo komt hij namelijk ook in contact met mensen die niet naar de kerk gaan. ,,Bij God is voor iedereen ruimte, niet alleen voor mensen die trouw naar de kerk gaan. Het is geen kwestie van zegeltjes sparen”, aldus de dominee.

Van Dijk groeide op in een protes­tants gezin, maar zou zich later in zijn leven afvragen of hij daar wel op zijn plek was. Dat verhaal begint bij Hebe Kohlbrugge, die in 2016 op 102-jarige leeftijd overleed en in de Tweede Wereldoorlog actief was als verzetsstrijdster. ,,Na de oorlog zette zij zich in om bij te dragen aan het verminderen van de haatgevoelens tussen Nederland en Duitsland en bruggen te slaan tussen beide landen. Uiteindelijk richtte ze zich vooral op Oost-Europa, op landen die communistisch geworden waren. Vanaf de jaren zestig zorgde ze ervoor dat Nederlandse theologiestudenten in Oost-Europa konden gaan studeren. Die studenten waren volgens haar levende boeken, die niet gecensureerd kunnen worden. Wat ze hebben gezien, hebben ze immers gezien”, vertelt Van Dijk. Eind jaren tachtig ging hij zelf als ‘bruggenbouwer’ die kant op, naar Polen om precies te zijn. ,,Dat was in 1989, pal voor de omwenteling. Ik heb Polen van de ene op de andere dag zien veranderen, al heerste er in de nacht van de val van de muur ook veel angst. Men was bang voor een Russische inval.” In Polen raakte hij ook onder de indruk van paus Johannes Paulus II. Van Dijk maakte de Poolse kerkleider mee tijdens bezoekers aan diens vaderland. ,,Een van zijn thema’s was ‘Vrijheid begint waar mensen hun verantwoordelijkheid nemen’ en dat sprak mij heel erg aan”, aldus de Sauwerder. Mede door het optreden van de paus kreeg hij steeds warmere gevoelens voor de katholieke kerk. ,,Wat bij de katholieken heel sterk geldt, is dat de kerk en het geloven als een gemeenschap worden gezien. Bij de protestanten is dat veel minder uitgewerkt en sta je als individu voor God”, legt Van Dijk uit. Een ander groot verschil is in de katholieke kerk een grote rol is weggelegd voor symboliek. ,,Protestanten willen alles onder woorden brengen, maar soms is bijvoorbeeld het aansteken van een kaars voldoende. Niet alles hoeft plat gepraat te worden”, vindt Van Dijk, die op een bepaald punt in zijn leven overwoog om  priester te worden. ,,Ik kreeg een gesprek met kardinaal Simonis, die toen aartsbisschop van Utrecht was. Dat gesprek mislukte volledig”,  kijkt Van Dijk terug.  De overstap naar de katholieke kerk was meteen van de baan. Hij bleef protestants. ,,Je ontdekt jezelf in anderen”, zegt de predikant over dat proces. Toch stond op dat moment nog helemaal niet vast dat Van Dijk dominee zou worden. Dat inzicht kwam pas in Taizé. Na 2,5 jaar in Polen te hebben verbleven, bracht hij ook 2,5 jaar in deze Franse gemeenschap door. Als kloosterling bad hij veel en hielp hij mee om de bijeenkomsten voor de soms wel 9000 jongeren te organiseren. Na 2,5 jaar dacht Van Dijk zijn roeping te hebben gevonden: hij werd broeder in het klooster van Taizé. ,,De broeder die mij begeleidde, vond dat geen goed idee. Toen ben ik, best ontdaan, teruggegaan naar Nederland”, vertelt Van Dijk. Een jaar later keerde hij terug om het uit te praten. Op de vraag wat Van Dijk met zijn leven ging doen, antwoordde hij dat hij sowieso geen dominee zou worden. ,,Maar eenmaal buiten overkwam me iets heel bijzonders. Ik voelde me heel raar en plots wist ik zeker dat ik wél dominee wilde worden. Ik ervoer ineens de vrijheid om mijn eigen keuze te maken en belde meteen mijn familie op om het te vertellen. Die wisten het al lang. Ik had immers theologie gestudeerd, dus verrast waren ze bepaald niet”, lacht Van Dijk. Hij kon meteen als predikant aan de slag. op verschillende plaatsen in Zuid-Holland.

Op 11 oktober 2009 werd hij predikant in Sauwerd. ,,Ik wilde heel graag in een dorp werkzaam zijn en de advertentie van de PKN-gemeente in Sauwerd sprak me heel erg aan. Het was een evenwichtige advertentie, terwijl ik soms advertenties tegenkwam waar de wanhoop vanaf droop. Dan lees je gewoon dat de gemeente op het punt staat te verdrinken en ze een reddingsboei nodig hebbeen”, vertelt Van Dijk.

Het goede gevoel dat hij bij Sauwerd had, bleek terecht. Nu, tien jaar later, prijst hij de kerkgemeente als een warm bad, waar iedereen zich welkom mag voelen. ,,Het is een open kring en mensen staan meteen klaar om te helpen. Dat geldt ook voor het dorp Sauwerd als geheel.” Sauwerd is een dorp van aanpakkers, de geschiedenis rond de buurtsupermarkt is daarvan het bekendste voorbeeld. Van Dijk illustreert zijn verhaal met een andere gebeurtenis. ,,Vier jaar geleden overleed een alleenstaande man. Hij had geen geld en geen familie. ‘We gaan hem toch niet zomaar onder de grond stoppen?’, vroeg zijn buurvrouw zich af. Toen is er van alles losgekomen. Er werd een kist geregeld, de bloemist zorgde voor de bloemen en ik wilde de dienst wel doen. Omdat hij lid was van SIOS, heeft de kist op de middenstip van het voetbalveld gestaan met spelers van SIOS er omheen. Het hele dorp liep uit. Dorpshuis Ubbegaheem zat afgeladen vol. Dat is zo Sauwerd.” Het dorp Sauwerd laat zien wat de kracht van een gemeenschap kan zijn. ,,In onze tijd worden mensen steeds individualistischer, terwijl een gemeenschap sterker is dan losse individuen bij elkaar. Natuurlijk is ook het dorp Sauwerd veranderd, maar hier is het wel zo dat als iemand hulp nodig heeft er altijd iemand voor hem of haar klaar staat. Dat heb ik zelf ook gemerkt. Mijn partner is heel ziek geweest. Hij heeft een konijnenfokkerij en er kwam meteen iemand bij ons achter huis. ‘Ik had het zo bedacht dat ik de hokken schoon maak’, zei hij meteen. Hij was heel praktisch en ook dat is echt Sauwerd.”

 

door Hielko Merkus

 

 

De machten.

 

Douwe Egberts zou twee procent Max-Havelaar-Koffie in hun pakken doen. Twee procent. Niet dat je denkt: hier val ik van achterover. En toch zou het een groot verschil gaan maken. Het waren de jaren negentig en Solidaridad was optimistisch over de groei van eerlijke koffie, eerlijke bananen, eerlijke ananassen en een eerlijk inkomen voor de boeren die de producten teelden. “Dan zouden hun kinderen eindelijk naar school kunnen!”, was het bericht. En zeg nou zelf: wie wil dat niet? Een goede toekomst voor iedereen. Voor slechts een paar dubbeltjes méér.

Het is er nooit van gekomen. In een groot afscheidsinterview, gisteren in Trouw, doet de bedenker van de Max-Havelaar-koffie, Nico Roozen, uit de doeken hoe dat zo kwam. Het had niet met de smaak te maken, de slag die de fabrikant tóen nog om de arm hield. Het was iets heel anders: “Douwe Egberts heeft het imago van gezelligheid.” En een keurmerk op je pak koffie, dat is niet gezellig.

Ook de consumenten deden niet wat Solidaridad twintig jaar geleden had verwacht. Als de mensen kennis hebben van de oorsprong van hun levensmiddelen dan zouden ze wel kiezen, was de gedachte. Die gedachte kwam niet uit. “De consument is veel minder autonoom in zijn keuze dan wij dachten”, zegt Roozen nu: “Het zijn de supermarkten en de grote merken die bepalen wat we eten.”

En zo bleef Fairtrade koffie een nicheproduct. Sympathiek. Goed bedoeld. Lief. Vol hoop. Maar klein.

Afgelopen dinsdag lazen we psalm 82. Het was de laatste keer dat we bij elkaar kwamen. Acht mensen die acht jaar trouw zich over de oude woorden bogen. Meer dan 160 uur!

“God staat in de raad van de goden”, lazen we. Buiten ging de zon oranjerood onder. We haperden al. Bij die eerste zin. Wie zijn die goden?, vroeg iemand. Wat een gek beeld! Er is toch maar één God? Hoe zit dat dan?

We sloegen andere vertalingen op. “Goden”, legde één vertaling uit: “Dat is de eretitel van de machthebbers.”

Er klaarde iets op. Zij die het voor het zeggen hebben worden ter verantwoording geroepen: wat doen jullie voor de wees, de weduwe, de vreemdeling, de arme? Voor wie zorgen jullie eigenlijk? Voor hen? Of voor jezelf?

Het gesprek werd politiek. Over Rutte die gezegd had, dat werkelozen er wat harder aan moesten trekken om weer aan het werk te komen en dat het van de gekke was dat zij vakantiegeld kregen. Zelf vliegt hij deze zomer naar, waar zal het heen zijn?, Bali. Thailand. Of naar de piramiden van Zuid-Amerika. Dan is het gemakkelijk om te zeggen: wie pech heeft, heeft die pech aan zichzelf te wijten.

Ik weet niet meer precies hoe het gesprek kantelde, maar op zeker moment spraken we over de landbouw. Over de bezetting door Meat the Victims. De woede van de boeren. De zorg voor dieren. De zorg die wij hebben voor de toekomst: kunnen we wel op deze weg van intensivering voortgaan?

Al pratend begrepen we: het zijn mensen die keuzes maken. Maar er nog méér aan de hand. De keuzes zijn niet vrij. De boeren zitten klem tussen hun hypotheek, de eisen van de consument, de lage prijs, het beleid van de regering, de stem van LTO en dan óók nog hun eigen verwachtingen. “Toen de eerste boer een trekker kocht, nou toen wilden we allemáál wel”, vertelde een van ons. Hij had het zelf meegemaakt.

Goden, zegt psalm 82. We gebruiken het woord niet zo veel meer. Daardoor klinkt het ons onwennig in de oren. Goden? Dat zijn dan toch Allah? Krishna? God? Dat “goden” ook alle belangen kunnen zijn waardoor we niet doen wat we moeten doen. Dat “goden” ons imago kunnen zijn. Onze begeerte. Onze economie. Onze aandeelhouders. Onze privileges. Dat lijkt zó ver weg.

“Toch moeten we het blijven zeggen”, reageerde de groep: “dat we niet vrij zijn. Niet zo vrij als we wel denken.”  Want als je dát weet, kun je uit de rij stappen.

“Wie wil er nog een kopje koffie?”, vroeg ik. De groep keek mij weifelend aan. “Het is fairtrade en biologisch!”, voegde ik er opgewekt aan toe.
Toen wou iederéén wel.