Waarom bij mij kerst misgaat. Ieder jaar weer.

Kerst is geen Christelijk feest en dat weten we. Het is het feest van de onoverwinnelijke zon. Die incarneert in de keizer van Rome. Het kan ook het feest zijn van de natuurkrachten die het winnen, van de Germaanse god Thor en zijn winterse strapatsen aan de hemel en van de demonen die moeten worden verjaagd. Jul noemen ze het feest een paar honderd kilometer noordwaards hiervandaan. Naar de Joelfeesten, waarbij de jonge jongens iedereen de stuipen op het lijf joegen met vuur, geschreeuw en verkleedpartijen. En dan maar hopen dat de boze spoken het met de staart tussen de benen ook op een lopen zouden zetten.

De Kerk heeft geprobeerd het feest Christelijk op te leuken, ze noemden Christus de onoverwinnelijke zon en lieten in de nacht van de zevende naar de achtste dag van kerst lawaai maken bij de lezingen en uiteindelijk werd de eer van de keizer, om het jaar naar zichzelf te vernoemen, overgebracht naar de Heer. Hij zou de jaren voortaan kleuren: in het jaar des Heren 2013…

Het bleef lapwerk. Het heidendom kiert er aan alle kanten nog dwars door heen. Niks ten nadele daarvan hoor! Je hoort mij niet klagen over de versieringen, de innigheid van de familie, het somberen bij de openhaard en het staren in de vlammen. Het is prachtig! Ik houd van een goed Joelfeest. Maar Christelijk is het niet.

Hoe het precies zit met die kerstboom, weet ik niet. Als het een Germaanse gewoonte was, dan is die bijna 1000 jaar zoek geweest. Best lang. Zelfs als je uitgaat van zoiets als een collectief geheugen. Feit is, dat we met kerst meer de neiging hebben bomen in huis te halen, dan om een dakloze binnen te halen. We hebben meer de neiging om bacchanalen aan te richten, dan om werkelijk iets te gaan doen aan de honger in de wereld. We hebben meer de neiging tassen met vuurwerk aan te slepen, dan om nu eens  werk te gaan maken van het verwijderen van spoken uit het verleden. Slavernij, bijvoorbeeld. Of anders wel racisme. Anti-semitisme. Homohaat. Xenofobie. Wat dacht u van uw eeuwige gezeur en gedoe met uw buurman? Kan dat eens over zijn?

Het draait met kerst meer om het feest dan om wat je leest. Ja, flauwe woordspeling. Maar we lezen: toen je een zieke opzocht, heb je Mij bezocht. Toen je een gevangene opzocht, kwam je bij Mij. Toen je iemand een glas water te drinken gaf, gaf je Mij te drinken. En toen je iemand te eten gaf, deed je dat aan Mij.

“Ja hoor”, antwoordde iemand eens serieus op een bijbelkring: “dat kan wel een andere keer. Kerst is voor mij. En voor mijn kinderen.”

Kerst is geen Christelijk feest. Had iemand al eens voorgesteld om het dan maar te laten schieten? Er mee op te houden?

De Kerk eruit en deze dagen worden weer wat het is: een midwinterfeest met veel gezelligheid.

Ik zou er zomaar van kunnen gaan joelen…

Advertenties

Gemeenschap der heiligen?

Sommigen vonden het maar een beetje plat. Om bij de kerk te willen horen “vanwege de mensen van wie ik houd”.  Als dat alles is! Een beetje met aardige mensen naar mooie verhalen luisteren…

Ik was op mijn beurt verbaasd, na mijn vorige blog. Wat is communicatie toch afhankelijk van interpretatie. Misschien is communicatie wel niet veel meer dan interpretatie en ontvangt de hoorder iets volstrekt anders dan de zender heeft bedoeld. Wie zal het zeggen.

De kerk is geen club van aardige mensen. Ook de gemeente die ik dien bestaat niet uit mensen met wie ik het getroffen heb. Ik heb het getroffen met mijn buren. Ik vind ze leuk vanaf de eerste dag. We zien elkaar regelmatig, praten op de stoep met elkaar en hebben belangstelling voor elkaars levens. Zo hebben de gemeenteleden het niet met elkaar getroffen. Ze zijn geen vrienden. Ze vinden elkaar niet buitensporig leuk. Ook niet niet-leuk, trouwens. Gewoon. Ze zijn mensen bij elkaar geschoold.

Sommigen zijn aanhangers van de PvdA, anderen zijn hun leven lang trouw aan het CDA, sommigen vinden Geert Wilders een geweldige man, anderen houden het bij de SP, er zijn er die vinden dat een christen met het millieu rekening moet houden, er zijn er die vinden dat de landbouw alle aandacht van de Kerk verdient. Sommigen vinden dat gelovigen de weg naar de hemel moeten kennen en die dienen te bewandelen. Anderen denken dat het in het geloof gaat om gerechtigheid op aarde. De een verdient veel, de ander heeft zijn baan verloren. Er zijn gezinnen met veel kinderen, er zijn echtparen die nooit kinderen hebben gekregen. Sommigen zijn lid van Christenen voor Israël, anderen zijn Vriend van Sabeel. Er is geen onderwerp waar iedereen het met elkaar over eens is. Nog niet over de kleur waarin de voordeur geschilderd zou moeten worden. Eigenlijk zijn we lastig voor elkaar.

In al deze verschillen zijn we toch op zoek, op zondag en door de week, naar wat waar is. Naar wat wijs is. We willen allemaal open gaan voor God. O ja, er zijn er ook onder ons die het hele concept ‘God’ nogal bedenkelijk vinden. En toch.

De verschillen worden niet weggemoffeld voor een ‘hoger doel’. Het is in de Kerk geen voetbalvereniging, hoe respektabel ook die is. Bij de voetbal wordt gevoetbald en praten we niet over politiek. Tenzij… we elkaar wel mogen. In de Kerk praten we over politiek. Omdat we de essentie zoeken van het bestaan. We praten, bidden en zingen. En alles wat ons leven uitmaakt komt voorbij. Liefde, lust, angst, hoop, verwachting, vreugde, opgewondenheid, dood, ziekte, lijden, geluk. En in alles luisteren we. Niet naar zomaar mooie verhalen, maar naar – zo hopen we- wat een stem zal blijken te zijn die ons aanspreekt.

In al die uren dat wij bij elkaar zijn, in deze uitzonderlijke setting van gebed, stilte en schriflezingen, gebeurt het wonder: we worden aan elkaar verbonden. Er groeit een liefde in ons. Voor elkaar. Ook voor elkaar. Mensen die mij van nature niet zo liggen, komen mij nabij. Hun verhaal verweeft zich met dat van mij. Ze kleuren mij, maken mij milder, mooier, meer een ander, meer mijzelf.

Toen iemand uit de gemeente stierf die in alles mijn tegenpool was geweest en die deed wat mij  tegen had gestaan, toen huilde ik. Ik miste hem. En mis hem nog. Op straat was ik hem voorbij gelopen. Als buurman had ik hem in zijn sop laten dobberen. Nu was hij mijn broeder geworden. Ik kon niet meer zonder hem.

Wie dat “een beetje oppervlakkig” vindt, is zich er nog nooit bewust van geworden hoe bijzonder dit is. Of hij- zeg ik in alle arrogante liefde- heeft er nog nooit echt een begin mee gemaakt. Met zich te openen voor de gemeenschap der heiligen.

Ben nog altijd lid van de kerk!

“Het is je werk”, zul je nu denken.”Natuurlijk ben jij nog lid van de kerk.”Je krijgt er je salaris van, tenslotte. Uit de kerk stappen zou een totale revolutie van mijn leven betekenen.

Inderdaad. En toch liggen, zoals zo vaak, de zaken ingewikkelder.

Een paar dagen geleden schreef een collega-blogger over zijn geestelijke ontwikkeling. Als vijftienjarige, schreef hij, vond hij dat je vurig vóór Christus moest zijn en een trouw kerklid. Zijn vijftienjarige zelf vond kerstgangers hypocriet. Je bent christen of je bent het niet, maar je bent het in elk geval niet voor één kerkdienst per jaar.  Zijn twintigjarige ik dacht: “Nou, die mensen die met kerst binnenkomen zijn een mooie kans. Om met het geloof in aanraking te brengen.” Zij missen iets, wat “wij” wel hebben. Inmiddels is hij weer een aantal jaar verder. Hij ging minder en minder vaak naar de kerk. Uiteindelijk schreef hij zich uit.

Dat laatste raakte mij. Hoewel hij en ik nooit fysiek met elkaar in de kerk hadden gezeten, miste ik hem ineens met terugwerkende kracht. Vond ik nu, dat hij een foute beslissing had genomen? Dat hij in de kerk thuis hoorde? Dat je sowieso in de kerk beter af bent? Die vragen kon ik niet met een “ja” beantwoorden. Daarvoor herkende ik te veel in zijn betoog.

Ook mijn vijftienjarige ik zou een hekel hebben aan de dominee die ik ben geworden. Ook ik vond, dat je als dominee “voor je zaak moest staan” en de zaak was: wij zijn zondaars, wij hebben de Heer nodig, zonder Hem ga je verloren. Mijn moeder, geen kerkganger, vroeg eens of een gestorven tante, van wie ik veel had gehouden, nu dan niet in de hemel was. Ik had de moed om te zeggen: “Tsja, ze heeft nooit voor de Heer gekozen, dus nee, ik denk niet dat ze in de hemel is.” Diep van binnen voelde ik, dat dit antwoord niet klopte. Maar ik vond het ook een rotstreek, die vraag van mijn moeder. En ik zou elke dominee veroordeeld hebben die een ander antwoord had gegeven.

Inmiddels ben ik zo’n dominee. Ik heb een ander antwoord. Of erger nog: ik heb geen antwoord. De hele term ‘hemel’ is uit mijn draagbuidel getuimeld. Ik weet er geen raad meer mee.

Ik herken de vervloeiing van het geloof. Ik herken de vervreemding: waar gaat het in de kerk in ’s hemelsnaam over. Misschien daarom mijn ergernis over de kerstcommercial van de Protestantse Kerk: zó leeg, dat het je niet zou verbazen als de kerstman in beeld kwam. Misschien ben ik zelf zo leeg geworden, maar wil ik het niet weten?

Zou ik uit de kerk willen?

Nou, dolgraag. Soms, althans.

Maar dan toch uiteindelijk ook weer niet. Ik houd van de gemeenschap van mensen. Ik houd van de concrete mensen die concreet in Sauwerd, Adorp en Wetsinge bij de gemeenschap horen. Ik mis tientallen anderen. Ik zou een brug willen zoeken naar een nieuw ‘wij’.  En ik houd er onnoemelijk van, dat zij bij elkaar komen – in welke vorm dan ook- rondom de Schriften, die sterke verhalen over leven en dood. En dat we bidden! Die bijzonder intense manier van samen-zijn en omgaan met elkaar.

Iemand vroeg mij deze zomer, waarom ik dominee was. Ik hoorde mijzelf, tot mijn stomme verbazing, vloeiend antwoorden: om de kracht van de verhalen uit de Bijbel en om de kracht die ik in de mensenlevens ontdek.

“Dat kan ik ook buiten de kerk vinden”,  zo ongeveer schreef mijn blogcollega. Ik heb misschien nog niet goed genoeg gezocht: ik vind het niet buiten de kerk. Ik vind de gebaren van brood en wijn die gebroken worden niet. Niet zó. Ik herken de gebaren wel. Maar ze worden nergens gevierd, zoals in de kerk. Ik vind er ook de verhalen van de Heer niet terug.

Dat is denk ik mijn eigenlijke troef: ik ben gefascineerd door wat mensen in het leven van Jezus hebben herkend. Ik ben gefascineerd door de evangeliën. Door hun enorme liefde. Daar wil ik bij horen. Bij die liefde.

Ik ben – ik streep dat alles zeggende woordje nog door- lid van de kerk

en ik houd ervan.

 

Vreugde, in verdriet?

Het was een mooie dag. Een begrafenis. En toch, een mooie dag.

We waren teruggekeerd naar de geboortegrond van wie nu gestorven was. Het kerkje omsloot ons nu, zoals het ooit hem, als jongetje temidden van zijn broers, zus en ouders, had omsloten. Warm en intiem.

De dominee las Psalm 150. Zo had hij het voorbedacht. “De nabestaanden zochten de tekst niet uit”, verhelderde de predikant: “Zo van – gelukkig, die is weg” Het was de keuze van de gestorvene. “Nog één keer haalt het psalmenboek uit. Tussen een halleluja en een halleluja klinkt één en al lofzang. “Alsof hier nooit een cambrium was, geen seluur en geen krijt’ zou Szymborska dichten. “Maar je hebt lofzang en lofzang.”

Het psalmenboek staat vol met van emoties gistende liederen. Boosheid, verwijten, liefde, passie, vertrouwen, vragen, het golft van het ene uiterste naar het andere. Het leven zelf is er vol van. Maar telkens piept door al die lagen de lofzang. “Alsof het daar, tòch, naar toe gaat.” In het psalter in elk geval wel. Het laatste woord heeft de lofzang. En bijbels gedacht, wat het laatste is, is ook het eerste. Hiervoor zijn wij op aarde.

De predikant deelt al een flink deel van het leven van de mensen die hij voor zich heeft. Hij kwam dertig jaar terug bij hen wonen. Hij werd een teken van vertrouwen. Gewoon, door er te zijn.

Er is een lofzang die opstijgt uit de volheid van de jaren. Als je jong bent en alles om je heen groei is, bloei, lust en feest en alle kansen open liggen. Je bent blij, dat je er bent en je vindt jezelf een verbazingwekkend gaaf wezen.

Er is ook een lofzang die ontspruit aan de diepte van het bestaan. Die juist daar begint waar pijn voelbaar is. Het leven is niet altijd een spel. En als het een spel is, zijn niet alle regels even rechtvaardig. Dingen gebeuren. Ook de dingen die je nooit hebt gewild. Je kunt ze niet tegenhouden. En zijn ze er eenmaal, dan krijg je ze niet meer weg. Hoe zou je het leven dan nog mooi kunnen vinden?

Lofzang, in de rijpere vorm, is met beide handen open omarmen wat op je toe komt. Er in staan en er mee verder gaan. Het leven liefhebben.

Maar hoe doe je dat? Het lijkt zo’n tegenstelling. Liefhebben als je niet hebt gewild wat voor je ligt.

“Er staan muziekintstrumenten in de psalm”. Ida Gerhardt haalt ze sterk naar voren n haar vertaling. Loof God, met de stoot op de ramshoorn! Cithers! Tamboerijnen!

“Ik hoop dat u de verhalen een beetje kent”, zei de voorganger en hij begon bij Abraham. Hoe die zijn zoon dreigde te verliezen en op het scherpste moment een ram vond, met zijn hoorns verstrikt in de takken van een struik. “De begeleidende midrasj vertelt, hoe Abraham een hoorn van de ram afbrak en er op blies.” Je niet gewonnen geven aan het duister. Gaan staan: hier ben ik. De ruimte voor het leven blijven claimen. En niet zelf verstrikt raken in de takken.

Bij het snarenspel, werden we meegenomen naar David. Hij had gespeeld voor Saul, toen die depressief was, toen de Geest van de Heer tegen hem was geweest. Het tokkelen had hem tot vrede gebracht. Andere mensen kunnen je bijstaan. Ze kunnen het licht om je heen van kleur doen veranderen. Ze kunnen je ziel bewaren. Hoe wordt de snaar van jouw ziel geraakt? Laat toe wat je voelt. Het is er. Je snaren zijn je kostbare bezit. Ga open, naar binnen en naar buiten.

De tamboerijn. Ik dacht aan Mirjam, na de overwinning van Mozes. De dominee wees op het ritme. De overledene was iemand van tijd en maat. Zo precies dat je wel eens dacht dat hij niet aan leven toekwam. Het ritme, zei de predikant, was voor hem de regelmaat van de dingen die hij gewoon was te doen. Het ritme legt de bodem waarop de melodie geboren kan worden. “Blijf doen, ook als er geen smaak aan zit.” De smaak komt zeker niet, als je ophoudt.

Loven. Hoe doe je dat? Ineens schoof de dominee een beeld van de overledene naar voren. We waren het alweer vergeten. Het was een minifilmpje. Hoe hij zijn haar in een keurige scheiding droeg. Maar dat er altijd één pluk eigenzinnig omhoog prikte. Die hij met een handgebaar dan weer gladstreek. Je looft niet pas als alles in orde is. Je brengt orde, ook al weet je, dat er steeds van alles ‘lastig’ zal blijven. Je leeft. Wat geleefd wil worden.

Het laatste instrument in psalm 150 is de mens, ben je zelf. “Alles wat adem heeft”, dat het de Heer love.

Toen we de kerk verlieten speelde de organist “Dank sei Dir, Heer”, van Händel. Hij bespeelde onze snaren. En wij bliezen de ramshoorn, om te gaan doen wat moest worden gedaan, temidden van goede mensen: gaan begraven van wie wij houden.

Het was een mooie dag.

Ruth

Vanmorgen stapte weer een uitzonderlijke vrouw de kerk binnen: Ruth. Haar ja-woord klinkt nog net zo na, als ooit het scheppingswoord van God.

Ruth was een jonge vrouw. Ze leerde een vluchtelingenfamilie uit Bethlehem kennen en werd verliefd op één van de zonen. En hij op haar. Hij trouwde met haar. Ze gingen een prachtige toekomst tegemoet. Leek het.

De toekomst kwam niet. Niet díe in elk geval. De man van Ruth stierf. Plotseling. En liet de jonge vrouw leeg achter.

Soms springt de chaos als een vloedgolf over mensen heen. Je hebt geen tijd, geen kracht om te bedenken wat of waarom. Je weet zelfs nauwelijks dat je er zelf nog bent.

Wat.

Wat dan?

Naomi, schoonmoeder van Ruth, wil terug naar waar zij vandaan kwam. In de Schriften betekent zoiets altijd: niet meer verder kunnen. Laat mij maar gaan. Het hoeft niet meer.

Maar Ruth staat het niet toe. Ze staat niet toe dat haar verlangen zo wordt verloochend. Haar verlangen naar een goed en rechtvaardig leven. Ze staat niet toe, dat het doek over haar schoonmoeder valt. Ze zegt: Ik ga met jou mee.

Naam van God.

In dat ene zinnetje klinkt een nieuwe schepping. Ik blijf. Ik blijf trouw.

Sommige mensen, zei broeder Roger ooit, zijn zonder het te weten, een weerglans van Christus. Ze weerspiegelen God.

De ander accepteren? Nooit!

De school had een tentoonstelling georganiseerd over Anne Frank. Het waren de jaren tachtig en de schooldirectie had er een goed gevoel over. “We moeten ons fel opstellen tegen anti-semitisme!”, vond de rector. En allen beaamden dat. Wij, leerlingen, zouden de tentoonstelling vroom bezoeken. Want wij waren geen antisemiet.

Iedereen tevreden? Nee, niet iedereen. Onze lerares Latijn was fel tegen. Dat maakte haar verdacht. Was zij aanhanger van bedenkelijke clubjes? Wij konden het ons niet voorstellen. Maar we begrepen ook niet, waarom wij er volgens haar geen goed aandeden, met die tentoonstelling van ons.

“Nou” zei onze lerares, en het werd stil in het anders baldadige klaslokaal: “eerst wordt er een “ons” gemaakt van mensen die geen “ons” zijn. Vervolgens wordt er over gezegd, dat zij “anderen” zijn. Om tenslotte te beweren, dat je die anderen moet accepteren.”

Ik weet niet of we haar begrepen.

Het is paarse-broeken-dag vandaag op de scholen. Je hoort mij geen kwaad woord zeggen over de intenties. Die zijn allernobelst en allerfijnst: “wij-accepteren-de-homo’s”. Wie zou er niet zo allerhartelijkst willen zijn?

En toch krijg ik de kriebels. “Sommigen zien voor het eerst een homo”, roept iemand blij uit in de krant vandaag. Er was iemand van het COC op bezoek geweest. Ik denk dan: “Als dat waar is, hebben de jongens en meisjes op de scholen hun ogen nog nooit open gedaan.” En daarna flitst de tweede gedachte: “En wat hebben ze nu gezien?” Een gewoon mens, vermoed ik, die bij het ontbijt een kopje thee drinkt en op tijd haar belastingen betaalt. Of juist niet, maar dat heeft met het homo-zijn verder niet zo veel te maken.

Ik roep ineens mijn lerares na: “Maak geen “ons” van “ons”, als u begrijpt wat ik bedoel.” Wat heb ik gemeen met Paul de Leeuw? Met Herman Emmink? Met – weten we nu- Koning Willem ll? Niets. Helemaal niets. Of zeggen we soms, dat Huberto Tan en Jan Smit een groep vormen? Ze mogen allebei wel naar vrouwen kijken, tenslotte.

We ervaren deze dagen enorme homo-integratie in de soap van Onno Hoes, Albert Verlinde en de toyboy. Iedereen leeft mee met het echtpaar en hun wankelende liefde. Ineens herkennen we in Alberts moed, onze eigen moed. En in Onno’s ontrouw, onze ontrouw. We begrijpen hoe beide mannen knoeien met zichzelf, met hun liefde en hun huwelijk. Je hoort de verhalen en je denkt: “het zijn net gewone mensen, eigenlijk”.

“De anderen maakten mij tot Jodin”, sloeg onze lerares haar slotaccoord. “Om hèn heb ik moeten onderduiken in de oorlog”. Er trok een zucht door ons heen, wat wisten wij ervan? Van mensen, van hun oordelen, van de geschiedenis van onze lerares? “Als ik altijd was gezien als Lisa en gewoon als Lisa, een van de vele unieke, gewone en uitzonderlijke mensen..” Ja dan was ze geen ‘ander’ geworden.

En hoefden wij haar ook niet te accepteren.

Buma, de kerk en kerst.

Ha fijn! De Protestantse Kerk heeft haar eigen mini-rel. “Beter beroerd in het nieuws, dan helemaal niet in het nieuws”, denk ik dan altijd maar. Ik hou ook wel van reuring. Ik zou zo naast Albert Verlinde in zijn programma kunnen plaatsnemen.

Wat is er aan de hand? Het is al best een heel dingetje geworden, tenslotte. Buma heeft voor de Kerk een filmpje opgenomen, waarin hij, naar verluidt, na een overladen dis de aanwezige jongeren (zijn kinderen?) aanspoort om mee te gaan naar de kerstnachtdienst. Waar ligt nu het probleem? Bij Buma. Hij had dit filmpje voor-de-kerk niet mogen maken. Want zijn politiek is verfoeilijk. Dat laatste, dat zijn niet mijn woorden, maar van een twitteraar @Theobrand en nog wat protesterenden. Wie mag zo’n reclame wel inspreken? Iemand van onbesproken gedrag, blijkbaar.

image-892375Ik ben over het algemeen niet dol op de filmpje van de Kerk. Ik vind het een beetje gênant dat je reclame maakt voor intimiteiten van betrokken mensen, maar goed ik snap het wel. Niets doen, voelt ook alsof je het allemaal maar afwacht terwijl de kerkmensen door alle deuren hard wegrennen. Dus vooruit: een filmpje. Met Buma heb ik geen moeite. Met zijn politiek wel, maar ik meen niet dat hij gaat zeggen: “Ga naar de kerk want daar hoor je het unverfroren CDA-geluid.” Misschien hoort hij zelf ook nog wel op, wanneer hij zijn eigen raad opvolgt. Wie weet, je moet niets bij voorbaat uitsluiten.

Oké. Buma doet een filmpje. Iemand moet het doen. Heb ik dan helemaal geen problemen? Ja, die heb ik wel. Gelukkig. Anders geen blogje. Moet er nu werkelijk een koppeling gemaakt worden tussen kerstdiner, dikke toetjes en de kerkdiensten met kerst? Het zal voor veel mensen zo zijn, maar het blijft een ongelukkige koppeling. De kerstnachtdienst wil ruimte maken om de nacht-voor-mensen te ervaren en tegelijk dáár de hoop vast te houden. Naar de kerstnachtdienst gaan is zoiets als waken bij een uitzetcentrum, of waken bij het bed van een stervende, of op visite zijn bij iemand bij wie je niet weet wat je zeggen moet. En er dan toch blijven.

Ik weet, het gaat allemaal verloren tussen de glühwein en de gezellige kerstliedjes voor, na en tijdens de nachtdienst. Dat is al beroerd genoeg. De Kerk zou dat beeld niet nog eens moeten versterken.

Wat zou de Kerk voor filmpje hebben moeten maken? Als ik het voor het zeggen had, dan zou ik niet oproepen om naar de Kerk te gaan. Het gaat in de Kerk niet om de Kerk. Ik zou een filmpje hebben gemaakt van mensen die graag iemand naast zich zouden zien. Een vluchteling uit Ter Apel. Nog maar eens die eenzame, homoseksuele, man bij wie Gordon langs ging deze zomer. Een vrouw zonder familie in het ziekenhuis. Een man die met zijn rolstoel de stad niet in kan alleen (paaltjes, stoepen, kledingrekken op de stoep, weet u wel?). En dan vragen: komt u 25 december? U had toch niets te doen die dag. Zoiets.

Maar ja, daar krijg je vast geen volle kerken mee.

En naast Albert Verlinde kom ik er ook al niet mee te zitten.

Rachab.

‘Mevrouw Wijdbeens’  noemde een commentaar haar even cynisch als juist. Rachab was hoer aan de stadsmuren van Jericho. De Schriften vermelden het maar even zonder verblikken of verblozen (hier). Ik ben de benauwde. Ik dacht vanmorgen, toen over haar gelezen werd, in een splitsecond dat de lector zei dat ze “boer” was. De bijbelse geschriften zijn niet zo van het angstige. Rachab woonde in Jericho, zij was prostituee en zij begreep wat nodig was. Zij wel.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA“Ik weet”, zegt zij: “dat de HEER jullie dit land zal geven.” En even verderop: “Wij hebben gehoord dat de HEER voor jullie de Schelfzee heeft geopend.”

Er is een beweging rondom ons gaande. Een beweging als van een geboorte. Er is een beweging gaande als van de geboorte van goedheid. Rachab heeft deze opgevangen. Zij “weet”. Het is haar motivatie om te doen wat zij doet: zij verleent gastvrijheid. Moedig bergt zij mannen in haar huis die door de staat als vijanden worden gezien. Ze verzint een list. Ze zet soldaten op het verkeerde been. En ze vraagt van de mannen om, als het er op aan komt, haar en haar familie te beschermen.

De spotnaam die haar is gegeven is ook haar geuzennaam: ‘zij die zich wijd maakt’ Wijd maakt zij zichzelf voor wat om haar heen beweegt en wat haar heeft gezocht. Wijd maakt zij zich voor wat leven geeft. Ze wordt zomaar een icoon van die zij HEER noemt.

We lazen haar geschiedenis vanmorgen in de eredienst. Ik dacht: waar zijn wij een afbeelding van? Wat geven wij door?

Ik deed deze in elk geval deze ontdekking: zij is ruimdenkender dan ik.  Misschien moest ik maar een bij mijnheer Wijdbeens te rade gaan?

Over markt en vrijheid.

De vrije markt, wat is er zo aantrekkelijk aan? Dat het geld kan rollen, zullen politici zeggen en ze zullen er blij bij kijken. Want als het geld rolt, groeit de economie, kunnen mensen meer kopen, groeit de economie nog harder en wordt iedereen gelukkig. Je kunt je niet voorstellen dat er een beter systeem zou zijn, dan.

Maar is het ook waar? Dat van het geld misschien wel, maar daar zit dan ook gelijk het probleem. Ik ben geen econoom, ik geef het  toe, maar ik vertrouw twee dingen niet. Aan m’n water niet, zeg maar. Allereerst die vanzelfsprekendheid dat geld zal doen wat het moet doen, als de belemmeringen maar weggenomen worden. Ik denk niet dat er zoiets als een ‘onzichtbare hand’ bestaat die alles ten goede keert in de vrije economie. Ik geloof zelfs niet dat de beeldspraak van de onzichtbare hand werkt. Achter het geld zitten en leven mensen. En die doen niet altijd wat goed is om te doen, helaas. Dat is één.

Mijn tweede argwaan borrelt uit dezelfde bron: de vrije markt geeft ruimte aan het geld, maar waar zijn de andere waarden? Zorg voor de natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld? Of voor de zwakke elementen, zoals dieren en – ook  dat – werknemers?

Mijn beide argwanen vloeiden samen in een zinnetje dat gisteren zomaar voorbij rolde. In het hart van economie, nog wel, en van vrijheid, keuzemogelijkheden en groei: bij Achmea. Een bestuurder zei met ronde blauwe ogen: “werknemers moeten beseffen dat ze een grote kostenpost zijn”. Laat de woorden vooral even op u inwerken. Mensen zijn kostenposten.

En wat wil de economie? Juist. De kostenposten verkleinen. Of verwijderen, in dit geval.

Het schokte mij, het gemak waarmee mensen terzijde worden geschoven. Vierduizend! Is er een economische noodzaak? Ik zei al, ik ben geen expert op dit gebied, maar Ephimenco rekende gauw op een bierviltje uit, hoeveel miljoen de verzekeringsmaatschappij had verdiend in het afgelopen jaar. En als bonus noemde hij ook even de salarissen van de topman en de iets mindere-top-mannen.

“Geld stroomt daarheen waar het nodig is”, zegt een wet van de vrije markt. Achmea laat zien, dat dit slechts ten dele geldt. De werknemers heten kostenpost, de topman blijft en verdient weer meer dan het jaar daarvoor. De vooronderstelling dat hij het geld méér nodig heeft dan de werknemers en dat het dus heel rechtmatig is allemaal, dat gaat mij toch enigszins te ver. Maar goed, mij ontbreekt naast kennis, ook het geloof.

Ik geloof wel. Dat doen we allemaal uiteindelijk. Maar ik geloof, dat je mensen in het midden van je denken moet stellen. En niet het geld. Als je een leefbare wereld wilt, tenminste. En naast de mensen, treden dan ook de dieren en de natuurlijke bronnen naar voren. En om die te beschermen heb je regels nodig. Niet, omdat geld onrechtvaardig zou zijn. Geld is, welbeschouwd, niets. Maar de mensen zelf zijn niet helemaal zuiver op de graat. Zij krijgen altijd de kolder in de kop, zodra geld in hun vizier verschijnt. En hoe meer geld, hoe meer kolder.

Ik ben voor de vrije mens. Beteugel dus de markt.

Kijk naar buiten en genees!

Dat één mens zoveel verschil kan maken, ik ben er nog van onder de indruk. “Of het allemaal zin heeft wat de Paus schrijft, dat moet nog maar blijken”, monkelde Trouw wat in de kantlijnen. Een volstrekt overbodige opmerking! Dàt hij een brief als Evangelii Gaudium de wereld in stuurt maakt al enorm verschil. Ik merk aan mijzelf, hoe mijn oren zich spitsen, als Franciscus iets gaat zeggen. Ik luisterde altijd wel naar een paus, ja wel, maar uit beroepsbeleefdheid. Een dominee hoort te weten wat er op andere erven speelt. Maar Benedictus kon mij persoonlijk niet inspireren. En een ad-limina-bezoek van Nederlandse bisschoppen, dat geloofde ik wel.

Hoe anders dit keer! Met enige spanning wachtte ik op de eerste ontmoeting. Die had vandaag plaats. De bisschoppen kwamen met een sombere en naar binnen gerichte brief. Het gaat slecht met de Kerk in Nederland, als je de aantallen wilt tellen. Dat geldt niet alleen voor de Rooms-Katholieke Kerk. Met recht brachten de bisschoppen zorgen mee. Wat zou de Paus er over te zeggen hebben?

Zijn toespraak is inmiddels op het net verschenen. En daar flikt hij het weer: hij enthousiasmeert eenvoudigweg door zijn ogen. Hij vraagt van de bisschoppen om niet langer naar zichzelf te kijken, niet naar het instituut, niet naar de aantallen binnen de kerkmuren. Ze moeten kijken naar de mensen buiten de kerkmuren. Het hoeft geen verdere uitleg dat díe getallen heel wat vrolijker stemmen. Maar daar gaat het de Paus evenmin om. Het gaat hem niet om getallen. Het gaat hem om het Evangelie en om mensen.

De Paus heeft de bisschoppen gezegd, dat zij de mensen moeten dienen in hun zoektocht naar zingeving en naar een zinvol leven. “De Kerk is niet zomaar een hoedster van morele waarheden”, zo zegt Franciscus. Ze is dienaresse, allereerst. En geen Kerk groeit door te overtuigen, maar een Kerk trekt aan door aantrekkelijk te zijn. “Vertrouw de mensen toch”, lijkt de Paus opnieuw te zeggen: “Ga met hen op weg” En trek je niet als een wereldschuwe terug in je eigen gelijk.

Hij geeft uitdrukking van betrokkenheid op alle mannen en vrouwen die door priesters sexueel zijn misbruikt. Hij voelt zich met hen verbonden en bidt met en voor hen. “Zij hebben moedige stappen gezet op weg naar heelwording”, zegt Franciscus. Ze traden in de openbaarheid en vertelden hun verhaal. De Paus begrijpt hoe zij zich hiermee opnieuw kwetsbaar hebben gemaakt. Hij wil hun kwetsbaarheid hoeden.

Eijk kwam naar buiten en zei, bijna blij: “De Paus is tevreden hoe de Nederlandse bisschoppen het probleem van het sexueel misbruik hebben aangepakt.” De somberte van de Nederlandse brief golfde weer dreigend terug. Want Eijk, in de speech zegt de Paus niets over de bisschoppen. Het is ook helemaal niet interessant of de Paus tevreden is: de slachtoffers, zij en zij alleen hebben recht van enig spreken. En als zij zeggen: ik ervaar een zekere heel-wording, dan is dat waardevol. Voor henzelf allereerst. Voor de bisschoppen is er ook dan geen enkele reden om zichzelf te kietelen of te feliciteren.

“Kijk naar buiten”, zegt de Paus. Eijk komt naar buiten en kijkt gelijk weer naar binnen. Er is nog een hele weg te gaan voor de Nederlandse bisschoppen. Maar dat Franciscus met hen spreekt. Dat hij een speech meegeeft en dat hij Evangelii Gaudium heeft geschreven, man, wat een verschil!