Bathseba, of wie krijgt de macht?

Het is een man die het verhaal optekent. Dat wordt pijnlijk duidelijk. Wie kan anders vertellen hoe een koning zijn buurvrouw verkracht zonder de buurvrouw een stem te verlenen. Toch is dat precies hoe de geschiedenis van Bathseba en David wordt verteld. De koning in de hoofdrol. De vrouw lijkt enkel “nodig” om het verhaal te vertellen. Ze spreekt bijna niet. Exum noemt het niet ten onrechte : een verkrachting met de pen”

Eeuwen lang zijn de verhalen zo door mannen verteld. De verhalen van overmacht en dwang. Van seksueel geweld. Zo verteld, dat het bijna onvermijdelijk lijkt. Mannen zijn nu eenmaal bruten. Vrouwen veel te beminnelijke wezens. De schrijver zegt dat er nog even in het bijzonder bij: Bathseba was mooi, heel mooi. De koning zag haar. En als een man een mooie vrouw ziet..

Het is een manier van vertellen die vrouwen klein maakt. Die afdwingen dat zij zich moet verbergen, zich moet kleden, zich onzichtbaar moet houden, zich beschaafd moet gedragen. Ik betrapte er mij zelf op: in een artikel werd geschreven over de male gaze in films. Die valt mij, als homo, al jaren op. Dat camera’s zo lustig naar vrouwen kijken, maar zo nooit naar mannen. Zag jij wel eens een mooie mannenkont in beeld, terwijl dat verder niets met het verhaal te maken had? Vrouwenbillen hebben die rol meer dan eens. Goed, nu ik zelf: toen stond er iets over de blik van vrouwen. Dat zij wel eens glurend zouden mogen worden geportretteerd. En ik voelde weerstand. Vrouwen zijn toch te aanbiddelijk om te gluren? Er zit iets giftigs in dat beeld van brute mannen en liefelijke vrouwen.

De laatste jaren worden de verhalen door vrouwen verteld. Over hoe ze machteloos werden gemaakt. Hoe hun mening niet werd gevraagd. Hoe zij tot hun lichaam werden terug gesneden. Hoe zij werden misbruikt.

Het is een systeem die dit in stand houdt. Een systeem van verwachtingen (wat is een man? Wat is een vrouw?), een systeem van macht (wie mag wat met wie doen?) en een systeem van vrijbrieven. Wie staat vrij om wat te doen.

Nathan komt in het vizier. De profeet die het David aanzegt hoe hij heeft gezondigd. Dat is alvast wat. Maar het is niet genoeg. Want ook in de aanklacht van de profeet gaat het wéér om de dader. En gaat het wéér niet om Bathseba.

Gaat het vooral niet om een andere wereld.

Wie vertelt Bathseba’s klacht zo, dat de systemen omvallen? Wie treedt zó naar voren dat de mannenmacht gedeelde macht wordt?

Bathseba dringt er op aan dat Salomo, haar zoon, koning zal worden. Heeft zij gehoopt dat hij haar stem verder zou dragen? Hij zich haar klacht zou blijven herinneren? Zij is één van de stammoeders van Jezus. Hij, Jezus, zal het zijn die de klacht uiteindelijk uitschreeuwt. Als hij zelf wordt verkracht en verscheurd. Hij staat, als de Gekruisigde, ons steeds voor ogen. Welk systeem dienen wij?

Ja, weer een man. Inderdaad. Het enige wat ik daar op kan zeggen is, deze man droeg zijn man-zijn op een andere wijze. Hij wilde niet overweldigen, hij wilde dienen.

Misschien moet de bijbel toch een keer door vrouwen herschreven worden.

Struikgewas.

“Waar komen die beren vandaan?”, vroeg een van ons. Wij lazen uit 2 Koningen 2. Over de berinnen die uit het struikgewas tevoorschijn komen en maar liefst 42 kinderen verscheuren. Die kinderen heetten eerder in het verhaal “knechten” en ze hadden tegen Eliza gescholden: “Kaalkop, vlieg op!”
De traditionele uitleg zegt: hadden die kinderen de profeet maar niet moeten uitschelden. Maar dat leek ons zó in tegenspraak met alles waar juist een profeet voor staat: zorg voor de outcast, begrip voor wie je eerst niet begrijpt, geduld met wie je bijna geen geduld kunt hebben. We konden niet geloven dat dit het dan was: beledig de profeet niet, want anders word je verscheurd.


“Is het niet ons eigen onderbewuste?”, vervolgde de vragensteller. Hij bedoelde: er is een impulsief soort gevoel voor rechtvaardigheid in ieder van ons. “Mens, hou toch je mond”, “Ze zouden ze moeten doodschieten!”, “Hoe durven zij hun mond open te doen, zeg!” Van dat kort-voor-de-kar recht, dat ogenschijnlijk helderheid verschaft, maar uiteindelijk meer kwaad doet dan goed.


“Slachtoffer van het impulsieve recht zijn altijd de kleinen, de uitzonderingen, de buitenstaanders”, zeiden we tegen elkaar. De kinderen, dus. Het kan nog vrij onschuldig zijn, wanneer bij de borrel wordt geroepen dat die-of-die zijn mond moet houden. Het wordt gevaarlijker wanneer een gesundenes Volksempfinden (gebruikt iemand die term nog?) zich keert tegen bepaalde groepen. En die groepen zijn altijd dezelfde: mensen met een migratieachtergrond, seksuele minderheden, uitkeringsgerechtigden. Zij staan keer op keer in de verdachtenbank.


“Het heeft met angst te maken”, denk ik vaak. Angst, dat “wij” het niet gaan redden en dat “zij” het van ons zullen overnemen. “Wij” verdenken “hen” ervan dat ze “ons” weg willen hebben. Vlieg op. Daarom die machtsfantasie over verscheurende berinnen.


Maar wie zijn “wij” eigenlijk? En wie zijn “zij”?


Ik maak mij er zorgen over dat steeds meer partijen in de Tweede Kamer de berinnen-weg kiezen. Er zijn partijen die mensen indelen in “van het volk” en “niet van het volk”. In steeds fellere bewoordingen klinkt wie mee mogen doen en wie niet. Alsof mensen geen mensen zijn, maar enkel groepen. Arnon Grünberg zei daar behartenswaardige dingen over, twee jaar geleden op vier mei. Dat vervreemding daar begint: bij het niet meer willen zien dat de ander een mens is zoals jij. Aander luu bin ook luu, zeggen ze in Groningen.


Het is niet zo zeker, dat de bijbelschrijver die berinnen met gejuich ontvangt. Ik denk eerder dat er geschreven staat waar ongeduld toe leidt. Slachtoffers bij de kleinen. En dat er een andere weg wordt gevraagd. “Vraag nog een keer wat de ander bedoelt.”


In het vervolg staat er dat Eliza zich bekeert (shoeb in het Hebreeuws). Hij keert zijn weg om. Dat wensen wij hem toe, maar ook onszelf.

metafysica. Waar we van dromen.

Het was een grapje. Dat weet ik wel. Een cartoon van Peter Geenen. Over dingen waar je wat van wilt leren. metafysica dit keer: de zogenaamde leer over de dingen achter de dingen. De pastoor wist vroeger hoe dat zat. Hij vertelde wel wat onzichtbaar achter de dingen schuil ging. “Daar doen we niet meer aan”, zegt Geenen met zo veel woorden. Want we denken tegenwoordig gewoon zelf na. Alleen sjacheraars spelden je nog wat op de mouw.

“Was dat maar waar”, dacht ik. Dat we niet meer geloven, maar nadenken. Goed. Onze westerse cultuur gelooft niet meer dat er een hemel bestaat. Of dat die gevuld is met alle soorten engelen en de Here God. En dat de paus de zichtbare vertegenwoordiger daarvan zou zijn, dat geloven zelfs katholieken niet meer. Vermoed ik. Als we nu nog eens een pastoor ontmoeten, vinden we hem misschien een aardige vent of niet, maar we ontwaren geen heiligen achter hem of om hem heen. Allemaal waar.

maar dat betekent nog helemáál niet dat wij ons niet meer door onzichtbare werkelijkheden laten drijven! In onze hemel dan wel geen engelen of heiligen, maar wel dit: succes, geld, jeugd, strakke lijven, grote auto’s, kracht, dominantie, libido, sex-appeal. Zoals Dirk de Wachter zegt: “Onze droomwereld is een racende speedboat met strakgetrainde jongemannen die flessen champagne leegspuiten over kirrende vrouwen.”

Die wereld bestaat niet, net als de hemel. En toch is het deze werkelijkheid die dagelijks in duizendvoud over ons wordt uitgestrooid. Het is deze Fontana morgana die de neo-liberale politiek drijft. Ruim baan voor het geslaagde volk.

En jazeker is er een hiërarchie van hen die deze wereld in meer of mindere mate weerspiegelen. De multimiljardairs op eenzame hoogte. De Bransons, de Elons musk. De bankdirecteuren in hun glazen kantoren op honderd meter hoogte. De popsterren. De voetballers met sterallures en even torenhoge inkomens. De influencers met hun opgespoten lippen en eindeloze zonvakanties in Qatar. Onbereikbaar. Allemaal.

Want wij zijn aardse sukkels. Een te dikke kont. Een baan waar je nooit rijk van wordt. Kinderen die zelden instagrammable zijn. En ik schop altijd precies náást de bal.

maar ondertussen hangt de belofte boven ons: als we nou eens dat hemdje aandeden, en zó in de camera zouden kijken op dát strand, dán …. Dan zou het succes, het geld, de jeugd, het strakke lijf voor mij zijn. Als.

Het kerkelijk verhaal heeft geprobeerd de hemel te stofferen met zachtheid en menselijkheid. In de kerkelijke hemel zit de bedelaar Lazarus die op aarde zó kapot was dat de honden zijn wonden kwamen likken. In de kerkelijke hemel zit iemand als Perpetua die de moed had trouw te blijven óók toen ze dreigde te worden vermoord. Naast haar zit Elisabeth van Türingen die brood uitdeelde, zelfs toen haar man daar zó kwaad van werd dat hij haar gevangen wilde laten nemen. Er zit een Hildegard van Bingen die met alle geleerden van haar tijd correspondeerde en muziek componeerde. Daar is Fransiscus die voor de vogels preekte en die de ezel zijn broeder noemde en de zon zijn zuster. En die niet bang was voor de dood. Er is een Rochus die de hemel niet binnen wilde vóórdat zijn hondje mee mocht. De kerkelijke hemel doet ons dromen van een aarde vol zachtheid, ontferming, rechtvaardigheid en vol verontwaardiging over alles wat de tederheid tegenwerkt.

Dat het de kerken niet gelukt is om de wereld met hun hemel om te vormen, maar dat we nu tóch weer zitten met die dromen van klatergoud.. Nog één keer Dirk de Wachter: “De speedboat kent vele drenkelingen. mensen die buitenboord zijn gevallen en die dreigen te verdrinken. Wie lapt die op?”

Daar kan ik nou niet om lachen.

Waar de waarheid is.

Elk jaar met Pasen verbaas ik mij er weer over: Petrus en een andere leerling houden een wedstrijdje naar het graf van Jezus. Klaar voor de start en daar gaan ze. De evangelist Johannes, want daar wordt het beschreven, houdt precies bij wie voorop gaat, wie het eerste bij het graf aankomt, wie naar binnen kijkt en wie uiteindelijk ook echt naar binnen gaat. En hij noteert wie er ten slotte daadwerkelijk gelóóft: de andere leerling, namelijk.

Evangelisten zijn nooit zo scheutig met détails. En ik heb helemaal niets met hardlopen. Dus lees ik er op Paasmorgen maar een beetje omheen.

In het evangelie van Johannes komt nóg een fittie tussen beide mannen voor. Een hoofdstuk later. Daar zegt de Verrezen Christus tegen Petrus dat de laatste een marteldood zal sterven. Petrus hoort het, draait zich om – zoals Maria van Magdala zich in de graftuin had omgedraaid?- en ziet de andere leerling. Daarop zegt hij: “En hij daar? Wat gebeurt er met hem?” Hoewel er opnieuw een enorme stroom details op gang komt: dat dit de leerling is van wie Jezus veel heeft gehouden, dat deze leerling aan de borst van Jezus heeft gelegen, dat hij bij het laatste avondmaal de vraag heeft gesteld “Wie zal u verraden?”, ontbreekt één saillant détail toch nog: de naam. De geliefde leerling van Jezus ontvangt geen naam.

Er is iets gaande tussen de beide leerlingen. En dat “iets” heeft te maken met geloof en met waarheid. Zo wordt beide keren gezegd. Het is de andere leerling die gelooft en (hoofdstuk 21) het is de andere leerling die een waar getuigenis aflegt. En beide keren wordt duidelijk: Petrus niet.

Dat is een pikante notitie: Petrus niet. Al vrij snel in de kerkelijke gemeenschap ontvangt Petrus de rol van eerste onder de leerlingen. De groei van zijn status ging niet zo vanzelfsprekend en vloeiend, dat je zomaar zou kunnen zeggen dat hij de “eerste paus” was. Maar je kunt wel vaststellen dat hij de eerste geloofsgemeenschappen rondom Jezus begint te vertegenwoordigen. De evangeliën geven hem de woorden in de mond: “Gij zijt de Christus, zoon van de levende God”. Ze laten hem zeggen: “Gij hebt woorden van leven, tot wie zouden wij anders gaan?” Petrus springt in de verhalen als eerste uit de boot om Christus over het water tegemoet te gaan. Allemaal woorden en daden die via hem aan de geloofsgeméénschap worden toegekend. Zij zegt: “Gij zijt de zoon van de levende God.”

Maar – daar komt Johannes. Hij schrijft als laatste, rond het jaar 90. Dan is het denken over Jezus en het denken over de geloofsgemeenschap inmiddels in volle gang. En ook hij wil iets van Petrus. Hij wil een correctie: Petrus zegt die dingen niet uit zichzelf. Als hij uit zichzelf spreekt, dan verloochent hij Jezus met een even groot gemak. Johannes werkt dit verraad van Petrus, het meest uit. Hij verhaalt nadrukkelijk dat Petrus opnieuw in zijn leerling-zijn wordt hersteld. Zijn positie is een aan hem verléénde positie.

En hij moet zelf putten uit andere bronnen. Hij geloofde bij het graf nog niet. Hij legt het getuigenis dat waar is níet af.

Deze dingen zijn dus over de (kerkelijke) geloofsgemeenschap gezegd. Zij gelooft niet uit zichzelf en zij legt niet zomaar een waar getuigenis af.

Ik vind Johannes’ opmerkingen van een grote importantie. En ik vrees dat wij ze, als kerk, nooit voldoende hebben aangetrokken. De kerk (-en) hebben te vaak gedaan alsof zij de waarheid bezitten. Alsof alles wat zij zegt waar is. Alsof zij ook kan zeggen wat níet waar is.

De schade daarvan ligt in scherpe brokstukken om ons heen. Hoe de kerk spreekt en gesproken heeft over man-vrouw verhoudingen. Hoe de kerk spreekt en gesproken heeft over allerlei ethische onderwerpen: euthanasie, abortus, huwelijksmoraal. Hoe de kerk spreekt en gesproken heeft over seksuele minderheden, over slavernij. Waarover níet eigenlijk?

Een triomferende kerk die weet hoe het zit verloochent haar Heer

Johannes zegt: Petrus wist het níet. Hij weet het, en tegelijkertijd weet hij het ook niet. Wat Petrus te weten heeft, moet hij hóren. Van de meest geliefde leerling. In een dialectiek van luisteren en spreken. Van de tweede willen zijn. Van even wachten voordat je spreekt. Het ware getuigenis ligt buiten de kerk. Niet in de kerk.

Wie die meest geliefde leerling is? Johannes zelf? Dat zou kunnen. Maar ik denk dat het nog net even anders is. De meest geliefde leerling is de ander, altijd weer de ander, die jij tegenkomt. De ander die de kerk tegenkomt.

Waarheid bezit je niet. Waarheid ontvang je. In de ontmoeting.

Niet zonder het woord.

Psalm 91. Al die beweringen. Dat niets je zal gebeuren. Dat God over je waakt. Dat je leeuw en adder zult vertreden. Dat anderen dan misschien zullen vallen, maar jij niet. Hoe die te lezen?

Sommigen zeggen: doe niet ingewikkeld. Er staat wat er staat. Als jij op God vertrouwt, komt alles goed. Sommigen houden sessies met gevaarlijke slangen om te laten zien: zie je wel? Ik word niet gebeten.

Totdat ze wel gebeten worden, natuurlijk.

Gelovigen leven niet langer dan anderen. Wie denkt van wel, leeft een illusie. Christenen zijn niet weerbaarder tegen ongeluk dan een ander. De trouwste bidder zelfs kan ziek worden. Het onbegrijpelijke kan iederéén treffen in gelijke mate.

En God dan?

Die zou toch beschermen?

Trap niet in de fuik die sommigen uitzetten: dat je blijkbaar niet goed hebt gebeden. Of dat het je aan geloof ontbrak.

God is geen Huisgod die voor zijn geliefden zorgt. Niet zó. God ìs helemaal geen beschermende macht. Niet zó.

Niet zonder zijn woord.

Dit is vaak de spraakverwarring: God wordt tot een abstracte macht gemaakt, of tot een minder abstracte Vader, tot een Goedheid zonder geschiedenis. De bijbelse geschriften spreken echter nooit over God zonder zijn spreken. Ze spreken nooit over God zonder zijn geboden, zijn bevelen, zijn weg. God is een God die je toeroept. Wat te leven.

Sinds een jaar bid ik elke ochtend het breviergebed. Drie psalmen, elke ochtend. Een bijbeltekst, elke ochtend. En dit valt mij op: hoe vaak het over recht gaat en over gerechtigheid. “Is dit niet wat Gij wilt, o God? Dat wij recht doen? Aan wees en weduwe?” “Wilt Gij niet dat wij vreemdelingen onderdak bieden?” “Geef eten aan wie honger heeft, geef te drinken aan wie dorst heeft, geef kleding aan wie naakt rondloopt, bezoek wie gevangen zijn, vergeet de zieken niet en geef een dak aan de zwerver”, zegt Jezus

God is geen macht. Hij spreken. En in dat spreken is God machtig. Dat betekent: als je zo doet, vind je een manier van leven die vruchtbaar is.

En dit vruchtbare leven houdt stand. Zelfs als je ziek zou worden. Zelfs als je dood zou gaan. Wat zinvol geleefd is, waait nooit meer weg.

Wij zijn allemaal kwetsbaar. Dit lijkt me de wijsheid van het afgelopen uitzonderlijke jaar. Niemand kan zeggen: “Ik ben niet van vlees en bloed.” Wij zijn lichaam, en daardoor prooi. Deze kwetsbaarheid van ons roept: “Als je tijd beperkt is, wat dóe je dan?”

Ik las deze week weer eens over Janusz Korczak, de Joodse kinderpsychiater. Hij hield voor de Tweede Wereldoorlog lezingen voor de Poolse radio, het land waar hij woonde. Hij ontsloot de kennis over ons kind-zijn en gaf aan kinderen een eigen stem. Toen de nazi kwam en Joodse kinderen in een Joods getto werden opgesloten, ging hij vrijwillig met hen mee. Daar bood hij een veilige plek. Totdat de nazi ook die plek wegnam. De kinderen werden op transport gesteld. En Janusz ging met hen mee. Uit eigen keuze. In de veewagon sprak hij met zijn kinderen. En zo lang hij sprak, hielden zij levensmoed. Uiteindelijk werd hij samen met hen vergast in Auschwitz. Vermoord.

En toch is hij niet dood. En zijn zijn kinderen niet dood.

Agnieszka Holland maakte een film over zijn leven. Zij laat in helder licht de wagon met de kinderen loskomen van de trein. De wagon verlaat het spoor en de deuren gaan open. De kinderen klauteren naar buiten en rennen door het graanveld waar ze in terecht waren gekomen. Een open einde.

Omdat Holland begreep: wie doet wat moet worden gedaan, wankelt niet.

Met de wilde dieren.

Die Marcus toch. Evangelist van weinig woorden. Maar dan onverwacht een detail waarmee je de lezer verbaast. Je vertelt je hele verhaal als een kind met grote haast: en toen, en toen, en toen. Voor weinig dingen maak je tijd. Voor sommige ineens wel.

Zo ook in de lezing van aanstaande zondag, zondag Invocabit. We gaan de veertig dagen binnen die vooraf gaan aan het Paasfeest. Zeven lezingen volgen elkaar in vaste volgorde op. En altijd is de lezing over “de verzoeking van Jezus” de eerste. Mattheus en Lucas, in veel opzichten broers van Marcus, wijden nogal uit. Ze vertellen hoe Jezus werd verzocht. Wat er tegen hem werd gezegd. En wat hij dan weer voor briljant antwoord gaf. Ze melden ook dat zijn tegenstander op het eind afdroop. Wel móest afdruipen.

Zo niet Marcus. Hij zegt alleen maar: Jezus werd verzocht door de satan. En dat is dat. Hij vertelt zelfs niet wat de uitslag van de strijd is, wie de winnaar werd. Hij vertelt kort. Hij vertelt diffuus. Er is de heilige Geest die Jezus de woestijn in drijft. Er is de Satan, er zijn de engelen die hem dienen en er zijn, heel gek, wilde dieren. Marcus blijft even staan en schrijft: en Jezus verbleef er met de wilde dieren.

Wat is dat nou weer? Waarom moeten wij dat weten? Als je bijna niks vertelt en dan wel dit?

Hoe zijn die dieren te duiden? We lezen niet uit een nieuwsgierigheid. De reactie kan niet zijn: ‘Goh, interessant.” We lezen uit honger. Honger van de ziel. De reactie kan wel zijn: “Wat betekent dit?”

Wilde dieren. Ze komen wel vaker voor. Als vijand. In Psalm 91 bijvoorbeeld, niet geheel toevallig de Psalm van juist deze zondag. Daar staat: “leeuw en adder zult gij vertrappen”. Oorlog tussen de mensen en de wilde dieren.

Het is geen onbekend beeld. Meestal denken we zo over wilde dieren. Ze mogen er zijn in een of ander leuk reservaatje in Africa, ver van huis. Maar hoe dichterbij ze komen, hoe minder graag we ze zien. De schapenboeren in Drenthe stoffen hun dubbelloopsgeweer al af voor de wolf die deze kant op lijkt te komen. Wij zullen winnen!

Iemand zei: “Ik ben geboren in een omgeving, waarin dit heel normaal was. Muizen en ratten dood je. Je vergiftigt wat in de weg loopt. En je eet op wat je op kunt eten. De ultieme test voor zijn toenmalige verloofde was een vleesschotel van konijn voorzetten en dan aan haar vragen: “Wat denk je dat je nu eet?”

Er zijn ook andere beelden in de Schriften. In Job wordt gezegd, Job 5, “je hoeft niet bang te zijn voor de wilde dieren”. Er is een samenleven mogelijk. Daarmee worden de wilde dieren niet ongevaarlijk, ze zijn wie ze zijn, maar je laat ze ruimte. Sint Fransiscus sloot een verbond met een wolf. Het dier werd er niet minder gevaarlijk van, maar het concordaat zorgde ervoor dat beiden konden bestaan. Je realiseert je bij alles: wij mensen zijn niet de enige aardbewoners. Je beseft nog meer: elk leven is het leven waard. En elk leven is het waard om gered te worden. Noach nam óók wespen mee in de ark.

Nog een ander beeld: van harmonie. Jesaja is er vol van. Lam en leeuw liggen tesamen. Het kind speelt bij het hol van de adder. De wolf en de tijger eten gras als het rund. Een diep besef: wij mensen zijn niet afgezonderd van de dieren. Er is geen “wij mensen” en “zij dieren”. Wij mensen zijn dieren.

Van koning Salomo wordt verteld dat hij met de dieren kon spreken. Dat is zó gek, dat vertalers er vaak mee knoeien. “Salomo sprak tégen de dieren”, schrijven ze. Dat klinkt al ietsjes minder raar. Maar er staat: Salomo spreekt MET de dieren. Zij verstonden elkaar, de koning en de dieren.

Misschien zitten in de tekst van Marcus wel alle drie de elementen, dwars door elkaar heen. De wilde dieren als vijand, de wilde dieren als leven, de wilde dieren als jij. Wij zijn zelf óók roofdieren tenslotte, onze ogen zitten niet voor niets voorin in onze kop. Jezus verbleef met hen. Met zijn angsten? Ondanks zijn angsten? Of vanuit een diep verlangen?

Sommige commentaren, zeker die uit het vroege christendom, zien hier een soort oer-bestaan. Dat het zó licht zou zijn, dat wij niet doden, maar verblijven met. Jezus als de nieuwe Adam.

Misschien wordt de weg naar Pasen er wel een van een groeiend verlangen. Dat het leven op deze aarde uit de strijd één zou worden en wij onderdeel ervan. God sluit zijn verbond met de hele schepping. Mensen zijn daar in opgenomen.

De belangrijkste vraag blijft: Loopt de wolf door het gebied van de mensen, of zijn de mensen in het gebied van de wolf gaan wonen?

Nog een keer kerstnacht: de plaats

Het was geen feest, die lege kerk in de afgelopen kerstnacht. Toch leverde ze iets op wat een volle kerk niet geven kan. Ontdaan van alle “wat zitten we hier gezellig met z’n allen te zingen”, komt de lezing van Lucas ongepolijst binnen. Ongefilterd zonder het zilveren kerstlicht dat er anders altijd over valt.

De keizer met zijn dwangbevel. Jozef en Maria die op weg moeten gaan. Ze hebben zelfs de mogelijkheid niet om thuis te blijven. De controle of ze ook doen wat er wordt gezegd. Het raakt aan vele kanten van onze werkelijkheid.

Ik dacht aan de kinderen in kamp Moria. Een door Europa opgezette hel. In stand gehouden door onze massale onverschilligheid. En door de politiek die op die onverschilligheid méé drijft. Vijfhonderd kinderen zou Nederland opnemen. Dat was al een schamel aantal. Het werd nóg schameler toen het koehandel bleek: die vijfhonderd werd dan weer afgetrokken van het totaal aantal asielzoekers dat “we” in 2020 zouden opnemen. Inmiddels is het 2021 en de kinderen zitten nog altijd in kamp Moria. De coalitiepartijen vinden het regeerakkoord belangrijker dan het lot van deze kleine mensen. Schamelheid aller schamelheden.

In de lezing van Lucas komt Jezus terecht in een kribbe. “Want er was voor hen geen plaats in de herberg”, staat er. Door de eeuwen heen het absolute romantische hoogtepunt van kerst. Dat de Heer in arme omstandigheden werd geboren. “Kijk toch eens wat sneu!” “Dat kindje in dat stro!” Het is een winterfantasie van mensen die rijk zijn en zelf bij de kachel zitten. Die weg mijmeren bij een nostalgie, waarvan zij zelf gelukkig geen deel uit te maken.

Er staat niks romantisch in dat zinnetje. Willem Barnard heeft er op gewezen, korzelig op gewezen, dat het Griekse woord topos dat hier staat “makom” is in het Hebreeuws. Makom, dat is de heilige plaats. Waar God en mens elkaar ontmoeten. En die topos is niet bij de warme potten van de herbergier. Die topos is in de kribbe. Het is geen romantiek, het is de weg van de waarheid. Het ware is niet te vinden in de volheid. Het is te vinden waar het leeg is.

De waarheid over Europa ligt in Moria. Dáár wordt onthuld wie wij zijn en wat wij hebben te doen.

De topos is de kribbe. Een gevaarlijk woord, kribbe. Want vóór je het weet ruim je het met de kerstballen op en breng je het naar zolder: tot volgend jaar. Het is een goede keuze geweest dat de NBV hier gewoon vertaald heeft wat het is: een voederbak.

Nu moet het zoetgevooisde kinderkoor even op afstand blijven. Lucas wil in dit beeld dít zeggen: wij eten van dit kind. Het ligt niet uit vertederende overwegingen in de kribbe. Het is een bericht aan ons: je mist iets fundamenteels. Dat fundamentele is de barmhartigheid. De ontferming. De goedheid. Je zult je er mee moeten voeden.

Johannes de evangelist kent geen kerstscenes. Hij schrijft ronduit: En Jezus zei: “Jullie eten van mijn vlees en drinken van mijn bloed”. Jezus als ons dagelijks voedsel. Johannes verwijst daarmee naar de eucharistie – het vierde evangelie is uitermate sacramenteel dat mogen protestanten wel eens goed in hun oren knopen . In het sacrament van het avondmaal wordt “ons de goedheid op de tong gelegd” Om het te proeven. Om ervan te leven. En om ervan uit te delen.

In Hekelingen stond op de avondmaalsbeker geschreven: diakonie der armen. Ik vond het veelzeggende woorden. De wijn smaakte er bitterzoet van.

Eten is méér dan een rationeel lezen wie Jezus was en nadoen wat Hij heeft gedaan. Het is een je langzaam laten omvormen door een liefde die groter is dan jij. Zoals zuurdesem in een brood, een uitbottend twijgje aan een dode stam. Zo. Je bent niemand zonder de liefde van God die recht doet.

En dat laatste mogen dan weer zij in de oren knopen die zo veel en graag spreken over het “Joods-Christelijk Europa”.

De lege kerk zat mij in mijn ziel toen ik naar huis reed. Ik voelde mij leeg. En misschien moet het wel zo. Leeg. Om woning te kunnen worden van het woord. Want dáár zingen alle kerstliedjes dan toch óók weer over: “Kom in mijn hart en woon er, het is geen vreemde plek” (lied 480)

Over de orde

De kerkvader Augustinus (354 – 430) vertelt dat hij op een avond met medebroeders ligt te luisteren naar de regen. Ze horen hoe het water op het dak tikt, door de goten gorgelt en op de straten valt. Daarbij merkten zij op, dat het geluid telkens anders klinkt, net naar gelang de druppel valt. Het geluid wordt gedempt door bladeren, of juist versterkt door het lood in de goten en pijpen. “We vroegen ons af hoe die variatie te verklaren was”, vervolgt de kerkvader filosofisch. ‘Valt een druppel toevallig? Of zit er sturing achter?”

Augustinus kan zich niet voorstellen dat de geluiden toevallig zijn. Er moet een onbekende partituur achter schuil gaan. In het boekje dat hij er over schreef “De ordo”, werkt hij die partituur verder uit. Niets gebeurt met toeval. In de regen niet, maar zeker in het mensenleven niet.

Ik begrijp de behoefte aan een ordening. De werkelijkheid is te groot voor een mens. Die wíl daar verdelingen in maken. We deelden de tijd in in dagen, weken, maanden, jaren. In uren en minuten. Zodat de tijd niet langer eindeloos en onbevattelijk is, maar hanteerbaar. We geven namen aan bergen en denken er zo mee bekend te kunnen raken. We bedenken targets. Carrières. We maken plaatjes van ons verdere leven. We tekenen plannen en voeren die uit. Ordening en indeling om te kunnen leven.

Het christelijk erfgoed heeft veel van die ordeningen bedacht. Het leven is er om God te loven. Om gelukkig te worden hier en in het hiernamaals. Het leven is een blauwdruk van Gods wil. God wilde jou.

Het christelijk erfgoed heeft ook ordeningen voor de gebeurtenissen. Het borduursel van Corrie ten Boom, de tekst waarin zij betoogt “Wij kijken tegen de onderkant van het borduurwerk aan. Wij zien de afgeknipte draden en de pijn, maar op een dag draait God het werk om en dan zien we het prachtige patroon.”

Ik begrijp de behoefte. Wie aan de toevalligheid raakt, raakt óók aan de toevalligheid van het eigen leven. En dat is een donker gat. Te weten, of denken te weten, dat je bestaan een onnozel toeval is. Zoals Midas Dekkers zegt: “als één van je voorouders met een andere voorouder was gegaan, was je niet geboren”. De kans op je bestaan is nul en toch ben je er.

Ik begrijp de behoefte. Maar ik geloof de ordening niet.

Welk patroon is het lijden waard? Wat kan mooi genoeg zijn om de dood van een kind te rechtvaardigen? Om maar wat te noemen. Of de overstromingen? Stormen? Moord? Kinderen die wees worden? Ziektes?

Koos Dijksterhuis zei nog niet zo lang geleden “welke wrede God bedenkt een schimmel die een spin levend verorbert?”

Ik geloof niet dat er een ordening is. Niet in de zin van: zo is het bedacht, zo is het bedoeld. In den beginne was er chaos. En dat is nog zo.

“De rest is gemengd bos, mollenwerk en wind”

dicht Szymborska.

Alles hangt theologisch af van de vraag hoe je de openingszin van de Schriften leest: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig (tohuwabohu, chaos, holderdebolder). Is de eerste zin een opschrift? Zo denken veel rabbijnen. Begint het verhaal bij de tweede zin? “De aarde nu was woest en ledig”? Zo denken veel lezers.

Onder wie ik.

Alles begint met toeval. Chaos. Als iemand verongelukt, dan zit daar geen plan achter. Nooit. Als iemand verdrinkt of niet verdrinkt, als iemand omkomt of ontkomt – het zijn geen duidingen van de zinvolheid van het leven.

We hadden er ook niet kunnen zijn. Met z’n allen niet. De aarde niet. De hele ruimte waar alles in hangt niet.

De zinvolheid van de dingen komt pas met mijn loflied. De mensenwoorden maken de aarde voor mensen tot een zinvolle plek.

Tenminste: als de mensen zich laten verleiden tot het licht. Zo vervolgt Genesis: in de chaos riep God uit dat er licht zou zijn.

Ik denk dat het puur toeval is hoe een regendruppel valt. Het is de harde waarheid over ons eigen bestaan.

Maar het is geen toeval of ik in dat bestaan loof of vloek. Of ik schep of verwoest.

De enige orde is die, die ik schep.

And He shall reign for ever and ever?

Händel heeft de tekst op geweldige muziek gezet. Dat de Messias voor altijd en altijd heersen zal. Zo zit het in ons hoofd: er komt een heerschappij van vrede en die blijft.

Zeker met het bazuingeschal erbij klinkt het massief. Een werkelijkheid die wordt uitgerold en niet meer opgerold zal worden. Zoals legers landen innemen. Zoals keizers dachten “eeuwig te heersen”. Zoals macht wordt gegrondvest. En He shall reign for ever and ever.

De woorden klinken bij Jesaja. En ze liggen de engel op de lippen als zhij Maria aanspreekt. Lucas 1. “Zijn rijk zal geen einde hebben”, zegt de hemeling. In alle beschikbare vertalingen.

Nu lazen we de woorden vorige week met een groepje bijbelkrabbelaars. We lazen ze in het Grieks. En dáár staat “zijn rijk zal geen TELOS” hebben.

Hey! Daar hebben we dat woord weer! Het klonk óók al in Mattheus 13. Dáár stond dat de wereld zijn “telos” zou bereiken. En ook dáár wordt altijd vertaald met “einde”. Alsof er een soort nieuw decor wordt opgesteld. Het oude wordt opzij geschoven. Het nieuwe komt er voor in de plaats.

“Maar TELOS is toch helemaal geen tíjdsaanduiding?”, vroeg iemand. Nee, niet allereerst. TELOS betekent veel meer doel, het waarom, de bestemming. Teleologie is de filosofische leer die ervan uitgaat dat er een (al dan niet verborgen) doel in de dingen ligt. Opnieuw het woord TELOS. En opnieuw niet als tijdsaanduiding.

Bij Mattheus hadden we gezegd: er staat veel meer dat de wereld tot zijn doel zal komen. Zoals een bloem gaat bloeien. Of zoals – woorden van Jezus – het blad uitbot van de vijgenboom. Niet twee werelden die elkaar afwisselen, maar één wereld die tot wasdom komt.

En hier dan? Wat zegt de engel tegen Maria?

De hele geschiedenis in Lucas 1 loopt uit in een citaat: Dat geen enkel woord bij God vruchteloos zal zijn. REMA in het Grieks. (Dus er staat niet: “Bij God is niets onmogelijk”, zoals sommige vertalers ons willen doen geloven. Er staat dat geen wóórd bij God onmogelijk is). De woorden van God zijn: vrede, recht, genade, heelheid. Die grote dingen. Van die woorden is Maria zwanger en door die zwangerschap zal Jezus geboren worden.

Een beetje grote stappen snel thuis: Jezus draagt het woord van God in zich. Hij is en doet wat de woorden van God zeggen. Hij is vrede, hij doet recht, hij schenkt genade. Jezus is het vleesgeworden woord.

Welnu. En zijn rijk komt niet tot zijn TELOS. Ik lees het zo: zijn rijk blíjft rusteloos. Het vindt geen voet om op te staan, niet vóórdat het een mens heeft gevonden om in te leven. Zijn rijk blijft zoeken. Blijft roepen. Blijft gáánde.

Het rijk van Jezus heeft helemaal niets van een massief stelsel, het heeft alles van de menselijke beweeglijkheid. Het is daar waar mensen “ja”, zeggen. Al is het maar heel even. En daarna gaat het weer verder.

Afgelopen zondag lazen we naast Lucas 1 ook uit 2 Samuel. Dáár zegt God: “Ik heb nooit gezegd dat ik in een huis van steen en dure houtsoorten wil wonen.” Wat heeft God wel gezegd? Dat ZHij in mensen woont.

De mens, voor even een rustplaats van Gods Woord

of zoals de ouden zongen:

Heer, uw onweerstaanbaar woord

drijft rusteloos de eeuwen voort

wat mensen ook verzinnen.

Wie laat gaan.

Op een dag bleek mijn vader niet te bestaan.

Zoiets gaat niet in één keer. Zoiets gaat met schokjes. Die ochtend dat hij niet kwam kijken toen ik zou afzwemmen. Dat deed hij nooit. Maar nu viel het op. Andere vaders waren er wel.

Er was die middag waarop hij niet vroeg wat er was gebeurd. Ik was door een auto aangereden en zat gebutst, verfomfaaid en in het gips aan tafel. Mijn vader viel het niet op. Zweeg

Mijn vader wist niet op welke school ik zat. Hij dacht: Revius. Het was Schoonoord.

Je bent kind. Je troost jezelf met gedachten. Dat hij straks vast iets zal zeggen, zal doen. Dat het nog wel komt. Dat hij niet genoeg informatie had. Dat je hem nadrukkelijker had moeten vragen. Dat er wegen moesten zijn waarlangs je wel kreeg wat je verlangde.

Die wegen waren er niet.

Dit was mijn vader. Dat was de laatste schok. Hij is geen superheld. Geen vader-kan-alles. Hij bleek een mens. Die fouten maakte. Hij was die hij was.

Mijn vader had zelf geen vader. “Ik heb hem eigenlijk nooit gezien”, zei hij eens. Zonder spijt. Leek het. Zijn vader was altijd op reis. En toen ging hij dood. Míjn vader was dertien.

Zulke dingen begrijp je pas later. Dat je vader ergens vandaan is gekomen. Gegroeid. Scheef gegroeid. Recht gegroeid. Hij heeft zichzelf niet gemaakt. Dit is waar je het mee moet doen.

Ik deed het er niet mee. Als andere vaders, dan hij toch ook? Ik vroeg hem op een weekend. Hij deed zijn best, ik deed mijn best. Ik wilde iets wat hij niet was. Ik verwondde mijzelf. En hem. Dat weekend spijt mij. Hoe langer ik bij hem zocht, hoe minder ik vond. Hoe langer ik het van hem verwachtte, hoe leger ik werd.

Vaak denk ik: het moet hem ook verdriet hebben gedaan. Dat hij iets niet kon.

Ik moest het bij mijzelf zoeken. Ik ben de enige die kan genezen wat pijn doet. Ik ben de enige die het verlangen kan stillen dat in mij woont. Zorg je niet voor mijzelf, zal een ander dat evenmin kunnen. Het is een rare tegenstelling.

Een koan, bijna.

Hoe minder ik bij hem zocht, hoe meer ik bij hem vond. Mijn vader was charmant. Hij kon honderduit vertellen. Over politiek, geschiedenis, zijn reizen. Hij wist verschrikkelijk veel. Herinnerde zich verschrikkelijk veel. “Geen man voor small talk”, zei iemand eens over een ander: “Het moet ergens over gaan.” “Mijn vader”, dacht ik. Hij nam mij mee naar concerten. Van Locatelli, Schubert, Brahms. Hij liet mij alle grote musea zien. Reisde een zomer lang door Nederland “Want je moet wel een béétje snappen wat waar ligt en waarom dat zo is.” Hij leerde mij de opera. Hij ging met mij naar de kerk.

Dat deden andere vaders niet.

Op een dag bestond mijn vader niet meer. Hij werd wie hij was. En ik óók. Niet meer het afhankelijke lam. Maar zoon. Ik werd mens.

Ik besta. Sinds die dag.