De kerk, de vijandige wereld.

 

Wilma Vermaat.

De naam dook op in een woordpuzzel. En ineens stond die gelovige vrouw, zij leefde van 1873 tot 1967, mij weer voor ogen. Schrijver was ze, van christelijke romans. Ze schuwde het woord God in haar werk niet en ze leefde daarbij vroom en strikt. Zo gaat de anekdote dat in de Tweede Wereldoorlog nazi’s aan haar deur klopten en op eisende toon vroegen of zij onderduikers in huis had. Ze wilde geen onwaarheid doen en zei heel naïef: “ja”.  De nazi’s dachten dat zij hen voor de gek hield en liepen door. Haar huis werd niet doorzocht.

In de jaren tien van de vorige eeuw, raakte zij bevriend met Willem de Merode, schoolmeester en dichter in Uithuizermeeden. De Merode had, in de beschrijving van die tijd, een fatale affectie opgevat voor één van zijn leerlingen. De leerling was minderjarig, èn man. Ik vermoed zomaar dat het tweede zwaarder woog dan het eerste. De Merode werd ontslagen en zat in Groningen een gevangenisstraf van acht maanden uit. Hij zou nooit meer terugkeren in het onderwijs, zelfs het openbare leven was voor hem onmogelijk geworden. Over homoseksualiteit sprak je òf niet, òf veroordelend. De Merode werd veroordeeld.

Maar niet door Wilma. Zij pakte de pen op en schreef het boek “Gods gevangene”. Daarin portretteert zij een homoseksuele onderwijzer. Ze laat zien dat de man geen perverseling is, dat hij niet ziek is,  niet verachtelijk is, maar wel een man die tot liefde in staat is.

In diezelfde jaren woonde er in de straat van mijn moeder een alleenstaande man. Die werd steevast Mietje genoemd. “En toen hij eens van een keldertrap gleed, was dat maanden de grootste grap”, vertelde mijn moeder: “kinderen riepen hem na “Mietje is van de trap gevallen! Mietje is van de trap gevallen.” Dat was de sfeer.

En die doorbrak zij. Ook al begreep zij het zo, dat een relatie voor haar onderwijzer niet mogelijk was. Die grens was hem, dacht zij, door God opgelegd. De Merode zal het zelf ook zo hebben geloofd.

Van de kerk en haar leden bestaat het beeld: altijd tegen homo’s geweest en nooit anders dan dat. De werkelijkheid is, zoals zo vaak, kleurrijker en gevarieerder. In de regressieve cultuur – die wàs er, binnen en buiten de kerk- stonden steeds mensen op die een andere toon aansloegen. Die deuren open deden. Die de mens zagen achter het etiket.

In de jaren vijftig hield Trimbos korte lezingen voor de K.R.O.-microfoon. Het boekje dat hij daarvan maakte “De homofiele naaste” ligt hier nog ergens. Het zijn moedige toespraken. Waarin hij de mensen bij de naam noemde. En onderwees: zij zijn niet gek. En dat in een tijd, waarin je als ambtenaar een onderzoek aan de broek kreeg bij het vermoeden van homofilie en een daaropvolgend ontslag.

Alje Klamer, pastor bij de IKON schreef begin jaren zestig: “Ook al hebben uw ei­gen ouders, uw kerk, uw vrienden u afge­we­zen, ook al zwijgen ze u dood, God aanvaardt u zoals u bent. Laat u niet wijsmaken, dat de Bijbel tegen u is. Dank God voor de liefde, die u als homoseksueel kunt beleven en mag beleven.” Hij had het pad van “je mag het wel zijn, maar niet doen” al lang verlaten.

Het zijn deze enkelingen die geschiedenis schrijven. En wat zij hebben open gemaakt, sluit niemand meer.

De kerk, een vijandige wereld? Het is maar welk verhaal je vertelt.

 

Advertenties

Waarom ik christen ben.

Het is een mysterie, uiteindelijk. Dat ik christen ben, daar ligt een heel fijn web aan ten grondslag van oorzaak en gevolg. Van een vrome oma en een geboorteplek op het westelijk halfrond. Van deze ouders, deze kerkelijke gemeenschap, deze leider van de zondagsschool. Een web dat wordt opgebouwd uit mijn behoeften en verwachtingen. Mijn antenne en mijn weerstand.

Waarom ik Nederlander ben, kan ik je ook niet helemaal uitleggen. Of man. Of wit. Of met schoenmaat 46.

Ik kan wel zeggen waarom ik mij ermee verzoend heb. Christen-zijn is één van die attributen die in mijn rugzak blijken te zitten. Sommige heb ik eruit gegooid. Sommige probeer ik mijn leven lang er al uit te gooien. Sommige keren hardnekkig weer. En sommige zitten er en daar ben ik blij mee.

Dat ik ermee heb ingestemd Nederlander te zijn komt, heel plastisch, door Beatrix. Haar plichtsopvatting. Haar blik op de samenleving. Haar poging om in de waarheid te leven, raakten mij. Als Nederlander-zijn betekent: ik probeer de ander te begrijpen, ik probeer ruimte te scheppen ook voor wie ik niet begrijp, ik probeer samen te leven. Dan wil ik wel Nederlander zijn. Vooruit. Maar goed. Ik zou dan ook een heel beroerde Spanjaard zijn. Ik hou niet van inktvis.

Dat ik christen wil zijn dat komt, al net zo plastisch, door Jezus. Zijn schuld. Hij is zo’n droomman. Niet om te hebben, maar om zelf te zijn. Ik denk dat dit mij als kind al emotioneerde: Jezus neemt geen ruimte in ten koste van. Maar hij geeft ruimte. Ten bate van. De ruimte die hij inneemt is tegelijk een ruimte om te delen. Legio zijn daarover de verhalen: er zit een bedelaar langs de kant van de weg. Hij roept en schreeuwt. Dat doet hij al jaren en niemand hoort hem meer. Maar – en dan worden de evangelisten ineens heel precies- Jezus staat stil. En hij hóórt de man. Hij keert zich om. En hij vraagt: Wat kan ik voor je doen?

Vier keer een wonder. Ik weet zelf hoe je opleeft, wanneer iemand je uit de massa wegvraagt en jou ziet. Niet iemand ziet, maar jóu.

En dan gaat het huppelen in mijn hoofd. Dus als ik het goed begrijp word ìk zo gezien. Want, grote stappen snel thuis, zoals Jezus zó God. En God, nog een keer grote stappen, dat is de waarheid over het bestaan. Dit is de waarheid: ik doe er toe. Als ik roep, word ik gehoord. Ik ben geen grijze muis. Dat is één.

En twee: je kunt zelf ook zo worden. Nou ja – nee. Ingewikkelder: zo zul je nooit worden. Het is daarom geen ramp als het je niet lukt. Het zal je niet lukken. En toch is het zinvol om te streven. Woonplaats van een ander te worden.

Het moderne seculiere geloof is: jij bent het centrum. Zorg voor jezelf. Jij werkt ervoor. Het komt jou toe. Het is van jou. Jij bepaalt. Je bent je eigen baas.  Het is allemaal waar. Maar als dit de enige toonladder is die wordt bespeeld, is het helemaal níet waar. Als wij allemaal het centrum zijn, wie zorgt dan nog voor de rest? Wie luistert er dan naar wie? Wie vangt dan wie op?

Het zegt bovendien niet hoe wij mensen in elkaar steken. Ik geloof (maar ja, geloof…) helemaal niet dat wij mensen zijn geboren om voor onszelf te leven.

Dan maar liever de andere kant: er wordt voor jou gezorgd, zorg jij evenzo voor de ander.

De belofte is dat als we dat doen, zo – met al onze fouten en falen en mislukkingen erbij, de wereld goed en mooi zal worden.

En daar ben ik blij mee.

Alleen die schoenmaat nog van mij.

Kan daar nou niet iemand wat aan doen?

Oh ja, de kerk

 

Het woord “kerk” is een blikopener. Het trekt het dekseltje van een pak vol narigheid. Kerk staat voor benepenheid, voor zwarte kousen, voor misbruik, voor gewetensbeperking, voor arrogantie, voor discriminatie, de kerk staat zéker voor slecht zingen. Ik begrijp wel, dat de kerk onderaan bungelt als het om het vertrouwen van Nederlanders in instituties gaat. Ze heeft het er zelf naar gemaakt.

En toch ben ik er – nog altijd- lid van. Sta in het hart van deze gemeenschap. My god, waarom?

Nou, niet alléén omdat de kerk mij betaalt. Als de golven van ook mijn afkeer voorbij zijn, en ze golven, vaker dan mij lief is, breekt er ook iets anders door. Ik zie in de kerk mensen die aandacht voor elkaar hebben. Die week-in-week-uit elkaars leven delen. Op een geduldige, barmhartige manier. Ik zie vriendschap, vertrouwen, ik zie mensen die het beste in elkaar wakker maken.

Een aantal jaar geleden lag hier het hele bestaan weer eens ondersteboven. Het was vijf mei. In de krant las ik,  toevallig, dat er in een kerkje in Oost-Groningen een kerkdienst zou zijn. Ik was er. Psalmen werden gezongen. Er werden oude teksten gelezen. Mensen waren stil en luisterden. Het licht viel door het ontluikende lentegroen tintelend en glimlachend de kerk in. Genesis 1 voor je neus.

Ik ben lid van de kerk, vanwege een onuitsprekelijk geheim. Je kunt er eigenlijk alleen maar verhalen over vertellen. Hoe een man hier op het dorp zijn leven op de rails kreeg doordat hij op een ochtend de kerkdrempel overstapte. Hoe een oude vrouw haar ogen dicht deed, zodra zij maar een psalm aanhief. Je voelde aan alles: zo zong zij al haar leven lang. Over een andere man die ziek werd en een hele gemeenschap mensen bewoog maanden, jaren met hem mee en slaakte een ontroerde zucht toen een kleinzoon van hem de kerk kwam binnenrennen en luid riep “Opaaaaa!” Het verhaal over een zoon die zijn vader meer dan een jaar trouw, elke zondag, naar de eredienst bracht. De vader verdween steeds meer in de wereld van alzheimer, de zoon zat naast hem. De vader werd dover en dover. De zoon en hij zaten naast elkaar. Werd het onze Vader gebeden dan bad – oh!- de vader mee. Hardop. En zei als laatste van allen “amen”. Alsof hij al dingen zag die wij nog niet zagen en daarbij had stil gestaan.

Ik ben lid van de kerk vanwege God. Laat ik het geheim maar een naam geven uit onze traditie. De God die zegt: “Ik zal er zijn”.

Ik zie het elke zondag gebeuren in de erediensten. Ik zie het door de week. Ineens zie je het overal: mensen, gelovig, niet-gelovig, godloos, leuke mensen, niet zo leuke mensen, je ziet hoe ze gebaren van vriendschap aan elkaar geven. Ik zie het, dankzij de bril die ik in de kerk leer te dragen.

Nou ja, soms zie ik het ook helemaal niet. Mensen maken er vaak een potje van.

De gemeenschap van de kerk, en ja vooruit: óók het instituut Kerk, zij hebben mij dit geleerd: geloof dat de momenten waarop je het wel ziet sterker zijn dan de momenten dat je het niet ziet. Verdraag de ellende, dan zul je de schoonheid zien.

En die is overweldigend.

“Vindt u dat normaal dan?”

Getergd riep Antoine Bodar zijn woorden uit. Of wij het normaal vonden: al die homo’s, lesbiennes, transgenders en interseksuelen. Het was in een gesprek dat moest gaan over iets als een “roze lente” in de christelijke kerken. Bodar vond dat het abnormale tot het nieuwe normaal werd verklaard. En het normale tot het nieuwe abnormale.

De Waarheidsvriend publiceerde afgelopen week een column over sekse en genderidentiteit. Beter gezegd: het was een column die wilde vaststellen dat er geen conflict tussen beide kon bestaan. Mannen zijn mannen. Vrouwen zijn vrouwen. Klaar Mannen vallen op vrouwen. Dat is normaal En omgekeerd. Dat is normaal. De LGBTI- wereld moet niet doen alsof dat anders is.

Rome en de nadere reformatie beginnen elkaar te vinden, blijkbaar.  In de gedachte dat er een normativiteit bestaat, waaraan niet getornd kan worden. Een scheppingsorde. Vaste zuilen. De hetero past daar in. De rest valt er buiten.

Mij verbaast die stelligheid. Nog los van de schrille toon waarmee zij wordt verdedigd. Hoe kun je van een vaste ordening spreken, als alles in deze wereld beweegt, vloeit en verandert. Onze opvattingen allereerst. Honderd jaar geleden werd heus anders gedacht over de rol en de eigenheid van mannen tegenover die van vrouwen. Homoseksualiteit werd toentertijd net als iets wezenlijks (en niet als perversiteit) ontdekt. Van transgenders had nog niemand gehoord -ook al waren ze er wel. Er zijn verhalen van vrouwen die als man leefden, ook toen. Alleen zag men er nog “niets” in. Structuren die wij menen te zien zijn ten hoogste hulpconstructies om onze wereld te ordenen. Ze bestaan totdat ze door andere vermeend geziene structuren worden overgenomen. Er is geen vaststaand gebouw. Geen binnen en geen buiten.

De stelligheid van “dit is de norm” verbaast mij nog meer, daar de Bijbelse geschriften helemaal niet door deze gedachte worden gedragen. Er is geen hok waarin alle mensen moeten passen. Ik zie wel een eindeloos doorgaande poging tot ordenen. En weer ordenen. En nog een keer. Exodus, Leviticus, Deuteronomium – en bij de evangeliën gaat alles nòg een keer door de gedachtenmolen.

De dragende term van de Bijbelse geschriften is “genade”. Wat je hebt is niet vanzelfsprekend. Je hebt het gekregen. Je hebt het niet verdiend. Het is niet logisch. Het is een cadeau. Het had allemaal ook net zo gemakkelijk heel anders kunnen zijn. Nog gekker: je kreeg alles ondanks jezelf.

Ik begrijp niet helemaal hoe iets wat je kréég de norm kan zijn. Is er een normatieve lengte van mensen? Een normatieve vorm van handen of voeten? Een normatieve knie? Ooit dachten we dat er normatieve neuzen waren. Daar is grote ellende van gekomen.

Genade is de speelruimte, waarbinnen alle vormen en bewegingen mogelijk zijn. De een kreeg dit, de ander dat. Dat het ene meer voorkomt dan het andere, wil niet zeggen dat het ene normatiever is dan het andere. Het water is toch niet normatiever op aarde dan het land, alleen maar omdat er meer van is?

Je bent blij dat ze er allebei zijn.

Ja, het is eigenaardig dat sommige mannen van mannen houden. Het is héél eigenaardig dat sommige mensen de ervaring hebben in een verkeerd lichaam geboren te zijn. Het is eigenaardig dat kinderen met een intersekseconditie geboren worden.

Maar het is niet eigenaardiger dan een man die verliefd wordt op een vrouw. Een vrouw die verliefd wordt op een vrouw. “Ware liefde”, vroeg Szymborska zich al af: “Is dat normaal?”

Nee. Het is niet normaal. Het is een groot, groot, groot wonder.

Welke vorm ze ook heeft.

daar trekt over de bergen en door het grote bos…

 

“God staat op, de vijand stuift uiteen.”

Zo’n zinnetje leest na Pasen ineens heel anders. In de kerken vierden we die ongelofelijke weg van Jezus. Die het volhield om het ware te doen, scheppend te zijn en te zegenen. Die nooit een verkorte route koos, maar die het geduld vasthield. Of de woede. Maar dan de woede op het juiste moment, op de juiste plaats. Als een halt tegen het duister. En niet al bron van duister.

Ik kijk vaak naar Hem, en alle keren gebiologeerd. Hoe hij in het tempo van het langzame door het land trekt. Met zíjn oog op mensen.

Onze wereld is ongeduldig en kent andere belangen dan het bestaan van mensen. De wereld liep Jezus onder de voet en verpletterde Hem. Einde verhaal. Einde van de poging in een andere wereld te leven.

En dat laatste, dàt is dus niet waar. Pasen viert dat de ‘weg van Jezus’ niet stópte, maar doorbrak. In Hem eindigde niet, in Hem begòn. In de kerken vieren we, elke zondag, God stond op. De hoop zal niet breken. Het recht zal niet barsten. De mensen zullen leven.

“God staat op, de vijand vlucht” staat in Psalm 68. En wij opgepoetste Germanen hebben de omweg via Jezus nodig om het regeltje te kunnen lezen. Vanwege dat woordje ‘God”. In onze contreien, met hun slagregens en koude winters wordt God al gauw iets als “die de sterkste is” God als een stootwapen tegen wie jouw boterhammetje wil. Jouw waterbron. Jouw man, jouw vrouw. God tegen jouw, eh, vijand.

Zo is de psalm ook wel gelezen, helaas. God staat aan onze kant, en al die domme anderen zullen verdwijnen. De Paapsen, de Gereformeerden, de Turk. Het is een diep-heidense gedachte dat hij-die-jij-niet-bent weg moet. Het is een nog dieper heidense gedachte dat God daar wel even voor zal zorgen.

We lazen de psalm in ons kleine winteravondgroepje. In het duister komen wij al jaren geregeld bij elkaar om in de psalmboek licht te vinden. We lazen na de eerste regel door. En raakten bedwelmd door de feestmuziek die opstijgt. Want, zo schrijft de psalmist, achter God aan komt een hele stoet van mensen. Van alle kanten komen zij. Kijk! Daar is Benjamin! En zie! Daar komt Juda! Vrolijk begroeten huisgenoten elkaar. Maar zie nog eens! Daar komt Egypte, het machtige Egypte. Het vijandige Egypte. Met -ooit- zijn tiggelgroeves en zijn martelkelders. Het heft zijn handen. Het wil meedoen! En daar is Kus. Ook zo’n wat-moet-jij-hier-land. Kus draagt geschenken voor God.

Want God, zo zingt de psalm beschermt de wezen, hij geeft weduwen onderdak. Hij biedt eenzamen een knappend haardvuur en sloffen aan de voeten. Hij bevrijdt gevangenen.

“Die zinnen”, zei één van de lezers: “vind ik wel het hart van God. Dit is alles wat wij over Hem kunnen zeggen. Hij komt op voor wie hier buiten de boot vallen.”

Er trekt een feeststoet door de wereld. Kreupelen, armen, zotten en dwazen dansen over de wegen. God loopt voorop. “En de machtigen”, zo vertaalt Kees Waayman: “de machtigen fladderen weg. Ze fladderen weg.”

 

 

 

Bah, wat heerlijk: een lijf.

In de kerk.

Slim is de oplossing wel: we doen in de kerk gewoon alsof we helemaal geen lichaam hèbben. De Rooms-Katholieke Kerk heeft het zo bedacht, maar de protestantse kerk nog méér. We preken over het heil van onze ziel. Geëngageerde of maatschappelijke preken zetten we weg als “praatjes, verhaaltjes”. En als we zingen “Ik kniel hier voor uw zetel neer.”, dan doen we dat.. juist ja: zittend. En zingen we “Heer, ik hef mijn hart en handen op tot U”, dan stoppen wij onze hand gauw in onze broekzak. Of onder ons kussentje. Zo, weg lichaam.

Er zijn mensen die op de eerste zondag na nieuwjaar niet naar de eredienst komen, want dan wordt er zo veel gezoend.

Het lichaam. Is lastig. Roept vragen op. Wil dingen. En herinnert ons er constant aan dat we niet zo rationeel, keurig en afgemeten zijn als we wel zouden willen.

In de samenleving.

Ondertussen zijn ze buiten de kerk ook niet gek. (Het onderscheid tussen beide werelden is imaginair, dat begreep je al, maar toch bruikbaar.) Daar aanvaarden ze het lichaam. Maar niet helemaal. Het lichaam mag meedoen voor zover het jong is, leuk is, hip is, gezond is, wit is, compleet is.  De andere lichamen laten we gewoon niet zien. Niet in de reclame, niet in films (de belichting is nog nooit zó afgesteld dat die goed is voor een acteur van kleur), niet in andere programma’s. Het moet wel leuk blijven.

Er is nog iets…

Doordat we doen alsof we allemaal reine, dezelfde zieltjes zijn, bestaat de wereld van de theologie uit Augustinus, een beetje Plato, Thomas van Aquino, Calvijn, Hofstede de Groot, Karl Barth, Harry Kuitert. Valt je al iets op? Moet ik nog even verder? Luther, Voetius, Bill Hybels.. Als je in de jaren tachtig vroeg: het zijn wel allemaal mannen, is dat niet gek? Dan keken mensen terug alsof je zelf niet helemaal goed was. En zeg je er nu bij: ze zijn ook allemaal wit! Dan zit je binnen drie minuten bij zwarte piet op schoot. En zeg ik daar nog weer bij: ze lijken me ook allemaal heteroseksueel, dan slaan de zenuwen pas echt toe. “Niet zo raar doen”, roept men.

Er bestáát wel theologie die vanuit het oogpunt van vrouwen (-lichamen) is geschreven: feministische theologie. Maar dat is natuurlijk niet de èchte. Er is ook theologie die haar Sitz im Leben neemt bij mensen in de marge, armen, onderdrukte mannen en vrouwen, mensen van kleur, seksuele minderheden: bevrijdingstheologie. Maar ook zíj is niet dè theologie. Ze is de uitzondering. Niet raar doen.

De wereld buiten de kerk hoeft zich nu overigens niet op de schouder te kloppen van tevredenheid. Ook dáár is  man- wit- westers de norm. De onuitgesproken norm. Verstopt achter de woorden: “Wij zijn tolerant, wij zijn links, wij zijn modern.” Verstopt achter de woorden: “Wij zijn de dominees nu wel voorbij.”

Mannenlichamen blijven langer leuk, sexy en aantrekkelijk dan vrouwenlichamen. Geen actrice zal kunnen doen wat George Clooney kan. Hij werd de sexiest man alive, toen hij, meen ik, de honderd zowat genaderd was. Vrouwen vertellen al decennia, hoe ze worden buitengezet zodra de eerste rimpels zich vertonen. We kijken ze aan en denken: “Ja, dat is toch logisch?”

Het lichaam is lastig. Het vrouwenlichaam is het lastigste van alle. Er bestaat in Nederland een vrouwenzender. Geen idee, wat er zo vrouw aan is. De reclame misschien? Elke vijftien minuten zetten ze daar de kraan open voor alles wat lekt, drupt, dor wordt of riekt in een vrouwenlichaam. En dan ga ik nog niet eens melden dat de luierwaren die worden aangeprezen de problemen niet verkleinen, maar juist vergroten. Ik wil het hier bij laten: druppen, kraken, lekken of rieken mannenlichamen nooit?

Onbetamelijke theologie.

“Wij hebben een onbetamelijke theologie nodig”, zei Janneke Stegeman. Een theologie die zich er bewust van is dat wij een lichaam hebben, maar ook lichaam zijn. En dat aan dat lichaam van alles meekomt.  Ons hele leven. Zonder lichaam geen ziel. En in dat leven: plezier, ongemak, lust, macht, geschiedenis, positie, geslacht. Een man kan niet zomaar beweren algemeen geldende uitspraken te doen. Een vrouw evenmin, trouwens.

Willen we een echtere wereld, binnen en buiten, dan is het nodig naar elkaar te luisteren en elkaars inbreng te laten wegen.

Een witte man kan niet zomaar beweren algemeen geldende uitspraken te doen.

Een witte vrouw evenmin, trouwens.

Waarom ik alleen hen noem? Waarom ik niet zeg “een vrouw van kleur kan geen algemeen geldende uitspraken doen? Omdat zíj toch al niet als normerend wordt beschouwd. In de marge, zei Janneke is te horen waar het om moet gaan.

“Waarom heette jouw lezing eigenlijk: alle christenen de kast uit?”, vroeg de inleider. “Oh ja!”, reageerde Janneke: “Omdat we het nodig hebben dat iederéén zich laat zien. En dat we dat ook van iederéén verwachten. Dus niet alleen homo’s de kast uit.”

Als we zondag over knielen zingen, maar beginnen met werkelijk te knielen dan.

N.a.v “Alle christenen de kast uit!”, lezing van Janneke Stegeman, 6 februari 2018, Sauwerd

Psalm 52

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Onthullende woorden van Huub Oosterhuis. Het is zíjn bewerking van Psalm 52. Een felle psalm. Maar wie zou niet fel worden, als het om onrecht gaat. Het ìs verbijsterend, dat er altijd weer mensen zijn die misbruik maken van anderen en daar mee wèg komen.

Dat Shell geen verantwoordelijkheid meer droeg, ineens, voor de NAM. Was ook zo’n zinnetje in de krant. Dat je denkt: “Wel gloeiende, gloeiende. Zijn ze helemáál.” Honderden Groningse gezinnen wonen in zorgen en onzekerheid. En het verantwoordelijke bedrijf zegt gewoon: “Doei! Wij zijn er niet.”

Zulk onrecht dus.

Die woorden over dat kind dat verdween gáán over de a-morele mensen.  Ze zijn opgeblazen geraakt. Verdedigde forten geworden. Ze zijn van alles. Merknamen. Top-criminelen. Of Top-advocaten. Top-zakenlieden. Belangenbehartigers. Maar geen spelende kinderen meer.

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Je leest de zinnen en je beseft: daarmee verloren zij het meest kostbare. Zij verloren zichzelf. Hun zachtheid. Hun afhankelijkheid. Hun liefelijkheid.

Gloria Dei enim homo ludens,

parafraseer ik dan maar één van de kerkvaders: de glorie van God is de spelende mens

Niet de vechtende

niet de schreeuwende

niet de onderdrukkende.

Net als ik mij tevreden wil nestelen in de gedachte dat ìk natuurlijk een olijfboom ben, vol in het blad, dat ik vertrouw op de liefde van God-

zo droomt de dichter van psalm 52 over zichzelf,

precies op dat moment, draaien de woorden zich om

naar míj:

hoeveel kind woont er nog in jou?

Jij die ooit de jongste was in jouw gezin

en nu, als je in de spiegel kijkt

een man van meer dan middelbare leeftijd?

Wat verloor ik zelf op mijn weg?

Hoeveel illusies? Verlangens? Dromen?
Hoeveel zachtheid bleef mij over?

Hoeveel cynisme won ik?

Bloeit er nog wat?

Want weet dit wel: het kind in jou

dat moet je teder koesteren

tot je laatste dag.

 

Iets protestants over Maria.

 

Het hele probleem van de Mariaverering is dat zoete, gedweeë en onderdanige dat ervan uitgaat. Maria was gehoorzaam. Maria was zuiver. Maria was gedienstig.

Wat ook nooit echt goed heeft gedaan is die verkreukelde seksualiteit die haar om het lijf is gehangen: eeuwig maagd. Dus wel een zoon. Maar geen seks. Nooit.

Geen vrouw doet haar dat ooit na.

Terwijl het wel zou moeten. Volgens die kerkelijke Maria. Gedienstig zijn. En voor altijd rein. Tenminste: vrouwen moeten zo zijn. Over mannen hoor je zoiets nooit.

En als je het niet lukt, mevrouw, nou dan is daar gelukkig Maria. Zij vergeeft het je. En helpt je.

De kerkelijke Maria helpt je. Er uit?

Of er dieper in? Dieper in het schuldgevoel. Dieper in een afschuw van wie je werkelijk bent. Een vrouw. Met power, en met een lichaam.

Ik hou mij verre van deze Maria in haar hemelsblauwe mantel.

Het goede van de kerkelijke Mariaverering is dat zij vrouwelijkheid dicht bij de goddelijkheid bespeurt. Kom daar eens om in het protestantisme. Met zijn ouderlingen-in-zwart-pak, diakenen-in-zwart-pak, dominees-in-zwart-pak. Je krijgt bijna de indruk dat de Vader, de Zoon en de heilige Geest óók in het zwart gaan. En allemaal man zijn.

Het protestantisme op zijn beurt heeft een vrouw van ouds weinig evenmin veel ruimte gegeven om vrouw te zijn.

Maria dus.

Omdat zij “gezegend onder de vrouwen” wordt genoemd.

Gezegend want zij durfde het aan: moeder worden, terwijl de vader niet traceerbaar is. Gezegend want zij durft een eenzame weg te gaan. Hoe oud zal ze geweest zijn? Veertien? Vijftien misschien? En dan alleenstaande moeder! Dwars door vooroordelen heen, zich werend tegen gesis van de afkeuring, recht-op gaand langs mensen die haar uitmaken voor hoer. “Kech” is tegenwoordig het hippe woord voor dezelfde vernedering.  Maria die als enige hóórt wat er over haar zoon wordt gezegd. Die het niet vergeet. Die de woorden laat dalen tot diep in haar hart. Zij loopt niet weg als de schande hem overvalt. Onder het kruis stonden… drie Maria’s. Stond zij.

Maria die zich in Kana weigert bij mislukking neer te leggen. “Doe wat hij je zegt”, beveelt ze de dienaren. Die haar nek hoog draagt als haar wordt toegebeten: “Vrouw wat heb ik met jou te maken, het is mijn uur nog niet.”

Ze lijkt op Tamar die opkomt voor haar recht, en zich niets aantrekt van wat netjes heet, of vrouwelijk, of gepast. Ze lijkt op Ruth die zich niet laat weerhouden. Ruth is buitenlandse, maar neemt daarom nog niet zomaar een plekje aan de rand in. Ze lijkt op Mirjam die een bevrijdingslied uitzong. Ze lijkt op Jaël die de gevaarlijke Sisera doodde met een tentpin.

Ik zou Maria graag in onze kerken willen uitnodigen. Maar dan zo, dat vrouwen niet in een keurslijf van keurigheid worden gedreven. Maria is de vrouw die haar kracht toont en er niet bang voor is.

Vorige week stond er een artikel in de krant over Gonny Lemckert. Al meer dan twintig jaar bemoeit zij zich met de vrouwen op de tippelzone in Groningen. Ze trekt zich er geen lor van aan wat mensen over haar of over de vrouwen zeggen. Ze trekt zich niets aan van de status van mensen, of ze nu met de burgemeester spreekt of met de mannen die de tippelzone bezoeken. Voor iedereen is ze dezelfde. En van iedereen verwacht ze hetzelfde: recht voor de vrouwen die in de slechtst betaalde regionen van de prostitutie werken.

Ze stond op een foto: zwart geverfde, lange haren, rimpels over haar hele gezicht, een confronterende en tegelijk milde blik.

Kijk, dacht ik – als we nou zúlke Mariabeelden hadden. Van vrouwen met lef,

dan zou ik het de paus misschien wel gaan nazeggen: Christelijk leven zonder Maria is niet mogelijk.

Gonnie

Het nut van nutteloze kennis.

Arianne van Os is docente. Zij is één van de 130 leraren die gaan meepraten over onderwijsvernieuwing. (Trouw, 18 september 2017) Wat voor inzichten heeft zij? Nou, nogal modieuze: er moet tijdswinst geboekt worden op school èn het onderwijs moet gaan over probleemoplossen, digitale vaardigheden en communicatie. “In plaats daarvan” verzucht ze:” Moeten we jaartallen leren die we ook met een druk op de knop kunnen opzoeken.” En ze schudt haar leraressenschouders er eens bij.

Nu dacht ik altijd dat onderwijs vooral óók heel veel herhalen was. Beetje basis in de eerste leerjaren, beetje meer basis in de hogere leerjaren, verdieping op de middelbare school, maar dit is mijn expertise niet. Dus luister ik naar Juf Arianne. Als ze me dan wel vertelt wat we met al die gespaarde tijd moeten doen.

Géén jaartallen leren zegt Juf Arianne.

Wél jaartallen leren, roep ik daar dwars doorheen.

Vooral jaartallen. En dode dichters. En oude romanciers. En verdwenen schilders. En plaatsnamen, heel veel plaatsnamen. Dooie Nobelprijswinnaars, dat mag van mij ook: wiskunde, natuurkunde, scheikunde.
Doen we de vaardigheden er verder wel tussendoor.

Iris Murdoch  (iemand? Of moet je nu op een knop drukken?) heeft eens gezegd: “Kennis maakt niet gelukkig. Maar kennis geeft je wel de mogelijkheid het geluk te vinden.”

Zeker kun je alles ergens vinden. Maar dat is al zo sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. Goed, je moest er even voor naar de bibliotheek fietsen. Maar het was er.

Het probleem: het was er búiten jou. Je voelt er niks bij, het roept niets op. Het blijft bij: “Oh”. En daarna vergeet je het weer.

Stel je weet niets. Je rijdt Amsterdam binnen. Wat zie je dan? Daar ben ik dan wel benieuwd naar. Misschien vind je de sfeer leuk. Of de panden mooi. Ze zullen verder, zo vermoed ik, zwijgen en dood blijven. Na vijf grachtenpanden heb je het dan wel gehad. En is, inderdaad, de Hudsons Bay interessanter dan nóg een gracht.

Een beetje zoals wij Westerlingen, allemaal door landen in het Verre Oosten rondlopen. Het is mooi, maar het zegt me niet veel. Ik weet er niets van.

Loop je met kennis door Amsterdam, dan flitst de binnenkant. Gouden Eeuw, specerijenhandel, Tulpengekte, slavernij, de eerste beurs van de wereld, aandelenhandel. Je ziet de prachtige balans die de huizen hebben tussen rijkdom willen tonen en tegelijk willen voldoen aan de protestantse zede van eenvoud. Je ziet de stoepen smaller worden naarmate de belastingen op hun breedte toenam. Je ziet de ramen hoger worden, naarmate, alwéér de belastingen op de breedte werd geheven. Dat zie je. Als je iets weet tenminste van VOC, 17de eeuw, Republiek, Libre Marum.

En dan begin ik nog niet eens over Hendrick de Keyser, het wonder van de grachten (het schitterende essaye dat Cees Nootenboom eens over al die eilandjes, bruggen en waterwerken schreef!), het idiote van “burgers (burgers!)  die een stad bouwen op zo ongeveer wel de meest ongeschikte plek voor een stad.

Als je dat allemaal niet weet, Juf Ariane, niet van binnen weet. Dan heb je geen idéé waar je rondloopt.

En, zeg ik erbij: het is uiteindelijk de doodssteek voor de stad. Als je niet meer weet, voelt, verknocht bent – dan giechelt het geld al over sloop. Ik til mijn domineesvinger priemend de lucht in.

Een aantal weken geleden hadden we een hete dag. Die komen wel eens voor. Ik was in een Albert Heyn in de stad. De bedoelde supermarkt is gebouwd in de voormalige korenbeurs. Een neo-classicistisch gebouw naar de deftige eis van de negentiende eeuw. Binnen was het warm als buiten. Mensen zoemden door de deuren heen en weer. “Poe!”, wat is het heet hier”, steunde de cassière. “Ja, oud gebouw he”, reageerde ik. “Ja”, was haar antwoord: “Idioot oud. Ik denk wel uit de Middeleeuwen. Snap je dat nou?.” Zo’n mooie winkel in zo’n kei-oud pand, wilde ze maar zeggen.

Ik begon maar niet over de graanhandel waarmee Groningen rijk is geworden, de champagnejaren, de grote boerderijen op het land, de herenboeren die hier werden voorgereden in hun luxe carossen om, sigaar in de mond, hun graan te verhandelen.

En ze heeft het vast ook niet opgezocht. Onder geen enkele knop.

Die ene die niet verzoop.

Het is een afschuwelijk verhaal. Dat van Noach. Al die mensen die verdrinken. Al de beesten die omkomen. Gustave Doré zwelgde er in zijn tekening bijna in. Ik kan dit Genesis-verhaal nooit losdenken van de tientallen mensen die ik op de Zuid-Hollandse eilanden hoorde vertellen over de stormvloedramp van 1953. Hoe zij de wind onder de dakpannen door hadden horen ratelen. Het verwaaide klokgelui. Hoe mensen angstig op zolders waren gekropen. Het water dat brullend en ratelend over het land was gespoeld, tegen huizen aan, over schuren heen. Hoe het voordeuren had geramd. Kamers en gangen in bezit had genomen, langs trappen omhoog was geklommen. Zou het nog hoger komen dan de slaapkamers? Het kwam hoger. Nog hoger dan de vliering met haar vluchtelingen?

Noach is een verhaal van angst en vernietiging. Het vertelt hoe mensen zelf angst en vernietiging zaaien.

De laatste jaren kan ik het verhaal niet meer lezen zonder te denken aan de terroristische aanslagen. De aangrijpende beelden, ooit van de vluchtende mannen en vrouwen in de straten van New York, de vallende mensen uit de Twin Towers. De vele beelden die daarna volgden, van uit elkaar gescheurde warenmarkten in Bagdad, kapot geschoten mensen op een Parijs terras, een gewonde vrouw op een kapotte stoel op Zaventem.

Ik lees het verhaal niet meer zonder de vele ingezonden brieven, facebook-berichten, politici die roepen om wraak. Wraak op de vernietiging. Tegen-terreur moet er komen. Weg met alles wat vreemd en anders is. Weg met allen die een bedreiging lijken. De wens om de tsunami met een tsunami te stoppen.

In het verschrikkelijke verhaal staat Noach. Zijn naam is als een ogentroost. Hij bouwt een schip. Het is een hachelijke onderneming. Een schip, dat net zo goed een doodskist zou kunnen worden. In het hebreeuws staat dat er zelfs met zo veel woorden. Die ark deelt zijn woord met dat van een lijkkist. Noach doet een poging een nieuwe weg te vinden door het kwaad. Dat is een innerlijke drang. Hij moet die weg vinden omdat hij moet. Van binnen uit. “Het is de stem van God”, zeggen dan de bijbelse geschriften.

Die nieuwe weg is de weg van de vrede. Dat had de verteller al verklapt door Noach Noach te noemen. Zijn naam betekent vrede. Troost, zo u wilt. Zijn weg is er een van: ik verwelkom, laat binnen, ik bewaar, behoed. Voor zo ver ik kan. Er is een prachtig détail in het verhaal: als Noach en zeven anderen in het avontuur zitten met al die dieren om hen heen, moet iemand het luik dicht doen. Het toegangsluik van het schip.

Maar al die mensen buiten dan? Al die dieren buiten dan?

God doet het luik dicht.

Er zijn dingen die ik kan. Er is nog veel meer dan ik niet kan. Laat je niet verlammen door wat je niet kunt. Doe wat je kunt.

Jij kunt een Noach zijn.

Sinds een jaar kan ik het verhaal van Noach niet meer lezen, zonder de stem van het kleine jongetje in Parijs dat zegt: “Maar zij hebben wapens. En zij schieten ons dood.” Zijn vader knuffelt het kereltje en zegt: “Maar wij hebben kaarsen. En wij hebben bloemen.” “En dat houdt hen tegen?”, vraagt het jongetje bezorgd.  “Ja”,  zegt de vader, fluisterend nu: “dat houdt hen tegen.”

Hij bouwde een ark voor onze ogen.

En God? God raakt zó onder de indruk dat Hij besluit het geweld niet met geweld te keren. God besluit: ik schep weer een nieuwe dag

en nog één

en nog één.

Om de mensen die de vrede durven te bevaren.