Zonder Zoon van God is er niks meer aan.

Nee, Jezus heeft zichzelf nooit “Zoon van God” genoemd. Inderdaad. Maar de teksten over hem doen dat wel. In al hun verschillen – wanneer was nou dat laatste avondmaal, hoeveel Maria’s waren er nou precies en wat riep Jezus aan het kruis?- lijken ze het over één ding eens: die kreet “Zoon van God”, dat heeft hem uiteindelijk de das om gedaan.

Ook na zijn dood heeft het tot veel tumult geleid. Er waren groepen die zeiden: “Jezus is een goed mens, en een prachtige profeet. Hij is gedood, omdat de mensen aan zoveel goedheid nog niet toe waren”. Of vergelijkbare tonen. En dan hebben we het niet over dominees anno 2014, maar gewoon: eerste christenen. In de eerste eeuwen. Er waren er ook die zeiden: “Jezus was wel de Zoon van God. Maar hij stierf niet aan een kruis.”  Ze hadden er de mooie oplossing bij bedacht, dat er iemand is gekruisigd, die heel erg op de Heer leek. Maar die de Heer niet was. Zo bleef hun god mooi god.

Het tumult is nog niet ten einde. Blijkt maar weer uit de nieuwe productie van toneelgroep De Appel. “Bij ons is Jezus niet de Zoon van God”, zegt de regisseur Arie de Mol. Want “dan vind ik hem oninteressant worden”.

Ik weet niet waar Arie precies tegenaan hikt. Hij moet sowieso niet veel hebben van het christendom-zoals-het-er-vandaag-uitziet. Kerk? Nee bweh. Theologie? Yuk! Christenen? Nog meer bweh en yuk. “Wij houden Jezus menselijk”. Hun Jezus heeft dan ook geen mooie woorden paraat.

Of zijn omstanders zijn woorden toentertijd zo mooi vonden, weet ik niet. Ik vind Jezus vaak een beetje een weirdo. Zo eentje die met een paar rake woorden de sfeer weet te verpesten. En die zichzelf daarmee steeds weer buiten de groep plaatst. Hij gaat elke keer daar zitten, waar de klappen vallen.

Ik vind het wel kinky om van zo iemand te zeggen: en dat is nou God.

Die menselijke Jezus van Arie de Mol, die interesseert me geen biet. Gek is dat toch.

Het is zó volstrekt idioot om juist Jezus God te noemen. Ik weet duizend betere kandidaten. Zelfs de spelers van Ajax hebben nog betere papieren voor deze titel dan hij. Het is zo totaal op-z’n-kop gedacht, dat ik er door geërgerd word. Ik baal soms van die Joodse man. Enorm.

Maar ik word er ook door gefascineerd. Door mijn eigen ergernis. Door de hardnekkigheid, waarmee christenen zijn blijven verklaren: Zoon van God. Mens – en Zoon van God.

Het herdefinieert alles wat wij over god, of over goden zeggen.

Goden wonen in wolkenkrabbers. Op de bovenste verdieping. Ver van het aardse gemodder. In glanzende meubels van het laatste design besluiten ze daar wat volgens de wetten van god-weet-wat-precies nodig is. Goden zijn perfekt. Onbesmet door armoede, mislukking, getob, narigheid.

Goden zijn glamorous.

Wij creëren die goden, dat weet ik. Zij zijn het resultaat van onze verhalen over wat leven is. En over waar de werkelijkheid over gaat. Leven is: loskomen van het aardse gedoe. En de werkelijkheid is: de uitnodiging om perfekt te zijn.

We houden meer van jonge mensen met parelwitte tanden dan van een oude man die kwijlend wat zit te mompelen in zijn rolstoel.

En dan komt ineens Jezus binnen. Hij lijkt in niets. helemaal niets op ons ideaalbeeld. Niet van het ideaal van leven – hij kwam nooit aan het Zwitserlevengevoel toe. Niet van het ideaal van mens-zijn: hij was naar verluidt te lelijk om naar te kijken. Niet van het ideaal van waar het om zou moeten gaan: hij had geen auto-onder-den-kont.

En dan zeggen: dàt is God.

Die mislukte.

Die uitgekotste.

Die vermoorde.

Ik snap Arie wel. Een menselijke Jezus is een tragische figuur met wie je medelijden kunt voelen. Zelf blijf je schoon, objektief en van een afstandje kijken. En je rijdt in je verwarmde auto weer naar huis.

Maar Jezus als de Zoon van God. Tsja, dat is een aanval op mijn zo zorgvuldig gecultiveerde goede smaak. Yuk.

of toch maar ‘amen’?

Advertenties

En toen vloog Van der Kaay er weer uit…

Er loopt een lijn door de brieven van Paulus, ik weet het, van waarschuwingen tegen dwaalleraren, tegen “een ander fundament, dan ik heb gelegd”,  tegen een “andere Christus”. De apostel maakt zich zo druk, voor zo ver we dat nog kunnen traceren, omdat er steeds weer mensen elkaar de maat begonnen te nemen. Er waren in Paulus’ tijd leraren die – opnieuw- gingen zeggen: je moet hier aan voldoen, je moet daar aan voldoen. Er waren leraren die mensen opnieuw eisen oplegden: als je nou maar zus of zo doet, dan komt het goed met je. En ze vonden van zichzelf, natuurlijk, dat ze al aan al die eisen voldeden. “Want zie eens hoe voorspoedig het met ons gaat”.

“Ik ben zo succesvol niet”, grapt Paulus over zichzelf. Ik ben maar een minkukel. Hij had ooit iemand ter dood laten brengen: Stefanus. Dat was een totale miskleun gebleken. Het was terecht geweest, als Paulus daarmee zijn recht-op-leven had verspeeld. “Maar kijk nu! Ik ben een apostel geworden!” En dat had hij niet bereikt door voorbeeldig te worden. God had dat in hem gedaan. Paulus was een ander mens geworden. De oude Paulus is er niet meer: die is dood. Hier staat de nieuwe Paulus.

De vrijheid om opnieuw te beginnen. De vrijheid om te leven. De vrijheid om er te zijn, al voldoe je verder nergens aan. Paulus was er diep van onder de indruk. Hij leefde er zelf van.

En wie die vrijheid bedreigde, die kon de wind van voren krijgen.

Daarmee leek hij, uiteindelijk, op Jezus. Die reikte zijn hand naar iedereen. Daklozen, drugsverslaafden, mislukkelingen, overspeligen, hoeren, klaplopers, verraders, noem maar op. Maar wie zei: “Godallemachtig, maar dat is een verrader, mijden die man”, die kon de wind van voren krijgen. Een heer-lijke tegenwind.

Tot zo ver Paulus.

Inmiddels zijn we tweeduizend jaar verder. De kerk heeft een spoor getrokken van uitgesloten mensen. Van zogenaamde dwaalleraren en valse fundamenten. Van vrouwen die verbrand zijn “omdat ze heks waren”, van brandstapels, galgen en rechterlijke uitspraken “omdat deze persoon de ware leer niet aanhangt”. De draad van Paulus is een giftige draad geworden. Waar hij verpletterd was door Gods vrijheid, daar is de Kerk zo langzamerhand verpletterd door de argwaan, de angst, de voortdurende – menselijke- neiging om te zeggen “jij doet het goed” en “jij doet het fout”.

Paulus’ brieven zijn een certificaat van macht geworden: met Paulus in de hand veroordeel ik jou!

We richten geen brandstapels meer op. Nee. Maar het geloer het geoordeel en het gemeet is wel gebleven. Fennie Kruize, Klaas Hendrikse, Cees den Heyer, om een paar namen uit de laatste jaren te noemen. Zeiden zij iets: dan stonden er direkt mensen klaar om te zeggen: “dat mag niet!” Ze werden er uit gezet. Of uitzetting dreigde.

Wat is er van de kerkelijke familie geworden die begon met “ga maar”?

We schrijven vandaag een nieuwe naam bij de buitengeworpenen: Van der Kaay. Hij had gezegd, dat Jezus nooit historisch heeft bestaan. Niet mijn opvatting. Ook niet direkt een erg sterk te onderbouwen opvatting. Maar een opvatting. Ik kan in mijn eigen gemeente zo een aantal mensen aanwijzen van wie ik weet, dat ze ongeveer hetzelfde denken. Dat was met Klaas Hendrikses “God bestaat niet, hij gebeurt”, al net zo. Beiden roepen niet iets buitenissigs. De gedachten leven bij allerlei mensen. Zelfs in de meest rechtzinnige hoek plopt soms de verontrustende vraag omhoog: “Bestaat Hij eigenlijk wel?”

Maar goed. Het mag dus niet. Je mag die vraag in de kerk niet hardop stellen. Ik word er triest van. Van der Kaay moet opstappen. Dat het een nogal opportunistische stap van zijn kerkenraad lijkt – waarom nu? Van der Kaay schreef zijn boek al twee jaar geleden – maakt het er niet vrolijker op.

Kent de kerk dan geen grenzen? Ik vind het een vraag naar macht. En zelfbehoud. Dat is de vraag “waar staat de kerk dan nog voor?” eveneens. Terwijl de hele bedoeling van die kerk toch was: verbanden aangaan met elkaar, en: jezelf verliezen voor de ander. Een spreuk tussendoor: de kerk bestaat niet voor de leer, de kerk bestaat voor de Heer.

Dat lijkt mij het springende punt. Ja, de kerk heeft wel grenzen. Maar niet zoals een kamer grenzen heeft met muren en deuren. De kerk heeft grenzen zoals een familie. Iedereen heeft een globaal beeld van zijn familie. Maar ooit een verjaardag georganiseerd voor je oma? Je blíjft aan het uitnodigen: als Piet erbij hoort, dan zijn vrouw Marie ook. En zijn zus, en daar de kinderen weer van. De grens ligt daar, waar de betrokkene zelf zegt: ik heb niet zoveel met jouw oma. Of, waar het aantal couverts belegd is. Zo ging het wel met ons trouwen. Honderdtien couverts, en daar lag de grens. Tamelijk subjektief.

Zoals oma op het verjaardagsfeest, zo is de Heer temidden van zijn kerk.

Van der Kaay hoort er bij, omdat hij er bij wil horen. Het past niemand om te vragen: “en waarom wil hij dat, als hij niet gelooft dat de Heer ooit heeft bestaan?” Paulus indachtig ligt de vraag immers ook op onze eigen voeten: waarom willen wij bij de kerk horen, als wij nergens aan voldoen en steeds weer falen?”

Op je gezondheid!

Gezondheid wordt zwaar overschat. Alom wordt gedaan, alsof je leven al zo’n beetje voorbij is, wanneer je gezondheid je verlaat. Alsof je een schemerzone bent ingegaan with no returns. Wat een onzin.

Ik vind dat ik dat wel kan zeggen: wij doen het hier in huis al een aantal jaren zonder. We leven nog. Nog altijd.

Nee, het is niet altijd gemakkelijk. En ja, de vanzelfsprekendheid van de dingen is er wel af. We staan niet altijd te lachen. De vlag wappert niet altijd uit de toren. Maar bij wie wel?

De invloed die je op je gezondheid hebben zou wordt nog meer overschat. De boekenmarkt roept in duizend titels: “Sta op tegen kanker”, “Hoe ik mijn ziekte overwon”, “Eet je gezond”, “Met groenten kankervrij”. Paul de Leeuw wekt ons op, dagelijks in onze poep te gaan roeren. Alsof je werkelijk iets te strijden hebt. Iets aan te vallen. Iets te verdedigen.

Laat ik je dit vertellen: ziekte is als een tank. Hij draaft door. Of je nu met een witte vlag zwaait, elke ochtend lauw water drinkt, hardloopt, in de sneeuw gaat zitten of gewoon doorgaat zoals je altijd altijd al deed. De tank rijdt. Wat dacht je nou met je warme lijf en je zachte vlees in te kunnen brengen?

Dokters doen hun best. De ene keer met meer resultaat dan de andere. Hun methodes wisselen. Van een kanon op een mug. Tot heel precies de mug wegvangen, waar hij tot grote last is. En toch: de een geneest ervan. De ander blijft halverwege hangen. De derde legt na de eerste therapiedag al het loodje.

Kopjes kamillethee, of niet.

Een maand of twee terug stond er een indringende rouwadvertentie in de krant. Het was een aanklacht. Een postume aanklacht. Tegen artsen, bepaalde artsen in een bepaald ziekenhuis. “Ik had nog twintig jaar kunnen leven”, zei de dode bitter. Ze leefde niet meer. En dat was de schuld van de dokters. Die hadden meer hun best moeten doen.

Ik ken het verhaal niet. Misschien hadden de artsen eerder moeten ingrijpen, maar achteraf is alles duidelijk. De dode had beter boos kunnen zijn op de ziekte. Of, eigenlijk, nog beter: helemaal niet boos.

Beetje obligaat, maar dan toch: ziekte hoort bij het leven. Je leeft, dus kun je ziek worden. Je leeft, dus ga je dood. En ik ben niet anders dan jij, dat ik verbaasd zou moeten staan, wanneer bij mij de diagnose kanker, MS, of wat dan ook gesteld zou worden. Het is verschrikkelijk. Elke keer, dat het gebeurt. Maar het is een verschrikking die onderdeel is van het bestaan. En niet uit te bannen.

Ik geloof niet, dat wij tegen ziekte kunnen strijden. Ik geloof alleen, dat we met een ziekte kunnen leven. Zo goed en zo kwaad als dat gaat. Ik zou graag een weg willen vinden, waarbij ik mij niet langer verzet tegen wat verschrikkelijk, maar onvermijdelijk is. Ik zou een weg willen vinden, waarop ik niet langer bang ben voor wat-mij-nog-zou-kunnen-gebeuren. Ik zou een weg willen vinden, waarbij leven léven blijft. Ziekte of niet.

Een paar dagen geleden overleed een dorpsgenote van ons. Dat zij vele, vele nachten wakker had gezeten, omdat haar lichaam pijn deed. Dat ze niet kon eten, omdat het niet wilde. Dat ze bijna niet meer op kon staan, omdat alle spieren dienst weigerden en in plaats daarvan staken en beten. Dat vernamen wij eigenlijk pas ná haar sterven. Van de huisarts. Je hoorde haar er nooit over. Je hoorde haar over de zon die zo prachtig was opgekomen. Over de uil die in de nacht had geroepen. Over een andere dorpsgenoot die bij haar het gras kwam maaien en hoe blij ze daar mee was.

Op het dorp hoorde je over de kaartjes die ze stuurde naar mensen met wie het minder goed ging, of juist naar mensen bij wie iets te vieren viel. Met de bedroefden was ze bedroefd, met de blijen was ze blij. En als de toneelvereniging een uitvoering had, dan zat zij vooraan in de zaal.

Het wordt tijd, dat we nuchter worden over ziekte. Wij, hier in huis, zijn zo langzamerhand zo ver, dat we niet meer praten over wat moeilijk is. Ook wij praten over wat kan en goed is.

Op onze poortdeur staat geschreven: Live well, love much, laugh often.

Strijden? Er valt niks te strijden. Maar te leven is er genoeg. Meer dan genoeg.