Toevalligheid, zo ver het oog reikt

Nee, mijn facebookpagina kleurde niet naar de vlag van Rusland. Dat had ik na de aanslag in Parijs wel met de Franse vlag gedaan, maar nu in Sint Petersburg bommen waren afgegaan zweeg mijn tijdlijn in alle kleuren. Bij niemand zag ik iets Russisch voorbij komen, trouwens. Ook niets Brits, na de aanslag op de Towerbridge. Zijn we campagnemoe? Meeleefmoe?

Nee. Want hand-in-hand begonnen alle mannen door het land te lopen. En ook ik plaatste Pechtold en Koolmees. Want als mannen lief over straat willen dan val je die niet aan. Dat vind ik nog, zelfs nu het verhaal van Jasper en Ronnie misschien wat anders ligt dan eerst verondersteld.

In Amsterdam werden twee andere mannen aangevallen en in Eindhoven ook, maar dat deed me dan weer minder.

Waarom?

Ik zou het niet weten. Waarom schrik ik bij het ene op en bij het andere niet? De media doen meer voor de een dan voor de ander. Parijs ligt mij nader aan het hart dan Sint Petersburg. Ik heb er wel eens een sigaar voor een bistro gerookt. Dat schept een band. Maar verder? Het slangenbrein in mij trekt zijn schouders onschuldig op.

Er klinken stemmen dat het zo onschuldig niet is. Bij aanslagen in Istanbul of Noord-Somalië dienen we net zo geschokt te zijn. Een jaar terug demonstreerde een aantal mensen bij de Essalam-moskee in Rotterdam tegen al deze selectiviteit. Alsof een westers leven méér waard zou zijn dan een ander leven. Zo zou mijn medeleven met de één een teken zijn van afkeer jegens een ander. Zeiden zij. En dat het een schande was.

Medeleven niet langer als medeleven, maar als maatstaf. In dit geval: het Westers medeleven als maatstaf aller maatstaven.

Komt iedereen aan zijn trekken? Nee, bij mij niet. Ik geef het eerlijk toe. Mijn excuses voor mijn imperfectie.

In het bijbelboek Ruth wordt verteld dat de arme en hongerige Ruth “per toeval” op de akker van Boaz terecht komt. Dat lijkt mij heel juist opgemerkt. Wie in je vizier komt en wie niet, ik heb het niet in de hand. En iedereen op je akker, dat is ook een beetje veel.

Ruth dus.

En wat doet Boaz? Die neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij verlieft zich in Ruth, dat helpt, maar het begint bij doen wat er gedaan moet worden. Voor deze ene. Waren er geen andere hongerige vrouwen in het land? Oh, vast. Was Ruth de hongerigste onder alle vrouwen? Nee, zeker niet. Maar Boaz zag Ruth. En dat werd de verplichting. Hij liet haar het graan meenemen dat bij de oogst op de grond was gevallen. Hij vroeg zijn medewerksters om stiekem nog wat extra graan op de grond te laten vallen.

Dus ja. Een foto van Pechtold en Koolmees. Mijn gevallen graanstengel. Het is nog helemaal niks. Facebook is nogal gemakkelijk. Iets als liturgie. Je doet alsof. Maar Jasper en Ronnie maken mij bewust van de mensen die in mijn omgeving in de knel zitten. En dat ik er voor hen zal zijn. Die ene voor al die anderen, zeg maar. Dankzij die ene, leer ook de anderen te zien

En ik hoop, vooral dat, dat er weer andere mensen zijn rondom de mannen uit Eindhoven, rondom de slachtoffers in Sint Petersburg. Je kunt niet alles. Niemands medeleven breekt een staf over ander leed.

Perfectie, zegt de onvolprezen Wislawa Szymorska, die vind je alleen in een ui.

Advertenties

Geneigd tot alle kwaad, of hoe zit dat nou?

“Alle regels worden op een bepaald moment wel door iemand overtreden”,  schreef Beatrijs Ritsema als troost aan iemand die zich stoorde aan wildplassende mannen. Nu zie ik nooit een man zomaar zijn blaas tegen boom of muur legen, nou ja vooruit: een enkele keer langs de kant van de weg ofzo, maar briefschrijfster (ja, sorry mijn negentiende eeuwse hoofd denkt toch die kant op) had de indruk dat het wildplassen tsunami-achtige vormen begon aan te nemen. “Kun je niet tegen houden”, was het korte, droge commentaar van Beatrijs (hier)

Ik vond het wel mooi. Vooral, omdat ze in een notendop ons menselijk probleem bij de kop had. “Zo zit de mensheid in elkaar”, voegde ze er aan toe. Ik dacht: “zie nou, zondag 3, 4 en 5 in één regel samengevat”. Bert Keizer zou zeggen: “We zijn niet de leukste diersoort, helaas.”

Maar is het ook waar? Ik bedoel: ja – mensen zijn tot alles in staat wat gruwelijk is. Zesmiljoen keer zag de mensheid er geen enkel been in om een jood of jodin te vermoorden. Pol-Pot, Stalin en Mao vermoordden maar liefst twee honderd miljoen keer een mens. Twee! Honderd! Miljoen! Keer! De “War on terror” kostte 700.000 levens. En dan zwijg ik maar over de 6,6 miljard dollar die er mee gemoeid is tot nog toe. Of toch niet helemaal, ik zwijg niet helemaal: zouden de VS er nou niet iets leukers mee hebben kunnen doen? Iets waarmee ze zich populair hadden gemaakt in het Midden-Oosten? Ik weet niet: gratis wifi voor iedereen, ofzo. Of drinkwater, schoon drinkwater voor alle dorpen op alle plaatsen in de wereld? Had vast geen 6,6 miljard gekost. Maar nee. “We” kozen ervoor om met dit geld mensen dood te schieten. Ha fijn.

Dus ja: de mens als zodanig is geneigd alles te doen wat je maar kunt verzinnen aan narigheid. Goed doen lijkt wel pijn te doen.

Of niet? Vanmorgen een verhaaltje in de krant (die Wakkere voor Heel Nederland). Een man van in de negentig verloor zijn inkomen, doordat zijn dochter – die nog kon werken- gestorven was. Hij moest van pure armoe de straat op met een ijscokarretje. Ik ga even voorbij aan de treurigheid van deze feiten. Het gaat mij hier om: een voorbijganger zag hem en kocht zijn hele dagvoorraad. Ijscoverkoper in tranen, zo blij. Maar daar bleef het niet bij. De voorbijganger vond, terecht, dat oude mensen lekker in het zonnetje moesten kunnen zitten, al dan niet achter de geraniums en postte er iets over op Fb. Feestboek, inderdaad. Hij dacht drieduizend dollar op te halen. Binnen een niet eens zo lange tijd stond er 320.000 dollar op de rekening. De oude man hoeft nooit meer de straat op met een ijswagentje.

Zo héél beroerd is de mens dus ook weer niet. Tenzij de FB-mijnheer de 320.000 dollar in zijn eigen zak steekt. Wat niet uitgesloten is “want zo zit de mensheid in elkaar”.

Of toch niet? Zitten wij alleen maar zo in elkaar als we ons onbespied wanen? Als we denken “niemand kijkt”? Of als we ons, zoals Pol-Pot, of Mao, onaantastbaar wanen “ik heb er recht op, dit komt mij toe?” Ik vraag maar eens wat. Ik weet het niet helemaal zeker.

Paulus zegt, dat de rottigheid onze natuur is (Paulus was een ietwat late leerling van Jezus). Maar goed hij had dan ook zèlf mensen laten vermoorden. Ik snap dat hij dat van zichzelf vond. En ik herken het.

Ik herken het ook weer niet. Ik vind de meeste mensen eigenlijk best leuk. Ze hebben wel eens iets stekeligs. Maar om nou te zeggen: “alle mensen die ik ken zijn de hele dag maar bezig slecht te doen”. Nee.

Nog niet zo lang geleden zei een vader van een zieke dochter “je wilt niet geloven hoeveel aardige mensen er zijn”. Hij had veel hulp gekregen. Soms werkelijk onvoorstelbaar lieve, leuke en mooie hulp.

Misschien spreken we elkaar te weinig aan op elkaars mooie, leuke en aardige kanten? Als er altijd maar tegen je gezegd wordt dat je een naarling bent, ja dan word je er ook wel een. Al was het maar uit stille wraak.

Misschien moeten we eens een soort gekozen naiviteit aannemen? Dat we de ander bezien en benaderen als een leuk mens. Met mogelijkheden. En creativiteit. En leukigheid. Dat we zeggen: Elk mens is leuk. Zelfs niet-leuke mensen hebben iets leuks.

Ik zag vorige week iets bijzonders. Het duurde slechts een paar seconden. Midden in dat verschrikkelijke, mislukte, hanepikkerige gesprek van Jeroen Pauw met de vloggers uit Zaandam, zei raadslid Juliëtte Rot: “Ik zie in jullie groep zo veel talent, rappers, mensen met scholing, doe daar iets mee!”  Toen viel het gesprek heel even stil. De vlogger-zonder-bril glimlachte flauwtjes. Rot zag en benoemde: “Hej, je bent zó’n leuk iemand!”

Daarna brak het wantrouwen weer uit. Want tsja, de mens is nu eenmaal geneigd,

of niet?

De onttoverde wereld.

zonOnze wereld is niet betoverd. Dat weten we al sinds Balthasar Bekker zijn boek daarover schreef. In de jaren ’90 van de zeventiende eeuw. Of, zo je wilt: je weet het sinds je een jaar of acht was. Bij ons vliegen er geen heksen rond, geen feeën, er worden geen toverspreuken over je uitgesproken, de zon wordt niet door gnomen gestolen in de avond en niet door hemelwezens teruggekruid in de ochtend. Bij ons botsen zwarte gaten op elkaar en gaan er zwaartekrachtgolven door de ruimte. Het is allemaal na te rekenen. Al het bestaande houdt zich aan vastgelegde wetmatigheden. Je wordt ziek van een virus, een bacil of een haperend gen. Maar nooit door een djinn.

Onze geschiedenis is ook onttoverd, inmiddels. De Oranjes zijn niet meer door welke-god-dan-ook gezonden, een aangespoelde walvis is geen teken meer van naderend onheil, de orkaan Kathrina geen straf op begane zonden. Het gaat zoals het gaat.

Het heeft ons veel gegeven. Ik ben niet bang meer voor een donker bos. Onder mijn bed ligt stof en geen monster. Diep, zwart water, vraagt van mij goede zwemskills, maar geen gebeden, angsten of brandende kaarsen. We zijn vrij geworden. En goddank, er worden geen vrouwen meer verbrand op verdenking van zwarte kunsten.

En toch is dit niet het hele verhaal. Ja, dat verbaast mij zelf ook. Wij weten wel dat de wereld onttoverd is, maar wij ervaren haar níet zo. Wij leven ook niet onttoverd. Het zou een gekke, gevaarlijke wereld worden, als we dat wel deden.

Als mijn dochter verliefd wordt, ben ik verrukt en verbaasd. Ik voel mij als vader ook gekwetst natuurlijk, want ìk was tot nu toe alles voor haar. Ik zal mij in mijn nieuwe rol moeten voegen. Ik vind het mooi en ik vind het moeilijk. Maar waar ik niet aan denk zijn hormonen, feronomen, voortplantingsdrift of wat er technisch ook maar bij komt kijken. De techniek van verliefd-zijn loopt mij zelfs ontzettend in de weg. Ze maakt het wonder tot een plattitude. Erger nog: de techniek ontneemt elke betekenis aan mijn dochter, aan haar verliefdheid. Aan mij. En aan mijn vaderschap. Die laatste was immers ook niet veel meer dan een optelsom van hormonen, voorplanting, genen.

Dat, om maar wat te noemen Ditriech Bonhoeffer op 8 april 1945 werd geëxecuteerd, een paar dagen voordat het kamp waar hij geïnterneerd zat bevrijd zou worden, is volstrekt toevallig. Het gebeurde. Omdat het gebeurde. Het is een betekenisloos feit.

Op 5 mei 1945 werd in de bossen van Leersum een familie tot de laatste zoon door Duitse Nazi’s vermoord. Zinloos. Betekenisloos.

Zo betekenisloos als de mus die eergisteren op onze tuintafel door een gaai werd doodgepikt en opgegeten.

Maar wie het hoort, wordt getroffen. Het is afschuwelijk, zeggen we. Het is onrechtvaardig, roepen we. Het kan niet. Dat iemand, terwijl vrijheid zó dichtbij was, vermoord werd. We horen er een oproep in, een stem, een tegenover dat ons uit balans trekt. Ik kan tenminste nooit Bonhoeffers vers

En wilt gij ons de bitt’re beker geven

met gal gevuld tot aan de hoogste rand

dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

aan uit uw goede, uw geliefde hand

zingen, zonder tranen.

Er is een frame, een intuïtie, een basisgen van mijn part (maar dat geloof ik niet), er is iets in ons, waardoor de dingen betekenis krijgen. Alsof er een prediktorpapiertje in ons huist dat bij sommige dingen uitslaat met een kring en bij andere dingen niet.

We lopen te hoop tegen een asielbeleid dat slachtoffers kost, of omgekeerd: dat ons te veel lijkt te kosten. Maar niemand zegt: mwah, asielbeleid, het zal me mijn derrière corroderen. In de onttoverde wereld, zou de laatste gelijk krijgen.

De intuïtie, het frame, of basisgen, ik zou het willen identificeren als God. Om het zichtbaar te maken, en bespreekbaar. Waar slaan wij op uit, en waarom?

De zon ging vuurrood, groot en rond onder, een paar dagen geleden. Ik reed naar huis. De laatste koeien stonden loom in de wei. Ik stopte, zette de auto aan de kant en keek. Het was betoverend.

 

Hoera, de vrucht is geplukt. Sorry.

adam en eva

 

Mijn eerste offer herinner ik mij nog. Het was een bewegingsoffer. Ik was vier en op weg naar school. “Als ik nu alleen op de rode stoeptegels stap, dan…” Ja, dan zou het allemaal goed gaan vandaag. Later was dat offer niet voldoende, trouwens: ik mocht later alleen met mijn rechterbeen op het rode staan en links op de grijze stoeptegels. Het werden lange wandelingen naar school.

Neurotisch? Wmah, ja waarschijnlijk.

Magisch? Dat zeker. Alsof de werkelijkheid zich spontaan iets zou aantrekken van míjn voetstappen. Een beetje megalomaan was het dan ook wel. Voor een vierjarige.

Maar daarmee was het nog niet volslagen idioot. Hoop ik tenminste. Ik had wel iets begrepen. Dat ik een eigen persoon was, namelijk. En dat ik op de één of andere manier verantwoordelijkheid droeg voor mijn bestaan. Ik was ik. Ik kon mij niet verschuilen achter het gedrag van een ander. En ik besefte ook dit: er was licht, maar ook donker. Ik zal dat toen hebben verstaan als: er is gedrag dat de juffrouw aanstaat, en er is gedrag dat zij liever niet ziet. Ik wist in dat mijn gedrag ook fout kon gaan (haha, ik was nogal opvliegend, toen al!) Ik kon daar bovendien niet altijd iets aan doen. Soms liepen dingen zomaar vanzelf fout. Alsof zíj wilden dat het misliep. Ik wilde dat het goed zou gaan.

Nou, daar kon ik wel wat hulp bij gebruiken. Van stoeptegels, desnoods.

We lazen een tijdje terug uit Genesis 3. Dat aangrijpende, mysterieuze oerverhaal over… ja over wat precies? “La condition humaine”, zou een filosoof uit de jaren zestig zeggen. “De menselijke staat”, hoor ik een dominee hem naspreken. Maar zo akelig: er galmt een lange kerkelijke echo achteraan.

Aan de keukentafel klinkt het dichterbij. Met meer vlees en bloed er in. Het treft mij, dat alles draait om die boom van de kennis-van-goed-en-kwaad. En dat de vruchten van die boom ‘heerlijk zijn om van te eten’. Dat lijkt me nou ook. Je wilt, als mens, toch een beetje fatsoenlijk voor de dag komen. En daarbij een beetje snappen wat wel en wat niet hoort. Als mens dan. Een luipaard kan een reebok verscheuren dat het bloed er van afspat. Zijn geweten zal er niet onder lijden. Maar als ik dat doe…

Vanaf het moment dat de mens ontwaakte, toen hij homo erectus werd? Homo sapiens? Eerder? Later? Vanaf het moment dat de mens wist: ik ben er. Sloop daar deze vloek achteraan: als je weet dat je er bent, heb je je ook te gedragen naar dat weten.

Dank u.

Eva plukte van de vrucht. Een beschavingsoffensief. Dat dat de vrouw wordt toegeschreven verbaast mij niets. Zet vijf jongens op een paar dagen op een camping en er liggen overal lege kratten en bierflessen en een hoop gebral er om heen. Komt er een meisje aan, begint het grote opruimen. Nou ja – niet helemaal waar. En toch ook wel. Ik denk dat vrouwen inderdaad al nadenken over wat kan, terwijl de man nog naboerend aan zijn achterwerk krabbelt.

Eva plukt dus de vrucht. Adam ook.

En dan gaan hun ogen open. Ze zien dat ze te kiezen hebben. De armen. Ja of nee. Wel of niet. Het is een doorgaand verhaal: hoe meer wij weten, hoe meer keuzes wij zullen moeten maken, hoe meer wij verantwoordelijk zullen zijn voor onze keuzes, hoe meer kans dat wij falen, bang zijn om te falen, onzeker worden, het niet weten, wij smeken: o alstjeblieft: mag deze keuze aan ons voorbijgaan?

Er is nu TIPP, die test waarmee vroegtijdig kan worden gezien of een ongeboren kind kans heeft het syndroom van Down te hebben. Je wilt die keuze. Ik zou als vader ook willen weten wat me te wachten stond. Maar nu die keuze er is, zou je terug willen naar een soort paradijselijke naïviteit. Want kiezen betekent: verantwoordelijkheid. En wie zal je kunnen zeggen dat het goed was om je kind geboren te laten worden? Als het een baby blijkt die drie jaar onafgebroken huilt en jengelt en pijn lijkt te hebben? Wie zal zeggen dat je goed hebt gekozen, toen je voor abortus koos? Als je de Jostiband ziet spelen en denkt: “Daar had onze dochter ook bij kunnen zitten?”

Niemand. Niemand heeft het antwoord.

Toen de ogen van Adam en Eva waren open gegaan zagen ze dat ze naakt waren.

Kwetsbaar.

We zullen het er mee moeten doen.

“Wat elk kind doormaakt”, zei iemand eens: “dat heeft de mensheid in haar geheel doorgemaakt.” Ik denk dat het waar is.

Toen ik mijn stoeptegels durfde los te laten. En te laten komen wat er kwam. Oh, dat was jaren later. En eerlijk is eerlijk: soms schep ik nog wel eens een stiekeme stoeptegel, rood of grijs. Ik kwam in een soort “zwevende ruimte”.  Leven als een sprong, zonder veiligheidsgordels. En dan maar hopen dat het allemaal zijn weg wel zou vinden.

Die zwevende ruimte heet, meen ik, genade in de kerk.

We lazen dat, toen Adam en Eva het paradijs achter zich hadden gelaten. En nee het ontwaken was niet genoeglijk, lieflijk en fijn geweest. Dat toen (toen pas, dus!) Adam met Eva vrijde en er een kind geboren werd. Hier begon het leven. Of: hier ging het leven verder.

Levensles 1: aanvaard dat je fouten maakt, het is niet anders. En levensles 2: je fouten en je schoonheid maken, beide, dat de wereld is zoals die is. Wees daar blij mee.

Het waren grotere lessen dan ik ooit op school leerde

 

Gloria dei enim homo vivens est

Wat is dat toch met de Kerk? Waarom naaien de bisschoppen ons altijd weer in het pak van de seksuele keurigheid? Waarom willen ze ueberhaupt greep op ons intieme leven? En waarom moet het dan altijd onder de vlag van zonde, schuld en andere zware narigheid?

Het lijkt wel, alsof voor de Kerk slechts één soort mens mag bestaan: de gemiddelde Amerikaanse man in de gemiddelde suburb. Een man met een vrouw, een vrouw met een man, een aantal kinderen, en elke zaterdag naar de supermarkt. O, en op zondag naar de Kerk. Wee je gebeente, als je leven er anders uitziet. Dan springt de bisschop uit zijn vel. Of anders de dominee wel.

Ik begrijp het niet. Wat is er waar, aantrekkelijk, of dienstbaar aan om het leven van mensen te willen insnoeren naar slechts één model? Was Jezus een negentiende-eeuwer? Zat Hij aan de voeten van Koningin Victoria? Moet je van Hem naar het stadhuis, de kerk, vóórdat je zou mogen vrijen? De vragen stellen… Inderdaad. Is het antwoord geven.

Ik zie, hoe sommigen van de Heer de grote zedenmeester maken. Hoe hij – hé dat is toevallig- de weg wees van de heteroseksuele (witte, denk ik er dan ondeugend bij) man. Maar ik kan het niet geloven. Het leven is zo rijk aan vormen. Aan kleuren. Aan mogelijkheden. Ik kan niet geloven dat het de enige, en altijd de enige opdracht is om te snoeien en in te perken. Als ik de boosheid zie van mensen die het leven van anderen oordelen: “zo-en-zo mag het voor God niet bestaan.” Ik kan niet geloven dat dàt de grondtoon van het bestaan zou zijn, dat overal zou klinken: foei, fout, lelijk.

Nee.

Voor de helderheid: ook ik zou willen dat we een werkelijkheid hadden, waarin het de vrijheid van elk mens zou zijn om haar leven te delen met een ander in liefde en trouw. Tot de dood hen beiden scheidt. Zoals ik ook zou willen dat we een werkelijkheid hadden, waarin elk mens vrij zou zijn om haar leven tot het einde toe te leven. Of waarin mensen vrijheid zouden vinden om elk kind geboren te laten worden. Om maar eens een paar “hot items” te noemen.

Keep on dreaming. Zo’n werkelijkheid is er dus niet. Sommige mensen komen halverwege hun huwelijk tot de ontdekking dat er geen tweede helft meer zal zijn. Omdat er geen vrijheid meer is, maar dwang is gekomen. Omdat één van de partners is gegroeid en niet meer binnen dit verband gelukkig zal worden. Of omdat beiden ontdekken dat het vanaf de eerste dag geen goed idee was om samen te leven.

Sommigen die als man geboren leken, begrijpen na jaren dat ze vrouw zijn. Sommigen die als vrouw werden geboren, ontdekken dat ze man zijn.

Het leven is geen mal. Het is vloeiend, als het licht.

Het is ingrijpend, wanneer die vloeibaarheid voelbaar wordt in je eigen bestaan. Je moet je levensbaan (die je in gedachten tot het einde toe al van een vorm had voorzien) helemaal opnieuw schikken: wie was ik tot nog toe, wie ben ik nu, wie kan ik worden? En dat vaak niet één maal. Maar vele malen. Je springt uit je eigen geschapen mal.

In mijn schoolagenda schreef ik ooit een regel van Irenaeus: gloria Dei enim homo vivens est. Ook hij was een bisschop, Irenaeus. In de tweede eeuw. Dat is al even geleden, dus. Het zinnetje is mij altijd blijven vergezellen. Dat de glorie van God de levende mens is. Het is een troost ( voor mij was het een troost in alle vragen die rondom mij, tiener, spookten). Het is een geestelijke oefening tegelijkertijd.

Dat deze ene mens die nu voor mij staat, dat die de glorie van God is. Deze man die met een vrouw getrouwd is en kinderen heeft, is de glorie van God. Maar de transgenderman die met een andere man samenleeft is dat evenzeer. De vrouw die in haar huwelijk worstelt, omdat ze niet weet of ze door zal gaan of breken zal: zij is de glorie van God. De man die overspel pleegt: hij is de glorie van God.

Elk mens is heilig terrein. En als God haar eert, dan heb ik niet de vrijheid om haar te beoordelen. God heeft Zijn eigen omgang met haar. Ik kan daar niet in kijken, ik kan daar niet tussen staan, ik kan daar al helemaal geen greep op krijgen. Al was ik honderd keer bisschop.

Ik kan wel meegaan in iemands zoektocht. In het vertrouwen dat God de ander zal brengen waar die moet zijn.

Ik verlang naar een Kerk die in elke ontmoeting zou zeggen: jij bent het. Jij bent de glorie van God. Ik verlang naar een Kerk die zou vertrouwen dat God een weg gaat met deze persoon. Ook als niemand precies begrijpt, wat de ander zoekt. Of welke keuzes er worden gemaakt.

In de biologieles leerde ik ooit, dat veelkleurigheid een soort grote flixibiliteit geeft. Door veelvormigheid kunnen soorten ziekten doorstaan. Verstart de vorm, dan is zijn einde nabij. Was er slechts één soort graan, dan was er al lang geen graan meer geweest.

De Kerk doet er goed aan, deze les ter harte te nemen.

.

Buigen?

“Vroeg of laat krijgt God je op je knieën”

het zinnetje bleef als een wolk half-verbrande stookolie tussen ons in hangen.

We waren beiden in het ziekenhuis. Hij en ik. We speelden allebei onze eigen rol.

Hij: 89 en stervende.

Ik: een jonge, idealistische dominee.

Twintig jaar geleden.

Ik zou een traumaloze God verkondigen. Zo was ik in het ambt gestapt. Er waren al te veel levens platgewalst onder dominees-die-alles-wisten. Ik zou het zo niet doen: ik zou het leven verkondigen. En de vreugde. Ik wilde, dat mensen er zin an kregen. Aan het leven, aan zichzelf en aan elkaar. Bij mij zouden de lichtjes aan gaan. Dat stond mij helder voor ogen. Ik was zelf ontsnapt aan een God die “je uiteindelijk wel op de knieën krijgt”.

Ik voelde mij een hele piet met mijn vraag “Denkt u dat? Dat God je klein maakt?” Ik prees mijzelf heimelijk, hoe ik zocht naar een mogelijkheid om deze man te laten zien dat God je juist gróót maakt. Toen ik een meewarige blik ontving van hem. Tsja. Dat moest wel aan de zeventig jaar zware preken hebben gelegen die de arme man over zich heen had gehad. Dacht ik.

Het zinnetje is terug. Na al die tijd. Het is zomaar weer in mijn hoofd komen wonen. Ik kan de stookolie er nog steeds van proeven. Het onverteerbare van de constatering. Het pijnlijke. De teleurstelling die er in schuilt. Maar ik proef ook de kracht.

“Had ik de man toentertijd maar laten uitpraten”,  denk ik spijtig: “ik was misschien wijzer geworden.” Ik dacht dat ik hem iets te bieden moest hebben. Hij had mij iets te geven, begrijp ik nu. Ik nam het niet aan.

Had ik hem kunnen vragen naar zijn teleurstelling, dat hier zijn leven eindigen zou? Zijn schok, dat hij 89 was en niet meer de ‘man van vijftig’ die hij zich voelde? Had ik kunnen vragen naar de onmogelijkheid die hij voelde om zelfs maar het kleinste detail van zijn leven te kunnen wijzigen? Ik had het kunnen doen. Ik deed het niet. Omdat ik mijzelf al wijs achtte.

Ik ben twintig jaar ouder. Nu zit ik op een weg van “o, zo gaat het dus en nee ik heb er geen invloed op”. Niet dat er iemand dood gaat. Maar er is wel ziekte. In het leven van mijn man. En dus ook in dat van mij. Die ziekte vreet steeds dieper naar binnen.

Jaren lang hielden wij hem klein. Door hem een hoekje aan te wijzen, er een hek om heen te zetten, en verder zo veel mogelijk ons eigen plan te trekken. We gingen naar de opera, we lachten, we hadden vrienden om ons heen, we genoten van de kerkgemeenschap, we waren blij met onze familie. Het leven stroomde naar ons. Al was het op sommige dagen alleen door het piepkleine gaatje van bijvoorbeeld een koolmees-voor-het-raam.

De ziekte kroop bij ons op schoot. Legde zijn kouwe, blauwe vingers in onze nek. Blies ons in ons gezicht.

Je kan lachen wat je wilt. Je kan bidden wat je wilt. Je kan je kop in zand steken, als je dat wilt.

Toch zit hij daar. Op schoot.

“vroeg of laat….”

 

Mijnheer Nederlof. Oude, wijze mijnheer Nederlof; was ik maar aan uw voeten gaan zitten, toentertijd. Om te luisteren.

Nu moet ik het wiel zelf uitvinden.

De afgelopen weken heb ik dit begrepen: leef je leven. En laat het je niet afnemen, niet verminderen, niet beschadigen. “De dood zal de krassen van mijn nagels op zijn smoel hebben staan”,  zei eens iemand anders: “omdat ik zo voor mijn leven heb gevochten.”

Maar ja. Soms is er niets om voor te vechten. En dan? Mijnheer Nederlof had gelijk: dan moet je buigen. Erkennen dat is wat is.

Goed. Buigen dan. Maar buigen zal ik pas als alle andere mogelijkheden zijn verdwenen. En dan nog… Niet als een geslagene zal ik buigen. Niet als een overwonnene. Ik zal buigen als een trotse. Dat de ander voelt: mijn kracht. Mijn bestaan.

God zal weten, wie ik ben.

En dan maar hopen, dat er geen wijsneus van een dominee aan mijn bed komt.

 

Zalig oud worden

Ik denk wel eens: “Ik ga bidden, als ik oud word.” Ik bedoel: als ik zó oud ben geworden, dat ik niets meer kan. Ik afhankelijk ben van Joost-mag-weten-wie om mijn steunkousen uit te trekken. Of om een lapje langs mijn lippen te halen, omdat anders het gekwijl àl te erg wordt.

Die tijd komt, namelijk. Ik kijk er niet naar uit. Het is hopelijk ook nog een end weg, maar er komt een dag, waarop ik denk: “Hé geraniums!”. En daar dan de schok bij: “Verdraaid, ik zit er achter.” Je kunt er maar beter op voorbereid zijn.

Dat zijn we niet. We zijn niet voorbereid op onze gebrekkigheid. Als lemmingen kijken we naar onze jeugd. “Denk niet aan hoe ik werd, maar hoe ik was toen ik alles nog kon.” Nou…. denk maar wel aan hoe je zult worden.

Nee, onze cultuur helpt ons daar niet echt bij. Hysterisch bijna, prijst die alles aan wat jong is en hip. Je doet mee, als je skinny jeans draagt. Je bent ‘out’ zodra de tena-lady in zicht komt. Dus hollen we allemaal hazerig door onze straten, om de ouderdom van ons lijf te houden.

En de samenleving houdt de ouderdom op haar beurt buiten de deur. De bejaardenhuizen, ooit opgericht om een vriendelijke, oude dag te bezorgen aan onze ouders, maken het ons vandaag héél gemakkelijk om te denken dat het òns niet gebeuren zal. Wij worden oud, terwijl wij in een jacht de wereldzeeën bevaren. Op z’n minst.

Not.

Een innerlijk dat is gevuld met de gedachte, dat je er toe doet zo lang je meedoet, valt om, zodra er niks meer te doen is. Wij komen verhalen te kort om het laatste deel van ons bestaan waardevol te vinden. Het verhaal van vandaag, “de jeugd heeft de toekomst”, komt te kort.

De vraag naar euthanasie onder lichamelijk gezonde ouderen, voor hun leeftijd gezonde ouderen, bleek een zingevingsvraag te zijn. Zo ontdekte Els van Wijngaarden. Mensen voelen zich overbodig. Weten zich geen raad met hun afhankelijkheid. Ervaren de binnengeslopen nood aan hulp als mensonterend. “Gisteren een bankdirecteur, vandaag een oudje op de bank.” Als je het verhaal zo vertelt, blijft er niet veel over om voor te leven.

Is er niets om te leven, als je oud bent? Lijkt me stug. Ik zie om mij heen veel ouderen die het elke dag doen: oud zijn. Ik leef in de kring van de kerk, hè, en daar kom je ietwat bovengemiddeld veel ouderen tegen. En ze doen het tamelijk opgewekt. Ze lachen zelfs wel eens. Hun geheim?

Ik hoop dat mijn geheim zal zijn: een innerlijk dat overeind blijft als de omstandigheden veranderen. Ik vind, om te beginnen, geholpen worden niet mensonterend. Misschien is het juist kenmerk van mens-zijn: dat we hulp kunnen geven en dat we dus ook hulp kunnen ontvangen. Als baby veegde mijn moeder…. uhm: waste mijn moeder mijn rug al. Mensonterend? Nee. Zo gaat het nu eenmaal. Aanvaard dat het gaat zoals het gaat. En creëer daarbinnen je leven.

En kunnen we dan ook ophouden ouderdom in een apart hokje te stoppen? Waarom doen we dat toch? De gehandicapten op een hoop. De zieken op een hoop. De ouderen op een hoop. Je moeder in huis is ook niet ideaal, maar het maakte je wel veel duidelijk. En je genoot van haar, dat zij inmiddels anders tegen de dingen was gaan aankijken. Ouderen hebben ons veel te bieden. Niet omdat ze oud zijn, maar omdat ze mens zijn. Halsstarrig weigert onze samenleving hun gave aan te nemen. Een uurtje op zondagmiddag. Je horloge tikt de minuten weg.

Ik kan dan wel begrijpen dat je dan liever dood wilt. Als toch niemand je meer als mens ziet, en jij zelf ook niet, dan ben je al een beetje dood, eigenlijk.

Ik droom er wel eens over. Dat ik in de Marckenburg woon. Dat was een bejaardenhuis old-school. Het is er niet meer. Met een kamertje waar je je kont niet kon keren. Het leken er wel kloostergangen. Ik droom, dat ik in een bijna lege kamer woon. Want veel heb ik dan toch niet meer nodig. Een stoel en tafel om aan te schrijven, een bed en een bidstoel. Ik volg de getijdengebeden. Maar sla die in de nacht over: je kunt ook overdrijven. Ik ben, als ik oud geworden ben, meer binnenkant dan buitenkant. En ik geniet van het bestaan. Omdat ik zoveel binnenkant heb ontwikkeld.

Als ik ’s ochtends uit de droom wakker word, besef ik: dan mag ik er vandaag wel eens aan gaan beginnen, aan dat innerlijk van mij. Dat lijkt nog helemaal nergens naar. En als dat zo blijf wil ik straks ook dood, nog voordat ik dood ga.

Het refrein is helemaal niet Hein..

zwarte-zwadderneel“Het lijkt wel een preek van de Oud-Gereformeerde Gemeente”, gaf één van onze meelezers als commentaar op psalm 49. (hier).  We komen nog altijd bij elkaar, al jaren lang, om met een voor-wereldlijke traagheid ons te buigen over deze oude liederen. Er schuilt in ons iets van nonnen, in mij schuilt iets van een non die geduldig roosjes en sterren op een koorkleed borduurt, steek voor steek. Pas aan het eind van het werk ziet zij, wat al die uren uiteindelijk hebben opgeleverd. Het vermoeden doet haar verder gaan. En mij ook.

De Bijbel in gewone taal leek het commentaar te bevestigen.  De bedachte tussenkopjes “het leven is niet te koop”, “alleen God redt” en “in je graf kun je niets meenemen” leken rechtstreeks aan de Zwarte Zwadderneel ontleend. “Geen leuke psalm”, zei iemand anders en nam nog een slok van haar koffie.

De psalm somt op wie er dood gaan, op het laatst. Armen, rijken, wijzen, dwazen: iedereen. Met een zekere genoegen schildert het lied dan ook nog even wat dood-zijn is: het daglicht nooit meer zien, door duisternis omgeven worden, niemand-zijn, niets- worden.

We namen allemaal een slok van onze koffie.

“Nou”, begon toen iemand van ons: “als ik hier over het kerkhof loop en ik zie al die grafstenen… Mijn vader en moeder liggen hier begraven, dus ik kom er nogal eens. Ik ken al die mensen die daar liggen. Ik herinner mij hun levens, waar ze zich druk over maakten. Dan denk ik: tsja, en nu lig je hier. Was het het allemaal waard?” Hij dacht aan de ruzies die ze hadden gehad over de ligging van een sloot, of dat iemand zijn koeien had laten drinken uit water dat hoegenaamd van iemand anders was, of hun pronkerij: ik heb vijf koeien meer dan jij. “We willen ons toch allemaal bewijzen tegenover elkaar.”, zei hij.

We verbaasden ons over de snelheid, waarmee wij voorbij gaan. “Toen mijn vader was overleden en we reden na een aantal intense dagen naar huis, sprong het stoplicht voor ons op rood. Het schokte mij, dat die al die tijd gewoon was doorgegaan met van rood naar groen springen en terug.” De wereld lijkt zich van onze dood niet veel aan te trekken. Van ons leven wel, dan?

Midden in de psalm staat één zinnetje dat afwijkt. “Een zij-weg”, noteert Willem Barnard hierbij. Hij wil de wanhoop van de psalm niet verzachten met vrome praat. En gelijk heeft hij. Niets zo erg, als iemand die jou je verdriet afneemt met geklets dat voor wijsheid door moet gaan.

Maar gaat de psalm wel over wanhoop?

“Misschien moeten we bij het begin, beginnen”, vroeg een derde onze aandacht. “Kijk nou wat er staat” De psalmist vraagt onze aandacht: “Luister!”, zegt ‘ie. En het lied zingt vervolgens, over wijsheid die in het hart is gegroeid. De psalmist heeft het leven ervaren en daar iets in ontdekt wat meer dan het delen waard is. De psalmist roept niet maar wat. Het is levenservaring.

“Ik heb gezien, dat wij allemaal dood gaan, waarom zou ik dan nog bang zijn?” Het lied gaat niet over wanhoop, maar omgekeerd: als ons toch allemaal hetzelfde overkomt, dan hoef ik mij dáár in elk geval niet druk over te maken. Het lied gaat over leven in vrijheid.

En toen kwamen de verhalen los. Hoeveel wij hadden gezien bij het sterven van mensen op wie wij gesteund hadden. Hoe pijn het had gedaan. Maar ook – hoe het ons veranderd had. En dat je die verandering dan toch aanneemt en hoe je daar – woord dat hier niet klopt en wel klopt- blij mee bent.

Het leven komt altijd op ons af. Maar als het verdriet op ons af stormt, lijkt het wel alsof het met grotere helderheid, diepere duidelijkheid naar ons toekomt. Iedereen weet, wat hij moet doen, als de liefste mens ziek wordt. Of je het dan durft, dat is punt twee.

Midden in de psalm staat dat losse vers: over God die mij bevrijdt.

Het leek ons de ontdekking van de psalmist. Dat het meeste waar wij opgewonden van raken onzin is. Dat er slechts één ding werkelijk blijft. En dat de psalmist dat ene: “God” noemt.

Die constatering hielp ons. Maar ze hielp ons ook helemaal niet.  Want wat of wie is dan “God?” In de psalm wordt het woord ‘elohim’ gebruikt. Kun je met god al alle kanten op, met elohim zo mogelijk nóg meer. Het betekent “goden”, “god”, “wat zich als god voordoet”, maar het kan óók betekenen: dat ene, dat echte, dat waar het op dit moment op aankomt. G’d dus. met die gekke apostrof: omdat we niet weten wat dat ene is, totdat dat ene zich aandient. En dat we er steeds over praten, om dat ene te herkennen als het aan de orde is.

“Harmonie”, zei iemand. Dat zal de vorm van G’d zijn. Dat je goed naar de ander toegaat en dat de ander goed naar jou toekomt. “Vrede”, zei een ander. Dat je je naaste op het oog houdt en je oog niet laat verstoren door van die gekke dingen als gelijk willen hebben.

“Dat je jezelf aanvaardt, ook in je fouten” “Dat je liefhebt” “En dat je dat ook zegt: Ik hou van jou” “En dat je dat het eerst zegt tegen de mensen die het dichtst bij je staan.” In stilte namen we ons voor dàt te gaan doen. En er niet te lang mee te wachten.

We proefden de liefde. We cirkelden om haar heen. En G’d leek tussen ons in te zitten, die avond. We waren heel ver weg van de Oud-Gereformeerden.

Nee, ik stop niet met G’d

“Nu stop je er zeker wel mee?”, vroeg een oude bekende afgelopen week. Hij had mijn verbondenheid met G’d altijd met een zekere meewarigheid bekeken. Een kinderziekte, waar ik overheen moest groeien. Volwassen mensen geloven niet meer in Sinterklaas. Ze houden dus ook vanzelf op in G’d te geloven.

Maar zo ging het bij mij niet.

Ik vond het wat naïef van hem, dat hij mij nog altijd leek te zien als een kind in een grotenmensenlichaam. Ik had de indruk, dat àls er iemand in een ontwikkeling was blijven steken, híj dat eerder was dan ik.

Het is altijd fijn, om het gelijk bij jezelf te vinden, ik geef het toe.

Nee, natuurlijk hield ik niet op met G’d. Ook nu niet, nu er wel wat vervelende dingetjes bij ons aan de hand zijn.

Híj leek te denken, dat ik dacht, dat G’d als een soort superpapa mij zou beschermen. Hij leek te denken (was het zíjn beeld van G’d?), dat Iemand in de hemel mijn leven op een zinvolle wijze vorm gaf. En dat Die zou voorkomen wat vervelend is. En dat ik nu dan wel teleurgesteld móest zijn.

Ik ken niemand die er zo over denkt.

Als je al staande wilt houden, dat G’d voor je zorgt. Dat Hij je alleen maar geeft wat je nodig hebt – en er zijn gelovigen die er zo over denken, ik weet het – dan zit er toch altijd een buffer tussen. Wie G’d als de zorgzame vader ziet, zal toch iets zeggen als: Maar wij kennen Gods bedoelingen niet ten einde. Of: niet alles is G’ds wil, er is ook kwaad.

Met andere woorden: niemand zal beweren, dat zijn leven pure uitdrukking is van G’d.

En al helemáál niemand zal willen zeggen, dat deze wereld in zijn totaliteit zuivere uitdrukking is van een goede, hemelse macht.

Wie de Shoah probeert in te passen in de logica, door te zeggen dat 6 miljoen mensen hun karma moesten oppimpen, of door te zeggen dat het hun eigen schuld was, want…. Mensen met zulke redenaties krijgen terecht alle hoon over zich heen.

G’ds handelen is niet te kennen. Dat zegt Prediker al.

Voor mij gaat het echter nog een steekje verder. Ik geloof helemaal niet, dat er machten zijn, of een macht is, die mij ergens voor behoedt. Ook G’d beschermt mij niet. Ik zou het onrechtvaardig vinden, als het wel zo was. De wereld werd onbetrouwbaar, als biddende mensen meer goedheid kregen dan niet-biddende mensen.

Er stond een artikeltje in het AD. Hier. In 1959 crashte een privévliegtuigje. Er kwamen twee mensen bij om het leven. Onlangs meldde zich een man die de stoffelijke resten had gevonden, plus een kostbare en dierbare trouwring. De dochter van de omgekomen mensen was ontzettend blij dat hiermee een verleden ronder werd dan het tot dan toe was. Ze zei: “Ik heb hier altijd voor gebeden”. “En nu heb ik het gekregen”.

Ik kan niet bewijzen dat het niet zo is. Misschien is het zo. Maar dan vind ik het wel ontzettend cynisch voor al die Syrische vluchtelingen die vandaag bidden om uitkomst, om eten en om warme kleren. En die ze niet krijgen.

G’d geeft wel een diamanten ring terug, en zorgt niet voor eten in Syrië? Mijn hoofd kan er niet bij.

Ik wil in zulke speculaties maar niet zoek raken.

Wat doet G’d dan wel?

Mijn man sprak ooit de meest verlossende woorden: Hij doet niets!

Toen ik dat goed tot mij door liet dringen, besefte ik onze verantwoordelijkheid. Meer nog dan ooit daarvoor.

Jezus zegt in meer dan één gelijkenis: er was eens een huiseigenaar, een koning, een grootgrondbezitter. Hij ging weg. En hij zei: zorg voor het huis dat ik aan jou heb geschonken.

G’d spréékt.

En ik antwoord. Door te leven en te doen.

G’d spreekt de hele dag. Hij spreekt door de buurvrouw die naar mij vraagt. Hij spreekt door de zon die warmte uitzendt. Hij spreekt door het wereldnieuws. Hij spreekt door het kind dat vrolijk lacht en zegt ‘dat het leven prachtig is’. Hij spreekt door de verhalen van de Bijbelse geschriften. Ik vind er mijn plek in, liefde in, ik vind er mijn verantwoordelijkheid in, mijn leven, mijn gaven. En ik ben iedere keer weer verbaasd: dat alles zó dichtbij is. En dat mijn plek er zo toe doet.

Nee, ik ben nog lang niet klaar met G’d. Omdat ik nog lang niet al mijn antwoorden heb gevonden op wat Hij zegt. Dat zal mijn leven lang wel zo blijven.

Je hebt geen tijd voor haat.

Een meisje huppelde om het hunebed. Zij was acht. Hij was meer dan vijfduizend jaar oud. Het was nog getuige geweest van de mensen die hun jacht opgaven, die boeren werden en op één plek waren gaan wonen. Toen de missionarissen door Drenthe trokken was het hunebed al oeroud geweest. En dat was het nog. Als het hunebed vertellen kon… Maar dat kan het niet. Het betaalt zijn ouderdom en al zijn ervaring met onwetendheid. In hem heerst stilte. En zelfs dat niet eens.

Het meisje was een vrolijke, dansende lichtvonk rondom de onbewogen achtergrond. Zoals alle leven dat is. Bij wat een ingang leek, stopte ze haar springende pas. Ze draaide zich om en poseerde. Of haar vader een foto van haar kon nemen? Ze keek verwachtingsvol.

In mijn kast staat een fotoboek van monumentale bomen, verspreid door heel Europa. Reuzen zijn het. En dat zijn ze al eeuwen. Ouderdom wordt niet meer door tijd geraakt. Sinds de mensen kunnen fotograferen, blijven ze aan hun voet stilstaan. Rijzige dames met kapsels als soepborden en jurken tot op de grond raakten ooit met hun fijne handen hun stam aan. Jongens met matrozepakjes en ernstige blik, die tot diep in de lens boorde, kerfden hun naam in het schors. Studenten hingen als jolige vruchten tussen hun takken, de pet in het stof gevallen. Volwassen mannen leunden op stokken met zilveren knop. Ze leken met hun kloeke snorren de kanten van de foto’s rechtop te houden.

Ze zijn allemaal dood. Hun wereld is verdwenen. Alleen de bomen bleven.

Het had iets ontroerend. En kwetsbaars. Dat meisje bij het hunebed. Zij zal verdwijnen. Ook zij. De stenen zullen liggen waar zij altijd lagen. Maar weten zullen zij niets. Zij zagen het meisje nooit.

Alleen wij mensen weten wie mensen zijn. En alleen wij kunnen van hen houden. Wij kennen de straf van het zwijgen niet. Wij betaalden ervoor met onze sterfelijkheid.

Het zou ons barmhartig moeten maken. En liefdevol.