De machten.

 

Douwe Egberts zou twee procent Max-Havelaar-Koffie in hun pakken doen. Twee procent. Niet dat je denkt: hier val ik van achterover. En toch zou het een groot verschil gaan maken. Het waren de jaren negentig en Solidaridad was optimistisch over de groei van eerlijke koffie, eerlijke bananen, eerlijke ananassen en een eerlijk inkomen voor de boeren die de producten teelden. “Dan zouden hun kinderen eindelijk naar school kunnen!”, was het bericht. En zeg nou zelf: wie wil dat niet? Een goede toekomst voor iedereen. Voor slechts een paar dubbeltjes méér.

Het is er nooit van gekomen. In een groot afscheidsinterview, gisteren in Trouw, doet de bedenker van de Max-Havelaar-koffie, Nico Roozen, uit de doeken hoe dat zo kwam. Het had niet met de smaak te maken, de slag die de fabrikant tóen nog om de arm hield. Het was iets heel anders: “Douwe Egberts heeft het imago van gezelligheid.” En een keurmerk op je pak koffie, dat is niet gezellig.

Ook de consumenten deden niet wat Solidaridad twintig jaar geleden had verwacht. Als de mensen kennis hebben van de oorsprong van hun levensmiddelen dan zouden ze wel kiezen, was de gedachte. Die gedachte kwam niet uit. “De consument is veel minder autonoom in zijn keuze dan wij dachten”, zegt Roozen nu: “Het zijn de supermarkten en de grote merken die bepalen wat we eten.”

En zo bleef Fairtrade koffie een nicheproduct. Sympathiek. Goed bedoeld. Lief. Vol hoop. Maar klein.

Afgelopen dinsdag lazen we psalm 82. Het was de laatste keer dat we bij elkaar kwamen. Acht mensen die acht jaar trouw zich over de oude woorden bogen. Meer dan 160 uur!

“God staat in de raad van de goden”, lazen we. Buiten ging de zon oranjerood onder. We haperden al. Bij die eerste zin. Wie zijn die goden?, vroeg iemand. Wat een gek beeld! Er is toch maar één God? Hoe zit dat dan?

We sloegen andere vertalingen op. “Goden”, legde één vertaling uit: “Dat is de eretitel van de machthebbers.”

Er klaarde iets op. Zij die het voor het zeggen hebben worden ter verantwoording geroepen: wat doen jullie voor de wees, de weduwe, de vreemdeling, de arme? Voor wie zorgen jullie eigenlijk? Voor hen? Of voor jezelf?

Het gesprek werd politiek. Over Rutte die gezegd had, dat werkelozen er wat harder aan moesten trekken om weer aan het werk te komen en dat het van de gekke was dat zij vakantiegeld kregen. Zelf vliegt hij deze zomer naar, waar zal het heen zijn?, Bali. Thailand. Of naar de piramiden van Zuid-Amerika. Dan is het gemakkelijk om te zeggen: wie pech heeft, heeft die pech aan zichzelf te wijten.

Ik weet niet meer precies hoe het gesprek kantelde, maar op zeker moment spraken we over de landbouw. Over de bezetting door Meat the Victims. De woede van de boeren. De zorg voor dieren. De zorg die wij hebben voor de toekomst: kunnen we wel op deze weg van intensivering voortgaan?

Al pratend begrepen we: het zijn mensen die keuzes maken. Maar er nog méér aan de hand. De keuzes zijn niet vrij. De boeren zitten klem tussen hun hypotheek, de eisen van de consument, de lage prijs, het beleid van de regering, de stem van LTO en dan óók nog hun eigen verwachtingen. “Toen de eerste boer een trekker kocht, nou toen wilden we allemáál wel”, vertelde een van ons. Hij had het zelf meegemaakt.

Goden, zegt psalm 82. We gebruiken het woord niet zo veel meer. Daardoor klinkt het ons onwennig in de oren. Goden? Dat zijn dan toch Allah? Krishna? God? Dat “goden” ook alle belangen kunnen zijn waardoor we niet doen wat we moeten doen. Dat “goden” ons imago kunnen zijn. Onze begeerte. Onze economie. Onze aandeelhouders. Onze privileges. Dat lijkt zó ver weg.

“Toch moeten we het blijven zeggen”, reageerde de groep: “dat we niet vrij zijn. Niet zo vrij als we wel denken.”  Want als je dát weet, kun je uit de rij stappen.

“Wie wil er nog een kopje koffie?”, vroeg ik. De groep keek mij weifelend aan. “Het is fairtrade en biologisch!”, voegde ik er opgewekt aan toe.
Toen wou iederéén wel.

Advertenties

Het is maar wat je vrij noemt, natuurlijk

Christenen zijn onvrije mensen! Zo veel zei minister Schippers bij de H.J. Schoo-lezing afgelopen maandag. Eigenlijk ging het haar niet om christenen, maar om – je kunt het raden- moslims. Dat zei ze dan weer niet zo, want dat klinkt dan meteen weer of je discrimineert. En de minister is een moderne vrouw, dus zei ze: “dat mensen hun levens laten voorschrijven door Bijbel of Koran”. Ze kon er met haar hoofd niet bij. Ze had trouwens gedacht, dat het wel uitgestorven was, zo langzamerhand. Het geloof.

Van moslims weet ik niet zo veel. Maar dat wij onvrij zijn,  dat had Schippers dan en passant toch wel goed gezien. Ik denk niet dat ze weet wie Paulus is. Doet er ook niet toe. Paulus heeft zelf geschreven:”Wij zijn gevangenen.” Niet van de bijbel als zodanig, die was er nog helemaal niet in de dagen van Paulus en ook wij zijn geen gevangenen van de Bijbel. Wij zijn gevangen van Christus Jezus. Je kunt het vinden in een brief die Paulus rond het jaar zestig schreef aan Christenen die in Efeze woonden. Hoofdstuk drie en vier. Die hoofdstukindeling is dan weer niet van hem, maar reuze handig voor ons, lezers tweeduizend jaar later. Paulus liet het met nogal fierheid neerpennen. Hij vindt het zijn roeping om “gevangene van de Heer” te zijn. Dus

“Zie je wel?”, reageert de minister nu denkbeeldig. Jullie zijn gevangen. En ze denkt van zichzelf dat zíj vrij is.

Beetje gek is die laatste gedachte wel. Want de vrije minister Schippers ziet er toch opvallend duidelijk uit als een, ehm, seculiere, Nederlandse vrouw uit de eenentwintigste eeuw. Ze draagt geen Volendamse muts, ze loopt niet in een tuinbroek, ze heeft geen corset aan, en ze zegt geen dingen als “de man is de kostwinner van het huisgezin”, en ook geen dingen die zó nieuw zijn dat niemand ze snapt, dus ergens heeft zij haar opvattingen ook “van buitenaf”.  En past ze in een cultuur. Ik weet niet of je vrij bent, wanneer je in je blootje de vergaderzaal van de Tweede Kamer binnen rent. Ik weet wel dat mevrouw Schippers dit niet zou doen. Je hebt je fatsoen, je denkt aan anderen. Je gaat “met je tijd mee” (die komt niet van buitenaf?)  en je schuift met de PVV mee naar rechts. Hoe vrij is vrij?

Paulus maakt trouwens een geintje. Hij zìt gevangen op het moment dat hij schrijft. Ik bedoel: echt gevangen. Achter een dikke deur, een bewaker en achter tralies. Dat komt omdat hij Christen is en, nou ja beetje lang verhaal: omdat hij Christen is, heeft de staat hem gevangen gezet. Zo veel is duidelijk. “Maar ik ben geen gevangene van de staat”, knipoogt Paulus, doodleuk: “Ik ben gevangene van de Heer” En dat is heel andere koek. Die gedachte maakt Paulus vrij. Vrij om naar Efeze te schrijven, alsof hij naar hen onderweg is. Vrij om te bidden. Vrij om te hopen. Vrij in zijn hoofd. In zijn handelen.

Negentienhonderd jaar ná hem zit Bonhoeffer gevangen. Ook een Christen. In een kamp, waarvan hij weet, of in elk geval vermoedt, dat hij er niet meer levend uit zal komen. Hij schrijft aan zijn verloofde, die misschien iets minder door heeft wat er staat te gebeuren, dat hij elke dag in zijn bijbel zit te lezen. En hij schrijft hoe vrij hem dat maakt. Als hij uit zijn cel wordt gelaten om gelucht te worden, heeft hij medelijden met zijn bewakers, beweert hij frank en vrij. “Zij”, schrijft hij:  “zitten gevangen in het systeem.” Bonhoeffer niet. Bonhoeffer is vrij. Zijn ziel kunnen zij niet raken. Andere gevangenen zeggen verbaasd:  “Wij vragen ons af wie nu de echte gevangene is, Bonhoeffer, of zijn bewakers.”

De gevangenschap van Christus maakt vrij. Vrij van angst, vrij van schaamte, vrij van jezelf. Bonhoeffer was zó vrij, dat hij zijn bewakers de hand kon schudden en hen lief kon hebben.

Kijk dat zou ik mevrouw Schippers nou wel willen toewensen. Dat ze uit haar eigen wereldje stapt. En leert lief hebben wat haar volslagen vreemd voorkomt. Vooral als ze weer eens over “de Moslims” begint.

Et Dieu crea la femme

En zo wordt het lichaam van de vrouw weer gekolonialiseerd door de man. Premier Valls en Franse burgemeesters in zijn voetspoor vinden dat vrije vrouwen op het strand natuurlijk vrouwen in bikini zijn. Een lapje meer is verdacht. Twee lapjes meer riekt naar onderdrukking. Bij drie lapjes meer, rukt de Franse rechtsstaat uit. Zou iemand willen weten, eigenlijk wat de vrouwen er zèlf van vinden?

We wijzen naar de Oosterse Man. Die heeft het gedaan. Die dwingt de vrouw zich te verbergen. En de Westerse Man? Laat die de vrouw zijn die ze is?

Wij keken onlangs per ongeluk een avondje RTL-8. Ja, zoiets overkomt je wel eens. Het was waarlijk een openbaring. Elk kwartier werd ons tien minuten lang uitgelegd hoe onbetrouwbaar het vrouwenlichaam is. Het drupt, voordat je het weet. Het riekt, wanneer je er niet op bedacht bent. Het laat haar groeien op griezelige plekken als benen en (oeioei!) oksels. Het zakt uit bij het ouder worden. Het wil altijd maar te dik zijn. Het heeft probleemhaar op plaatsen waar je wèl haar wilt (op je hoofd). Dooie punten, dor, futloos, droog. We begrepen het: als vrouw ga je als wrak door het leven.

Gelukkig heeft de man daar wat op gevonden. Nee, geen burka. Hoewel het me een geweldige remedie lijkt tegen alle genoemde problemen, is dit de Westerse Man toch iets te onsubtiel. De Westerse Men heeft wat anders voor u, dames: poeders, pillen, luiers, zalfjes, shampoos, verstevigde BH’s en wat niet al.

Louis Theroux maakte een reportage over de wereld van de plastische chirurgie. Tachtig procent van de cliënten zijn vrouwen. Hij volgde er enkele. Eén vrouw licht ik hier uit: een mooie vrouw. Oh, nee, pardon: ze had een “ernstig voorhoofd” en haar “borsten waren niet helemaal symmetrisch” en nog wat ongemakken. Niet mooi dus. En dat was een probleem. Want daardoor had ze een knipperlicht relatie. Dat begreep ze wel. Ze was niet mooi genoeg. Toen ze een paar maanden later helemaal opgepimpt was met borsten als meloenen, wilde haar knipperlichtvriend haar wel. Ik was benieuwd wat voor goddelijkheid die man dan was. Hij kwam voor de camera. Ik dacht: Oh ja. Zo’n man. Met zo’n vergeten lichaam. Maar zíj voldeed niet.

We zijn sinds de dagen van Augustinus (vierde eeuw) niet veel opgeschoten. Het lichaam is een onding. Het vrouwenlichaam is nog véél ondingeriger. Het mag alleen zichtbaar zijn als het slank is, symmetrisch is, gestyled is, jong is, strak is en ( vrees ik) blank is. Oh ja, en als het niet ruikt, natuurlijk. Vrouwen mogen vooral niet ruiken. Wij? Wij dwingen de vrouwen in een ideaalbeeld waaraan zij niet voldoen kan en waaraan zij niet hoeft te voldoen. Vrouwen zijn vrouwen en zo zijn ze mooi.

Been van mijn gebeente, weet je nog. En vlees van mijn vlees.

Beter nog: vrouwen zijn van zichzelf.

Of ze nu in bikini lopen. Of in een burkini

Bemoeien wij ons wel met onze eigen te dikke buik, heren.

 

De onttoverde wereld.

zonOnze wereld is niet betoverd. Dat weten we al sinds Balthasar Bekker zijn boek daarover schreef. In de jaren ’90 van de zeventiende eeuw. Of, zo je wilt: je weet het sinds je een jaar of acht was. Bij ons vliegen er geen heksen rond, geen feeën, er worden geen toverspreuken over je uitgesproken, de zon wordt niet door gnomen gestolen in de avond en niet door hemelwezens teruggekruid in de ochtend. Bij ons botsen zwarte gaten op elkaar en gaan er zwaartekrachtgolven door de ruimte. Het is allemaal na te rekenen. Al het bestaande houdt zich aan vastgelegde wetmatigheden. Je wordt ziek van een virus, een bacil of een haperend gen. Maar nooit door een djinn.

Onze geschiedenis is ook onttoverd, inmiddels. De Oranjes zijn niet meer door welke-god-dan-ook gezonden, een aangespoelde walvis is geen teken meer van naderend onheil, de orkaan Kathrina geen straf op begane zonden. Het gaat zoals het gaat.

Het heeft ons veel gegeven. Ik ben niet bang meer voor een donker bos. Onder mijn bed ligt stof en geen monster. Diep, zwart water, vraagt van mij goede zwemskills, maar geen gebeden, angsten of brandende kaarsen. We zijn vrij geworden. En goddank, er worden geen vrouwen meer verbrand op verdenking van zwarte kunsten.

En toch is dit niet het hele verhaal. Ja, dat verbaast mij zelf ook. Wij weten wel dat de wereld onttoverd is, maar wij ervaren haar níet zo. Wij leven ook niet onttoverd. Het zou een gekke, gevaarlijke wereld worden, als we dat wel deden.

Als mijn dochter verliefd wordt, ben ik verrukt en verbaasd. Ik voel mij als vader ook gekwetst natuurlijk, want ìk was tot nu toe alles voor haar. Ik zal mij in mijn nieuwe rol moeten voegen. Ik vind het mooi en ik vind het moeilijk. Maar waar ik niet aan denk zijn hormonen, feronomen, voortplantingsdrift of wat er technisch ook maar bij komt kijken. De techniek van verliefd-zijn loopt mij zelfs ontzettend in de weg. Ze maakt het wonder tot een plattitude. Erger nog: de techniek ontneemt elke betekenis aan mijn dochter, aan haar verliefdheid. Aan mij. En aan mijn vaderschap. Die laatste was immers ook niet veel meer dan een optelsom van hormonen, voorplanting, genen.

Dat, om maar wat te noemen Ditriech Bonhoeffer op 8 april 1945 werd geëxecuteerd, een paar dagen voordat het kamp waar hij geïnterneerd zat bevrijd zou worden, is volstrekt toevallig. Het gebeurde. Omdat het gebeurde. Het is een betekenisloos feit.

Op 5 mei 1945 werd in de bossen van Leersum een familie tot de laatste zoon door Duitse Nazi’s vermoord. Zinloos. Betekenisloos.

Zo betekenisloos als de mus die eergisteren op onze tuintafel door een gaai werd doodgepikt en opgegeten.

Maar wie het hoort, wordt getroffen. Het is afschuwelijk, zeggen we. Het is onrechtvaardig, roepen we. Het kan niet. Dat iemand, terwijl vrijheid zó dichtbij was, vermoord werd. We horen er een oproep in, een stem, een tegenover dat ons uit balans trekt. Ik kan tenminste nooit Bonhoeffers vers

En wilt gij ons de bitt’re beker geven

met gal gevuld tot aan de hoogste rand

dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

aan uit uw goede, uw geliefde hand

zingen, zonder tranen.

Er is een frame, een intuïtie, een basisgen van mijn part (maar dat geloof ik niet), er is iets in ons, waardoor de dingen betekenis krijgen. Alsof er een prediktorpapiertje in ons huist dat bij sommige dingen uitslaat met een kring en bij andere dingen niet.

We lopen te hoop tegen een asielbeleid dat slachtoffers kost, of omgekeerd: dat ons te veel lijkt te kosten. Maar niemand zegt: mwah, asielbeleid, het zal me mijn derrière corroderen. In de onttoverde wereld, zou de laatste gelijk krijgen.

De intuïtie, het frame, of basisgen, ik zou het willen identificeren als God. Om het zichtbaar te maken, en bespreekbaar. Waar slaan wij op uit, en waarom?

De zon ging vuurrood, groot en rond onder, een paar dagen geleden. Ik reed naar huis. De laatste koeien stonden loom in de wei. Ik stopte, zette de auto aan de kant en keek. Het was betoverend.

 

Zelfontplooiïng zonder zorgen.

We leven in een rare, harde tijd.

Ogenschijnlijk is het alles hier zelf-ontplooiing en vrijheid. Maar als dat zo is,waarom lijken we dan allemaal zo verhipte veel op elkaar? Je zou denken, dat iedereen in een andere richting ontplooit, als er vrijheid is. Maar nee. Kinderen worden in dezelfde bakfietsen (is het Boobeloo? Zoiets) naar school gereden. We drinken rosé en prosecco. Allemaal. Gojibessen zijn niet aan te slepen. En elke aankoop van een huis beginnen we steevast met de sloop van de keuken en de badkamer. Je kunt op het toilet precies zien hoeveel jaar de bewoners hier al wonen.

We hebben onszelf normen opgelegd: zo-en-zo moet het er allemaal uitzien. Peilbare, voor anderen peilbare normen die zeggen: wij voldoen. Wij kunnen het allemaal bijbenen. Wij wel.

Rosé. Tsss. Tien jaar geleden wilde je er nog niet dood mee gevonden worden. Rosé was voor versleten oma’s.

Wanneer is het begonnen? Die exposure van ons geluk en ons succes? Facebook helpt erbij. Kijk mijn kind! Kijk mijn delicious food! Kijk mij op mijn sloep ( 80.000 euro) fijn door de Leidse grachten varen!

Ik zeg er niks over. Het is heerlijk. Rosé is heerlijk. De Leidse grachten zijn heerlijk. Prima. Fine with me.

Maar ik proef ook angst. Angst achter die nieuwe keuken. Angst dat we straks ineens niet meer meetellen. Dat het ons ineens niet helemaal gelukt blijkt. Je zou maar net Snor drinken, in plaats van prosecco (of is Snor nu juist weer überhip? Je weet maar nooit). Of, o foute boel, vandaag nog vet-cool zeggen. Zóóó 2010. Je valt door de mand, voor je het weet.

En door de mand vallen….

Stel dat de anderen zouden denken, dat je zelf ook maar wat doet. Je moet er niet aan denken.

Nu zijn dit zomerdingetjes. Soit. Keukens en badkamers vind ik trouwens al van een zwaardere neurose getuigen. Maar de ratrace om de juiste-school-voor-mijn-kind, de ratrace om de-juiste-carrière-voor-mij. De juiste partner. Het juiste huis op het juiste moment. De juiste, juiste, juiste.

Geluk en succes zijn niet langer aangename bijverschijnselen van het leven. Het zijn keiharde doelen geworden. We hebben een standaard hoog te houden. Met onze vakanties. Promoties. Aantallen “likes”. We zijn geworden, denk ik wel eens, wat we doen en wat we hebben. Onze keuken is onze identiteit.

En we hebben blijkbaar slechts één kans. Eén mogelijkheid om te stralen. Verkeken is verkeken.

De moderne religie: je bent wat je hebt bereikt. Je krijgt slechts één kans.

Woef.

Zelfontplooiing zou betekenen, dat het je allemaal geen snars zou kunnen schelen. Jij ontplooit. Geen mode kan je zeggen hoe je dat moet doen. Slechts één compas zou je kunnen schelen, en dat is je binnenkant en je buitenkant. En dat die twee met elkaar zouden corresponderen. Dat ik van buiten ben waarvan mijn binnenkant zegt: “zo kun je zijn”. Zelfontplooiing is een proces. Je vouwt uit. Zoals de Teunisbloem. Blad, voor blad. En kansen? Die zijn er net zo veel, als de keren dat je opnieuw begint.

Zelfontplooiïng is geen eis. Ze is een uitnodiging. Een vriendelijke uitnodiging.

Ik lees Paulus op het moment. Een zinnetje uit de brief aan de Korintiërs blijft steeds bij mij hangen: door genade ben ik wie ik ben. Ik klop even het dogmatische gruis uit het woord “genade”. Ik denk aan de Amsterdamse Joden en hun bargoens. “Gein” zeiden zei, waar in het hebreeuws ‘chen’ staat. Genade is een grapje. Een leuk geintje.

Mijn hoofd heeft Paulus in een eigen gedachte gezet: het is grappig dat ik ben die ik ben.

Als je dat kan zeggen, is er geen angst. Je bent dicht bij jezelf. En daarmee dicht bij God.

En dan mag je er van mij best een roseetje bij drinken.

Of Snor.

The queer God.

Als God nou die potentaat was die de norm stelt, dan zou ik het begrijpen. Begrijpen, dat een Zwitserse bisschop kwaad wordt over gendertheorieën (hier). Dat de Paus transgenders vergelijkt met atoomwapens. Dat keer op keer de Kerk zich te weer stelt tegen alles wat anders is, tegen alles wat afwijkt en wat zwak lijkt. Hoe lang heeft het geduurd, voordat de Kerk toegaf toch een beetje fout te zitten met haar oordeel over mensen met een andere huidskleur dan de witte? Het schaamrood vliegt je op de kaken.

Zulke goden zijn er wel, in de Bijbel. Goden die mensen in een keurslijf zetten. Als radertjes in een systeem. Maar ze komen nooit op in Israël. Goden-die-de-norm-stellen zijn die van Egypte. Of van Babel. Die twee. De landen van “angst” en van “dwang”.

In die historische gedaanten verschijnen werkelijkheden, die er nog altijd zijn. Als er een farao in een verhaal verschijnt, heeft het niet zo veel zin, om je af te vragen welke dat dan is en wanneer die dan leefde. En Nebukadnessar uit de Bijbel is evenmin de Nebukadnessar die we uit – schaarse- andere bronnen kennen. En nu we toch bezig zijn: ook Pontius Pilatus staat vooral voor een gang-van-zaken die nòg door mensen draaiende wordt gehouden. De teksten verlichten onze tijd. Niet het verleden.

In Egypte staan de goden ten dienste aan de heersende macht.  Fijn voor de mensen die er in mee kunnen draaien, fijn voor de edelen, voor de bewoners van het huis van Farao, fijn voor de machtigen. Maar de boer op zijn akkertje aan de Nijl vindt het iets minder fijn, allemaal.

Ik denk aan Japan met zijn shinto godsdienst. De priesters daar, en de keizer daar vormen van ouds een eenheid die de Staat houdt zoals de Staat in hun ogen altijd is geweest: hun tuin. En wie afwijkt…. subversieve elementen die verwijderd moeten worden.

Het is flauw te wijzen naar Japan. De tekst verlicht ons heden. Niet het heden van een ander. Nòg wordt vastgesteld door mensen “hoe het zou moeten”. De economie doet dat. De moraal doet dat. “Men” doet het.

Egypte is het “land van angst”, schrijft de theoloog Willem Barnard. En dit is wat angst met ons doet: we verdragen de nuance niet. We verdragen de veelheid niet. We willen duidelijkheid. En eenheid.

Angst jaagt ons naar de kracht.

In tijden van recessie korten we de uitkeringen. Maar de rijken laten we ongemoeid.

In tijden van dreiging, wordt de schuld op de zwaksten gedrukt. In 1672 stonden de Fransen aan onze grenzen. In Utrecht, en al gauw op vele plaatsen in de Nederlandse Provinciën braken rellen uit tegen (vermeende) homoseksuelen. In Faam werden 24 jonge mannen opgehangen. De “immoraliteit” moest weg. Dan zou de orde als vanzelf herstellen.

En het werkt nog. Vraag het Mugabe. Vraag het Putin.

Het is niet Egypte, het is niet Babel. Het is ook de economie niet.

Wij zijn het zelf. Die bij twijfel terugvallen in de vaste structuren. Die ons heil zoeken bij de sterkste. Bij de sterke man.

God, en dan spreken we over de God van Israël, doet aan angst en dwang niet mee. Toegegeven, dat was voor Israël ook een hele weg van vallen en opstaan, voordat het een beetje fatsoenlijk op papier kwam, maar het schemert steeds duidelijker: deze God staat aan de kant van de zwakke. Deze God schrijft zijn geschiedenis met de handen van hoeren, buitenlanders, achtergestelden, overspelers, moordenaars. Het is een dwaze God. Omdat Hij gelooft in de vrijheid van allen.

Ik wil de bijbel steeds – toch-  weer lezen. Ik overwin er mijn eigen Babel en mijn eigen Egypte mee. Mijn vooroordelen. Mijn jij-hoort-er-niet-bij-gedachten. Ik vind het van een ongelofelijke wijsheid, dat de verhalen uiteindelijk zeggen: als je iemand buitensluit, sluit je God buiten. En “God” is het codewoord voor de meest kostbare, voor de kern van het bestaan, voor “win-of-verlies-waar-het-in-je-leven-om-gaat.”

Toen de kerkelijke mensen begonnen te klappen, daar in Chur. Omdat de bisschop las: “Als een man samen met een andere man slaapt, zoals hij met een vrouw kan slapen, dan moeten beiden worden gestenigd.” Toen de mensen daar applaudisseerden, omdat hij zei: “Voldoende antwoord op de vraag of homoseksualiteit ooit bij het geloof zou kunnen passen.”, toen sloop God, volgens mij, de kerk uit.

Hij vertrok.

Hij vertrok naar Amsterdam.

Zo dwars is God wel.

En toen vloog Van der Kaay er weer uit…

Er loopt een lijn door de brieven van Paulus, ik weet het, van waarschuwingen tegen dwaalleraren, tegen “een ander fundament, dan ik heb gelegd”,  tegen een “andere Christus”. De apostel maakt zich zo druk, voor zo ver we dat nog kunnen traceren, omdat er steeds weer mensen elkaar de maat begonnen te nemen. Er waren in Paulus’ tijd leraren die – opnieuw- gingen zeggen: je moet hier aan voldoen, je moet daar aan voldoen. Er waren leraren die mensen opnieuw eisen oplegden: als je nou maar zus of zo doet, dan komt het goed met je. En ze vonden van zichzelf, natuurlijk, dat ze al aan al die eisen voldeden. “Want zie eens hoe voorspoedig het met ons gaat”.

“Ik ben zo succesvol niet”, grapt Paulus over zichzelf. Ik ben maar een minkukel. Hij had ooit iemand ter dood laten brengen: Stefanus. Dat was een totale miskleun gebleken. Het was terecht geweest, als Paulus daarmee zijn recht-op-leven had verspeeld. “Maar kijk nu! Ik ben een apostel geworden!” En dat had hij niet bereikt door voorbeeldig te worden. God had dat in hem gedaan. Paulus was een ander mens geworden. De oude Paulus is er niet meer: die is dood. Hier staat de nieuwe Paulus.

De vrijheid om opnieuw te beginnen. De vrijheid om te leven. De vrijheid om er te zijn, al voldoe je verder nergens aan. Paulus was er diep van onder de indruk. Hij leefde er zelf van.

En wie die vrijheid bedreigde, die kon de wind van voren krijgen.

Daarmee leek hij, uiteindelijk, op Jezus. Die reikte zijn hand naar iedereen. Daklozen, drugsverslaafden, mislukkelingen, overspeligen, hoeren, klaplopers, verraders, noem maar op. Maar wie zei: “Godallemachtig, maar dat is een verrader, mijden die man”, die kon de wind van voren krijgen. Een heer-lijke tegenwind.

Tot zo ver Paulus.

Inmiddels zijn we tweeduizend jaar verder. De kerk heeft een spoor getrokken van uitgesloten mensen. Van zogenaamde dwaalleraren en valse fundamenten. Van vrouwen die verbrand zijn “omdat ze heks waren”, van brandstapels, galgen en rechterlijke uitspraken “omdat deze persoon de ware leer niet aanhangt”. De draad van Paulus is een giftige draad geworden. Waar hij verpletterd was door Gods vrijheid, daar is de Kerk zo langzamerhand verpletterd door de argwaan, de angst, de voortdurende – menselijke- neiging om te zeggen “jij doet het goed” en “jij doet het fout”.

Paulus’ brieven zijn een certificaat van macht geworden: met Paulus in de hand veroordeel ik jou!

We richten geen brandstapels meer op. Nee. Maar het geloer het geoordeel en het gemeet is wel gebleven. Fennie Kruize, Klaas Hendrikse, Cees den Heyer, om een paar namen uit de laatste jaren te noemen. Zeiden zij iets: dan stonden er direkt mensen klaar om te zeggen: “dat mag niet!” Ze werden er uit gezet. Of uitzetting dreigde.

Wat is er van de kerkelijke familie geworden die begon met “ga maar”?

We schrijven vandaag een nieuwe naam bij de buitengeworpenen: Van der Kaay. Hij had gezegd, dat Jezus nooit historisch heeft bestaan. Niet mijn opvatting. Ook niet direkt een erg sterk te onderbouwen opvatting. Maar een opvatting. Ik kan in mijn eigen gemeente zo een aantal mensen aanwijzen van wie ik weet, dat ze ongeveer hetzelfde denken. Dat was met Klaas Hendrikses “God bestaat niet, hij gebeurt”, al net zo. Beiden roepen niet iets buitenissigs. De gedachten leven bij allerlei mensen. Zelfs in de meest rechtzinnige hoek plopt soms de verontrustende vraag omhoog: “Bestaat Hij eigenlijk wel?”

Maar goed. Het mag dus niet. Je mag die vraag in de kerk niet hardop stellen. Ik word er triest van. Van der Kaay moet opstappen. Dat het een nogal opportunistische stap van zijn kerkenraad lijkt – waarom nu? Van der Kaay schreef zijn boek al twee jaar geleden – maakt het er niet vrolijker op.

Kent de kerk dan geen grenzen? Ik vind het een vraag naar macht. En zelfbehoud. Dat is de vraag “waar staat de kerk dan nog voor?” eveneens. Terwijl de hele bedoeling van die kerk toch was: verbanden aangaan met elkaar, en: jezelf verliezen voor de ander. Een spreuk tussendoor: de kerk bestaat niet voor de leer, de kerk bestaat voor de Heer.

Dat lijkt mij het springende punt. Ja, de kerk heeft wel grenzen. Maar niet zoals een kamer grenzen heeft met muren en deuren. De kerk heeft grenzen zoals een familie. Iedereen heeft een globaal beeld van zijn familie. Maar ooit een verjaardag georganiseerd voor je oma? Je blíjft aan het uitnodigen: als Piet erbij hoort, dan zijn vrouw Marie ook. En zijn zus, en daar de kinderen weer van. De grens ligt daar, waar de betrokkene zelf zegt: ik heb niet zoveel met jouw oma. Of, waar het aantal couverts belegd is. Zo ging het wel met ons trouwen. Honderdtien couverts, en daar lag de grens. Tamelijk subjektief.

Zoals oma op het verjaardagsfeest, zo is de Heer temidden van zijn kerk.

Van der Kaay hoort er bij, omdat hij er bij wil horen. Het past niemand om te vragen: “en waarom wil hij dat, als hij niet gelooft dat de Heer ooit heeft bestaan?” Paulus indachtig ligt de vraag immers ook op onze eigen voeten: waarom willen wij bij de kerk horen, als wij nergens aan voldoen en steeds weer falen?”

Soevereiniteit in eigen kring.

Ik houd van antiek, dat is algemeen bekend. Zo langzamerhand ben ik zèlf bijna antiek. Dus kan ik met een overtuigende zwaai een stukje negentiende eeuw op tafel gooien, zonder mijzelf belachelijk te maken. Een stukje dat door Abraham Kuyper is ingekleurd, bovendien. U vraagt zich af, of dàt nuttig kan zijn? Het kan uitermate nuttig zijn.

external image 414591947.jpg

Kuyper gaf een zwengel aan de term “soevereiniteit in eigen kring”. Of hij op dat moment ook aan verzuiling dacht, aan met krantenpapier dichtgeplakte levenssferen en aan allesbepalende dominees of pastoors lijkt me niet. Hij dacht niet eens aan de eigen kring: hij dacht aan de samenleving.

In een denkkracht die zó vernieuwend was, dat de Koreanen er vandaag de dag nog door omvallen, en veel Noord-Amerikanen met hen, veegde hij de samenleving schoon van alle mogelijke invloeden. Hij dacht niet, dat de samenleving christelijk moest zijn, of gekerstend moest worden – zoals later wel mijn eigen geliefde Hervormde Kerk droomde. Maar hij wilde evenmin, dat de samenleving liberaal zou zijn. Die vond hij net zo dogmatisch. Kuyper wilde dat in de openbare ruimte de krachten in alle openbaarheid met elkaar zouden kunnen strijden. En daar was vrijheid voor nodig. Om een woord van hem te parafraseren: democraten wassen niet op bij de chocoladeketel. Hij was negentiende-eeuwer, sommige onderwerpen zullen voor hem taboe zijn geweest, of volstrekt onbekend, maar zijn basis was deze: wij spreken met elkaar zonder blad voor de mond. Een vrijheid die hij zichzelf ook toedacht: als voorstander van een Duits koningshuis in Nederland en als tegenstander van een vrouw op de troon (jaja, negentiende-eeuwer he), schoffeerde hij meer dan eens Koningin Wilhelmina. Ook zij kon geen rechten laten gelden.

Koreanen bestuderen Kuypers geschriften met grote ijver, omdat hun samenleving door-en-door religieus is. En barstensvol taboes. Een open speelveld, dat lijkt hen wel wat. En vanuit Amerika wordt meegeknikt. Het publieke debat is gediend bij de afwezigheid van korset en angst, beide.

Maar dat is niet het hele verhaal. Er is ook het particuliere terrein. Dat van de scholen, de families, de bedrijven, de kerken, de moskees, de sportverenigingen. En die kringen mogen hun regels stellen. Moeten dat zelfs. Want daar klopt het echte leven.Zij zijn soeverein. Maar in de eigen kring.

In het openbare debat gaat het over principes,levensvormen, gedachten. In het particuliere contact gaat het om mensen. Die twee zijn nooit helemaal gescheiden. Maar een onderscheid helpt wel.

Als Theodor Holman neerkrast, dat hij elke christenhond een misdadiger vindt, krijgt hij terecht de ruimte van de rechter. Het raakt mij, zeker. Ik word niet graag christenhond genoemd. En ook geen misdadiger. Maar ik weet ook dit: Holman kent mij niet. Het gaat niet over mij. Het is zijn gedachte. En hij is vrij. Het zou te gek voor woorden zijn als hij niet zou mogen zeggen wat hij denkt. Hij denkt het.

Een aantal jaar geleden verlieten we de Martinikerk in Groningen. Aan de overkant van de straat begon een vrouw intens te schreeuwen: “vieze, vuile christenhonden!”. Daar keken we wel van op. Maar het raakte ons niet. Ze stond daar zo in het algemeen te schreeuwen. Misschien bedoelde ze wel de duiven in de dakgoot. Geen idee.

Maar zegt mijn buurman hetzelfde, tegen mij. Dan hebben we een ander debat. Ik zal excuses van hem eisen. Omdat het nu tussen hem en mij ligt. Hij kan zich niet meer verschuilen achter “dat denk ik in het algemeen”. En ik zal geen genoegen nemen met “maar ik vind jou wel leuk, hoor”.  Er zal iets tussen hem en mij moeten worden rechtgezet, willen wij samen verder kunnen gaan als goede buren.

Dat is het verschil. De samenleving héét wel zo, maar ik leef niet samen met 16 miljoen andere Nederlanders. Ik leef samen met hen die ik ontmoet, En dan gelden andere regels. Dan gelden omgangsvormen.

Scholen stellen antipestprotocollen op. Dat is hun goed recht. Als scholen een manier van omgaan willen voorschrijven, dan zijn ze vrij. Ouders doen precies hetzelfde in hun gezin. Kerken doen het. Politieke partijen doen het. Kranten doen het. Iedereen doet het. Als het je niet zint, kun je naar een andere school, een andere kerk, een andere krant.

Een andere samenleving is echter niet mogelijk. Daar is er maar één van. Zij wordt niet anders gemaakt dan door het voortgaande gesprek. In lieve woorden, harde woorden, leuke woorden, nare woorden. En de overheid moet maar niet te snel willen ingrijpen.

Dat Youp Buckler kapot heeft gemaakt met zijn woorden, zoals Pieter schrijft, lijkt me wat ongeloofwaardig. Youp wil wel graag God zijn, maar hij is het niet. Toen hij vorig jaar op dezelfde manier een telefoonaanbieder klein wilde krijgen, lukte het hem niet. Blijkbaar zag de samenleving wel iets in de woorden over Buckler, maar niets in zijn kritiek op de belcolporteur. En tsja, wie Buckler een keer proefde…

Democraten groeien niet bij de chocoladeketel op. Bij alcoholvrijbier ook niet. Ze groeien op bij jenever. En die kan, weten wij, erg branden van tijd tot tijd.

Kwetst u maar!

Hou ik van Hans Teeuwen? Neuh. Niet echt. Ik draai hem weg, zodra ik hem hoor. Ik heb een heel rijtje van mensen die ik censureer. Paul de Leeuw. Jochem Meyer. Geer en gelijk ook maar Goor. Pauw en Witteman vroeger. Pauw tegenwoordig. De televisie blijft veel uit, zo. Lekker rustig.

Ik houd niet van schreeuwen. Tenminste, niet als anderen dat doen. Ik vind De Leeuw plat. En zijn humor moet altijd anderen hebben. Ben ik ook al niet van. Pauw en Witteman vond ik verzuurd in hun stalen gelijk. En wel erg gemakkelijk in hun eentonige gezeik op godsdienst. En Hans Teeuwen? Hij kwetst mij, daar kom ik rond voor uit en dus ga ik niet vrijwillig bij hem zitten.

Ephimenco is een twijfelgeval. Ik ben niet dol op hem, maar lees tussen mijn oogharen toch stiekem wat hij schrijft. Vooruit. Ik moet in mijn voorkeuren nou ook niet àl te gesloten worden, ej.

Moeten deze mannen, ja allemaal mannen, Freud zal wel weten waarom, daarom het zwijgen worden opgelegd? Moet er een grens zijn aan kwetsen? Aan platheid? Banaliteit?

In mijn eigen wereld doe ik dat wel. Iedereen heeft zijn censor, denk ik. Anderen walgen van Wagner. Of vinden Maarten van Rossem een kwal. Er zit een uitknop aan de televisie. De krant kan dicht. En je kunt je abonnement opzeggen. Dus ja, er is een grens.

Maar of die door de wet moet worden vastgelegd? Ik twijfel. Ik ben bang van Dieudonné. En Wilders ondermijnt de rechtsstaat met zijn geschal. Het ontkennen van de holocaust doet mij de maag omdraaien. Maar dat doen de ontkenners van de global-warming-up ook. Waar liggen de grenzen?

Fatsoen kan geen norm zijn. Fatsoen is diffuus. Wat ik fatsoenlijk vind, vind jij burgerlijk. Fatsoen maakt, bovendien de kring steeds kleiner. Is het eerst onfatsoenlijk om God belachelijk te maken. Later is het onfatsoenlijk om zijn dienaren te beledigen, daarna om Gods gelovigen te bespotten, en daarna…. Fatsoen trekt de lijnen steeds strakker, totdat het leven er uit is en wij: inderdaad, in de dictatuur van het fatsoen zijn beland. Fatsoen ordent alleen mijn persoonlijk leven. En dat van jou op een andere manier. En God verhoede het, dat de een voor de ander gaat bepalen wat fatsoenlijk is.

Gekwetstheid kan geen norm zijn Want dezelfde dynamiek. Gisteren werd ik gekwetst door Teeuwen, vandaag is hij weg maar kwetst de buurman mij met zijn poepende hond. Het laatste wagentje van de trein blijft altijd schudden, hoe kort je de trein ook maakt. Uiteindelijk houden we een dwangbevel over van alle gekwetsten van deze aardkloot. Orden je eigen leven er mee. Je samenleven met je naaste misschien. Maar zeker niet de samenleving. God verhoede het!

Er is slechts één ordenend principe voor ons allemaal. Vrijheid.

Met slechts één grens is: wie die vrijheid bedreigt. De RAF werd terecht vervolgd. Of RARA toentertijd. Djihadisten worden terecht met een vergrootglas gevolgd. Zij willen immers dat Hun Wil de vorm van de samenleving zal bepalen.  En Hun Wil, Mijn Wil, zal altijd, vroeg of laat, eindigen met jouw onvrijheid. Met jouw dood, als het moet. Volgens hen moet, dan. Niets vrijheid.

Democratie is het paradijs niet, maar een betere tuin legde tot nog toe niemand aan. Ik bedoel: ik zou niet weten hoe je een plek op een andere manier kunt inrichten zodat iedereen er in leven kan: christenen, heidenen, republikeinen, homo-haters, Gerard Joling, democraten, islamieten, D ’66 ers. Laat iedereen zich dus maar uitspreken, ook als hun vormen smerig zijn, onderbroekerig, hetzerig. Stel er je eigen woord-wapens maar tegenover.

Hoe walgelijk ik uw mening misschien ook vind. Ik zal uw recht verdedigen om uw mening te uiten. Hans Teeuwen, ga je gang.

Haar zal ik verdedigen.

En als jij haar aanvalt,

zal ik jou niet in elkaar slaan

en niet doden

dan dien ik jou van repliek

met mijn woorden.

 

Of ik zet de teevee uit. Dat kan ook.

Moest Jezus dood?

kreuzigung_isenheimer_altarVerliep de kruisiging van Jezus volgens plan? De meeste kerkvaders leggen het zo uit. Pardon; allemaal. Ze zeggen allemaal: God had van te voren vastgesteld dat Jezus zou worden gekruisigd.

Maarten t Hart schiet nog altijd van pure ergernis uit zijn sokken, als hij deze redenering hoort. Hij is de enige niet. Ik krijg het er ook nogal benauwd van. En de gedachte, dat God hiermee een meedogenloze regisseur wordt is dan nog niet eens het grootste struikelblok. Er is veel wat ik niet begrijp. Ik begrijp G’d nog wel het allerminst. Dus, wie weet. Pijnlijker vind ik, dat het lijden van Jezus hiermee iets nepperigs krijgt. Iets “het-is-niet-ergs’-achtigs. Wat het zwartste is, het doden van een mens, wordt ineens ‘de bedoeling’. Ik kan mij daar niets bij voorstellen. En al helemaal niet, wanneer het in verband wordt gebracht met lijden van mensen om ons heen. “God wil het zo” stond er eens in dikke, uitgebeitelde, letters op een grafmonument voor een kind van zes. Een traktor had hem doodgereden. Nou, geef mijn portie dan maar aan Fikkie. Lijden is nooit, ik herhaal, nooit te vergoelijken of te verfraaien. Apokriefe brief van de heilige apostel Sybrand. Lijden heeft maar één mogelijk antwoord: dat ik er bij blijf. Dat iemand er bij blijft. En naar het appèl luistert.

Toch schrijven de evangelisten ook zoiets van “het moest”. “Dei” in het Grieks. Hier, bijvoorbeeld. Voor de meesten zal het woord niet zoveel zeggen, maar op theologen heeft het woord hetzelfde effekt als het woord “zwam” op makelaars. Foute boel. Opletten hier. Dei, zo spuwen alle naslagwerken hun kennis, is een werkwoord dat er op duidt, dat God hier aan het werk is.

Ik word er niet vrolijk van. Zijn wij domme poppetjes op het strijdtoneel? Stromannetjes? Stellen wij niets voor?

Onze ervaring is het in elk geval niet. Wij maken nogal wat werk  van ons bestaan. Een misselijke grap? Wij denken iemand te zijn, maar we zijn niemand? Mag ik Buddist worden? Of is dat geen verbetering in dezen? De bijbel neemt, over het algemeen, ons aardse mens-zijn nogal serieus. Met onze huid, en warmte, en haren in het afvoerputje.

Ik kijk nog eens naar de kerkvaders. Zij schreven in een tijd, dat christenen nog steeds over de kling werden gejaagd. Of in elk geval voelden zij nog de brandwond van de herinnering aan de vermoorde christenen nog in hun ziel. Niemand was bij machte geweest om de keizerlijke furie te doven. Het gevaar was een onvermijdelijk deel van hun bestaan.

Als je zegt dat “God” iets doet. In elk geval zit er de erkenning in, dat je er zelf niets aan had kunnen veranderen. Je draagt er geen schuld aan. “God”, op die manier gedacht is dan de laatste beweegreden. Niet meer te bevragen. Het is zoals het is. Verhipte dicht bij die moeizame naam JHWH. Ik zal zijn die ik zijn zal.

Er is ook veel dat niet is, zoals het is. Waar speelruimte voor mij in zit. Maar wat doe ik met de dingen die wel zijn, zoals ze zijn, amen en klaar? Mijn eigen bestaan, bijvoorbeeld? Vanaf het moment dat ik er was, was het onvermijdelijk dat ik er was. ‘En niemand vroeg of dat wel een leuk cadeautje was”, zingt Herman vanVeen sip. Vanaf het moment dat ik mijn studie af had, was het onvermijdelijk dat dit mijn studie was. Damn. En toen ik ruzie kreeg met mijn buurman, had ik onvermijdelijk ruzie met mijn buurman. Niet alles is mijn schuld.

De schrijvers van Jesus Christ Superstar doen iets opvallends, als zij Jezus laten bidden in Gethsemane. Het lijkt zo’n depressief gebed: doe mij maar weg. U hebt gewonnen. De schrijvers van de film voegen er een flinke drup woede aan toe. En passie. Was dit Uw bedoeling, G’d? Dat ik dood zou gaan?  Nou, goed dan, dan ga ik dood. Maar U kijkt toe! Hoort u? Heb niet het lef om weg te kijken. Dan zult u ook zien wat u aanricht!

Het lied laat mij verbluft achter. En met adrenaline in het bloed. Jezus staat op tegen een “God die het zo zou willen” en zijn verzet ligt hem erin, dat hij het doen gaat. Wow. In een soort verdwaasde boost pakt hij het onvermijdelijke op. En maakt er zijn leven van.

Abel Herzberg heeft gezegd, zo hoorde ik deze week: “Bewaar in alle omstandigheden je menswaardigheid.” Dat God iets wil, zou wel eens het laatste zetje kunnen zijn om zijn raad op te volgen. Want soms lijkt God wel gek geworden.