daar trekt over de bergen en door het grote bos…

 

“God staat op, de vijand stuift uiteen.”

Zo’n zinnetje leest na Pasen ineens heel anders. In de kerken vierden we die ongelofelijke weg van Jezus. Die het volhield om het ware te doen, scheppend te zijn en te zegenen. Die nooit een verkorte route koos, maar die het geduld vasthield. Of de woede. Maar dan de woede op het juiste moment, op de juiste plaats. Als een halt tegen het duister. En niet al bron van duister.

Ik kijk vaak naar Hem, en alle keren gebiologeerd. Hoe hij in het tempo van het langzame door het land trekt. Met zíjn oog op mensen.

Onze wereld is ongeduldig en kent andere belangen dan het bestaan van mensen. De wereld liep Jezus onder de voet en verpletterde Hem. Einde verhaal. Einde van de poging in een andere wereld te leven.

En dat laatste, dàt is dus niet waar. Pasen viert dat de ‘weg van Jezus’ niet stópte, maar doorbrak. In Hem eindigde niet, in Hem begòn. In de kerken vieren we, elke zondag, God stond op. De hoop zal niet breken. Het recht zal niet barsten. De mensen zullen leven.

“God staat op, de vijand vlucht” staat in Psalm 68. En wij opgepoetste Germanen hebben de omweg via Jezus nodig om het regeltje te kunnen lezen. Vanwege dat woordje ‘God”. In onze contreien, met hun slagregens en koude winters wordt God al gauw iets als “die de sterkste is” God als een stootwapen tegen wie jouw boterhammetje wil. Jouw waterbron. Jouw man, jouw vrouw. God tegen jouw, eh, vijand.

Zo is de psalm ook wel gelezen, helaas. God staat aan onze kant, en al die domme anderen zullen verdwijnen. De Paapsen, de Gereformeerden, de Turk. Het is een diep-heidense gedachte dat hij-die-jij-niet-bent weg moet. Het is een nog dieper heidense gedachte dat God daar wel even voor zal zorgen.

We lazen de psalm in ons kleine winteravondgroepje. In het duister komen wij al jaren geregeld bij elkaar om in de psalmboek licht te vinden. We lazen na de eerste regel door. En raakten bedwelmd door de feestmuziek die opstijgt. Want, zo schrijft de psalmist, achter God aan komt een hele stoet van mensen. Van alle kanten komen zij. Kijk! Daar is Benjamin! En zie! Daar komt Juda! Vrolijk begroeten huisgenoten elkaar. Maar zie nog eens! Daar komt Egypte, het machtige Egypte. Het vijandige Egypte. Met -ooit- zijn tiggelgroeves en zijn martelkelders. Het heft zijn handen. Het wil meedoen! En daar is Kus. Ook zo’n wat-moet-jij-hier-land. Kus draagt geschenken voor God.

Want God, zo zingt de psalm beschermt de wezen, hij geeft weduwen onderdak. Hij biedt eenzamen een knappend haardvuur en sloffen aan de voeten. Hij bevrijdt gevangenen.

“Die zinnen”, zei één van de lezers: “vind ik wel het hart van God. Dit is alles wat wij over Hem kunnen zeggen. Hij komt op voor wie hier buiten de boot vallen.”

Er trekt een feeststoet door de wereld. Kreupelen, armen, zotten en dwazen dansen over de wegen. God loopt voorop. “En de machtigen”, zo vertaalt Kees Waayman: “de machtigen fladderen weg. Ze fladderen weg.”

 

 

 

Advertenties

Bah, wat heerlijk: een lijf.

In de kerk.

Slim is de oplossing wel: we doen in de kerk gewoon alsof we helemaal geen lichaam hèbben. De Rooms-Katholieke Kerk heeft het zo bedacht, maar de protestantse kerk nog méér. We preken over het heil van onze ziel. Geëngageerde of maatschappelijke preken zetten we weg als “praatjes, verhaaltjes”. En als we zingen “Ik kniel hier voor uw zetel neer.”, dan doen we dat.. juist ja: zittend. En zingen we “Heer, ik hef mijn hart en handen op tot U”, dan stoppen wij onze hand gauw in onze broekzak. Of onder ons kussentje. Zo, weg lichaam.

Er zijn mensen die op de eerste zondag na nieuwjaar niet naar de eredienst komen, want dan wordt er zo veel gezoend.

Het lichaam. Is lastig. Roept vragen op. Wil dingen. En herinnert ons er constant aan dat we niet zo rationeel, keurig en afgemeten zijn als we wel zouden willen.

In de samenleving.

Ondertussen zijn ze buiten de kerk ook niet gek. (Het onderscheid tussen beide werelden is imaginair, dat begreep je al, maar toch bruikbaar.) Daar aanvaarden ze het lichaam. Maar niet helemaal. Het lichaam mag meedoen voor zover het jong is, leuk is, hip is, gezond is, wit is, compleet is.  De andere lichamen laten we gewoon niet zien. Niet in de reclame, niet in films (de belichting is nog nooit zó afgesteld dat die goed is voor een acteur van kleur), niet in andere programma’s. Het moet wel leuk blijven.

Er is nog iets…

Doordat we doen alsof we allemaal reine, dezelfde zieltjes zijn, bestaat de wereld van de theologie uit Augustinus, een beetje Plato, Thomas van Aquino, Calvijn, Hofstede de Groot, Karl Barth, Harry Kuitert. Valt je al iets op? Moet ik nog even verder? Luther, Voetius, Bill Hybels.. Als je in de jaren tachtig vroeg: het zijn wel allemaal mannen, is dat niet gek? Dan keken mensen terug alsof je zelf niet helemaal goed was. En zeg je er nu bij: ze zijn ook allemaal wit! Dan zit je binnen drie minuten bij zwarte piet op schoot. En zeg ik daar nog weer bij: ze lijken me ook allemaal heteroseksueel, dan slaan de zenuwen pas echt toe. “Niet zo raar doen”, roept men.

Er bestáát wel theologie die vanuit het oogpunt van vrouwen (-lichamen) is geschreven: feministische theologie. Maar dat is natuurlijk niet de èchte. Er is ook theologie die haar Sitz im Leben neemt bij mensen in de marge, armen, onderdrukte mannen en vrouwen, mensen van kleur, seksuele minderheden: bevrijdingstheologie. Maar ook zíj is niet dè theologie. Ze is de uitzondering. Niet raar doen.

De wereld buiten de kerk hoeft zich nu overigens niet op de schouder te kloppen van tevredenheid. Ook dáár is  man- wit- westers de norm. De onuitgesproken norm. Verstopt achter de woorden: “Wij zijn tolerant, wij zijn links, wij zijn modern.” Verstopt achter de woorden: “Wij zijn de dominees nu wel voorbij.”

Mannenlichamen blijven langer leuk, sexy en aantrekkelijk dan vrouwenlichamen. Geen actrice zal kunnen doen wat George Clooney kan. Hij werd de sexiest man alive, toen hij, meen ik, de honderd zowat genaderd was. Vrouwen vertellen al decennia, hoe ze worden buitengezet zodra de eerste rimpels zich vertonen. We kijken ze aan en denken: “Ja, dat is toch logisch?”

Het lichaam is lastig. Het vrouwenlichaam is het lastigste van alle. Er bestaat in Nederland een vrouwenzender. Geen idee, wat er zo vrouw aan is. De reclame misschien? Elke vijftien minuten zetten ze daar de kraan open voor alles wat lekt, drupt, dor wordt of riekt in een vrouwenlichaam. En dan ga ik nog niet eens melden dat de luierwaren die worden aangeprezen de problemen niet verkleinen, maar juist vergroten. Ik wil het hier bij laten: druppen, kraken, lekken of rieken mannenlichamen nooit?

Onbetamelijke theologie.

“Wij hebben een onbetamelijke theologie nodig”, zei Janneke Stegeman. Een theologie die zich er bewust van is dat wij een lichaam hebben, maar ook lichaam zijn. En dat aan dat lichaam van alles meekomt.  Ons hele leven. Zonder lichaam geen ziel. En in dat leven: plezier, ongemak, lust, macht, geschiedenis, positie, geslacht. Een man kan niet zomaar beweren algemeen geldende uitspraken te doen. Een vrouw evenmin, trouwens.

Willen we een echtere wereld, binnen en buiten, dan is het nodig naar elkaar te luisteren en elkaars inbreng te laten wegen.

Een witte man kan niet zomaar beweren algemeen geldende uitspraken te doen.

Een witte vrouw evenmin, trouwens.

Waarom ik alleen hen noem? Waarom ik niet zeg “een vrouw van kleur kan geen algemeen geldende uitspraken doen? Omdat zíj toch al niet als normerend wordt beschouwd. In de marge, zei Janneke is te horen waar het om moet gaan.

“Waarom heette jouw lezing eigenlijk: alle christenen de kast uit?”, vroeg de inleider. “Oh ja!”, reageerde Janneke: “Omdat we het nodig hebben dat iederéén zich laat zien. En dat we dat ook van iederéén verwachten. Dus niet alleen homo’s de kast uit.”

Als we zondag over knielen zingen, maar beginnen met werkelijk te knielen dan.

N.a.v “Alle christenen de kast uit!”, lezing van Janneke Stegeman, 6 februari 2018, Sauwerd

Psalm 52

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Onthullende woorden van Huub Oosterhuis. Het is zíjn bewerking van Psalm 52. Een felle psalm. Maar wie zou niet fel worden, als het om onrecht gaat. Het ìs verbijsterend, dat er altijd weer mensen zijn die misbruik maken van anderen en daar mee wèg komen.

Dat Shell geen verantwoordelijkheid meer droeg, ineens, voor de NAM. Was ook zo’n zinnetje in de krant. Dat je denkt: “Wel gloeiende, gloeiende. Zijn ze helemáál.” Honderden Groningse gezinnen wonen in zorgen en onzekerheid. En het verantwoordelijke bedrijf zegt gewoon: “Doei! Wij zijn er niet.”

Zulk onrecht dus.

Die woorden over dat kind dat verdween gáán over de a-morele mensen.  Ze zijn opgeblazen geraakt. Verdedigde forten geworden. Ze zijn van alles. Merknamen. Top-criminelen. Of Top-advocaten. Top-zakenlieden. Belangenbehartigers. Maar geen spelende kinderen meer.

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Je leest de zinnen en je beseft: daarmee verloren zij het meest kostbare. Zij verloren zichzelf. Hun zachtheid. Hun afhankelijkheid. Hun liefelijkheid.

Gloria Dei enim homo ludens,

parafraseer ik dan maar één van de kerkvaders: de glorie van God is de spelende mens

Niet de vechtende

niet de schreeuwende

niet de onderdrukkende.

Net als ik mij tevreden wil nestelen in de gedachte dat ìk natuurlijk een olijfboom ben, vol in het blad, dat ik vertrouw op de liefde van God-

zo droomt de dichter van psalm 52 over zichzelf,

precies op dat moment, draaien de woorden zich om

naar míj:

hoeveel kind woont er nog in jou?

Jij die ooit de jongste was in jouw gezin

en nu, als je in de spiegel kijkt

een man van meer dan middelbare leeftijd?

Wat verloor ik zelf op mijn weg?

Hoeveel illusies? Verlangens? Dromen?
Hoeveel zachtheid bleef mij over?

Hoeveel cynisme won ik?

Bloeit er nog wat?

Want weet dit wel: het kind in jou

dat moet je teder koesteren

tot je laatste dag.

 

Iets protestants over Maria.

 

Het hele probleem van de Mariaverering is dat zoete, gedweeë en onderdanige dat ervan uitgaat. Maria was gehoorzaam. Maria was zuiver. Maria was gedienstig.

Wat ook nooit echt goed heeft gedaan is die verkreukelde seksualiteit die haar om het lijf is gehangen: eeuwig maagd. Dus wel een zoon. Maar geen seks. Nooit.

Geen vrouw doet haar dat ooit na.

Terwijl het wel zou moeten. Volgens die kerkelijke Maria. Gedienstig zijn. En voor altijd rein. Tenminste: vrouwen moeten zo zijn. Over mannen hoor je zoiets nooit.

En als je het niet lukt, mevrouw, nou dan is daar gelukkig Maria. Zij vergeeft het je. En helpt je.

De kerkelijke Maria helpt je. Er uit?

Of er dieper in? Dieper in het schuldgevoel. Dieper in een afschuw van wie je werkelijk bent. Een vrouw. Met power, en met een lichaam.

Ik hou mij verre van deze Maria in haar hemelsblauwe mantel.

Het goede van de kerkelijke Mariaverering is dat zij vrouwelijkheid dicht bij de goddelijkheid bespeurt. Kom daar eens om in het protestantisme. Met zijn ouderlingen-in-zwart-pak, diakenen-in-zwart-pak, dominees-in-zwart-pak. Je krijgt bijna de indruk dat de Vader, de Zoon en de heilige Geest óók in het zwart gaan. En allemaal man zijn.

Het protestantisme op zijn beurt heeft een vrouw van ouds weinig evenmin veel ruimte gegeven om vrouw te zijn.

Maria dus.

Omdat zij “gezegend onder de vrouwen” wordt genoemd.

Gezegend want zij durfde het aan: moeder worden, terwijl de vader niet traceerbaar is. Gezegend want zij durft een eenzame weg te gaan. Hoe oud zal ze geweest zijn? Veertien? Vijftien misschien? En dan alleenstaande moeder! Dwars door vooroordelen heen, zich werend tegen gesis van de afkeuring, recht-op gaand langs mensen die haar uitmaken voor hoer. “Kech” is tegenwoordig het hippe woord voor dezelfde vernedering.  Maria die als enige hóórt wat er over haar zoon wordt gezegd. Die het niet vergeet. Die de woorden laat dalen tot diep in haar hart. Zij loopt niet weg als de schande hem overvalt. Onder het kruis stonden… drie Maria’s. Stond zij.

Maria die zich in Kana weigert bij mislukking neer te leggen. “Doe wat hij je zegt”, beveelt ze de dienaren. Die haar nek hoog draagt als haar wordt toegebeten: “Vrouw wat heb ik met jou te maken, het is mijn uur nog niet.”

Ze lijkt op Tamar die opkomt voor haar recht, en zich niets aantrekt van wat netjes heet, of vrouwelijk, of gepast. Ze lijkt op Ruth die zich niet laat weerhouden. Ruth is buitenlandse, maar neemt daarom nog niet zomaar een plekje aan de rand in. Ze lijkt op Mirjam die een bevrijdingslied uitzong. Ze lijkt op Jaël die de gevaarlijke Sisera doodde met een tentpin.

Ik zou Maria graag in onze kerken willen uitnodigen. Maar dan zo, dat vrouwen niet in een keurslijf van keurigheid worden gedreven. Maria is de vrouw die haar kracht toont en er niet bang voor is.

Vorige week stond er een artikel in de krant over Gonny Lemckert. Al meer dan twintig jaar bemoeit zij zich met de vrouwen op de tippelzone in Groningen. Ze trekt zich er geen lor van aan wat mensen over haar of over de vrouwen zeggen. Ze trekt zich niets aan van de status van mensen, of ze nu met de burgemeester spreekt of met de mannen die de tippelzone bezoeken. Voor iedereen is ze dezelfde. En van iedereen verwacht ze hetzelfde: recht voor de vrouwen die in de slechtst betaalde regionen van de prostitutie werken.

Ze stond op een foto: zwart geverfde, lange haren, rimpels over haar hele gezicht, een confronterende en tegelijk milde blik.

Kijk, dacht ik – als we nou zúlke Mariabeelden hadden. Van vrouwen met lef,

dan zou ik het de paus misschien wel gaan nazeggen: Christelijk leven zonder Maria is niet mogelijk.

Gonnie

Het nut van nutteloze kennis.

Arianne van Os is docente. Zij is één van de 130 leraren die gaan meepraten over onderwijsvernieuwing. (Trouw, 18 september 2017) Wat voor inzichten heeft zij? Nou, nogal modieuze: er moet tijdswinst geboekt worden op school èn het onderwijs moet gaan over probleemoplossen, digitale vaardigheden en communicatie. “In plaats daarvan” verzucht ze:” Moeten we jaartallen leren die we ook met een druk op de knop kunnen opzoeken.” En ze schudt haar leraressenschouders er eens bij.

Nu dacht ik altijd dat onderwijs vooral óók heel veel herhalen was. Beetje basis in de eerste leerjaren, beetje meer basis in de hogere leerjaren, verdieping op de middelbare school, maar dit is mijn expertise niet. Dus luister ik naar Juf Arianne. Als ze me dan wel vertelt wat we met al die gespaarde tijd moeten doen.

Géén jaartallen leren zegt Juf Arianne.

Wél jaartallen leren, roep ik daar dwars doorheen.

Vooral jaartallen. En dode dichters. En oude romanciers. En verdwenen schilders. En plaatsnamen, heel veel plaatsnamen. Dooie Nobelprijswinnaars, dat mag van mij ook: wiskunde, natuurkunde, scheikunde.
Doen we de vaardigheden er verder wel tussendoor.

Iris Murdoch  (iemand? Of moet je nu op een knop drukken?) heeft eens gezegd: “Kennis maakt niet gelukkig. Maar kennis geeft je wel de mogelijkheid het geluk te vinden.”

Zeker kun je alles ergens vinden. Maar dat is al zo sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. Goed, je moest er even voor naar de bibliotheek fietsen. Maar het was er.

Het probleem: het was er búiten jou. Je voelt er niks bij, het roept niets op. Het blijft bij: “Oh”. En daarna vergeet je het weer.

Stel je weet niets. Je rijdt Amsterdam binnen. Wat zie je dan? Daar ben ik dan wel benieuwd naar. Misschien vind je de sfeer leuk. Of de panden mooi. Ze zullen verder, zo vermoed ik, zwijgen en dood blijven. Na vijf grachtenpanden heb je het dan wel gehad. En is, inderdaad, de Hudsons Bay interessanter dan nóg een gracht.

Een beetje zoals wij Westerlingen, allemaal door landen in het Verre Oosten rondlopen. Het is mooi, maar het zegt me niet veel. Ik weet er niets van.

Loop je met kennis door Amsterdam, dan flitst de binnenkant. Gouden Eeuw, specerijenhandel, Tulpengekte, slavernij, de eerste beurs van de wereld, aandelenhandel. Je ziet de prachtige balans die de huizen hebben tussen rijkdom willen tonen en tegelijk willen voldoen aan de protestantse zede van eenvoud. Je ziet de stoepen smaller worden naarmate de belastingen op hun breedte toenam. Je ziet de ramen hoger worden, naarmate, alwéér de belastingen op de breedte werd geheven. Dat zie je. Als je iets weet tenminste van VOC, 17de eeuw, Republiek, Libre Marum.

En dan begin ik nog niet eens over Hendrick de Keyser, het wonder van de grachten (het schitterende essaye dat Cees Nootenboom eens over al die eilandjes, bruggen en waterwerken schreef!), het idiote van “burgers (burgers!)  die een stad bouwen op zo ongeveer wel de meest ongeschikte plek voor een stad.

Als je dat allemaal niet weet, Juf Ariane, niet van binnen weet. Dan heb je geen idéé waar je rondloopt.

En, zeg ik erbij: het is uiteindelijk de doodssteek voor de stad. Als je niet meer weet, voelt, verknocht bent – dan giechelt het geld al over sloop. Ik til mijn domineesvinger priemend de lucht in.

Een aantal weken geleden hadden we een hete dag. Die komen wel eens voor. Ik was in een Albert Heyn in de stad. De bedoelde supermarkt is gebouwd in de voormalige korenbeurs. Een neo-classicistisch gebouw naar de deftige eis van de negentiende eeuw. Binnen was het warm als buiten. Mensen zoemden door de deuren heen en weer. “Poe!”, wat is het heet hier”, steunde de cassière. “Ja, oud gebouw he”, reageerde ik. “Ja”, was haar antwoord: “Idioot oud. Ik denk wel uit de Middeleeuwen. Snap je dat nou?.” Zo’n mooie winkel in zo’n kei-oud pand, wilde ze maar zeggen.

Ik begon maar niet over de graanhandel waarmee Groningen rijk is geworden, de champagnejaren, de grote boerderijen op het land, de herenboeren die hier werden voorgereden in hun luxe carossen om, sigaar in de mond, hun graan te verhandelen.

En ze heeft het vast ook niet opgezocht. Onder geen enkele knop.

Die ene die niet verzoop.

Het is een afschuwelijk verhaal. Dat van Noach. Al die mensen die verdrinken. Al de beesten die omkomen. Gustave Doré zwelgde er in zijn tekening bijna in. Ik kan dit Genesis-verhaal nooit losdenken van de tientallen mensen die ik op de Zuid-Hollandse eilanden hoorde vertellen over de stormvloedramp van 1953. Hoe zij de wind onder de dakpannen door hadden horen ratelen. Het verwaaide klokgelui. Hoe mensen angstig op zolders waren gekropen. Het water dat brullend en ratelend over het land was gespoeld, tegen huizen aan, over schuren heen. Hoe het voordeuren had geramd. Kamers en gangen in bezit had genomen, langs trappen omhoog was geklommen. Zou het nog hoger komen dan de slaapkamers? Het kwam hoger. Nog hoger dan de vliering met haar vluchtelingen?

Noach is een verhaal van angst en vernietiging. Het vertelt hoe mensen zelf angst en vernietiging zaaien.

De laatste jaren kan ik het verhaal niet meer lezen zonder te denken aan de terroristische aanslagen. De aangrijpende beelden, ooit van de vluchtende mannen en vrouwen in de straten van New York, de vallende mensen uit de Twin Towers. De vele beelden die daarna volgden, van uit elkaar gescheurde warenmarkten in Bagdad, kapot geschoten mensen op een Parijs terras, een gewonde vrouw op een kapotte stoel op Zaventem.

Ik lees het verhaal niet meer zonder de vele ingezonden brieven, facebook-berichten, politici die roepen om wraak. Wraak op de vernietiging. Tegen-terreur moet er komen. Weg met alles wat vreemd en anders is. Weg met allen die een bedreiging lijken. De wens om de tsunami met een tsunami te stoppen.

In het verschrikkelijke verhaal staat Noach. Zijn naam is als een ogentroost. Hij bouwt een schip. Het is een hachelijke onderneming. Een schip, dat net zo goed een doodskist zou kunnen worden. In het hebreeuws staat dat er zelfs met zo veel woorden. Die ark deelt zijn woord met dat van een lijkkist. Noach doet een poging een nieuwe weg te vinden door het kwaad. Dat is een innerlijke drang. Hij moet die weg vinden omdat hij moet. Van binnen uit. “Het is de stem van God”, zeggen dan de bijbelse geschriften.

Die nieuwe weg is de weg van de vrede. Dat had de verteller al verklapt door Noach Noach te noemen. Zijn naam betekent vrede. Troost, zo u wilt. Zijn weg is er een van: ik verwelkom, laat binnen, ik bewaar, behoed. Voor zo ver ik kan. Er is een prachtig détail in het verhaal: als Noach en zeven anderen in het avontuur zitten met al die dieren om hen heen, moet iemand het luik dicht doen. Het toegangsluik van het schip.

Maar al die mensen buiten dan? Al die dieren buiten dan?

God doet het luik dicht.

Er zijn dingen die ik kan. Er is nog veel meer dan ik niet kan. Laat je niet verlammen door wat je niet kunt. Doe wat je kunt.

Jij kunt een Noach zijn.

Sinds een jaar kan ik het verhaal van Noach niet meer lezen, zonder de stem van het kleine jongetje in Parijs dat zegt: “Maar zij hebben wapens. En zij schieten ons dood.” Zijn vader knuffelt het kereltje en zegt: “Maar wij hebben kaarsen. En wij hebben bloemen.” “En dat houdt hen tegen?”, vraagt het jongetje bezorgd.  “Ja”,  zegt de vader, fluisterend nu: “dat houdt hen tegen.”

Hij bouwde een ark voor onze ogen.

En God? God raakt zó onder de indruk dat Hij besluit het geweld niet met geweld te keren. God besluit: ik schep weer een nieuwe dag

en nog één

en nog één.

Om de mensen die de vrede durven te bevaren.

Sááái? Je lege ziel zul je bedoelen.

Vroeger had ik een saaie naam: Van Dijk. Veel suffer kon het niet worden. Half Nederland heet Van Dijk.

Eind jaren tachtig verhuisde ik naar Polen. “Van Dijk?”, vroegen daar mijn medestudenten, “Van Dijk? Ben jij soms familie van de schìlder Van Dijck?” Hun ogen lichtten op: dit kon interessant worden. Van Dijck kenden ze van zijn theatrale barokke schilderijen. “Nee”, antwoordde ik: “Ik ben simpel. Mijn naam schrijf je alleen maar met een k. Saai.” Toen ik dat ook tegen mijn docent kerkgeschiedenis, Pasierb zei, reageerde hij wat ongelovig en gepiekeerd: “Saai? Man! In Polen heet niemand Van Dijk. En weet je waarom? Omdat wij nauwelijks dijken hebben! We hebben zelfs Nederlanders laten komen om er een aantal aan te leggen. Jouw naam vertelt over de strijd die jullie tegen het water voeren, de lef om onder zeeniveau te gaan wonen, de slachtoffers van de dijkdoorbraken, de moed om de boel daarna weer op te pakken en droog te leggen. Jouw naam is een cultuur-historisch monument!”

Wauw. Nou. Dat had nog nooit iemand gezegd. Niemand ook had het ooit zo gezien. De diepte. De associaties. De gelaagdheid. In één enkele naam.

Sááái is zo ongeveer het stopwoord van onze tijd en cultuur. Alles wat langer dan een kwartier duurt is saai. Alles waar geen drumstel onder staat is saai. Alles wat niet jong is, is saai. De eis is: het moet zó zijn dat het mij direkt pakt. Het moet míj pakken. De gedachte dat ik “het” moet pakken ligt ver bij ons vandaan. Daar krijg je die hijgerige Matthijs van Nieuwkerk van. Kort. Snel. Gemakkelijk. En anders is het niets waard.

Het tragische is dat ‘saai’ niet bestaat. Niet buiten jou. Dingen zijn wat ze zijn. Gebeurtenissen zijn wat ze zijn. Presentaties zijn wat ze zijn. Saai of interessant zijn geen woorden die in de dingen wonen. Ze wonen in de beschouwer. Zie jíj er iets in?

Zien is een activiteit van de ziel.  Een verhaal wordt in jou wakker geroepen. Een herinnering. Bepaalde kennis. Waar je naar kijkt, opent een wereld in jou. Als die wereld er is.

Op de boerenfeesten in Nijehorne zitten elk jaar veertig, vijftig mannen op een rij. Voor elk van hen staat een ondefinieerbaar, klein, machientje te pruttelen. Ik liep er altijd aan voorbij. Ik had geen idéé wat ik er aan moest zien. Aan de mannen niet en aan hun machientjes nog minder.  Toen we er weer eens waren, vroeg ik: wat is dat nou waar ik naar sta te kijken? Precies de vraag die als een sleutel het slot opende: “Nou”, begon de man enthousiast.. en hij vertelde over de fabriek waar het gemaakt was, welk onderdeel het precies was van welke machine, hoe oud het was en waar het had gefunctioneerd. “Maar u kunt er nu niets mee?”, vroeg ik constaterend. “Nee”, antwoordde hij: “zo niet. Je moet er andere dingen aan vast maken om er iets mee te kunnen. Je kunt hem nu alleen aan en uit zetten.” “Maar weet je”, vervolgde hij juist toen ik met vraagtekens volstroomde, “weet je wat nou zo leuk is? Als hij kapot gaat, dan bel ik de anderen die hier staan op en dan praten we er over hoe je het machientje moet repareren. Wat er aan de hand is enzo” Ik zag hem aan een bakelieten telefoon in de gang: “Ja. Kees hier. Zeg. Hij doet het niet. Wat zou jij doen?” En dan drie uur met stijgend plezier en met stemverheffing praten over het palletje van het nippeltje.

Alles is saai, als je geen moeite doet. Je ontvangt wat je investeert.

Alles kan interessant worden als je er tijd aan geeft. Je er in verdiept. Als je gaat zien met een innerlijk oog.

De tragiek van onze tijd is dat wij rijk zijn aan alles, maar gebrek lijden aan juist deze twee: tijd en verdieping. Sááái, dat zijn we zelf geworden.

En ondertussen ga ik maar eens de monumentenstatus aanvragen voor mijn naam.

 

Toevalligheid, zo ver het oog reikt

Nee, mijn facebookpagina kleurde niet naar de vlag van Rusland. Dat had ik na de aanslag in Parijs wel met de Franse vlag gedaan, maar nu in Sint Petersburg bommen waren afgegaan zweeg mijn tijdlijn in alle kleuren. Bij niemand zag ik iets Russisch voorbij komen, trouwens. Ook niets Brits, na de aanslag op de Towerbridge. Zijn we campagnemoe? Meeleefmoe?

Nee. Want hand-in-hand begonnen alle mannen door het land te lopen. En ook ik plaatste Pechtold en Koolmees. Want als mannen lief over straat willen dan val je die niet aan. Dat vind ik nog, zelfs nu het verhaal van Jasper en Ronnie misschien wat anders ligt dan eerst verondersteld.

In Amsterdam werden twee andere mannen aangevallen en in Eindhoven ook, maar dat deed me dan weer minder.

Waarom?

Ik zou het niet weten. Waarom schrik ik bij het ene op en bij het andere niet? De media doen meer voor de een dan voor de ander. Parijs ligt mij nader aan het hart dan Sint Petersburg. Ik heb er wel eens een sigaar voor een bistro gerookt. Dat schept een band. Maar verder? Het slangenbrein in mij trekt zijn schouders onschuldig op.

Er klinken stemmen dat het zo onschuldig niet is. Bij aanslagen in Istanbul of Noord-Somalië dienen we net zo geschokt te zijn. Een jaar terug demonstreerde een aantal mensen bij de Essalam-moskee in Rotterdam tegen al deze selectiviteit. Alsof een westers leven méér waard zou zijn dan een ander leven. Zo zou mijn medeleven met de één een teken zijn van afkeer jegens een ander. Zeiden zij. En dat het een schande was.

Medeleven niet langer als medeleven, maar als maatstaf. In dit geval: het Westers medeleven als maatstaf aller maatstaven.

Komt iedereen aan zijn trekken? Nee, bij mij niet. Ik geef het eerlijk toe. Mijn excuses voor mijn imperfectie.

In het bijbelboek Ruth wordt verteld dat de arme en hongerige Ruth “per toeval” op de akker van Boaz terecht komt. Dat lijkt mij heel juist opgemerkt. Wie in je vizier komt en wie niet, ik heb het niet in de hand. En iedereen op je akker, dat is ook een beetje veel.

Ruth dus.

En wat doet Boaz? Die neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij verlieft zich in Ruth, dat helpt, maar het begint bij doen wat er gedaan moet worden. Voor deze ene. Waren er geen andere hongerige vrouwen in het land? Oh, vast. Was Ruth de hongerigste onder alle vrouwen? Nee, zeker niet. Maar Boaz zag Ruth. En dat werd de verplichting. Hij liet haar het graan meenemen dat bij de oogst op de grond was gevallen. Hij vroeg zijn medewerksters om stiekem nog wat extra graan op de grond te laten vallen.

Dus ja. Een foto van Pechtold en Koolmees. Mijn gevallen graanstengel. Het is nog helemaal niks. Facebook is nogal gemakkelijk. Iets als liturgie. Je doet alsof. Maar Jasper en Ronnie maken mij bewust van de mensen die in mijn omgeving in de knel zitten. En dat ik er voor hen zal zijn. Die ene voor al die anderen, zeg maar. Dankzij die ene, leer ook de anderen te zien

En ik hoop, vooral dat, dat er weer andere mensen zijn rondom de mannen uit Eindhoven, rondom de slachtoffers in Sint Petersburg. Je kunt niet alles. Niemands medeleven breekt een staf over ander leed.

Perfectie, zegt de onvolprezen Wislawa Szymorska, die vind je alleen in een ui.

Wow, waarin zit Arjen Lubach nou weer verstrikt?

Als we goed zouden doorrekenen, had de meester beloofd, dan zouden we aan het eind van de middag “De Reddertjes” gaan kijken. Op TV. Met een video-recorder. Het waren de jaren zeventig en toen deed je dat zo. Grote opwinding in de klas! “De Reddertjes”! De sommen waren gauw gemaakt.

Ik herinner mij het verhaal van de tekenfilm niet meer. Het was iets met twee muizen en een meeuw. Ik herinner me nog wel dat ze ergens op een gegeven moment in een mandje zaten, die muizen, en dat mandje, op zijn beurt, hing daarbij onder de nek van de meeuw. Ze droegen alle drie kleren, trouwens. En ze konden praten. Ze gingen iemand redden, denk ik. Daar zal de titel wel van zijn.

Ik was tien of elf. Het was mij inmiddels wel duidelijk dat je pratende muizen niet in de werkelijkheid van de sommen zou tegenkomen. Niet als je met de blik van de wetenschap zou kijken. Er bleven genoeg vragen over bij het rekenen: als tien plus tien twintig is, welke tien bedoel je dan? En waarom deze tien? Ik bedoel tien peren is toch andere koek dan tien stuks fruit of tien schepen vol graan. De vraag echter: kunnen muizen praten, hoorde daar niet bij. Ik vermoed dat ik toen a heel goed begreep waarom niet.

Ik geloofde de film van A tot Z. Ik accepteerde de muts van muis Bianca moeiteloos. Ik geloofde in de leren cap van de meeuw. Niet omdat ik toen nog een kind was – ik geloof er vandaag de dag nog in- maar omdat er iets werd verteld dat alleen op deze manier verteld kan worden. “De Reddertjes” was een film over vriendschap, vertrouwen, kracht, en het rotsvaste weten dat wie goed doet goed zal ontmoeten. Ik weet het verhaal niet meer, maar de boodschap kwam wel over. Juist door de vreemdheid. Keek ik beter. En zo.

Goed. Enfin.

Gisteren sprak Arjen Lubach met Gert-Jan Segers. Over godsdienst in de openbare ruimte. Het gesprek vond plaats in een gebouw groter dan de menselijke maat: in de Pieterskerk in Leiden. En wat beweerde Lubach daar onder die eeuwen-oude gewelven? “Als je de fantasie loslaat, waar blijven we dan?” Nee, we moesten ons enkel en alleen op wetenschappelijke feiten baseren. Punt uit. Klaar.

Klaar? Nee. Helemaal niet klaar! Zijn uitspraak galmde nog lang na in mijn schedelpan. Waar zouden we zijn als we de fantasie loslieten? Maar mijnheer Lubach: wij léven van de fantasie!

Nee, correct: tien plus tien blijft twintig. En een leeg plein kun je niet vol mensen fantaseren. Dat zijn sprookjes. Touché.

Maar na de feiten, komen de interpretaties. En die kunnen niet anders bestaan dan dankzij onze fantasie. Gaat u even mee? Mijn identiteit, om maar ergens te beginnen, is een vrucht van fantasie. Van de verhalen die ik over mijzelf vertel. En anderen natuurlijk. Zonder die wisselwerking gaat er iets fout. Als mijn verhalen niet rijmen met de verhalen van anderen over mij, word ik narcist. Losgezongen van andere mensen in elk geval. Nog iets: dat de economie stijgt, omdat de president van Amerika gelachen heeft, of dat de dollar in elkaar zakt omdat de president van Rusland gehoest heeft- producten van onze fantasie. Of wou u beweren, dat het goddelijke wetten zijn die de koers van de dollar bepalen? De dollar zèlf: onze fantasie. Een papierworm ziet er toch echt iets anders in.

Vrede, ook een fantasie.

Verzoening,

heelheid,

liefde-

ach ja, de liefde. De liefde is wel de grootste fantasie van alle. Verliefdheid, zeggen de nucleair biologen is een product van hormonen, feromonen en voortplantingsdriften. Verliefdheid, zeggen de psychologen, is een product van het gat in onze behoeften.

Maar wat zegt onze fantasie? Liefde, aaah, de liefde is een roos, is een roos, is een roos. Is een roos. Zij is een geschenk. Ze tilt ons op tot waar we thuis behoren. De liefde maakt ons mooi. Mooier nog dan we waren.

Wat valt te leven, denk je? Leef je met feromonen (mag ik, uuuh, mag ik even achter je oren ruiken of uuh, of de jouwe overeenstemmen met mijn feromonen?). Of leef je met “aaaaah, aaaaah, jij, jij,  enkel jij”?

Arjen Lubach kon niet begrijpen hoe je onderwijs kunt toestaan waarin “een onderwijzer eerst zegt dat tien plus tien twintig is en vervolgens vertelt dat er een man uit een grot kwam gekropen en dat die god is”.  Mijn god, Lubach! Is dat wat je te zeggen hebt over het christelijk geloof? “Een man die uit een grot kwam gekropen en die is god”?  Hou dan je mond, zou ik zeggen.

Okay. Ik ben niet kinderachtig. Zelfs al zou het zo zijn “de man uit de grot is god”.  Dan nog. Dan nog. Begrijp je dan niet dat ìn dat verhaal de grote dingen verborgen zijn die we in de rekensommen niet terug kunnen vinden? Leven, namelijk? Een interpretatie die alle dingen ten goede keert? Juist ook, wanneer de rekensommen van je eigen leven een beetje in de min uitvallen.

Nee, je lijkt het niet te begrijpen. Jongen toch.

Bevrijd je, uit je benarde visie, Lubach. Of zoals Segers notabene, als dàt geen fantasie is, tegen je zei: “Twijfel eens wat vaker”

Ik weet nog wel een paar muizen die je erbij willen helpen.

Geloven in tijden van ellende.

Of ik er ook wat aan heb, aan het geloof, nu het allemaal even minder leuk is. Die vraag wordt wel gesteld, ja. Of je steun vindt aan God. Aan de gedachte dat Iemand je nabij is. Anderen kunnen het soms zeggen: “Als ik mijn geloof niet had, ik zou nergens zijn.”

En ik?

Heb ik er wat aan?

Hebe Kohlbrugge reageerde kort en een beetje kregelig: “Nooit!”, toen haar gevraagd werd of zij God ook had ervaren in het concentratiekamp. Ze vond het een soort ontkenning van de verschrikkelijkheid van het kamp. Alsof het een prettiger oord wordt, als je “God ervaart”.

Ze had een ander verhaal te vertellen.

Ik weet niet, of ik Hebe’s “Nooit!” zomaar zou herhalen. Ik ervaar de verwondering over het leven. Dat het er allemaal is en dat ik het mee mag maken. Dat ik het goede meemaak en dat ik het kwade meemaak. Het ene is niet uitzonderlijker dan het ander. Het is beide uitzonderlijk. De kans dat ik was geboren was praktisch nul. Ga maar na: als mijn oma een andere opa had getrouwd… en haar oma, en die haar oma, en de oma van die oma. Ze trouwden precies zó dat ik geboren werd. Ik kan er niet over uit. Zo bijzonder.

Dat is wel iets van een godservaring. Die mij draagt en troost en kracht geeft.Alles is veel groter, fascinerender en fantastischer dan je denkt.

Maar het is uiteindelijk ook niet míjn hele verhaal.

Laat ik hier beginnen: geloof is geen ‘verbandtrommel voor mindere tijden’. Soms wordt het wel zo gevoeld: “toen ik het moeilijk had, was God bij mij”. Ik haper bij die woorden. Daarvoor is het beeld van het verdronken kind te sterk. Hij had het veel moeilijker dan ik het ooit zal hebben. Was God dan niet bij hem? (Ja, zullen sommigen zeggen: God was bij hem in zijn dood, maar dat vind ik te gemakkelijk. En te moeilijk tegelijkertijd. God had dan ook wel in zijn leven kunnen zijn. Toch?)

Er is nóg een reden waarom ik het niet zo zou zeggen: het grote verbod in wat wij het Oude Testament noemen. Het verbod op huisgoden. Even iets over hen, over die huisgoden: zij zijn uitermate handige figuren. Ze beschermen je tegen diefstal, roofoverval, blikseminslag, plotselinge sterfte van kinderen, tegen alles eigenlijk. Je zet ze dagelijks voedsel en gebeden voor: en hup! zij gaan voor je aan het werk. Security Service. Especially made for you.

Zo is de God van Israël niet. Hij is géén huisgod.

Hij is er niet om mijn kwalen te verhelpen.

Wie is Hij dan wel?

Hier komt mijn verhaal. Ik geloof niet, omdat ik denk dat het leven daardoor gemakkelijker wordt. Ik geloof niet om het zelf gemakkelijker te hebben. Ik geloof evenmin trouwens dat ik het moeilijker heb doordat ik God trouw wil zijn. Om Augustinus te parafraseren (een gelovige uit de vierde eeuw): ik geloof niet om een beloning te ontvangen, ik geloof ook niet om een straf te ontlopen. Ik geloof, omdat ik overtuigd ben van de juistheid van het Verhaal.

Het Verhaal van God.

Dat het namelijk niet gaat om veiligheid, maar om recht. En om het herstel daarvan. Ik geloof dat het juist is om te leven voor de ander. Om je leven in te zetten voor anderen. Om het weg te geven.Om het uit te delen als zaad.

En ik geloof dat, om dàt leven voor elkaar te krijgen, het nodig is om te verlaten wat je hindert: mijn egoïsme, mijn hardheid, mijn ik-gerichtheid.

Ik geloof dat het juist is – en het enig juiste- om ruimte te scheppen voor het wonder van de ander. En om achter te laten wat mij daarin hindert: mijn ergernis aan de ander, mijn angst voor de ander, mijn haat jegens de ander.

Het Verhaal van God is het verhaal van: er zijn altijd mannen en vrouwen onderweg geweest naar een betere wereld. Zij hebben zichzelf als water gegeven voor de groei daarvan.

Nu ben ik geen Sint Fransiscus. Had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben geen moeder Theresa, had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben ik. Maar ik geloof wel, dat God – en daar komt Hij dan- dat God het mij gééft om opener, eerlijker, ruimer te worden. Meer te worden zoals Hij.

Mijn leven wordt verbonden met Zijn Verhaal. Dat is de draagkracht en de spankracht van mijn bestaan. Ik geloof dat ik naar het juiste streef. Ook al lukt mij dat nog lang niet. Ik zit wel in de goede film, zeg maar.

Henri Nouwen heeft eens gezegd: “Het is niet van betekenis hoe lang je hebt geleefd. Het is van betekenis wat je hebt geleefd.”

Daarin helpt “mijn geloof” (dat helemaal mijn geloof niet is, maar het geloof van zovelen duizenden voor mij, na mij, en om mij heen) mij: het geeft mij inhoud aan dat “wat”. Inhoud aan”wat” ik leef.

Ook in beroerde tijden.