Onopgeefbaar verbonden?

“De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.”, zegt de grondwet van de kerk waarvan ik lid ben. Het is een duidelijke stellingname tegenover wat de geschiedenis van de kerk toont: haar haat tegen de Joden. Tot drie, vier, generaties geleden dachten christenen: de Joden hebben Christus verworpen, zij zijn blind en tellen niet meer mee, wíj hebben de Heer aangenomen en daarom hebben wij de waarheid. Het is altijd een geruststellende positie: te weten dat je aan de goede kant staat. Het verheft je ver boven andere mensen en ver boven alle kritiek. Het is ook een gevaarlijke positie: waar de kritiek verstomt, vallen slachtoffers. En dat is dan ook gebeurd: op grote schaal. Zo groot, dat de kerk en al haar pretenties er bijna onder bezwijken. In naam van de Heer zijn vele, vele Joden vermoord. Pogroms startten met angsten en leugens tegen de “vreemde Joden”, ze werden nog eens extra aangezwengeld door kerkelijk godsdienstige theologieën. De Joden, die waren het volk dat God niet meer wilde hebben. En daarom hielpen “wij” een handje door hen uit te sluiten, op te jagen en desnoods te vermoorden. Het bloed van Abel roept tot ons geweten.

De Tweede Wereldoorlog met zijn Shoah schudde ons hardhandig wakker. Dat die Endlösung in een land vol kerken en christenen uitgedacht werd móest de gedachten aan de kerkelijke uitmuntendheid wel breken.

Mede door het werk van Karl Barth, bisschop Niemöller en Dietrich Bonhoeffer ontdekte de kerk een nieuwe plek: naast het Joodse volk. Wij hebben de waarheid niet. De Joden leerden haar kennen en gaven haar door.

En daarmee ging veel kantelen: dat de waarheid geen vaststaande leer is, maar een begrip dat jouw relatie met de werkelijkheid uitdrukt, bijvoorbeeld. Maar ook: dat het gaat om wat je doet en niet om wat je zegt te geloven. En ook: dat de aarde het middelpunt van ons leven is en niet een hemel van welke soort dan ook.

Het revolutionaire van de Bijbelse geschriften is dit: dat er een naaste is. En dat die net is als jij.

Ik ben er nog altijd stil van: van die omwenteling. Wij dachten dat wij het hadden, we leerden dat alles wat een mens zoekt bij de naaste in bewaring ligt. Wij werden weer die wij waren: de heidenen die de G’d van Israël leerden kennen.

Dat daarmee óók de beelden van G’d als de Oppermachtige, de Baas, de Onveranderlijke op de helling gingen, hoeft bijna geen betoog meer. Ook G’d bleek van aards materiaal. De aarde is Zijn domein.

Zonder Joden zou de Kerk het Instituut zijn gebleven dat de weg naar de hemel wist. Doordat de Kerk gedwongen werd naar zichzelf te kijken via de ogen van de Joodse geschriften en via haar eigen geschiedenis met de Joden, stortte haar arrogantie neer en hervond zij zichzelf. Zij is de aardse gemeenschap van mensen.

Het was dus nodig, om in de kerkorde te zetten: onopgeefbaar verbonden

maar

de tijd schreed voort sinds 1951, het jaar waarin Israël voor het eerst in de Hervormde kerkorde werd genoemd. En er kwamen nieuwe vragen. Met wie is de kerk verbonden als zij zegt: “het volk Israël”?

Ligt dat volk geborgen in de Schriften? Gaat het om mensen die er vandaag niet meer zijn?

Zijn wij verbonden met het gelóóf van het “volk Israël” ? Met hun verhalen, getuigenissen en commentaren?

Of gaat het om mensen die vandaag leven.

En wie dan?

Zijn wij verbonden met de religieuze Joden? Met alle Joden?

En de dringenste vraag van alle vragen: is de Kerk verbonden met de Joden èn de staat Israël?

en als dat laatste het geval is: wat betekent die verbondenheid dan?

er zijn er die zeggen: het gaat alleen om de geestelijke erfenis. Dat wij onze Joodse wortels herkennen en erkennen.

er zijn er die zeggen: wij zijn alleen verbonden met de religieuze Joden

er zijn er die zeggen: de Kerk is verbonden met de Joden en met hun staat.

Als ik serieus neem, wat ik hierboven zei: dat wij van de Joden leerden dat het om de aarde gaat en dat geloven vooral betekent: handelen – dan kan ik niet anders zeggen dan: wie verbonden is met de Joden is ook verbonden met de staat Israël. Of je dat nu leuk vindt of niet. Ik zeg het eerlijk: ik kan mij op dit moment leukere verbondenheden voorstellen.

Ik schaam mij voor de oorlog tussen Israël en de Palestijnen. En ik ben mij bewust van alle vooronderstelling die deze zin al in zich draagt. Is het een oorlog? Of is het een conflict? Is het een bezetting? Of is het legitieme zelfverdediging van de staat Israël? Is het een oorlog tegen de Palestijnen? Tegen Hamas? Of tegen de Islam, misschien? Alle posities zijn in de kerk te vinden.

Ik denk: wij zijn verbonden met de Joden. En daarmee met de staat.

Maar verbondenheid sluit kritiek niet uit. In tegendeel. Verbondenheid roept juist op tot zowel solidariteit als kritiek.

We leerden van de Joden dat het leven gevonden wordt door de naaste. En we leerden het sleutelwoord: rechtvaardigheid.

Mag de kerk de vragen opnieuw aan de staat Israël stellen? In hoeverre zijn de Palestijnen jullie naasten? En wat betekent het om recht aan hen te doen?

Advertenties

Van nieuw begin naar nieuw begin.

Genesis Twaalf werd tijdens onze huwelijksviering gelezen. Zoiets geeft een band. Het hoofdstuk gaat over een nieuw begin, het richting vinden in dat nieuwe begin en die richting vinden, doordat je er de verantwoordelijkheid voor neemt. Abraham geeft antwoord op de eerste levensvraag: “Waar ben je?”.  “Hinneh”,  antwoordt hij: “Ik ben hier.” (Ik citeer nu hoofdstuk 22).

Zo heb ik ons trouwen ervaren: als een nieuw geboren worden. Doordat liefde overweldigend over je komt. De verantwoordelijkheid voor dit nieuwe bestaan, samen, lag eerst nog in de liefde zelf. Maar met de jaren ben ik haar zelf gaan dragen Meer en meer. Dit ben ik. Jij en ik samen. Dit is wie ik met jou wil zijn.

Afgelopen zondag lazen we de geschiedenis opnieuw. In het midden van de gemeente. En dit keer kwamen ook andere energieën uit de tekst naar mij toe. Ik werd aangesproken, zoals niet eerder. Terwijl het voorgaande bleef staan. Teksten zijn soms als oude gebouwen: je bent er al zo vaak langs gelopen en toch dragen ze geheimen in zich, jaren ongezien. Op een ochtend loop je er weer langs en wat niet opgemerkt was, opent zich zomaar. Er is meer ruimte dan je denkt.

Genesis 12 geeft ons het verlangen naar het nieuwe begin. Nooit is je leven, zoals het is. Het kan veranderen. Vormen aannemen die het nog niet had. Je kunt op weg gaan. Hierom houd ik zielsveel van deze tekst.

We lazen eergisteren ook een deel uit hoofdstuk elf. Over de vader van Abram, Terach. En over de broer van Abram, Haran. Vooral over die laatste. Haran stierf “nog bij het leven van diens vader Terach”, staat er. Je voelt hoe er gezwegen wordt over de pijn. Te groot voor woorden.

Je leest in hoofdstuk elf ook dit: Terach was eveneens onderweg! Abram was de eerste niet. Het was al vóór hem begonnen. Wij zijn onderdeel van een beweging, een deel van een golf, zeg maar.

Ik had al zoveel preken over Abram gehoord.O, en geschreven. En telkens had mij dit getroffen: hij brak met zijn verleden. Hij nam zijn eigen leven als een nieuwe dag. Abram keek naar de toekomst.

Ik had mij daarbij nooit gerealiseerd: zijn vader had dat ook gedaan. Het zal de vrolijke hoogmoed van mijn jeugd zijn geweest. Ik had ooit gedacht, dat ik het verschil zou gaan maken. Ik zou niet gaan doen, wat mijn ouders deden.

Er is een mythe die bij ons veel weerklank vindt. Dat wij de scheppers van ons leven zijn. Dat wij de regie voeren. Wij bepalen onze weg. De mythe brengt ons ver. Maar ze hindert ons ook: we worden blind voor wat aan ons gegeven wordt. En dat laatste is, naar mijn inschatting, het meeste.

Terach was al onderweg. Mijn ouders’ leven kende dezelfde verwachting en dezelfde hoop als mijn bestaan. Maar Terach stokte. Hij bleef in de stad die heette zoals zijn zoon had geheten: Haran. In die stad strandde de hoop.

Ik denk, dat dit de ervaring van velen is: waar wij ooit mee begonnen wordt dunner met de tijd. Ik was ooit die veel belovende generatie. Vandaag zijn we vijftig en behoren we tot het establishment. Hoeveel beloften werden er ingelost? Niet veel, ben ik bang.

En toch hoef ik niet bang te zijn. Mijn hoop was opgenomen in een grotere beweging. Die mij overkwam en die mij meenam. Tot Haran. Tot de grens. Tot een bepaalde plek. En na mij worden weer anderen geraakt. Die op hun manier verder gaan. Met hun vormen, woorden en gebruiken.

Dat Terach in Haran bleef was geen falen. Hier kwam hij. Dit was zijn leven. “Waar ben je?”, zou G’d vragen. “In Haran”, zou Terach antwoorden. Zijn leven wàs getekend door de dood van zijn zoon.

Abram zou nooit verder komen dan de Negev, de hongerwoestijn. Het verlangen zou in zijn bestaan verlangen blijven.

Ooit veroordeelde ik mijn ouders om wat zij fout hadden gedaan in mijn ogen. Ooit veroordeelde ik mij zelf nog harder om de fouten die ik op mijn beurt maakte. Het is over. Ik besef: de wereld vergaat niet als ik fouten maak.

De wereld gaat verder op een beweging, die de Schriften “Ik ben” noemen.

En ik neem daar aan deel.

Die ontdekking, die vond ik pas echt een nieuw begin.

De dominee is een mens.

Er zit een rare twist in het vak van dominee. Aan de ene kant zegt de protestantse leer: een dominee is geen priester, ze heeft geen bijzonder lijntje naar God, ze heeft geen andere gaven ontvangen dan een willekeurig ander, en haar taak is niet van groter gewicht dan dat van de ouderling of de diaken.

Tot zover de theorie. In de praktijk wordt van een dominee verwacht dat ze zich wel degelijk als ‘bijzonder’ gedraagt. “In daad, in praat en in gewaad”, zeiden de ouden. En nòg wordt gezegd, dat ‘de kerk’ niet is geweest, als de dominee niet langs kwam. Of er dan wel ouderlingen waren, of diakenen, dat maakt niets uit. Alleen de dominee mag dopen en het avondmaal bedienen. Alleen de dominee draagt liturgische kleding. Alleen de dominee wordt voor het leven in het ambt bevestigd. Ouderling ben je voor vier jaar. En diaken ook.

Als het zo onduidelijk is, dat aan elkaar tegengestelde gedachten en verwachtingen zich hechten aan de rol van de dominee, dan hoeft het niet te verbazen, wanneer mensen er ruzie over zouden krijgen. Ruzie is vaak een teken van niet-uitgedachte chaos. Nou, hier heerst chaos, en de ruzie kwam er dan ook. In Nederland tussen Oepke Noordmans en A.M Brouwer. Later trok de zogenaamde liturgische beweging aan het ambt, en zette – opnieuw- Oepke Noordmans zich daartegen schrap. Van Ruler wist in de jaren zestig en zeventig de gedachten over het ambt te verhelderen, maar hij deed dat blijkbaar op een zó eigenzinnige manier, dat zijn werk niet heeft beklijfd. Van Ruler? Welke Van Ruler?

Het zal evenmin verbazing wekken, dat de doordenking van de dominee ook weer twee kanten op gaat: òf er wordt een pleidooi gehouden om de dominee meer priesterlijk te maken, òf er wordt juist gepleit voor een dominee als functie. En niet meer dan dat.

Tussen die twee polen sta je dan. Waar sta je?

Die vraag is niet zomaar te beantwoorden. Wil je weten wat een dominee kan zijn, dan meldt zich ogenblikkelijk ook de vraag, wat de kerk dan is, en die vraag neemt weer de vraag met zich mee, welk doel de kerk dient en die vraag, opent weer de vraag naar je kijk op de bijbelse geschriften. Het zijn net Russische Babouschka’s  je tilt er één op, verschijnt er onmiddellijk een nieuwe.

Ik begin maar bij de taak van de dominee. Wat moet ik eigenlijk zijn en doen?

Het evangelie verkondigen, zeg ik Oepke Noordmans na.

Wat is de inhoud van het evangelie? Dat we op weg zijn de schoonheid te ontdekken in de wereld en in onszelf.

Dat verkondig ik.

Waarom ik

Iemand moet het doen. Ik geloof niet, dat een dominee uitzonderlijker is dan een ander. Ik geloof zelfs niet, dat wie dan ook uitzonderlijker is dan een ander. En wie van zichzelf, of van een ander zegt: maar die heeft het, maar ik heb het – een het dat een ander niet heeft- ik geloof hem niet. We zijn allemaal uit een vader en een moeder voortgekomen. Niemand daalde van de sterren naar beneden af. Of, om hetzelfde meer in mijn denken te zeggen: alle mensen zijn uniek. En we zijn allemaal uitzonderlijk. Als een ander “iets”  heeft, herken ik het, in een nieuwe vorm, terug in mijzelf.

Kerkordelijk ben ik geroepen: de gemeente vroeg mij, of ik wilde komen. Er is niets bovennatuurlijks aan voorafgegaan. Dat mensen andere mensen inroepen is al zó bijzonder, zó prachtig, daar zit het hemelse bij in. Het zweeft er niet boven.

De verkondiging

Dat we onderweg zijn de schoonheid te ontdekken in de wereld en in onszelf. Met bijbelse woorden: wij zijn op weg naar het Koninkrijk van God, waarin gerechtigheid zal geschieden en wij bemind zullen zijn. Ja. Maar die schoonheid is er al. Je wordt niet mooi. Je bent het al. En hopelijk heb je mensen om je heen, die je daar aan herinneren. Want zoals dat gaat in onze wereld: er daalt stof op je schoonheid. Alles moet voortdurend ontdekt worden, anders gaat het verloren. Als een generatie een verhaal niet meer doorgeeft aan een nieuwe generatie, is het verhaal weg. De dominee is een van de mensen ‘die helpen herinneren”.

Mijn taak is nog het best te vergelijken met die van een vroedvrouw. Ik help geboren worden, wat al in de mensen woont.

Ik  doe dat allereerst door een woordwerkelijkheid te scheppen. Ik preek, ik bid, ik luister, ik spreek met mensen. En ik zing. En ik bidt om de Geest, dat die woorden een antwoord oproepen: dat de mensen zelf open gaan.

Naast de woorden heb ik mijn persoon. Omdat ik geloof dat onze persoonlijkheid het meest kostbare is om in te zetten voor elkaar. In ons wezen, zo eenmalig, schuilt God. Als ik mij durf te tonen, dan hoop ik dat jij dat ook durft. Ik ben, zodat jij kunt zijn, zeg maar. Een dominee specialiseert zich in dit “ik-ben” zijn.

Geen priester.

In de jaren ben ik het steeds meer gaan waarderen, dat de dominee “niets meebrengt”. Ik heb geen rituelen. Ik kan geen aura lezen. Ik kan niet chanellen, ik kan niet in de toekomst kijken. Ik neem Christus niet met mij mee. Ik vertegenwoordig God niet. Ik ben ik. En daar moet ik het mee doen. Ik heb ontdekt dat hoe meer ik loslaat, hoe meer er kan gebeuren.

Toen ik dacht: nu moet ik naar die mijnheer, want ik moet met hem daar en daar over praten, toen mislukte het gesprek volledig. Het was de tijd niet, het was de plaats niet. Maar toen ik hem opzocht zonder te weten wat ik ging doen, toen gebeurde zó veel, dat je kunt zeggen: G’d was aanwezig.

Soms willen mensen een priester in de dominee zien. Ik ben daar huiverig voor geworden. Te vaak is mij overkomen, dat mensen iets van mij verwachtten wat zij zelf hadden kunnen doen omdat zij het zelf in huis hadden. In de gemeenschap van de kerk zie ik hetzelfde: de dominee kan zo mooi bidden. Maar de gemeenschap kan zelf veel beter bidden! Aan haar is de schoonheid gegeven. Die moet ze niet aan de dominee toedichten. Ze laat veel liggen als ze het van een ander, als ze het van de dominee verwacht.

Ik ben huiverig geworden voor de gedachte dat de dominee priester zou zijn. Ik kan de ander niet ontnemen, wat de ander heeft: dat zou een omkering zijn van alles waar een predikant voor staat. En toch doe ik soms priesterlijke dingen. Ik bedien het avondmaal, ik bid mensen de zegen toe. Maar ik zou ook graag ruimte zien, waarin mensen de dominee zegenen. En waarin mensen met de dominee het avondmaal vieren. Mijn zijn heeft op zijn beurt eveneens anderen nodig om te worden wie hij is. Ik ga voor de mensen uit, soms, zodat de mensen volgen en later weer voor mij uit kunnen gaan. Zoals een eerste schaap de dam over gaat….. zo is de dominee.

Dienaar

Dienaar is het woord, dat mij het beste past. Waarvan ik denk dat het de dominee het beste past. Ik ben geen hulpje en geen sloofje. Een vroedvrouw weet heel goed wat zij doet en laat zich niet koeioneren. Maar ik geef mij wel, met het gebed dat anderen er door tot bloei komen.

Positie, geen symbiose

In het gesprek over de dominee neem ik positie in van Oepke Noordmans. Van hem zijn de woorden: een dominee is een mens verrezen uit het stof. Ik denk niet gering over mijzelf. Ik heb enorm veel verwondering over de mogelijkheden van de ander. Ik denk niet, dat er een symbiose mogelijk is tussen aan de ene kant  “de dominee als gestudeerde leek”  en aan de andere kant “de dominee als priester”. Of het zou zo moeten zijn:  hoe meer de dominee ontdekt dat z/ hij gewoon mens is, hoe meer z / hij priester is voor de mensen.

Waarom ik geen boordje draag.

chamberlain-image-4

Nou ja zeg! Was ik mijn tijd al ver vooruit. In de jaren negentig, in mijn eerste gemeente, droeg ik al geregeld een (priester-) boordje. Het heeft het zelfs nog tot een hilarisch lied geschopt bij mijn afscheid. De laatste maanden is het ‘ineens’ een hot item geworden, nu een aantal dominees besloten heeft een boord te gaan dragen. Maar ik doe niet mee, dit keer.

Twintig jaar geleden was ik kakelvers uit een klooster gerold, had tweeëneenhalf jaar Polen in mijn lijf en was ervan overtuigd, dat “de dominee” een vertegenwoordiger was, van de kerk in elk geval, en van God hopelijk ook. In Polen was de geestelijkheid toentertijd zeer zichtbaar op straat aanwezig, niet zo af en toe, maar voortdurend. Kloosterzusters, priesters en – in mindere mate- monniken zag je herkenbaar gekleed in de winkelstraten en in de wijken daar omheen. Tesamen schiepen zij een atmosfeer van kerkelijke presentie, met al haar mooie kanten en met al haar nare keerzijden.

Zo stapte ik het ambt binnen: mijn persoon moest iets uitstralen. Ik kleedde mij donker, wat heus niet misstond; ik was nog heel slank, maar daar ging het niet om. Ik had een hele gedachtenwereld die achter de kleding en achter het boordje schuil ging. De dominee als een ‘venster op God’.

Die gedachtenwereld is er niet meer. Door mijn eigen stommiteiten werden er steeds meer gaten geprikt in het beeld van dat venster. Naief en enthousiast in de eerste gemeente, begreep ik niet dat sommige mensen mijn werk helemaal niet zo waardeerden. Dat was de eerste beschadiging. Maar veel grotere ontstonden door mijn eigen wezen: mijn ongeduld, mijn woede, mijn niet-altijd-even-evenwichtige-kijk-op-mensen; ik heb de plank nogal eens misgeslagen. Er zijn mensen door mij vergeten, er uit gewerkt, overgeslagen, minder aardig behandeld. Niet dat ik zo’n verschrikkelijk mens ben, dat nou ook weer niet: ik ben mens. Maar dit doet het boordje wel met je: het maakt je daar héél intens van bewust. Bij het omdoen van het boord, hoorde ik hoe vanuit de hoeken van de kamer de vergetenen naar mij toekwamen en mij fluisterend en indringend herinnerden aan mijn falen. 

Op dat feit liep mijn hele “dominee als venster op God”- beeld stuk. Ik was soms meer een gesloten luik, als er dan toch een beeld moet komen.

Met de jaren – en mijn man stimuleerde dat nog eens extra- verdwenen de zwarte kleren. Er kwamen kleuren voor in de plaats. En het boordje bleef onbewogen in de la liggen. Meer en meer. Ik zou nu niet eens meer weten, waar het is gebleven.

Er kwamen andere woorden over het predikantschap: “een mensje uit het stof verrezen”. Ik weet niet meer wie deze zin uitsprak: het is een kern van de calvinistische ambtsleer. Wij verwijzen helemaal niet. En als we verwijzen, dan uhm, nou ja: dat weet u nu al, waarnaar we dan verwijzen.

Ik ben het als het aantrekkelijke van het dominee-zijn leren zien: ik ben niet anders dan een ander. Niet in mijn schoonheid (zo mooi is een ander ook) en niet in mijn lelijkheid (ik hoef mijn schaduwkanten niet te overdrijven). En toch ben ik eenmalig. Dat maakt alles zo bijzonder. Jij bent ook eenmalig jij. Jij herinnert mij daaraan door jouw aanwezigheid. En ik herinner jou aan jouw kostbare, eenmalige ik door mijn aanwezigheid. G’d wordt door niemand vertegenwoordigd. G’d gebeurt waar wij elkaar ontvangen en herkennen. G’d gebeurt tussen ons in.

Ik ben geen sjamaan. Ik kan de regen niet door mijn bidden doen ophouden, ik kan de zon niet laten schijnen. Ik kan niet genezen, niet helen. Ik lees geen aura’s en ik voel geen stralingen. Ik ben geen priester die ‘iets bemiddelt’. Ik ben geen vertegenwoordiger van Christus. Christus vertegenwoordigt zichzelf. In de Bijbelse Geschriften en in de viering van de sacramenten. Ik ben een mens.

Het enige wat een beetje anders is dan bij een ander is dit: ik heb de luxe om iets meer tijd te besteden aan het lezen van de Bijbelse boeken, aan het geven van onderwijs, aan het opzoeken van mensen. Een ander zou het ook kunnen doen, zonder moeite. Maar ik krijg er het geld voor.

In de tussenliggende jaren, heb ik wel eens boos uitgeroepen, dat “alles wat voor mij belangrijk was, mij werd afgenomen.” Nu denk ik: en zo moest het precies zijn. Ik werd er mens van.

Daar gaat geen boord meer om heen. 

Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren ~ Szymborska

Sommige boeken komen met grote overmacht binnen. Door hun uitgebeende structuur, of juist hun barokke verwoording weten ze je ziel genadeloos te vinden. En tonen zich daar dan onverwacht hun genadevolle kracht. Voor mij was de trilogie Het Boek Dina (Het Boek Benjamin, Het Boek Karna), zo’n zielebeuk. Ik hoor mijn moeder nòg in mijn gedachten, hoe ze meer dan eens bij het lezen verschrikt “o ” riep, of tegen mijn vader: “Moet je nu toch horen!” En dat alles onder de lichtkring van de lamp boven de tafel.

Er zijn ook boeken, die je besluipen. Hun inhoud komt niet met geweld, maar druppelt naar binnen, zoals regenwater langzaam de wanden van een grot aanraakt en verandert. Sensueel, haast. Louis Couperus kende de kunst daarvan. Zijn boeken spinnen je in, vullen je met het stof, de menselijke haat, liefde, laagheid en schoonheid uit de negentiende-eeuwse salons. En ze laten je pas los, wanneer zij hun stempel in je ziel hebben achtergelaten.

Boeken die voorbij waaien en vergeten worden, nog voordat ze uitgelezen zijn, zijn er ook. De voorbeelden ervan weet ik niet meer. Ze waren als een terloops gesprek tussen twee vreemden op een bushalte. Zodra je de chauffeur vraagt: “Een enkeltje Hoofdstation”, is alles onopgeslagen verdwenen.

Opmaak 1Ik dacht dat daarmee de wegen naar de ziel ontgonnen waren. Maar Erwin Mortier vond nog een vierde. En bereikte zijn doel. Steviger misschien dan alle andere wegen hadden gekund. Zijn boek “De Spiegelingen” komt overrompelend binnen. Met een pen als een penseel tekent hij de jaren tussen de twee wereldoorlogen. Je hóórt tussen de regels de opkomst van de gekte, de oorlogsrazernij en de ondergang van een geordende maatschappij. En temidden van de mensen als zinkende schepen: Edgar Demont. Zijn hoofdpersoon.

De overrompeling liep echter stuk op de barrikaden van mijn ergernis. Mijn groeiende ergernis. Demont blijkt een naam te bezitten als een profetie. Hij leeft uit het leven van anderen. Van hun financiële onderhoud, de man werkt nergens ook maar één dag, van hun liefde leeft hij; en het meest leeft hij van hun lichamen. Terwijl hij hoofdstuk na hoofdstuk de liefde bezingt voor zijn minnaar en zwager Matthew, slaapt hij elke nacht met zijn knecht Pierre. Slaapt hij met het oogverblindende neefje van Matthew, Paul, slaapt hij met een Duitse soldaat, slaapt hij met een verminkte Japanse man uit Ossaka. In het volle licht en bitterhard voor de fantasie van zijn lezer, beschrijft Mortier alle lichamelijkheid tot in de kleinste beweging en de geringste trilling van lust.

Ik vond het stuitend grenzeloos. Maar toen had ik het boek nog niet uit.

“Waarom lees je het door?”, vroeg iemand. “Omdat ik er voor betaald heb”, antwoordde ik. En omdat ik vermoedde dat er vlak vóór mijn barrikades toch een wonder gebeurde. Het boek ging uit. Edgar Demont werd oud en stierf achter de laatste bladzij. Ik kon alleen de sedimenten in mijn herinneringen verzamelen. En daar ontluikte alles wat ik gelezen had.

Allereerst blijft de schoonheid van Mortiers taal. Het fragmentarische van het boek, brieven, flash-backs, herinneringen en gesprekken, maakt zijn schrijven haast tot een gedicht. Zijn woorden zijn elegant, behaagziek. Kwetsbaar en nooit robuust.

Dat is de grootste indruk die achterblijft. Een anti-indruk bijna: Mortier laat je kwetsbaarheid voelen. Die haar bron vindt in onze lichamelijkheid. Edgar, die zoveel mannen bemint en hun intieme welvingen kent, is in de Eerste wereldoorlog zowat uit elkaar gereten door een granaat. En zijn knecht met hem. Het is een dia in mijn hoofd geworden: hoe de mannen van het slagveld terugkeerden door een moerassig gebied. Ze zeiden net tegen elkaar, in de dalende avondzon, dat het een redelijk rustige dag was geweest. Hun gedachten zweefden al boven hun britsen. En toen, ineens, vanuit het niets, die klap, het opspattende water, de modder, de zon, de vallende nacht, het bloed, de stilte. En het zachte kreunen. Van mensen die tot kapotte lichamen waren gereduceerd.

Wij zijn lichamen. We hebben een lichaam, maar we zijn ook lichaam. “En God wordt door onze sterfelijkheid ontroerd”, zingt psalm 78. Leven, verzoening, verlangen: het is alleen in het lichaam te ontdekken, zegt Mortier. Ík hoef geen hiernamaals. Laat me voortbestaan als de gewaarwording van je jukbeenderen en je wangen op mijn handen, of je lippen onder mijn pink. Verzoening, eindelijk verzoening.’

De beelden van de vrijende Edgar keren de laatste weken vaker en vakerin mijn geestesogen terug. Ze mengen zich met de beelden van mannen die andere mannen de keel afsnijden. En die denken daarmee iets te winnen.

Mortier maakt tastbaar, dat je niet sterker bent dan je dood. En dat ons dat zou moeten ontroeren.

Over: De Spiegelingen, van Erwin Mortier, 2014

 

door sybrandenhenk Geplaatst in recensie