Tadeusz Mazowiecki (1927-2013)

Geliefd werd hij nooit echt. Hij was er te gematigd voor. Te redelijk, misschien ook wel. Zijn landgenoten, de Polen, wilden groots en meeslepend leven. Aan het begin van de jaren negentig zagen zij grote vizioenen voor zich: het uitdagende leven zou nu beginnen, het geld zou komen, de vrijheid zou grote avonturen beloven. En er zou afgerekend worden met de communisten. Na de jaren tachtig, waarvan velen dachten dat zij een verzetsrol hadden gespeeld, wilden ze nu korte metten maken met allen die het Leven hadden tegengehouden.

Tadeusz Mazowiecki in Krzyzowa

Mazowiecki sprak een andere taal. Hij zei dat pijnlijke maatregelen nodig waren. Onder zijn premierschap zou de planeconomie in één nacht omgeschakeld worden naar een kapitalistische. Balcerowicz zette er zijn handtekening voor. In één pennestreek werd een einde gemaakt aan de hoop, dat Polen een “derde weg” zou kunnen gaan. Want die geluiden waren er ook: zou er een weg te gaan zijn tussen communisme en kapitalisme in? Mazowiecki was realist. “Nee”, zei hij. De gevolgen van deze politiek waren de eerste jaren verbijsterend: oude mensen zagen zich gedwongen te bedelen op de trappen van kerken en warenhuizen. Gehandicapten kwamen de deur niet meer uit. Kindertehuizen kregen grote tekorten voorgeschoteld en ziekenhuizen moesten draaiende gehouden worden in versleten gebouwen en met onderbetaald personeel. Tegelijkertijd verschenen de eerste onbetaalbare auto’s in de straten. Werden nieuwe villa’s aan de randen van de steden gebouwd. Met hoge muren en camera’s. En bedreigde de Oekraïense maffia menig startend bedrijf. Moest dit het nieuwe Polen worden. Mazowiecki was overtuigd van wel. De geschiedenis zou hem ook gelijk geven, maar in 1991 was dat nog niet te zien . Verre van.

Zijn tegenspeler was Walesa. Ook niet bijster geliefd. Niet meer in 1989. Maar hij bracht wel reuring. Mensen vermaakten zich met zijn belabberde Pools. Er verschenen T-shirts met zijn uitspraak “Ik wilt niet maar ik mot wel”. Hij had dit gezegd toen hij in 1990 een gooi deed naar het presidentschap. Walesa was een straatvechter, een oproerkraaier, een barrikademan. En dat beviel zijn landgenoten wel.

De tijd was spannend. Na het verdwijnen van het communisme (vier juli 1989, verkondigde het Journaal officieel), waren mensen bang dat Polen een Rooms-Katholiek Iran zou worden. De geestelijkheid was overal zichtbaar aanwezig. Waar je ook liep, er liepen altijd soutanes van priesters met je mee, sandalen van monniken, of kappen van nonnen. De Kerk had veel betekend. Zou zij in de nieuwe werkelijkheid haar plek weten? Anderen hoopten juist op een versterking van het Rooms-Katholieke wezen van de staat. In Czestochowa zetelde, en zetelt nog, Radio Maria. Honderdduizenden kon het radiostation de straat op krijgen in de strijd tegen de neutrale staat, tegen abortus en tegen acceptatie van homoseksualiteit.

Walesa flirtte met deze beweging. Hij speldde de icoon van de zwarte madonna op zijn revers en liet zich geregeld fotograferen terwijl hij in gebed was. Van Mazowiecki, al was ook hij katholiek, bestaan zulke foto’s niet. En als ze er al zouden zijn, waren ze toch anders. De redelijkheid toont zijn passie niet zomaar.

Als premier hield Mazowiecki zich aan de belofte van het vakverbond Solidariteit: Polen zou een beter land worden voor iedereen. In de jaren tachtig had dit ruimhartig geklonken en hartelijk. Dat ook Jaruzelski, de communistische president, een goede oude dag zou krijgen, moest wel de gedachte zijn van een innerlijk rijk mens. Dat wilde iedereen toen wel zijn.

Maar niet meer, in de jaren waarin de macht aan “ons”  was vervallen. Er stak een wind op van afrekening en vereffening. Walesa begon te spreken over “de oorlog aan de top”. De communisten moesten verwijderd worden, vond hij.

Mazowiecki weigerde. “We hebben allemaal bijgedragen aan het in stand houden van de communistische staat”, zei hij. Het leek hem onmogelijk om het land te zuiveren. “Misdaden moeten worden bestraft. En tegelijk moet je oppassen, dat je niet bij de kleine vissen blijft steken.”, waarschuwde hij. En: “We moeten onze tijd niet verdoen met het verleden.” Paus Johannes Paulus ll was voor hem een grote inspiratiebron. “Ik voer de politiek van ‘de dikke streep eronder'”, zou hij keer op keer herhalen.

Het betekende het einde van zijn politieke loopbaan in Polen. In 1992, na veertien maanden al, zegde de president het vertrouwen in zijn regering op. Niet vanwege de economie, niet vanwege de koers, maar vanwege het antwoord op de vraag: voor wie moet dit een goed land zijn?

Polen is in 2013 een stabiel land geworden. De economie groeit gestaag. De mensen hebben armslag om te leven. De kerk heeft haar eigen plaats gevonden. Mazowiecki had gelijk gekregen: het kost moeite, niets gaat vanzelf, het is niet groots, niet meeslepend en niet indrukwekkend, maar we komen wel ergens. Wij allemaal.

Hij werd er niet om geliefd. En dat is onterecht.

Advertenties

Verzacht het christelijk geloof de absurditeit?

Camus wilde geen christen zijn, heeft hij eens gezegd, omdat hij de christenen niet doortastend genoeg vond. Een vriend van mij, groot fan van Camus èn christen, vertrouwde mij dat eens toe. De filosoof vond dat christenen het leven niet radikaal genoeg omarmen. Ze blijven keer op keer halverwege aarzelend staan. Ze houden, in zijn visie, altijd afstand, doordat ze het absurde verzachten met de gedachte dat dat er een G’d is, of een hiernamaals, een reden in elk geval waarom wij hier zijn. Maar wie niet de bodemloosheid van het bestaan ervaart, zegt Camus, kan ook nooit de totale liefde ervaren om het bestaan met huid en haar te omarmen.

Je hoort. Sartre is niet ver weg. Camus was dan ook erg door die andere Franse filosoof geïnspireerd.

Heeft hij gelijk? Is het christelijke denken en geloven een vlucht uit de hardheid van het leven? In sommige vormen wel, denk ik. Zoals de priester uit “De Pest”, zoeken veel christenen, hun leiders voorop, een reden of een motief, waarmee het onbestaanbare bestaanbaar wordt en het onredelijke redelijk. Ontelbaar zijn de verhalen, waarin dominees aan ouders uitlegden, hoe het kon dat hun kind stierf. “Omdat God het wilde”, stond eens groot geschreven op een grafmonumentje voor een tienjarig jongetje. In het geloof wordt heel wat absurditeit afgedekt. Daarbuiten net zo, overigens: hoeveel rouwadvertenties melden niet “het is goed zo”. Alsof de dood ooit goed zou kunnen zijn. We troosten onszelf wiegend in slaap. De hardheid is te hard om mee wakker te blijven.

Maar, dit is slechts één kant van de geloofsschatten. Wanneer je de evangeliën openslaat, zul je verbazingwekkend vaak gelijkenissen tegenkomen die beginnen met: “Een landheer vertrok”, of “een koning ging naar het buitenland en bleef weg”. Gelijkenissen, waarin Jezus iets zegt over de situatie, waarin mensen zich bevinden. Verlatenheid.

Hij vlucht niet uit deze werkelijkheid weg. De evangelisten creëren geen sprookjeswereld naast de echte. Integendeel. Door te zeggen “de landheer ging weg”  spreken zij nog indringender over de willekeurigheid van de werkelijkheid, dan door te zeggen dat er nooit een god was en dat er nooit een god zal zijn.

Het smartelijke van geloven is, dat je hoort over een G’d. Dat je hoort over geborgenheid en zingeving. Maar dat je, wat je hoort, niet zomaar één, twee. drie in de wereld aantreft. Zeg “liefde” en je stuit allereerst op de afwezigheid daarvan.
“De enige manier, waarop G’d ons nabij kan zijn”, schreef Bonhoeffer in de tijd dat hij gevangen zat: “Is door zich terug te trekken.”

Bonhoeffer is dan ook een christen die het leven uit alle macht omarmde en liefhad.

UPDATE: En waar gaat het “ik” van NRC-Handelsblad vandaag over? Je vindt het hier. Over absurditeit die nu eens grappig uitpakt.

Albert Camus

 

Albert-Camus-001Albert Camus is de filosoof van het absurde. Het besef van absurditeit, zegt hij, is menselijk. En menselijk alleen. Een paard heeft geen idee van de kronkeligheid van zijn leven. Een wei, is voor een paard een wei. Een hek, een hek. Dat het ene veulen het redt en het andere niet, zal een paard niet als onrechtvaardig ervaren. Het heeft er in elk geval geen verhaal over. Alleen mensen vertellen verhalen.

Wij slingeren onze levens het universum in. Wij roepen, hoe wij er voor staan. En op de een of andere manier, hopen wij op antwoord. We hopen dat er een verhaal gevonden wordt, of in ons ontstaat, dat redelijk is. Die redelijkheid echter, zegt Camus, is er niet. Het universum zwijgt. En zelfs dat niet: zwijgen veronderstelt dat er iets of iemand is die zou kunnen spreken, maar dat niet doet. Camus ziet geen iets of iemand.

Wij zouden de situatie kunnen inschatten. Dat maakt het absurd. Als je niet verwacht dat je gehoord zal worden (kent een paard zo’n soort verwachting?), mis je ook niets en is er niets ongerijmds. Doordat mensen verwachtingen koesteren, kennen ze hun idiote positie. Alleen, hunkerend naar tweezaamheid (mijn woord).

Wat kunnen wij dan doen? We zouden kunnen vluchten in een ontkenning. Die vlucht gaat twee kanten op: we ontkennen ons verlangen, of we ontkennen het zwijgen. Maar geen van beide is mogelijk. Onze roep om recht, onze roep sowieso, maakt dat wij mensen zijn. We zouden onszelf uitgummen, als wij doen alsof alles hier onder de zon redelijk, normaal en eerlijk is. Het zwijgen valt nog veel moeilijker te ontkennen. Zegt iemand G”d spreekt, dan is direct de vraag:” En waar dan?” Of “waarom hier wel en daar dan niet?”.

In zijn novelle “De mythe van Sisyphus”, Camus was romanschrijver en filosoof ineen, vertelt hij de Griekse mythe van de gestrafte Sisyphus. Die moest een steen omhoog rollen, een heuvel op. Hij zou vrij komen als de steen op de top zou liggen. Maar elke keer, als de steen bijna boven is, rolt hij weer naar beneden. Nooit komt het ding tot stilstand bovenaan, nooit komt Sisyphus vrij. Soms herkennen wij dat ineens: wat ik doe is zinloos. Het voegt niets toe, het pleziert niemand, het wordt door niemand gezien.

Wat moeten wij doen? Camus ziet maar één weg: het leven in al zijn intensiteit leven. Zodra Sisyphus zijn arbeid omarmt, als zíjn arbeid, zonder te zien op het doel, maar slechts met het oog op het werk zèlf, dan zal hij leven. En Sisyphus worden.

Zelf vind ik deze scene het meest indrukwekkend: in het boek de Pest komt een priester voor. Naast een aantal andere personages. In de stad, waarin zij wonen, breekt op een dag de pest uit. Elke dag sterven er honderden inwoners. De stad is afgesloten door de regering, niemand kan er uit. Niemand kan er in. De priester preekt, en in zijn preken probeert hij te verstaan waardoor de pest de stad is binnengeslopen: het is de zonde van de mensen! roept hij, het is de ontrouw van de mensen! Zijn kerk, die alsmaar leger wordt, antwoordt nauwelijks. Uiteindelijk vinden we de priester terug. Hij zit aan het ziekbed van een kind. Hij omarmt het. Hij praat niet meer. Hij deelt zijn tijd met deze zieke. Met elke zieke die hij ontmoet. Hij weet: ook ik zal sterven. Ook ik heb op een dag de pest in mijn lijf. Hij aanvaardt het. Hij aanvaardt de mensen om hem heen.

Het bewustzijn van het absurde – ineens dacht ik: wat heeft het ook voor zin?- maakt mij tot mens. Ik kan maar één ding: het absurde leven. Met alle passie.

Femen en de Nationale Synode.

femen and aliaa elmahdy protest morsi in stockholm - pIV43YFnHNVandaag komt de Nationale Synode voor de tweede keer bij elkaar. En Femen komt er bij protesteren. Dan stel je wel wat voor, als de internationale protestbeweging je op het vizier heeft gekregen. Femen werd bekend door haar protesten tegen de prostitutie in de Oekraïne. Tijdens het WK aldaar nam het aantal prostituees enorm toe.  De vrouwen van Femen vonden dit een slecht teken. Blijkbaar zijn vrouwen nog steeds gebruiksartikelen voor mannen.

Valt iets dergelijks nu ook in Dordrecht waar te nemen? Is er meer klandizie in de rosse buurt, met al die mannenbroeders in de stad? Nee, dat niet direkt. Femen keert zich tegen de mannelijkheid van de kerk. “Wij zijn tegen het patriarchaat”, melden de demonstranten. Daarom ontbloten ze hun borsten. Om te laten zien dat vrouwen, vrouwen zijn en geen lustobjekten, geen werksters en geen decor voor de mannen.

De Nationale Synode is een bijeenkomst van zoveel mogelijk protestantse kerken. Zij willen de verdeeldheid te boven komen door elkaar te ontmoeten. Ik denk de enige manier om verbondenheid met elkaar te krijgen. Pater Van Kilsdonk zei eens:  “Het is niet zo, dat mensen elkaar niet zien omdat ze ruzie hebben. Ze hebben ruzie, doordat zij elkaar niet zien.” Goed initiatief dus, die synode van vandaag. Voor een deel van de doelgroep is ook de juiste vorm gekozen: sprekers, samenzang en gebed. Voor een ander deel van de doelgroep zou het sprankelender mogen, creatiever en meer buiten de lijntjes. Maar – dat is zeker- dan verlies je de mensen die vandaag in Dordrecht zijn. En ergens moet je beginnen.

Zijn ze man-gericht, vandaag in die Grote Kerk. Zelf zullen ze zeggen van niet. Ze zullen zeggen, dat vrouwen een andere plek hebben in de schepping dan mannen. “Wij zijn gelijkwaardig, maar verschillend.”  is een veelgehoorde uitspraak. Ik maakte ooit mee, bij een vergadering van hersteld-hervormde dominees (mannen), dat een vrouw van elders kwam aangefietst om – nadat zij haar fiets op slot had gezet- voor ons allen koffie in te schenken. Die stond gewoon klaar op tafel. Ik denk dat de vrouw zelf het heel gewoon vond. Mannen doen geen huishoudelijke dingen. Vrouwen vergaderen niet over theologische zaken.

Is het vernederend? Een beetje groot woord, maar scheef is het wel. Femen maakt haar borst alvast bloot. Maar ziet over het hoofd, dat onder de schijn van onbewogenheid veel aan het veranderen is. De SGP kreeg een vrouwelijke politica, vrouwen klimmen in de orthodoxie omhoog op de ladders in bedrijven, scholen en zorginstellingen. En bij DWDD schoof een nog altijd orthodoxe vrouw aan die het opnam voor haar homoseksuele zoon. Daardoor kreeg zij het, inderdaad, aan de stok met haar kerk. Maar – en dat is nieuw- zij boog niet. Ze bleef staan.

Ik ben er niet zeker van, of Femen vandaag die ontwikkelingen versterkt. Hun protest is voor iedereen enigszins opzienbarend, maar zeker voor de goedbedoelende mannen en vrouwen in Dordrecht. Het zou wel eens kunnen, dat ze de ontwikkelingen vertragen.

Als ik Femen was, deed ik een truitje aan, vandaag. Al was het maar, omdat er een lelijke wind kan staan rondom zo’n oude kerk.

Deze afwezigheid spreekt.

Het zijn woordgrappen op ‘verhogen’. En toch wil het maar niet grappig worden, het verhaal van de bakker en de schenker. Afgelopen zondag lazen we de geschiedenis. Ik heb niemand horen lachen.

Even kort, om ons geheugen op te frissen: de setting is Egypte, in een niet genoemd jaar, onder een niet-genoemde farao. Het zijn archetypes, het is een serieuze poppenkast, een lachspiegel. Het kan best gebeurd zijn, zo. Misschien zelfs heel waarschijnlijk, maar daar gaat het niet om. Het verhaal wordt verteld, omdat het nòg gebeurt. Onder farao’s, grote en kleine.

Zo, dat is er uit.

De hoofdfiguren zijn “een bakker”, je zou het zo in een script kunnen zien staan. “Nodig: een bakker, een schenker en een…” O nee, de derde figuur krijgt wel een naam: Jozef. Zoon van Israël. Ze zitten alle drie gevangen in de kerkers van farao. Twee, omdat ze de farao kwaad hebben gemaakt. Wat zouden ze gedaan hebben? Geen idee. Er zat een steentje in de krentenbol van de bakker, of anders dreef er een velletje in de wijn van de schenker. Wat voor kwaad kunnen bakkers en schenkers? De farao vermoorden, o ja. Maar daar horen we niet over. De farao is springlevend. Ze hadden de rente niet op tijd betaald, laten we het daar maar op houden.

En Jozef zit ten onrechte gevangen. Dat staat er tenminste klip en klaar. De farao had zijn dag niet. En zijn vrouw had haar zin niet gekregen. Dus gooiden ze Jozef in de kerker.

Nu hebben de bakker en de schenker allebei een droom. En bij allebei worden er dingen verhoogd. Dat is de mislukte grap. Jozef zegt tegen de schenker: “jij wordt over drie dagen verhoogd en weer in je ambt hersteld. Jij zult de beker van de farao weer in je handen houden” De bakker fleurt op bij dit bericht, vertelt zijn droom en krijgt te horen: “Ook jij wordt verhoogd. De farao zal jou laten ophangen over drie dagen.”

“Vergeet mij niet”, vraagt Jozef aan de schenker: “als het jou straks weer goed gaat.”

AHM01_TA_49578_XIk vind het een bizar verhaal. Het hangt van grilligheid aan elkaar. De een krijgt een klap en de ander een kus. En niets legt ons uit, hoe dat zo kan. Het lijkt het echte leven wel.

En G’d is totaal afwezig. In de hele, lange, lezing geen woord over zingeving. Niets.

Wat is de clou?

Jozef is de clou. Hij is getuige van de absurditeit van farao.  Hij vraagt hem niet te vergeten.

Het verhaal vraagt ons te doen als hij. Te zijn waar de pijn aanwezig is.

G’d is in deze lezing de grote afwezige die roept om onze aanwezigheid.

Nog maar eens “G’d”

G’d is in de Bijbelse geschriften eerder een Stem die mensen oproept een zinvol bestaan te leven, dan een handelend wezen die dingen opknapt.  Dietrich Bonhoeffer heeft dit helder en puntgaaf gezien. Hij schrijft, dat de meeste mensen G’d zullen associëren met “de Hoogste Macht”, “de Hemelse Kracht” of wat dan ook, dat hun eigen onvermogen aanvult. Wat mensen niet kunnen, dat zal G’d dan doen. En wat mensen niet begrijpen, dat zal G’d dan wel wezen. Een beeld van G’d, dat levensgroot oprijst, wanneer zelfs verstokte atheïsten gaan zeggen: “Ach ja, vroeger begreep men de bliksem niet en dachten de mensen dus dat G’d erachter zat. Koepest? G’ds wil. Een grote stadsbrand? G’ds toornig handelen.” “Maar”, zal altijd het vervolg zijn: “tegenwoordig begrijpen we meer en weten we, dat G’d niet bestaat.” We hebben G’d niet meer nodig, om onze onwetendheid aan te vullen.

Bonhoeffer heeft het geloof in “een hemelse Bestuurder” ‘religie’ genoemd en dat bedoelde hij niet positief. Wie verwacht ‘dat G’d het zal doen’, blijft mank gaan. Hij wacht op iets wat niet gebeuren zal. Hij zet zijn eigen kunnen niet in. Hij legt de schuld van elk falen buiten zichzelf: G’d had het moeten doen! Breaking news: die deed het niet. En zal het niet doen.

Niet zonder mensen.

Dat is het eigenzinnige van G’d in de Bijbelse geschriften: dat Die nooit zonder mensen wordt genoemd. Hebben ze het over G’d, hebben ze het direkt over mensen. De focus van het christelijk geloof ligt, in tegenstelling tot de schijn, niet buiten ons, maar de focus ligt op ons. Buskes heeft ooit gezegd: “Het spreken over G’d is een bijzondere manier om over mensen te spreken. Alsof wij uit Zijn perspektief naar onszelf kijken.”

Eén van de sleutelverhalen uit het Eerste boek van Mozes, Genesis, is de roeping van Abraham. Dat een mens, één mens, op weg gaat, waar anderen blijven staan. Ik vind het zinnetje “en Abraham ging”, nog veel verbazingwekkender dan de voorafgaande zinnen, waarin staat dat G’d riep. G’d doet niet anders dan roepen. Dat is zijn werk. Hij roept ons elk moment dat wij in ons lijf de schok ervaren: “Verdikkeme, dit kan niet!” Dat kan een buurvrouw zijn die vergeten wordt, en ineens besef ik dàt zij vergeten wordt. Het kan een dokter zijn die wel een ziekte ziet, maar de patiënt niet (“In bed negen ligt nog een blinde darm”, zei de chirurg.) Of vluchtelingen die voor de stranden van Europa verdrinken.

Meestal blijf ik in mijn machteloosheid achter, of in mijn gemakzucht, of gewoonte. Maar dan ineens zie je, dat iemand opstaat en wat gaat ondernemen. Ik weet nooit, hoe ze dat voor elkaar krijgen, maar het lukt ze. Dat zij gingen, waar anderen bleven zitten, is een geheim. Dat geheim noemen we G’d. Omdat het zo ongelofelijk zinvol, scheppend en helend is, wat de enkeling ging doen.

Marino Marini.

Als een deur even opengaat naar een onvermoede dimensie, dan is kunst kunst. Dan volstaan woorden niet meer. “Mooi” niet, “indrukwekkend” niet, niets beschrijft de ervaring. Of het zou zwijgen moeten zijn. Ooit was er in Rotterdam zo’n expositie. Van Giacometti. Zijn eindeloze, geduldige gepruts om ruimte en voorwerp met elkaar in contact te brengen liet de bezoekers duizelen. Hij boetseerde reusachtige, magere mensen in hazenpas. Ze stonden je benauwend dichtbij. Hij priegelde luttele millimeters hoge danseresjes aan het einde van een dansvloer. Ze leken lichtjaren verwijderd. Hij tekende de indruk die iemand had achtergelaten, nadat zij was opgestaan en weggegaan. We keken naar een zwart stuk papier met witte cirkelende lijnen: nooit eerder zag ik zo’n waar portret. De ruimte ontvangt zijn karakter door de mensen die er in bewegen. Hij ontvangt blijvend zijn karakter door de mensen die er waren en weer verdwenen.

Vanmiddag ging de deur weer open. Niet, dat wij het verwachtten. We dachten aan niets. Wisten ook niets. We gingen eigenlijk alleen maar voor het ei, dat een dinosauriër boven op het museum De Fundatie had uitgepoept. Eerlijk is eerlijk: het is een fenomenaal ei. Het lokt je al van stratenver. Het ligt ongenaakbaar hoog boven de huizen. Het strakke gebouw lijkt sinds zijn ontstaan op dit ei te hebben gewacht. Het is nu pas compleet.

Maar als je dan eenmaal binnen bent, terwijl je eigenlijk voor de buitenkant kwam, waar ga je dan heen? Marino Marini exposeerde. En Jeroen Krabbé. Ja, soms zijn keuzes gemakkelijk. Ik kende Marini niet, maar Krabbé wel. Vandaar, dat het Marini werd. Nog onwetend duwden we de eerste glazen deur open.  Er was een wereld vol aardse vrouwen. Katinka Wolkers. En dan tien keer. Twintig keer. Daar krijg ik het zelfs warm van. Getekend in gronderige kleuren. Intens moederlijk. Geurend als een bos in de herfst. Er stonden vrouwen in brons. Brede heupen, sterke schouders. Voeten geplant op de akker. Marini was geïnspireerd door de godenfiguren van de primitieven. De onvolmaakte Venussen uit de boerenculturen. Wie wilde luisteren hoorde ze ademen. Maar spreken deden ze niet.

d5313318lEen trap op, een gang uit. We kwamen in een andere faze van de kunstenaar: paarden en ruiters. Hij zocht de balans tussen de natuur en de cultuur. In het begin vormden de figuren een harmonie. Met de jaren tuimelden de paarden, vielen de ruiters er af. Hij reageerde daarmee op de oplopende spanningen van de Koude Oorlog en het stijgend rumoer van de jaren zestig. Hij was enorm onder de indruk van een 13de eeuws ruiterstandbeeld uit Duitsland. Zijn paarden waren warmbloedig. Zijn ruiters raakten verward. “Maar altijd zullen de ruiters weer opstaan”, schreef hij eens aan een vriend. Ruiter en paard vormen horizontale en vertikale lijnen. Dat spel kan niemand doven. Marini was ervan overtuigd dat uit het vervallene weer nieuw leven ontstaat.

“Als je wat mee mocht nemen”, vroegen we elkaar: “wat zou het dan zijn?” Een figuurtje dat luisterde naar de titel il miraculo: drie verschillende bronzen driehoeken, dubbelgevouwen zodat ze konden staan, samengevoegd tot een abstractie, maar verduld: een paard. Onmiskenbaar een paard. En toch ook helemaal niet.

Marini zocht balans tussen natuur en cultuur. Hij maakte de afstand groter en groter met de jaren. Groeiden wij zelf verder van onze wortels weg? Misschien. De jaren zestig komen ons nu over als een zee van overzichtelijkheid en orde. En zelfs de jaren zeventig met zijn oranje vitrage en bruin-paarse klaprozen behang is een veilig nest vergeleken bij onze tijd. Maar hoe groot de afstand bij Marini ook werd: hij vond de balans steeds terug.

Ik vond het troostrijk. Het was  bijna een openbaring, daar onder het ei in Zwolle.

Het zonnelied revisited.

Blogde ik gisteren de protestantse versie van Franciscus’ zonnelied. Ik houd wel van de melodie. Stevig. Moedig. “De paden op, de lanen in”, met frisse rode konen. De hopman gaat voorop.

Later drong het tot mij door, dat dit Gereformeerder is, dan Franciscus ooit heeft kunnen zijn. Hij was afhankelijk van zijn roeping, en van zijn roeping alleen. Er ging niemand voor hem uit. Vóór hem lag meer onzekerheid  dan duidelijkheid. Als zijn konen al gloeiden, dan van de spanning: wat moest het worden, dat nieuwe leven van hem?
Duidelijk was wat hij niet meer zou zijn: niet meer de zoon gekleed in zijde en brokaat. Niet meer de beoogde opvolger van zijn vader. Niet meer een geacht inwoner van de stad. Zijn vader had hem, na zijn ‘bevlieging’ nog een aantal dagen in een kast opgesloten. Hij dacht, dat zijn zoon gek geworden was en moest afkoelen. Naar onze 21ste-eeuwse maatstaven had hij misschien gelijk. Franciscus zelf ervoer het anders: hij was geraakt door een wezenlijk weten: wij zijn verbonden met de minsten van alle mensen.

Maar hoe dat vorm moest krijgen, dat hij met zijn lijf en leven deelgenoot van hen zou worden, dat moest gaandeweg maar blijken. Zijn musiceren bleef meer fluiten in het donker.

Waar valt dat te horen? Misschien in de versie hieronder. Mooi, hoe onder het loflied, een kyriëgebed is gemonteerd. En ja, dat Italiaans hè. Dat maakt het lied al vanzelf doorschijnender.

Verzengende liefde om niet te verdrinken.

We zongen het Zonnelied, het was rond 4 oktober. Ik wist niet veel van het Zonnelied, behalve dat het geschreven is door Franciscus van Assisi, die ‘arme dwaas Gods”. Veelvuldig duikt in de verhalen over hem zijn speelsheid op, zijn naïviteit. Hij lijkt soms een groot kind dat welgemoed aan elke bloem ruikt en er de geur van diep tot zich door laat dringen. Hij preekte voor de vissen en hij zong voor de bomen. Een bloemenkind.

Zo is ook zijn lied. En zo heb ik het altijd gezongen. Als van één die de wereld vertrouwt en als zijn vriend beschouwd. “Broeder zon”, zingt hij en “zuster maan”, ‘moeder aarde”, en zelfs “broeder dood”. Sommige mensen hebben de gave om onder alle omstandigheden open te blijven en hartelijk.

Wat schrijft nu Kees Waayman? Dat Franciscus dit lied helemaal niet huppelend heeft geschreven. Ik viel er even stil van. De man was 42, aan het eind van zijn leven. Zijn roeping had hem uitgeteerd en teleurgesteld. Hij had ruzie met zijn broeders die zijn hoge idealen niet hadden begrepen, vond hij. Hij was zoals hij begon: eenzaam en naakt. En toch wilde hij zijn verdraaide roeping blijven omarmen.

In de boekenkast van mijn ouders stonden een aantal boekjes van Simons Carmiggelt. Eén daarvan heette “Fluiten in het donker”. Verhalen vol melancholie van een drankzuchtige, romantische ziel. Geen idee of Carmiggelt drankzuchtig was. Ik dacht dat zo: iemand die zoveel treurigheid van het leven in ademt, om vervolgens zoveel verlangen en melancholie uit te ademen, die moest wel een buffer tussen die twee hebben. Of een brug. Drank, of een grote liefde. Die liefde buiten alle grenzen was er, bleek later uit een nogal genant boekje van Renate Rubinstein. Genant, omdat het zo intiem was. Zij was zijn fluiten in het donker.

Franciscus floot een lied. Over zijn grote liefde. Zijn grenzeloze, alles overkomende liefde. Hij ging er aan onderdoor. Maar hij leefde er ook uit. Als hij er aan onderdoor ging, zijn depressies, zijn teleurstellingen, dan leefde hij er uit. En als hij er uit leefde, bleef hij op weg.  Zonder de liefde zou hij uitgeleverd zijn aan zijn duister. Maar hij moest wel blijven zingen. Hij moest zingen om het zich weer te herinneren: geen duister is tegen een liedje bestand.

Vaak heb ik gedacht, Rubinstein heeft ervoor gezorgd dat Carmiggelt niet te gronde ging. Ze hield hem aan zijn regenjas vast.

Zoiets heeft G’d nu ook gedaan met deze “arme dwaas”.

 

Het is weer 12 oktober.

The_Silence_of_Loneliness_by_WinterregenEen datum als vele andere. Ze heeft geen algemene betekenis, of die zou door commerciëlen erop geplakt moeten zijn: dag van de kassière, of zoiets. Voor ons echter is het een dag die steekt. Een wesp vliegt voorbij, een vinger vlamt pijnlijk op. Zo. Negen jaar geleden verongelukten twee vrienden. Het verhaal is gecompliceerder, maar hier komt het wel op neer: vandaag, half elf in de avond, eindigde hun gewone, bekende leven.

Wat blijft er na die jaren? De stilte waarin het gebeurde. Die indrukwekkende stilte. De snerpende pijn. Het innerlijk verzet. Gekke momenten, de afslag die we misten in onze haast de ambulances te volgen, waardoor we op een binnenplein eindigden in plaats van bij het ziekenhuis. Losse woorden, als een collage rommelt het door je herinnering.

“Er is geen God”, de kreet moet nog ergens in die lange ziekenhuisgangen galmen. Een neonbuis flakkerde uren boven ons.

Dit bleef ook: dat niets is wat je denkt. Dat het leven feller is, dan je had vermoed.

Frere Roger had al eens eerder gezegd: “G’d stuurt geen ziekte en geen ongeluk. Hij deelt niets uit.” Het gebeurt. Dus gebeurt het op een dag ook jou. C’est tout. Doe het er maar mee.

Morgen lezen we in de schriften het vizioen van Elia. Een halve bladzijde eerder had hij G’d nog in zijn hand, dacht hij. Hij, Elia, begreep het leven. Hij wist hoe de dingen hoorden en moesten. Vandaag weet hij niets meer. “Hij valt in een gat”, zeggen de mensen. En dan blijkt dat gat toch leefbaar te zijn.

Dit bleef er ook, na negen jaar: de herinnering dat vriendschap zo krachtig is. Ze overleeft de dood. Het leven is kleurrijker dan je dacht. Sterker en meer beminnenswaard, dan je eerder kon weten.

Ligt in tegenslag meer waarheid dan in voorspoed?