Het nut van nutteloze kennis.

Arianne van Os is docente. Zij is één van de 130 leraren die gaan meepraten over onderwijsvernieuwing. (Trouw, 18 september 2017) Wat voor inzichten heeft zij? Nou, nogal modieuze: er moet tijdswinst geboekt worden op school èn het onderwijs moet gaan over probleemoplossen, digitale vaardigheden en communicatie. “In plaats daarvan” verzucht ze:” Moeten we jaartallen leren die we ook met een druk op de knop kunnen opzoeken.” En ze schudt haar leraressenschouders er eens bij.

Nu dacht ik altijd dat onderwijs vooral óók heel veel herhalen was. Beetje basis in de eerste leerjaren, beetje meer basis in de hogere leerjaren, verdieping op de middelbare school, maar dit is mijn expertise niet. Dus luister ik naar Juf Arianne. Als ze me dan wel vertelt wat we met al die gespaarde tijd moeten doen.

Géén jaartallen leren zegt Juf Arianne.

Wél jaartallen leren, roep ik daar dwars doorheen.

Vooral jaartallen. En dode dichters. En oude romanciers. En verdwenen schilders. En plaatsnamen, heel veel plaatsnamen. Dooie Nobelprijswinnaars, dat mag van mij ook: wiskunde, natuurkunde, scheikunde.
Doen we de vaardigheden er verder wel tussendoor.

Iris Murdoch  (iemand? Of moet je nu op een knop drukken?) heeft eens gezegd: “Kennis maakt niet gelukkig. Maar kennis geeft je wel de mogelijkheid het geluk te vinden.”

Zeker kun je alles ergens vinden. Maar dat is al zo sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. Goed, je moest er even voor naar de bibliotheek fietsen. Maar het was er.

Het probleem: het was er búiten jou. Je voelt er niks bij, het roept niets op. Het blijft bij: “Oh”. En daarna vergeet je het weer.

Stel je weet niets. Je rijdt Amsterdam binnen. Wat zie je dan? Daar ben ik dan wel benieuwd naar. Misschien vind je de sfeer leuk. Of de panden mooi. Ze zullen verder, zo vermoed ik, zwijgen en dood blijven. Na vijf grachtenpanden heb je het dan wel gehad. En is, inderdaad, de Hudsons Bay interessanter dan nóg een gracht.

Een beetje zoals wij Westerlingen, allemaal door landen in het Verre Oosten rondlopen. Het is mooi, maar het zegt me niet veel. Ik weet er niets van.

Loop je met kennis door Amsterdam, dan flitst de binnenkant. Gouden Eeuw, specerijenhandel, Tulpengekte, slavernij, de eerste beurs van de wereld, aandelenhandel. Je ziet de prachtige balans die de huizen hebben tussen rijkdom willen tonen en tegelijk willen voldoen aan de protestantse zede van eenvoud. Je ziet de stoepen smaller worden naarmate de belastingen op hun breedte toenam. Je ziet de ramen hoger worden, naarmate, alwéér de belastingen op de breedte werd geheven. Dat zie je. Als je iets weet tenminste van VOC, 17de eeuw, Republiek, Libre Marum.

En dan begin ik nog niet eens over Hendrick de Keyser, het wonder van de grachten (het schitterende essaye dat Cees Nootenboom eens over al die eilandjes, bruggen en waterwerken schreef!), het idiote van “burgers (burgers!)  die een stad bouwen op zo ongeveer wel de meest ongeschikte plek voor een stad.

Als je dat allemaal niet weet, Juf Ariane, niet van binnen weet. Dan heb je geen idéé waar je rondloopt.

En, zeg ik erbij: het is uiteindelijk de doodssteek voor de stad. Als je niet meer weet, voelt, verknocht bent – dan giechelt het geld al over sloop. Ik til mijn domineesvinger priemend de lucht in.

Een aantal weken geleden hadden we een hete dag. Die komen wel eens voor. Ik was in een Albert Heyn in de stad. De bedoelde supermarkt is gebouwd in de voormalige korenbeurs. Een neo-classicistisch gebouw naar de deftige eis van de negentiende eeuw. Binnen was het warm als buiten. Mensen zoemden door de deuren heen en weer. “Poe!”, wat is het heet hier”, steunde de cassière. “Ja, oud gebouw he”, reageerde ik. “Ja”, was haar antwoord: “Idioot oud. Ik denk wel uit de Middeleeuwen. Snap je dat nou?.” Zo’n mooie winkel in zo’n kei-oud pand, wilde ze maar zeggen.

Ik begon maar niet over de graanhandel waarmee Groningen rijk is geworden, de champagnejaren, de grote boerderijen op het land, de herenboeren die hier werden voorgereden in hun luxe carossen om, sigaar in de mond, hun graan te verhandelen.

En ze heeft het vast ook niet opgezocht. Onder geen enkele knop.

Advertenties

Die ene die niet verzoop.

Het is een afschuwelijk verhaal. Dat van Noach. Al die mensen die verdrinken. Al de beesten die omkomen. Gustave Doré zwelgde er in zijn tekening bijna in. Ik kan dit Genesis-verhaal nooit losdenken van de tientallen mensen die ik op de Zuid-Hollandse eilanden hoorde vertellen over de stormvloedramp van 1953. Hoe zij de wind onder de dakpannen door hadden horen ratelen. Het verwaaide klokgelui. Hoe mensen angstig op zolders waren gekropen. Het water dat brullend en ratelend over het land was gespoeld, tegen huizen aan, over schuren heen. Hoe het voordeuren had geramd. Kamers en gangen in bezit had genomen, langs trappen omhoog was geklommen. Zou het nog hoger komen dan de slaapkamers? Het kwam hoger. Nog hoger dan de vliering met haar vluchtelingen?

Noach is een verhaal van angst en vernietiging. Het vertelt hoe mensen zelf angst en vernietiging zaaien.

De laatste jaren kan ik het verhaal niet meer lezen zonder te denken aan de terroristische aanslagen. De aangrijpende beelden, ooit van de vluchtende mannen en vrouwen in de straten van New York, de vallende mensen uit de Twin Towers. De vele beelden die daarna volgden, van uit elkaar gescheurde warenmarkten in Bagdad, kapot geschoten mensen op een Parijs terras, een gewonde vrouw op een kapotte stoel op Zaventem.

Ik lees het verhaal niet meer zonder de vele ingezonden brieven, facebook-berichten, politici die roepen om wraak. Wraak op de vernietiging. Tegen-terreur moet er komen. Weg met alles wat vreemd en anders is. Weg met allen die een bedreiging lijken. De wens om de tsunami met een tsunami te stoppen.

In het verschrikkelijke verhaal staat Noach. Zijn naam is als een ogentroost. Hij bouwt een schip. Het is een hachelijke onderneming. Een schip, dat net zo goed een doodskist zou kunnen worden. In het hebreeuws staat dat er zelfs met zo veel woorden. Die ark deelt zijn woord met dat van een lijkkist. Noach doet een poging een nieuwe weg te vinden door het kwaad. Dat is een innerlijke drang. Hij moet die weg vinden omdat hij moet. Van binnen uit. “Het is de stem van God”, zeggen dan de bijbelse geschriften.

Die nieuwe weg is de weg van de vrede. Dat had de verteller al verklapt door Noach Noach te noemen. Zijn naam betekent vrede. Troost, zo u wilt. Zijn weg is er een van: ik verwelkom, laat binnen, ik bewaar, behoed. Voor zo ver ik kan. Er is een prachtig détail in het verhaal: als Noach en zeven anderen in het avontuur zitten met al die dieren om hen heen, moet iemand het luik dicht doen. Het toegangsluik van het schip.

Maar al die mensen buiten dan? Al die dieren buiten dan?

God doet het luik dicht.

Er zijn dingen die ik kan. Er is nog veel meer dan ik niet kan. Laat je niet verlammen door wat je niet kunt. Doe wat je kunt.

Jij kunt een Noach zijn.

Sinds een jaar kan ik het verhaal van Noach niet meer lezen, zonder de stem van het kleine jongetje in Parijs dat zegt: “Maar zij hebben wapens. En zij schieten ons dood.” Zijn vader knuffelt het kereltje en zegt: “Maar wij hebben kaarsen. En wij hebben bloemen.” “En dat houdt hen tegen?”, vraagt het jongetje bezorgd.  “Ja”,  zegt de vader, fluisterend nu: “dat houdt hen tegen.”

Hij bouwde een ark voor onze ogen.

En God? God raakt zó onder de indruk dat Hij besluit het geweld niet met geweld te keren. God besluit: ik schep weer een nieuwe dag

en nog één

en nog één.

Om de mensen die de vrede durven te bevaren.

Sááái? Je lege ziel zul je bedoelen.

Vroeger had ik een saaie naam: Van Dijk. Veel suffer kon het niet worden. Half Nederland heet Van Dijk.

Eind jaren tachtig verhuisde ik naar Polen. “Van Dijk?”, vroegen daar mijn medestudenten, “Van Dijk? Ben jij soms familie van de schìlder Van Dijck?” Hun ogen lichtten op: dit kon interessant worden. Van Dijck kenden ze van zijn theatrale barokke schilderijen. “Nee”, antwoordde ik: “Ik ben simpel. Mijn naam schrijf je alleen maar met een k. Saai.” Toen ik dat ook tegen mijn docent kerkgeschiedenis, Pasierb zei, reageerde hij wat ongelovig en gepiekeerd: “Saai? Man! In Polen heet niemand Van Dijk. En weet je waarom? Omdat wij nauwelijks dijken hebben! We hebben zelfs Nederlanders laten komen om er een aantal aan te leggen. Jouw naam vertelt over de strijd die jullie tegen het water voeren, de lef om onder zeeniveau te gaan wonen, de slachtoffers van de dijkdoorbraken, de moed om de boel daarna weer op te pakken en droog te leggen. Jouw naam is een cultuur-historisch monument!”

Wauw. Nou. Dat had nog nooit iemand gezegd. Niemand ook had het ooit zo gezien. De diepte. De associaties. De gelaagdheid. In één enkele naam.

Sááái is zo ongeveer het stopwoord van onze tijd en cultuur. Alles wat langer dan een kwartier duurt is saai. Alles waar geen drumstel onder staat is saai. Alles wat niet jong is, is saai. De eis is: het moet zó zijn dat het mij direkt pakt. Het moet míj pakken. De gedachte dat ik “het” moet pakken ligt ver bij ons vandaan. Daar krijg je die hijgerige Matthijs van Nieuwkerk van. Kort. Snel. Gemakkelijk. En anders is het niets waard.

Het tragische is dat ‘saai’ niet bestaat. Niet buiten jou. Dingen zijn wat ze zijn. Gebeurtenissen zijn wat ze zijn. Presentaties zijn wat ze zijn. Saai of interessant zijn geen woorden die in de dingen wonen. Ze wonen in de beschouwer. Zie jíj er iets in?

Zien is een activiteit van de ziel.  Een verhaal wordt in jou wakker geroepen. Een herinnering. Bepaalde kennis. Waar je naar kijkt, opent een wereld in jou. Als die wereld er is.

Op de boerenfeesten in Nijehorne zitten elk jaar veertig, vijftig mannen op een rij. Voor elk van hen staat een ondefinieerbaar, klein, machientje te pruttelen. Ik liep er altijd aan voorbij. Ik had geen idéé wat ik er aan moest zien. Aan de mannen niet en aan hun machientjes nog minder.  Toen we er weer eens waren, vroeg ik: wat is dat nou waar ik naar sta te kijken? Precies de vraag die als een sleutel het slot opende: “Nou”, begon de man enthousiast.. en hij vertelde over de fabriek waar het gemaakt was, welk onderdeel het precies was van welke machine, hoe oud het was en waar het had gefunctioneerd. “Maar u kunt er nu niets mee?”, vroeg ik constaterend. “Nee”, antwoordde hij: “zo niet. Je moet er andere dingen aan vast maken om er iets mee te kunnen. Je kunt hem nu alleen aan en uit zetten.” “Maar weet je”, vervolgde hij juist toen ik met vraagtekens volstroomde, “weet je wat nou zo leuk is? Als hij kapot gaat, dan bel ik de anderen die hier staan op en dan praten we er over hoe je het machientje moet repareren. Wat er aan de hand is enzo” Ik zag hem aan een bakelieten telefoon in de gang: “Ja. Kees hier. Zeg. Hij doet het niet. Wat zou jij doen?” En dan drie uur met stijgend plezier en met stemverheffing praten over het palletje van het nippeltje.

Alles is saai, als je geen moeite doet. Je ontvangt wat je investeert.

Alles kan interessant worden als je er tijd aan geeft. Je er in verdiept. Als je gaat zien met een innerlijk oog.

De tragiek van onze tijd is dat wij rijk zijn aan alles, maar gebrek lijden aan juist deze twee: tijd en verdieping. Sááái, dat zijn we zelf geworden.

En ondertussen ga ik maar eens de monumentenstatus aanvragen voor mijn naam.

 

Toevalligheid, zo ver het oog reikt

Nee, mijn facebookpagina kleurde niet naar de vlag van Rusland. Dat had ik na de aanslag in Parijs wel met de Franse vlag gedaan, maar nu in Sint Petersburg bommen waren afgegaan zweeg mijn tijdlijn in alle kleuren. Bij niemand zag ik iets Russisch voorbij komen, trouwens. Ook niets Brits, na de aanslag op de Towerbridge. Zijn we campagnemoe? Meeleefmoe?

Nee. Want hand-in-hand begonnen alle mannen door het land te lopen. En ook ik plaatste Pechtold en Koolmees. Want als mannen lief over straat willen dan val je die niet aan. Dat vind ik nog, zelfs nu het verhaal van Jasper en Ronnie misschien wat anders ligt dan eerst verondersteld.

In Amsterdam werden twee andere mannen aangevallen en in Eindhoven ook, maar dat deed me dan weer minder.

Waarom?

Ik zou het niet weten. Waarom schrik ik bij het ene op en bij het andere niet? De media doen meer voor de een dan voor de ander. Parijs ligt mij nader aan het hart dan Sint Petersburg. Ik heb er wel eens een sigaar voor een bistro gerookt. Dat schept een band. Maar verder? Het slangenbrein in mij trekt zijn schouders onschuldig op.

Er klinken stemmen dat het zo onschuldig niet is. Bij aanslagen in Istanbul of Noord-Somalië dienen we net zo geschokt te zijn. Een jaar terug demonstreerde een aantal mensen bij de Essalam-moskee in Rotterdam tegen al deze selectiviteit. Alsof een westers leven méér waard zou zijn dan een ander leven. Zo zou mijn medeleven met de één een teken zijn van afkeer jegens een ander. Zeiden zij. En dat het een schande was.

Medeleven niet langer als medeleven, maar als maatstaf. In dit geval: het Westers medeleven als maatstaf aller maatstaven.

Komt iedereen aan zijn trekken? Nee, bij mij niet. Ik geef het eerlijk toe. Mijn excuses voor mijn imperfectie.

In het bijbelboek Ruth wordt verteld dat de arme en hongerige Ruth “per toeval” op de akker van Boaz terecht komt. Dat lijkt mij heel juist opgemerkt. Wie in je vizier komt en wie niet, ik heb het niet in de hand. En iedereen op je akker, dat is ook een beetje veel.

Ruth dus.

En wat doet Boaz? Die neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij verlieft zich in Ruth, dat helpt, maar het begint bij doen wat er gedaan moet worden. Voor deze ene. Waren er geen andere hongerige vrouwen in het land? Oh, vast. Was Ruth de hongerigste onder alle vrouwen? Nee, zeker niet. Maar Boaz zag Ruth. En dat werd de verplichting. Hij liet haar het graan meenemen dat bij de oogst op de grond was gevallen. Hij vroeg zijn medewerksters om stiekem nog wat extra graan op de grond te laten vallen.

Dus ja. Een foto van Pechtold en Koolmees. Mijn gevallen graanstengel. Het is nog helemaal niks. Facebook is nogal gemakkelijk. Iets als liturgie. Je doet alsof. Maar Jasper en Ronnie maken mij bewust van de mensen die in mijn omgeving in de knel zitten. En dat ik er voor hen zal zijn. Die ene voor al die anderen, zeg maar. Dankzij die ene, leer ook de anderen te zien

En ik hoop, vooral dat, dat er weer andere mensen zijn rondom de mannen uit Eindhoven, rondom de slachtoffers in Sint Petersburg. Je kunt niet alles. Niemands medeleven breekt een staf over ander leed.

Perfectie, zegt de onvolprezen Wislawa Szymorska, die vind je alleen in een ui.

Wow, waarin zit Arjen Lubach nou weer verstrikt?

Als we goed zouden doorrekenen, had de meester beloofd, dan zouden we aan het eind van de middag “De Reddertjes” gaan kijken. Op TV. Met een video-recorder. Het waren de jaren zeventig en toen deed je dat zo. Grote opwinding in de klas! “De Reddertjes”! De sommen waren gauw gemaakt.

Ik herinner mij het verhaal van de tekenfilm niet meer. Het was iets met twee muizen en een meeuw. Ik herinner me nog wel dat ze ergens op een gegeven moment in een mandje zaten, die muizen, en dat mandje, op zijn beurt, hing daarbij onder de nek van de meeuw. Ze droegen alle drie kleren, trouwens. En ze konden praten. Ze gingen iemand redden, denk ik. Daar zal de titel wel van zijn.

Ik was tien of elf. Het was mij inmiddels wel duidelijk dat je pratende muizen niet in de werkelijkheid van de sommen zou tegenkomen. Niet als je met de blik van de wetenschap zou kijken. Er bleven genoeg vragen over bij het rekenen: als tien plus tien twintig is, welke tien bedoel je dan? En waarom deze tien? Ik bedoel tien peren is toch andere koek dan tien stuks fruit of tien schepen vol graan. De vraag echter: kunnen muizen praten, hoorde daar niet bij. Ik vermoed dat ik toen a heel goed begreep waarom niet.

Ik geloofde de film van A tot Z. Ik accepteerde de muts van muis Bianca moeiteloos. Ik geloofde in de leren cap van de meeuw. Niet omdat ik toen nog een kind was – ik geloof er vandaag de dag nog in- maar omdat er iets werd verteld dat alleen op deze manier verteld kan worden. “De Reddertjes” was een film over vriendschap, vertrouwen, kracht, en het rotsvaste weten dat wie goed doet goed zal ontmoeten. Ik weet het verhaal niet meer, maar de boodschap kwam wel over. Juist door de vreemdheid. Keek ik beter. En zo.

Goed. Enfin.

Gisteren sprak Arjen Lubach met Gert-Jan Segers. Over godsdienst in de openbare ruimte. Het gesprek vond plaats in een gebouw groter dan de menselijke maat: in de Pieterskerk in Leiden. En wat beweerde Lubach daar onder die eeuwen-oude gewelven? “Als je de fantasie loslaat, waar blijven we dan?” Nee, we moesten ons enkel en alleen op wetenschappelijke feiten baseren. Punt uit. Klaar.

Klaar? Nee. Helemaal niet klaar! Zijn uitspraak galmde nog lang na in mijn schedelpan. Waar zouden we zijn als we de fantasie loslieten? Maar mijnheer Lubach: wij léven van de fantasie!

Nee, correct: tien plus tien blijft twintig. En een leeg plein kun je niet vol mensen fantaseren. Dat zijn sprookjes. Touché.

Maar na de feiten, komen de interpretaties. En die kunnen niet anders bestaan dan dankzij onze fantasie. Gaat u even mee? Mijn identiteit, om maar ergens te beginnen, is een vrucht van fantasie. Van de verhalen die ik over mijzelf vertel. En anderen natuurlijk. Zonder die wisselwerking gaat er iets fout. Als mijn verhalen niet rijmen met de verhalen van anderen over mij, word ik narcist. Losgezongen van andere mensen in elk geval. Nog iets: dat de economie stijgt, omdat de president van Amerika gelachen heeft, of dat de dollar in elkaar zakt omdat de president van Rusland gehoest heeft- producten van onze fantasie. Of wou u beweren, dat het goddelijke wetten zijn die de koers van de dollar bepalen? De dollar zèlf: onze fantasie. Een papierworm ziet er toch echt iets anders in.

Vrede, ook een fantasie.

Verzoening,

heelheid,

liefde-

ach ja, de liefde. De liefde is wel de grootste fantasie van alle. Verliefdheid, zeggen de nucleair biologen is een product van hormonen, feromonen en voortplantingsdriften. Verliefdheid, zeggen de psychologen, is een product van het gat in onze behoeften.

Maar wat zegt onze fantasie? Liefde, aaah, de liefde is een roos, is een roos, is een roos. Is een roos. Zij is een geschenk. Ze tilt ons op tot waar we thuis behoren. De liefde maakt ons mooi. Mooier nog dan we waren.

Wat valt te leven, denk je? Leef je met feromonen (mag ik, uuuh, mag ik even achter je oren ruiken of uuh, of de jouwe overeenstemmen met mijn feromonen?). Of leef je met “aaaaah, aaaaah, jij, jij,  enkel jij”?

Arjen Lubach kon niet begrijpen hoe je onderwijs kunt toestaan waarin “een onderwijzer eerst zegt dat tien plus tien twintig is en vervolgens vertelt dat er een man uit een grot kwam gekropen en dat die god is”.  Mijn god, Lubach! Is dat wat je te zeggen hebt over het christelijk geloof? “Een man die uit een grot kwam gekropen en die is god”?  Hou dan je mond, zou ik zeggen.

Okay. Ik ben niet kinderachtig. Zelfs al zou het zo zijn “de man uit de grot is god”.  Dan nog. Dan nog. Begrijp je dan niet dat ìn dat verhaal de grote dingen verborgen zijn die we in de rekensommen niet terug kunnen vinden? Leven, namelijk? Een interpretatie die alle dingen ten goede keert? Juist ook, wanneer de rekensommen van je eigen leven een beetje in de min uitvallen.

Nee, je lijkt het niet te begrijpen. Jongen toch.

Bevrijd je, uit je benarde visie, Lubach. Of zoals Segers notabene, als dàt geen fantasie is, tegen je zei: “Twijfel eens wat vaker”

Ik weet nog wel een paar muizen die je erbij willen helpen.

Geloven in tijden van ellende.

Of ik er ook wat aan heb, aan het geloof, nu het allemaal even minder leuk is. Die vraag wordt wel gesteld, ja. Of je steun vindt aan God. Aan de gedachte dat Iemand je nabij is. Anderen kunnen het soms zeggen: “Als ik mijn geloof niet had, ik zou nergens zijn.”

En ik?

Heb ik er wat aan?

Hebe Kohlbrugge reageerde kort en een beetje kregelig: “Nooit!”, toen haar gevraagd werd of zij God ook had ervaren in het concentratiekamp. Ze vond het een soort ontkenning van de verschrikkelijkheid van het kamp. Alsof het een prettiger oord wordt, als je “God ervaart”.

Ze had een ander verhaal te vertellen.

Ik weet niet, of ik Hebe’s “Nooit!” zomaar zou herhalen. Ik ervaar de verwondering over het leven. Dat het er allemaal is en dat ik het mee mag maken. Dat ik het goede meemaak en dat ik het kwade meemaak. Het ene is niet uitzonderlijker dan het ander. Het is beide uitzonderlijk. De kans dat ik was geboren was praktisch nul. Ga maar na: als mijn oma een andere opa had getrouwd… en haar oma, en die haar oma, en de oma van die oma. Ze trouwden precies zó dat ik geboren werd. Ik kan er niet over uit. Zo bijzonder.

Dat is wel iets van een godservaring. Die mij draagt en troost en kracht geeft.Alles is veel groter, fascinerender en fantastischer dan je denkt.

Maar het is uiteindelijk ook niet míjn hele verhaal.

Laat ik hier beginnen: geloof is geen ‘verbandtrommel voor mindere tijden’. Soms wordt het wel zo gevoeld: “toen ik het moeilijk had, was God bij mij”. Ik haper bij die woorden. Daarvoor is het beeld van het verdronken kind te sterk. Hij had het veel moeilijker dan ik het ooit zal hebben. Was God dan niet bij hem? (Ja, zullen sommigen zeggen: God was bij hem in zijn dood, maar dat vind ik te gemakkelijk. En te moeilijk tegelijkertijd. God had dan ook wel in zijn leven kunnen zijn. Toch?)

Er is nóg een reden waarom ik het niet zo zou zeggen: het grote verbod in wat wij het Oude Testament noemen. Het verbod op huisgoden. Even iets over hen, over die huisgoden: zij zijn uitermate handige figuren. Ze beschermen je tegen diefstal, roofoverval, blikseminslag, plotselinge sterfte van kinderen, tegen alles eigenlijk. Je zet ze dagelijks voedsel en gebeden voor: en hup! zij gaan voor je aan het werk. Security Service. Especially made for you.

Zo is de God van Israël niet. Hij is géén huisgod.

Hij is er niet om mijn kwalen te verhelpen.

Wie is Hij dan wel?

Hier komt mijn verhaal. Ik geloof niet, omdat ik denk dat het leven daardoor gemakkelijker wordt. Ik geloof niet om het zelf gemakkelijker te hebben. Ik geloof evenmin trouwens dat ik het moeilijker heb doordat ik God trouw wil zijn. Om Augustinus te parafraseren (een gelovige uit de vierde eeuw): ik geloof niet om een beloning te ontvangen, ik geloof ook niet om een straf te ontlopen. Ik geloof, omdat ik overtuigd ben van de juistheid van het Verhaal.

Het Verhaal van God.

Dat het namelijk niet gaat om veiligheid, maar om recht. En om het herstel daarvan. Ik geloof dat het juist is om te leven voor de ander. Om je leven in te zetten voor anderen. Om het weg te geven.Om het uit te delen als zaad.

En ik geloof dat, om dàt leven voor elkaar te krijgen, het nodig is om te verlaten wat je hindert: mijn egoïsme, mijn hardheid, mijn ik-gerichtheid.

Ik geloof dat het juist is – en het enig juiste- om ruimte te scheppen voor het wonder van de ander. En om achter te laten wat mij daarin hindert: mijn ergernis aan de ander, mijn angst voor de ander, mijn haat jegens de ander.

Het Verhaal van God is het verhaal van: er zijn altijd mannen en vrouwen onderweg geweest naar een betere wereld. Zij hebben zichzelf als water gegeven voor de groei daarvan.

Nu ben ik geen Sint Fransiscus. Had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben geen moeder Theresa, had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben ik. Maar ik geloof wel, dat God – en daar komt Hij dan- dat God het mij gééft om opener, eerlijker, ruimer te worden. Meer te worden zoals Hij.

Mijn leven wordt verbonden met Zijn Verhaal. Dat is de draagkracht en de spankracht van mijn bestaan. Ik geloof dat ik naar het juiste streef. Ook al lukt mij dat nog lang niet. Ik zit wel in de goede film, zeg maar.

Henri Nouwen heeft eens gezegd: “Het is niet van betekenis hoe lang je hebt geleefd. Het is van betekenis wat je hebt geleefd.”

Daarin helpt “mijn geloof” (dat helemaal mijn geloof niet is, maar het geloof van zovelen duizenden voor mij, na mij, en om mij heen) mij: het geeft mij inhoud aan dat “wat”. Inhoud aan”wat” ik leef.

Ook in beroerde tijden.

Sodom en Gomorra: het was de homoseks niet.

Nee, Sodom en Gomorra (hier) zijn niet de steden van de homo’s. Alle brieven, preken, e-mails en tegenwoordig zelfs messengerberichten ten spijt die dit wel beweren. God keerde de steden niet om vanwege homoseksuelen.

Ik zal je niet proberen te overtuigen met het argument dat in de tijden van de bijbelschrijvers seks tussen twee mannen of tussen twee vrouwen als een abjekte abberatie werd gezien – terwijl wij nu anders kijken; wij begrijpen dat er een gevoel, een harteklop, een verbondenheid in schuil gaat die niet veel anders is dan die tussen man en vrouw. Ik ben er wel van overtuigd dat het zo is: Paulus had geen idéé van zoiets als seksuele geaardheid. De Genesisschrijvers evenmin: hoe zouden ze kunnen. Pas de negentiende eeuw deed deze ontdekking: dat het niet om verdorven moraliteit gaat maar om liefde.

Niet iedere bijbellezer wordt door dit argument overtuigd. Dat is een feit, al betreur ik die.

Ik zal je ook niet lastig vallen met de gedachte: “dit zijn verouderde teksten.” of “dit is de wet”.  Ik deel die argumenten niet. De afspraak bij bijbelteksten is: we nemen ze serieus. Omdat wie leest, er van uit gaat dat er wijsheid te vinden is in deze woorden. Op z’n minst. En op z’n meest: dat jou, terwijl je leest, een werkelijkheid tegemoet komt die wij het kortst “God” kunnen noemen.

Ik hoef je niet te overtuigen dat het in Sodom en Gomorra niet om homoseksualiteit gaat. Het zijn de bijbelse geschriften zelf die het je voorzeggen. Eerder in Genesis wordt melding gemaakt van de zware zonden van de steden. Dat de ernst daarvan is doorgedrongen tot in de hemel. Beide steden deden de wereld schudden op hun grondvesten. Hun namen gaan als een grote afschrikking door de profeten. Jesaja noemt ze, Jeremia noemt ze. “Word niet omgekeerd zoals Sodom en Gomorra!” Doe niet wat die steden hebben gedaan. Maar wat deden zij dan?

Ezechiël vertelt het ons: de steden waren rijk, de inwoners aten hun brood met trots, maar was er een arme, dan boden zij geen hulp, was er een weduwe dan reikten zij niet hun hand, “zij bleven”, zo vertaalt Pieter van Oussoren “op veilige hoogte” (hier)

De steden waren arrogant. Op zichzelf gericht. En dáárom stortten zij ineen. Ze waren al dood, zeg maar, terwijl ze nog leefden.

Jezus zegt: “Ze aten, ze dronken, ze plantten, ze verbouwden, kochten en verkochten” (hier). Wij zouden parafraseren: het was één en al consumentisme. Maar dat er ook nog iets te dóen was in het leven. Voor een ander. Dat er überhaupt antwoord te geven was – dat ontging de Sodomieten ten volle.

Geen woord over seks. Laat staan over homo’s.

Wat staat er dan in  Genesis 19? Als we van dichtbij gaan kijken, blijkt dat het hele homoverhaal op één werkwoord vastzit: “opdat wij die mannen te grazen nemen”, las ik ergens. Jada in het hebreeuws. Het werkwoord betekent in bijna alle gevallen: nauwkeurig leren kennen. En in een aantal – niet onbelangrijke- gevallen betekent het werkwoord: seks hebben. De Statenvertaling zegt mooi, dat Adam Eva bekende. Ook daar staat datzelfde werkwoord: jada.

Willen de mannen hier wel allemaal seks? Van jong tot oud? Dat zou wel heel kras zijn. Het lijkt me ook niet aan de orde. Wat de stad wil is dit: laat die mannen naar buiten komen, dan kunnen wij eens flink uitzoeken wie zij zijn, waar zij vandaan komen en wat ze hier eigenlijk moeten, in die stad van ons. De stedelingen sluiten zich op in hun eigen identiteit die zij als superieur beschouwen. Zíj hoeven zich niet te verantwoorden. Dat moeten die vreemdelingen maar doen.

Bijbels de-wereld-op-zijn-kop, blijken de vreemdelingen Gods aanwezigheid te vertegenwoordigen. Zij zijn engelen van God. Maar dat weten die mannen niet!

En Lots poging dan om de stedelingen tot bedaren te krijgen door zijn eigen dochters aan te bieden? John Boswell deed een uitgebreide studie naar stadsoproer in rurale samenlevingen en kwam tot de schokkende slotsom: dreigende opstanden werden standaard met vrouwen geblust.

Dat is een gruwelijke conclusie, maar rechtvaardigt niet de gedachte “Lot vond het minder erg als de mannen i.p.v homoseks, heteroseks zouden hebben.”

Ik hoop dat het (al even verschrikkelijke!) verhaal uit Richteren 19 een absoluut nodige correctie is op de gedachte dat vrouwen wel ingezet zouden mogen worden voor de stadsvrede. In dat boek, in dat hoofdstuk wordt verkrachting verafschuwd en afgewezen.

Dus, lieve dreigbrievenschrijvers. God liet zijn toorn niet dalen over de “homo’s in de steden Sodom en Gomorra”.  U leest echt niet goed. God toornde over de harteloosheid van de stad, over de vreemdelingenhaat. En over de arrogante weigering om veiligheid, onderdak en brood te delen.

Daar zou ik nou wel eens een brief over willen schrijven: over onze harteloosheid. De harteloosheid van Europa die de wereld op zijn grondvesten laat schudden.

Desnoods anoniem.

 

Twaalf dagen. Niet twee.

Zo, de ergste hitte van het feest hebben we weer gehad. Mag ik er dan nog even op terug komen? Op kerst? Er zit me namelijk iets hoog. Dat iedereen veel te veel haast heeft.

Gisteren zal ik al weer kerstbomen buiten op straat liggen. “Gelukkig, dat hebben we achter de rug.”, zeiden ze. Ik las, dat in Amsterdam het dagelijkse bestaan zelfs Tweede Kerstdag al weer door holde: alle winkels open, de stadsreiniging veegde al weer, de toeristenindustrie draaide op volle toeren. Geen geduld, we moeten door. Twee dagen: we vinden het genoeg. We vinden het te veel.

Breaking news voor allen dan: kerst duurt niet twee dagen. Het feest telt twáálf dagen. Twaalf? Ja, twaalf. En als je een echte hardliner bent, kun je doortellen tot veertig dagen: tot aan twee februari. Ik ken iemand die de kerstboom na Pasen nog had staan. Maar dat was uit gezelligheid, en dat is iets anders.

Kerst, de christelijke variant daarvan, heeft in wezen niets met gezelligheid. Voor een dominee is dat ieder jaar opnieuw een heel gedoe. Het midwinterfeest is gezellig. Kerst is dat niet. Of zou het niet moeten zijn. Niet allereerst.

Wat zingen de christelijke kerstliederen? Ook de meest zoete? “Wereld, verloren in schuld”, “kyrië- eleis”, “Hij daalde neer van ’s Vaders troon.” En het scherpste: “Maar wie dit kindje kussen wil

En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,

Om in het volgende couplet nog meer de bitterheid van het leven op te zoeken

en daarna met Hem sterven,
om geest’lijk op te staan
en ’t leven te verwerven,
gelijk Hij heeft gedaan.
Bij de kerstkalkoen is het moeilijk sterven. Of er moet iets mis zijn geweest met het recept.
De kerstliederen hebben beter begrepen waar het om gaat, dan veel kerstsfeer voor waar wil hebben: dat er nood is, dat er schuld is, dat er pijn is, dat deze wereld geen paradijs is. En dat daar een roep van uit gaat. Dat het lijden van mensen om een antwoord roept. Om een heling, een aanwezigheid. Dat het niet mag verdwijnen zonder gezien of gehoord te zijn.
G’d antwoordt: Ik zal er zijn. Ik zal horen, ik zal zien, ik zal dragen
Je leest het in Lucas. Over de nacht, waarin herders waakten (prachtig beeld: er zijn mensen die de nacht doorstáán). En over Bethlehem, de stad die Huis van Brood heet. Wat is het brood? Het kind dat zich geeft.
G’d daalt af tot onder de planken van het wereldtoneel, schreef Oepke Noordmans ooit. Dat er draagkracht is, waar je dat niet dacht. Dat jij dus kunt zijn waar je dat niet had gedacht. Dat het misschien wel onze roeping is om dáár te zijn waar niemand zijn kan. Wat het ons ook kost.
De eerste twee dagen van kerst komen we daar niet zo aan toe. We scheppen een eigen hemel van vriendschap en familieliefde. Dat is niet niks. Maar het is niet kerst. Het is een vluchtheuveltje tegen de wereld. Ernst Daniël Smid zei op de radio: ‘even alle zorgen opzij’ Derde kerstdag zijn de zorgen er weer.
Dus zul je er toch iets mee moeten. Wat je weg werkt komt later met grotere kracht terug.
Tweede kerstdag leest de kerk de geschiedenis van Stefanus. De man diende mensen en volgde de Heer. Hij beleed dat het licht van Christus schijnen kan en schijnen zal. Hij werd gedood. Zijn naam betekent “Overwinningskrans”.  Wat? Overwinningskrans. Waarom? Omdat hij het juiste had gekozen.
Op vierde kerstdag leest de kerk de verschrikkelijke geschiedenis van de moord op honderden kinderen in Bethlehem. Omdat Herodes, de koning, bang was zijn macht te verliezen. Zo ver kan een mens dus zinken. Het lezen van de geschiedenis is al ruimte scheppen voor G’d. En willen horen naar al die plaatsen waar nòg kinderen het onderspit delven. Aleppo, Sierra-Leone, Bolivia. Dichterbij: als kinderen worden verwaarloosd, mishandeld, misbruikt.
Op de zevende kerstdag leest de kerk uit Romeinen 3. Het felle stuk over onze dood. Wij zijn het die deze wereld maken zoals die is. Wij verwaarlozen kinderen. Het zijn niet de aliëns onder ons die keer op keer oorlog bedenken.”Maar”, vervolgt Paulus: “buiten elke regel, redelijkheid en logica om (nomos) is nu de Heer verschenen.” Ondanks het duister is ook, altijd, het licht. Omdat er duister is, zal er ook altijd licht zijn.
Op 1 januari, achtste dag van kerst, leest de kerk over de besnijdenis van de Heer. Zijn toewijding aan de G’d die zegt: “Ik wel”.  “Op mij kun je aan” De toewijding snijdt. In ons.
Op de twaalfde kerstdag, 6 januari, leest de kerk over de magiërs. Magioi in het Grieks. Mensen die het leven in eigen hand willen houden. Zodra zij het kind op het spoor zijn, verdwijnt in de tekst (je vindt het in het Mattheus-evangelie) die aanduiding. Ze kunnen dan nog maar één ding: knielen.
Kerst gaat over: G’d die verschijnt.  Kerst vraagt: dat ook wíj verschijnen. Niet ontkennen. Niet wegduwen. Toelaten. Verstaan. Ja, zeggen.
Laat het feest daarom ook alle twaalf dagen duren. Al was het maar vanwege die laatste zin uit de Mattheuslezing: “door een droom gewaarschuwd, keerden zij niet terug naar Herodes, maar zij volgden een nieuwe weg.”
Nieuwe wegen vinden gaat niet zomaar in een dag.

 

In de waarheid te leven

zeist-580x260

 

Een paar honderd oudere, enigszins sjiek in het donker geklede mensen kwamen gisteren bij elkaar in de pure, witte kerk van de Broedergemeente in Zeist. Aan het Zusterplein. Ze gedachten Hebe Charlotte Kohlbrugge. Zij stierf vorige week in de leeftijd van 102-jaar.
Vóór in die kerk staat geen altaar. Zelfs geen avondmaalstafel. Meer een keukentafel, eigenlijk. Op een verhoging. Met een grote stoel er achter. Daar zit de voorganger, de hele dienst lang. Wonderlijk genoeg gaf het de samenkomst de sfeer van een vergadering met notulen, raadsverslagen en een voorzitter. Dat past wel bij Hebe, dacht ik. Haar verjaardagen waren ook altijd iets van “bijeenkomsten van het commandocentrum” geweest. Het moest wel ergens over gáán. De situatie in Midden Europa. Het engagement van haar verjaardagsgasten. Ze wilde het weten en vroeg je naar het hoe en het wat. Daarbij onthield ze je haar commentaar beslist niet. Maar ook haar meelevendheid hield ze niet verborgen.
“Een leven in de waarheid”, zo zei een van de voorgangers over haar. Als jonge vrouw was ze au-pair geweest bij een neef van Churchill. De eigenlijke Churchill was nogal tegen gevallen “een ouwe brompot” noemde ze hem eens. Zijn neef was onder de indruk van Duitsland, het waren de jaren dertig, want dáár gebeurde iets nieuws, iets sociaals. Heel anders dan het duffe, nuffige Engeland. Hebe wilde “dat heerlijke” wel meemaken en reisde af naar Nazi-Duitsland. “Maar het heerlijke bleek afschuwelijk te zijn”, zo liet ze de predikant voorlezen uit haar levensgeschiedenis. De Broedergemeente vraagt aan elk van haar leden om een levensbeschrijving te maken voor het geval dat…
Zo ook Hebe.
Het trof mij opnieuw. Een jonge vrouw in Duitsland en zíj zag wat miljoenen nog niet konden of wilden zien. Zou ik het hebben gezien? Ik weet het niet. “Waarom u wel?”, zoiets vroeg een interviewer haar een paar jaar geleden. “Dat weet ik niet.”, had zij geantwoord: “Dat weet alleen de Lieve Heer.”
Gisteren probeerden we de Lieve Heer het antwoord te ontfutselen. Hoe kon Hebe haar leven lang zo scherp zijn op recht en rechtvaardigheid? Was het haar karakter, haar overgrootvader, haar onaangepastheid? In de oorlog werkte zij in de illigaliteit (Oh, wat had zij een hekel aan het woord verzetsstrijdster, zei de dominee), ze werd gearresteerd en naar kamp Ravensbrück gedeporteerd. Na de oorlog bouwde zij in opdracht van de Nederlandse Hervormde kerk aan nieuwe bruggen met Duitsland. Nog weer later zocht zij dissidenten op in Tsjechie, de DDR en Roemenië. Hilarisch en indrukwekkend is haar relaas over de zoektocht naar Vaclav Havel in de jaren zeventig, toen het regime hem ergens had weggestopt. Uitgezet uit Tsjechië, reisde zij er unverfroren weer heen. Er was een vriend in nood. Anderhalve meter hoog en “zonder luister of gestalte” werd gisteren mooi gezegd. Maar daar kwam ze aan. En vònd Havel.
Dat is het grootste wonder.
Wat was dat? Ze vond haar drijfveren in het Johannesevangelie, werd verteld. Dat de waarheid je vrij maakt. Dat Jezus de waarheid is. En dat, wie uit de waarheid is, naar Zijn stem luistert. Het evangelie maakt je vrij van alles wat vanzelfsprekend is. Wat je zo op het oog niet ziet. Wat je als onder “een verstikkende deken houdt”, woorden van Hebe. Wie vrij is, is niet bang. En wie niet bang is, ziet scherp.
En dan waren er ook de mannen als Karl Barth, Oepke Noordmans, Miskotte, Rosenstock – die trage theologen. Beetje wereldvreemd ook. Maar juist daardoor: vlijmscherp. Miskotte schreef vóór de oorlog al “Edda en Thora”. Dat God de machten (lees: het nazisme, het heidendom) stom slaat.
Vaclav Havel werd genoemd. Zijn pamflet “Poging om in de waarheid te leven” had zij letterlijk en figuurlijk verslonden. Het was haar voeding geworden. Ik dacht aan mijn eigen studententijd. Dit boekje heb ik maanden in mijn zak meegedragen. En er keer op keer uit gelezen. Hij vertelt over een groentenman in Tsjechië die op een dag besluit: “Ik hang het bordje “Proletariers aller landen, verenigt u” niet meer in mijn etalage”. Daarmee ontmaskert hij het regime. En hij draagt de consequenties. “Wij moeten op onze plek gaatjes in de deken prikken”, zei Hebe. Ik ben nog eens naar haar toegereisd om haar de vraag te stellen, hoe je de deken herkent. “Door je verstand te gebruiken”, was haar eerste, korte antwoord. “En lees de goede boeken.”
Haar zuster Hanna werd genoemd. En toen werden de aanwezigen heel stil in de kerk. Haar zus met wie ze zoveel had gedeeld. Studie, gesprek, reizen. Ze hadden hun leven met elkaar gedeeld. Hanna stierf op 13 december 1999. Hebe stierf op 13 december 2016. Na díe zinnen werd de stilte nòg dieper.
Ik keek om mij heen. Met een schok besefte ik: dit zijn de mensen van mijn jeugd. Ineens herkende ik ze weer. Deze mensen die net niet helemaal deel uitmaken van de wereld. Omdat ze andere boeken lezen. Anders kijken. Anders leven. Langzamer en daardoor zo veel scherper.
Verontrust liep ik na afloop terug naar de auto. We namen afscheid van Hebe. “Dit àlles gaat voorbij”, dacht ik. Miskotte, Noordmans, Barth, Rosenstock. De kerk, ook de kerk, is hijgerig geworden. Wil er te graag bij horen. Is dat de deken van vandaag, in de kerk?
“Het enige gaatje in de deken kun je zelf zijn”, zei Hebe ooit. Ik zal mijn best doen het als een oproep te zien. De laatste uit het commandocentrum Kohlbrugge

Zondig

Een derde van de witte Nederlanders vertrouwt zijn medemens niet. Ze vinden zelfs niet dat de méésten anderen te vertrouwen zijn. Onderzoeksresultaten in Trouw.

Ik kijk altijd op van zulke berichten. Zouden er bij mij in de straat ook zulke wantrouwigen wonen? Een derde! Dat is nog al wat. Dat komt in ons straatje toch al gauw op zes personen. Wie zouden het zijn? Die nooit hun hand opsteken? Of zijn zij juist heel vertrouwensvol: “je weet dat het goed zit, dat hoef ik niet met zwaaien te bevestigen, steeds”?

Tot welke groep zouden de wantrouwigen zichzelf rekenen, eigenlijk? Denken ze, dat ze zelf wèl goed in elkaar zitten, maar de rest van de wereld niet? Of kennen ze zichzelf, belazeren ze de kluit en vertrouwen ze dáárom de ander niet?

Ik ben nogal van het vertrouwen. Ik vertrouw eigenlijk iedereen wel. Ik weet ook niet precies hoe dat komt. Het is zo. Ik denk: “Ik ben zelf geen heilige, maar ik doe toch redelijk aardig.” Dan zal het bij anderen niet anders zijn.

Er zijn geen categorieën mensen. Daar geloof ik niets van. Mensen doén wel goede of slechte dingen. En sommigen doen misschien meer slecht dan goed. Anderen doen misschien meer goed dan slecht. Maar niemand kwam uit een ander soort baarmoeder gekropen, dat die zou kunnen zeggen: “Mij heeft de domheid van het bestaan niet aangeraakt.”

Een paar dagen geleden voegde een rode Hyundai fout in. Ik moest vol op de rem. “Stom koekblik!”, schold ik en nam gelijk alle kleine auto’s maar mee. Kleine auto’s rijden altijd te langzaam op de snelweg. Ze maken nooit gebruik van hun spiegels. Ze voegen te langzaam in, ze geven veel te vroeg richting aan. Ze.

Drie minuten later haalde ik een vrachtwagen in. Een BMW achter mij moest vol in de remmen. Oeps.

Hierbij maak ik mijn verontschuldigingen aan de BMW-rijder.

Ik vertrouw de meeste mensen wel. Omdat het leven mij elke dag duidelijk maakt: de stommiteiten die zij uithalen, haal je zelf ook uit. We zijn allemaal even zondig. Of even goed.

Zelfs Hitler, daar ben ik steeds weer stil van: Eva Braun heeft echt van hem gehouden. Je kunt niet volhouden dat ze dan allebei slecht waren. Wat Hitler deed, was door- en door verrot. No discussion. Maar er was blijkbaar ook een andere toegang tot hem.

Als je jezelf kent, en je staat aan jezelf toe dat je bent die je bent, leer je barmhartigheid. Jij kunt er zijn. Maar barmhartigheid houdt niet op bij de grenzen van je eigen lichaam. Ze omhelst ook de ander. Barmhartigheid houdt niet op bij de grenzen van je eigen familie. Of van je vrienden. Ze gaat verder. Als jij er kunt zijn, dan kan ieder ander er zijn. Als jij je best doet, dan zullen anderen dat ook wel doen. Als anderen een stommiteit uithalen, of een onvervalste smerigheid, dan ben je er zelf ook toe in staat.

In de ochtend beginnen we allemaal de dag met een grote plas. Zoiets alleen al zou een band moeten scheppen. Voor honderd procent.