Bah, wat heerlijk: een lijf.

In de kerk.

Slim is de oplossing wel: we doen in de kerk gewoon alsof we helemaal geen lichaam hèbben. De Rooms-Katholieke Kerk heeft het zo bedacht, maar de protestantse kerk nog méér. We preken over het heil van onze ziel. Geëngageerde of maatschappelijke preken zetten we weg als “praatjes, verhaaltjes”. En als we zingen “Ik kniel hier voor uw zetel neer.”, dan doen we dat.. juist ja: zittend. En zingen we “Heer, ik hef mijn hart en handen op tot U”, dan stoppen wij onze hand gauw in onze broekzak. Of onder ons kussentje. Zo, weg lichaam.

Er zijn mensen die op de eerste zondag na nieuwjaar niet naar de eredienst komen, want dan wordt er zo veel gezoend.

Het lichaam. Is lastig. Roept vragen op. Wil dingen. En herinnert ons er constant aan dat we niet zo rationeel, keurig en afgemeten zijn als we wel zouden willen.

In de samenleving.

Ondertussen zijn ze buiten de kerk ook niet gek. (Het onderscheid tussen beide werelden is imaginair, dat begreep je al, maar toch bruikbaar.) Daar aanvaarden ze het lichaam. Maar niet helemaal. Het lichaam mag meedoen voor zover het jong is, leuk is, hip is, gezond is, wit is, compleet is.  De andere lichamen laten we gewoon niet zien. Niet in de reclame, niet in films (de belichting is nog nooit zó afgesteld dat die goed is voor een acteur van kleur), niet in andere programma’s. Het moet wel leuk blijven.

Er is nog iets…

Doordat we doen alsof we allemaal reine, dezelfde zieltjes zijn, bestaat de wereld van de theologie uit Augustinus, een beetje Plato, Thomas van Aquino, Calvijn, Hofstede de Groot, Karl Barth, Harry Kuitert. Valt je al iets op? Moet ik nog even verder? Luther, Voetius, Bill Hybels.. Als je in de jaren tachtig vroeg: het zijn wel allemaal mannen, is dat niet gek? Dan keken mensen terug alsof je zelf niet helemaal goed was. En zeg je er nu bij: ze zijn ook allemaal wit! Dan zit je binnen drie minuten bij zwarte piet op schoot. En zeg ik daar nog weer bij: ze lijken me ook allemaal heteroseksueel, dan slaan de zenuwen pas echt toe. “Niet zo raar doen”, roept men.

Er bestáát wel theologie die vanuit het oogpunt van vrouwen (-lichamen) is geschreven: feministische theologie. Maar dat is natuurlijk niet de èchte. Er is ook theologie die haar Sitz im Leben neemt bij mensen in de marge, armen, onderdrukte mannen en vrouwen, mensen van kleur, seksuele minderheden: bevrijdingstheologie. Maar ook zíj is niet dè theologie. Ze is de uitzondering. Niet raar doen.

De wereld buiten de kerk hoeft zich nu overigens niet op de schouder te kloppen van tevredenheid. Ook dáár is  man- wit- westers de norm. De onuitgesproken norm. Verstopt achter de woorden: “Wij zijn tolerant, wij zijn links, wij zijn modern.” Verstopt achter de woorden: “Wij zijn de dominees nu wel voorbij.”

Mannenlichamen blijven langer leuk, sexy en aantrekkelijk dan vrouwenlichamen. Geen actrice zal kunnen doen wat George Clooney kan. Hij werd de sexiest man alive, toen hij, meen ik, de honderd zowat genaderd was. Vrouwen vertellen al decennia, hoe ze worden buitengezet zodra de eerste rimpels zich vertonen. We kijken ze aan en denken: “Ja, dat is toch logisch?”

Het lichaam is lastig. Het vrouwenlichaam is het lastigste van alle. Er bestaat in Nederland een vrouwenzender. Geen idee, wat er zo vrouw aan is. De reclame misschien? Elke vijftien minuten zetten ze daar de kraan open voor alles wat lekt, drupt, dor wordt of riekt in een vrouwenlichaam. En dan ga ik nog niet eens melden dat de luierwaren die worden aangeprezen de problemen niet verkleinen, maar juist vergroten. Ik wil het hier bij laten: druppen, kraken, lekken of rieken mannenlichamen nooit?

Onbetamelijke theologie.

“Wij hebben een onbetamelijke theologie nodig”, zei Janneke Stegeman. Een theologie die zich er bewust van is dat wij een lichaam hebben, maar ook lichaam zijn. En dat aan dat lichaam van alles meekomt.  Ons hele leven. Zonder lichaam geen ziel. En in dat leven: plezier, ongemak, lust, macht, geschiedenis, positie, geslacht. Een man kan niet zomaar beweren algemeen geldende uitspraken te doen. Een vrouw evenmin, trouwens.

Willen we een echtere wereld, binnen en buiten, dan is het nodig naar elkaar te luisteren en elkaars inbreng te laten wegen.

Een witte man kan niet zomaar beweren algemeen geldende uitspraken te doen.

Een witte vrouw evenmin, trouwens.

Waarom ik alleen hen noem? Waarom ik niet zeg “een vrouw van kleur kan geen algemeen geldende uitspraken doen? Omdat zíj toch al niet als normerend wordt beschouwd. In de marge, zei Janneke is te horen waar het om moet gaan.

“Waarom heette jouw lezing eigenlijk: alle christenen de kast uit?”, vroeg de inleider. “Oh ja!”, reageerde Janneke: “Omdat we het nodig hebben dat iederéén zich laat zien. En dat we dat ook van iederéén verwachten. Dus niet alleen homo’s de kast uit.”

Als we zondag over knielen zingen, maar beginnen met werkelijk te knielen dan.

N.a.v “Alle christenen de kast uit!”, lezing van Janneke Stegeman, 6 februari 2018, Sauwerd

Advertenties

Psalm 52

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Onthullende woorden van Huub Oosterhuis. Het is zíjn bewerking van Psalm 52. Een felle psalm. Maar wie zou niet fel worden, als het om onrecht gaat. Het ìs verbijsterend, dat er altijd weer mensen zijn die misbruik maken van anderen en daar mee wèg komen.

Dat Shell geen verantwoordelijkheid meer droeg, ineens, voor de NAM. Was ook zo’n zinnetje in de krant. Dat je denkt: “Wel gloeiende, gloeiende. Zijn ze helemáál.” Honderden Groningse gezinnen wonen in zorgen en onzekerheid. En het verantwoordelijke bedrijf zegt gewoon: “Doei! Wij zijn er niet.”

Zulk onrecht dus.

Die woorden over dat kind dat verdween gáán over de a-morele mensen.  Ze zijn opgeblazen geraakt. Verdedigde forten geworden. Ze zijn van alles. Merknamen. Top-criminelen. Of Top-advocaten. Top-zakenlieden. Belangenbehartigers. Maar geen spelende kinderen meer.

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Je leest de zinnen en je beseft: daarmee verloren zij het meest kostbare. Zij verloren zichzelf. Hun zachtheid. Hun afhankelijkheid. Hun liefelijkheid.

Gloria Dei enim homo ludens,

parafraseer ik dan maar één van de kerkvaders: de glorie van God is de spelende mens

Niet de vechtende

niet de schreeuwende

niet de onderdrukkende.

Net als ik mij tevreden wil nestelen in de gedachte dat ìk natuurlijk een olijfboom ben, vol in het blad, dat ik vertrouw op de liefde van God-

zo droomt de dichter van psalm 52 over zichzelf,

precies op dat moment, draaien de woorden zich om

naar míj:

hoeveel kind woont er nog in jou?

Jij die ooit de jongste was in jouw gezin

en nu, als je in de spiegel kijkt

een man van meer dan middelbare leeftijd?

Wat verloor ik zelf op mijn weg?

Hoeveel illusies? Verlangens? Dromen?
Hoeveel zachtheid bleef mij over?

Hoeveel cynisme won ik?

Bloeit er nog wat?

Want weet dit wel: het kind in jou

dat moet je teder koesteren

tot je laatste dag.