Oh ja, de kerk

 

Het woord “kerk” is een blikopener. Het trekt het dekseltje van een pak vol narigheid. Kerk staat voor benepenheid, voor zwarte kousen, voor misbruik, voor gewetensbeperking, voor arrogantie, voor discriminatie, de kerk staat zéker voor slecht zingen. Ik begrijp wel, dat de kerk onderaan bungelt als het om het vertrouwen van Nederlanders in instituties gaat. Ze heeft het er zelf naar gemaakt.

En toch ben ik er – nog altijd- lid van. Sta in het hart van deze gemeenschap. My god, waarom?

Nou, niet alléén omdat de kerk mij betaalt. Als de golven van ook mijn afkeer voorbij zijn, en ze golven, vaker dan mij lief is, breekt er ook iets anders door. Ik zie in de kerk mensen die aandacht voor elkaar hebben. Die week-in-week-uit elkaars leven delen. Op een geduldige, barmhartige manier. Ik zie vriendschap, vertrouwen, ik zie mensen die het beste in elkaar wakker maken.

Een aantal jaar geleden lag hier het hele bestaan weer eens ondersteboven. Het was vijf mei. In de krant las ik,  toevallig, dat er in een kerkje in Oost-Groningen een kerkdienst zou zijn. Ik was er. Psalmen werden gezongen. Er werden oude teksten gelezen. Mensen waren stil en luisterden. Het licht viel door het ontluikende lentegroen tintelend en glimlachend de kerk in. Genesis 1 voor je neus.

Ik ben lid van de kerk, vanwege een onuitsprekelijk geheim. Je kunt er eigenlijk alleen maar verhalen over vertellen. Hoe een man hier op het dorp zijn leven op de rails kreeg doordat hij op een ochtend de kerkdrempel overstapte. Hoe een oude vrouw haar ogen dicht deed, zodra zij maar een psalm aanhief. Je voelde aan alles: zo zong zij al haar leven lang. Over een andere man die ziek werd en een hele gemeenschap mensen bewoog maanden, jaren met hem mee en slaakte een ontroerde zucht toen een kleinzoon van hem de kerk kwam binnenrennen en luid riep “Opaaaaa!” Het verhaal over een zoon die zijn vader meer dan een jaar trouw, elke zondag, naar de eredienst bracht. De vader verdween steeds meer in de wereld van alzheimer, de zoon zat naast hem. De vader werd dover en dover. De zoon en hij zaten naast elkaar. Werd het onze Vader gebeden dan bad – oh!- de vader mee. Hardop. En zei als laatste van allen “amen”. Alsof hij al dingen zag die wij nog niet zagen en daarbij had stil gestaan.

Ik ben lid van de kerk vanwege God. Laat ik het geheim maar een naam geven uit onze traditie. De God die zegt: “Ik zal er zijn”.

Ik zie het elke zondag gebeuren in de erediensten. Ik zie het door de week. Ineens zie je het overal: mensen, gelovig, niet-gelovig, godloos, leuke mensen, niet zo leuke mensen, je ziet hoe ze gebaren van vriendschap aan elkaar geven. Ik zie het, dankzij de bril die ik in de kerk leer te dragen.

Nou ja, soms zie ik het ook helemaal niet. Mensen maken er vaak een potje van.

De gemeenschap van de kerk, en ja vooruit: óók het instituut Kerk, zij hebben mij dit geleerd: geloof dat de momenten waarop je het wel ziet sterker zijn dan de momenten dat je het niet ziet. Verdraag de ellende, dan zul je de schoonheid zien.

En die is overweldigend.

Gloria dei enim homo vivens est

Wat is dat toch met de Kerk? Waarom naaien de bisschoppen ons altijd weer in het pak van de seksuele keurigheid? Waarom willen ze ueberhaupt greep op ons intieme leven? En waarom moet het dan altijd onder de vlag van zonde, schuld en andere zware narigheid?

Het lijkt wel, alsof voor de Kerk slechts één soort mens mag bestaan: de gemiddelde Amerikaanse man in de gemiddelde suburb. Een man met een vrouw, een vrouw met een man, een aantal kinderen, en elke zaterdag naar de supermarkt. O, en op zondag naar de Kerk. Wee je gebeente, als je leven er anders uitziet. Dan springt de bisschop uit zijn vel. Of anders de dominee wel.

Ik begrijp het niet. Wat is er waar, aantrekkelijk, of dienstbaar aan om het leven van mensen te willen insnoeren naar slechts één model? Was Jezus een negentiende-eeuwer? Zat Hij aan de voeten van Koningin Victoria? Moet je van Hem naar het stadhuis, de kerk, vóórdat je zou mogen vrijen? De vragen stellen… Inderdaad. Is het antwoord geven.

Ik zie, hoe sommigen van de Heer de grote zedenmeester maken. Hoe hij – hé dat is toevallig- de weg wees van de heteroseksuele (witte, denk ik er dan ondeugend bij) man. Maar ik kan het niet geloven. Het leven is zo rijk aan vormen. Aan kleuren. Aan mogelijkheden. Ik kan niet geloven dat het de enige, en altijd de enige opdracht is om te snoeien en in te perken. Als ik de boosheid zie van mensen die het leven van anderen oordelen: “zo-en-zo mag het voor God niet bestaan.” Ik kan niet geloven dat dàt de grondtoon van het bestaan zou zijn, dat overal zou klinken: foei, fout, lelijk.

Nee.

Voor de helderheid: ook ik zou willen dat we een werkelijkheid hadden, waarin het de vrijheid van elk mens zou zijn om haar leven te delen met een ander in liefde en trouw. Tot de dood hen beiden scheidt. Zoals ik ook zou willen dat we een werkelijkheid hadden, waarin elk mens vrij zou zijn om haar leven tot het einde toe te leven. Of waarin mensen vrijheid zouden vinden om elk kind geboren te laten worden. Om maar eens een paar “hot items” te noemen.

Keep on dreaming. Zo’n werkelijkheid is er dus niet. Sommige mensen komen halverwege hun huwelijk tot de ontdekking dat er geen tweede helft meer zal zijn. Omdat er geen vrijheid meer is, maar dwang is gekomen. Omdat één van de partners is gegroeid en niet meer binnen dit verband gelukkig zal worden. Of omdat beiden ontdekken dat het vanaf de eerste dag geen goed idee was om samen te leven.

Sommigen die als man geboren leken, begrijpen na jaren dat ze vrouw zijn. Sommigen die als vrouw werden geboren, ontdekken dat ze man zijn.

Het leven is geen mal. Het is vloeiend, als het licht.

Het is ingrijpend, wanneer die vloeibaarheid voelbaar wordt in je eigen bestaan. Je moet je levensbaan (die je in gedachten tot het einde toe al van een vorm had voorzien) helemaal opnieuw schikken: wie was ik tot nog toe, wie ben ik nu, wie kan ik worden? En dat vaak niet één maal. Maar vele malen. Je springt uit je eigen geschapen mal.

In mijn schoolagenda schreef ik ooit een regel van Irenaeus: gloria Dei enim homo vivens est. Ook hij was een bisschop, Irenaeus. In de tweede eeuw. Dat is al even geleden, dus. Het zinnetje is mij altijd blijven vergezellen. Dat de glorie van God de levende mens is. Het is een troost ( voor mij was het een troost in alle vragen die rondom mij, tiener, spookten). Het is een geestelijke oefening tegelijkertijd.

Dat deze ene mens die nu voor mij staat, dat die de glorie van God is. Deze man die met een vrouw getrouwd is en kinderen heeft, is de glorie van God. Maar de transgenderman die met een andere man samenleeft is dat evenzeer. De vrouw die in haar huwelijk worstelt, omdat ze niet weet of ze door zal gaan of breken zal: zij is de glorie van God. De man die overspel pleegt: hij is de glorie van God.

Elk mens is heilig terrein. En als God haar eert, dan heb ik niet de vrijheid om haar te beoordelen. God heeft Zijn eigen omgang met haar. Ik kan daar niet in kijken, ik kan daar niet tussen staan, ik kan daar al helemaal geen greep op krijgen. Al was ik honderd keer bisschop.

Ik kan wel meegaan in iemands zoektocht. In het vertrouwen dat God de ander zal brengen waar die moet zijn.

Ik verlang naar een Kerk die in elke ontmoeting zou zeggen: jij bent het. Jij bent de glorie van God. Ik verlang naar een Kerk die zou vertrouwen dat God een weg gaat met deze persoon. Ook als niemand precies begrijpt, wat de ander zoekt. Of welke keuzes er worden gemaakt.

In de biologieles leerde ik ooit, dat veelkleurigheid een soort grote flixibiliteit geeft. Door veelvormigheid kunnen soorten ziekten doorstaan. Verstart de vorm, dan is zijn einde nabij. Was er slechts één soort graan, dan was er al lang geen graan meer geweest.

De Kerk doet er goed aan, deze les ter harte te nemen.

.

Ben nog altijd lid van de kerk!

“Het is je werk”, zul je nu denken.”Natuurlijk ben jij nog lid van de kerk.”Je krijgt er je salaris van, tenslotte. Uit de kerk stappen zou een totale revolutie van mijn leven betekenen.

Inderdaad. En toch liggen, zoals zo vaak, de zaken ingewikkelder.

Een paar dagen geleden schreef een collega-blogger over zijn geestelijke ontwikkeling. Als vijftienjarige, schreef hij, vond hij dat je vurig vóór Christus moest zijn en een trouw kerklid. Zijn vijftienjarige zelf vond kerstgangers hypocriet. Je bent christen of je bent het niet, maar je bent het in elk geval niet voor één kerkdienst per jaar.  Zijn twintigjarige ik dacht: “Nou, die mensen die met kerst binnenkomen zijn een mooie kans. Om met het geloof in aanraking te brengen.” Zij missen iets, wat “wij” wel hebben. Inmiddels is hij weer een aantal jaar verder. Hij ging minder en minder vaak naar de kerk. Uiteindelijk schreef hij zich uit.

Dat laatste raakte mij. Hoewel hij en ik nooit fysiek met elkaar in de kerk hadden gezeten, miste ik hem ineens met terugwerkende kracht. Vond ik nu, dat hij een foute beslissing had genomen? Dat hij in de kerk thuis hoorde? Dat je sowieso in de kerk beter af bent? Die vragen kon ik niet met een “ja” beantwoorden. Daarvoor herkende ik te veel in zijn betoog.

Ook mijn vijftienjarige ik zou een hekel hebben aan de dominee die ik ben geworden. Ook ik vond, dat je als dominee “voor je zaak moest staan” en de zaak was: wij zijn zondaars, wij hebben de Heer nodig, zonder Hem ga je verloren. Mijn moeder, geen kerkganger, vroeg eens of een gestorven tante, van wie ik veel had gehouden, nu dan niet in de hemel was. Ik had de moed om te zeggen: “Tsja, ze heeft nooit voor de Heer gekozen, dus nee, ik denk niet dat ze in de hemel is.” Diep van binnen voelde ik, dat dit antwoord niet klopte. Maar ik vond het ook een rotstreek, die vraag van mijn moeder. En ik zou elke dominee veroordeeld hebben die een ander antwoord had gegeven.

Inmiddels ben ik zo’n dominee. Ik heb een ander antwoord. Of erger nog: ik heb geen antwoord. De hele term ‘hemel’ is uit mijn draagbuidel getuimeld. Ik weet er geen raad meer mee.

Ik herken de vervloeiing van het geloof. Ik herken de vervreemding: waar gaat het in de kerk in ’s hemelsnaam over. Misschien daarom mijn ergernis over de kerstcommercial van de Protestantse Kerk: zó leeg, dat het je niet zou verbazen als de kerstman in beeld kwam. Misschien ben ik zelf zo leeg geworden, maar wil ik het niet weten?

Zou ik uit de kerk willen?

Nou, dolgraag. Soms, althans.

Maar dan toch uiteindelijk ook weer niet. Ik houd van de gemeenschap van mensen. Ik houd van de concrete mensen die concreet in Sauwerd, Adorp en Wetsinge bij de gemeenschap horen. Ik mis tientallen anderen. Ik zou een brug willen zoeken naar een nieuw ‘wij’.  En ik houd er onnoemelijk van, dat zij bij elkaar komen – in welke vorm dan ook- rondom de Schriften, die sterke verhalen over leven en dood. En dat we bidden! Die bijzonder intense manier van samen-zijn en omgaan met elkaar.

Iemand vroeg mij deze zomer, waarom ik dominee was. Ik hoorde mijzelf, tot mijn stomme verbazing, vloeiend antwoorden: om de kracht van de verhalen uit de Bijbel en om de kracht die ik in de mensenlevens ontdek.

“Dat kan ik ook buiten de kerk vinden”,  zo ongeveer schreef mijn blogcollega. Ik heb misschien nog niet goed genoeg gezocht: ik vind het niet buiten de kerk. Ik vind de gebaren van brood en wijn die gebroken worden niet. Niet zó. Ik herken de gebaren wel. Maar ze worden nergens gevierd, zoals in de kerk. Ik vind er ook de verhalen van de Heer niet terug.

Dat is denk ik mijn eigenlijke troef: ik ben gefascineerd door wat mensen in het leven van Jezus hebben herkend. Ik ben gefascineerd door de evangeliën. Door hun enorme liefde. Daar wil ik bij horen. Bij die liefde.

Ik ben – ik streep dat alles zeggende woordje nog door- lid van de kerk

en ik houd ervan.

 

Over markt en vrijheid.

De vrije markt, wat is er zo aantrekkelijk aan? Dat het geld kan rollen, zullen politici zeggen en ze zullen er blij bij kijken. Want als het geld rolt, groeit de economie, kunnen mensen meer kopen, groeit de economie nog harder en wordt iedereen gelukkig. Je kunt je niet voorstellen dat er een beter systeem zou zijn, dan.

Maar is het ook waar? Dat van het geld misschien wel, maar daar zit dan ook gelijk het probleem. Ik ben geen econoom, ik geef het  toe, maar ik vertrouw twee dingen niet. Aan m’n water niet, zeg maar. Allereerst die vanzelfsprekendheid dat geld zal doen wat het moet doen, als de belemmeringen maar weggenomen worden. Ik denk niet dat er zoiets als een ‘onzichtbare hand’ bestaat die alles ten goede keert in de vrije economie. Ik geloof zelfs niet dat de beeldspraak van de onzichtbare hand werkt. Achter het geld zitten en leven mensen. En die doen niet altijd wat goed is om te doen, helaas. Dat is één.

Mijn tweede argwaan borrelt uit dezelfde bron: de vrije markt geeft ruimte aan het geld, maar waar zijn de andere waarden? Zorg voor de natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld? Of voor de zwakke elementen, zoals dieren en – ook  dat – werknemers?

Mijn beide argwanen vloeiden samen in een zinnetje dat gisteren zomaar voorbij rolde. In het hart van economie, nog wel, en van vrijheid, keuzemogelijkheden en groei: bij Achmea. Een bestuurder zei met ronde blauwe ogen: “werknemers moeten beseffen dat ze een grote kostenpost zijn”. Laat de woorden vooral even op u inwerken. Mensen zijn kostenposten.

En wat wil de economie? Juist. De kostenposten verkleinen. Of verwijderen, in dit geval.

Het schokte mij, het gemak waarmee mensen terzijde worden geschoven. Vierduizend! Is er een economische noodzaak? Ik zei al, ik ben geen expert op dit gebied, maar Ephimenco rekende gauw op een bierviltje uit, hoeveel miljoen de verzekeringsmaatschappij had verdiend in het afgelopen jaar. En als bonus noemde hij ook even de salarissen van de topman en de iets mindere-top-mannen.

“Geld stroomt daarheen waar het nodig is”, zegt een wet van de vrije markt. Achmea laat zien, dat dit slechts ten dele geldt. De werknemers heten kostenpost, de topman blijft en verdient weer meer dan het jaar daarvoor. De vooronderstelling dat hij het geld méér nodig heeft dan de werknemers en dat het dus heel rechtmatig is allemaal, dat gaat mij toch enigszins te ver. Maar goed, mij ontbreekt naast kennis, ook het geloof.

Ik geloof wel. Dat doen we allemaal uiteindelijk. Maar ik geloof, dat je mensen in het midden van je denken moet stellen. En niet het geld. Als je een leefbare wereld wilt, tenminste. En naast de mensen, treden dan ook de dieren en de natuurlijke bronnen naar voren. En om die te beschermen heb je regels nodig. Niet, omdat geld onrechtvaardig zou zijn. Geld is, welbeschouwd, niets. Maar de mensen zelf zijn niet helemaal zuiver op de graat. Zij krijgen altijd de kolder in de kop, zodra geld in hun vizier verschijnt. En hoe meer geld, hoe meer kolder.

Ik ben voor de vrije mens. Beteugel dus de markt.