Elizabethsknuffel

Ik heb hem gezien, de knuffel van Elisabeth!
Lucas schrijft er zo ontroerend over. In zijn evangelie. Hij tekent Maria in haar haast om over de bergen te komen. Ze is zwanger, Maria. Ze is nauwelijks veertien, vijftien jaar. Een kind. Een meisje. Zwanger.

En geen vader bekend.

Al vanaf het allereerste moment wordt er over haar gezegd: zal wel een slet geweest zijn. Ze zal wel met de soldaten meegegaan zijn. Ze zal haar geld wel horizontaal verdiend hebben. Ze zal.

Het is niet moeilijk om vrouwen te vernederen.

Vernederen is nooit moeilijk. Je ziet iemand die anders is dan jij en je barst in een spottende lach uit. Je dolt wat. Je zeikt de ander af. Jij bent de held. De ander voelt zich vies. Ongewenst. Niet de moeite waard.

Bergen zijn niet alleen maar verheffingen in het landschap.

Maria haast zich. Naar Elisabeth. Ook zíj is in zwanger. Maar geen veertien meer. Eerder zestig. Zij weet van spot. Hoe je iemand kan afbreken. “Moet dat nog, op háár leeftijd?” “Dóen zij het dan nog?”

Wie heeft toch ooit vastgelegd, dat gepest moet worden wie van de norm afwijkt? Wie bepaalt de norm eigenlijk?

Elisabeth ziet Maria aankomen. En zegent haar. Elisabeth zegent Maria: jij bent de meest gezegende vrouw onder alle vrouwen, zegt ze. Een zegen van Abraham geeft ze door. Aan hem werd gezegd: jij bent de gezegende onder de volkeren. Elisabeth omarmt Maria en Maria groéit. Wordt Maria. Al zóu zij met een soldaat gevreeën hebben: zij is een gezegende vrouw. “En”  vervolgt Elisabeth kordaat: “Gezegend is de vrucht van je schoot!” Dat je niet dacht dat er reden tot schaamte zou zijn. Jij zult een prachtige moeder worden van een prachtig kind.

Dit weekend verscheen de Nashvilleverklaring. Honderd dominees (allemaal man, allemaal in een zwart pak, stel ik mij voor) ondertekenden een verklaring waarin zij nog maar eens uitdrukten dat zíj de norm zijn. Norm van mannelijkheid. En dat zij dus ook wel even de norm van vrouwelijkheid kunnen bepalen. Hun seksualiteit is hoe het hoort: één man en één vrouw. Wij verklaren, zeggen ze veertien keer. Wij verklaren dat iedereen die normaal is bij God hoort. En wij wijzen af dat iedereen die eigenaardig, anders, vreemd, scheef, krom, raar of typisch is óók bij God zou horen.

Het is niet moeilijk om mensen te vernederen.

Mensen eren. Verhogen. Doen stralen. Dat is de kunst.

Ik heb hem gezien, die Elisabethsknuffel. In de indringende serie van Margriet van der Linden. “How to be gay”. Een Syrisch journalist, vluchteling, vertelt hoe hij is gemarteld. “Omdat ik homoseksueel ben”.  Ze (mannen, zwarte jurken) hadden het op zijn computer ontdekt. Margriet was stil. Ze keken uit over een heet en kaal Libanees landschap. Een vliegtuig vloog over. “Ik heb al zo vaak gedroomd dat ik er in zou zitten.”, zei de journalist. Ogen verscholen achter een zonnebril. “Dat je in dat vliegtuig zou zitten?”, vraagt Margriet. De man begint te huilen. Margriet doet een stap naar hem toe. Ze slaat haar arm om hem heen. Samen kijken ze het vliegtuig na. Hoop, een klein beetje hoop wordt geboren.

Zo. En nu denk ik dat ik erg aan een groepshug toe ben.

God kleineert niet. God maakt groot.

Dat zong Maria al.

Advertenties

Sex en angst.

Zitten angst en sex soms heel onhandig op dezelfde hersencel?

Waarom moest er “een piemel in” bij de vrouw die het in Steenbergen opnam vóór gastvrijheid aan asielzoekers? “Sla dat wijf dood!” zou ik nog kunnen begrijpen. Niet dat ik zo’n doodslag aanmoedig, of op zich zou snappen, maar dat mensen willen doden wie ze niet willen horen, daar zie ik wel enige logica in. Maar “een piemel er in”?

Er hangen her en der in Nederland spandoeken met een deze tekst “De buitenlander met zijn grote zak, grijpt uw dochter met gemak”. Het metrum kan ik bewonderen, de inhoud stelt mij voor grote raadsels. Heeft deze poëet alle mannenzakken gemeten? Of is er een studie naar de verhouding tussen de grootte van de balzak en de kans op verkrachtingen? Veel vragen, geen antwoord. Behalve dan, dat het dit keer eens niet over zwarte Piet ging.

Steeds is er met vreemdelingen het gerucht meegekomen, dat ze sexueel pervers zijn. De Fransen brachten sodomie het land binnen, in 1672 en nog een keer in 1795. Daarvoor waren de Lage Landen volstrekt kuis. Dat u het maar weet.

Of anders waren het de Joden wel, altijd mikpunt van aggressie. Die grepen elk maagdelijk meisje dat zij maar zagen. En deden er de verschrikkelijkste dingen mee. Zo dat de Kamasutra erbij verbleekt tot een keurig damesblaadje.

Cijfers onderbouwden de stellingen trouwens nooit. Ook niet met terugwerkende kracht of archiefonderzoek.

Het raadsel moet in de mensen zelf zitten.

In hun angst en in hun verlangen.

Die twee zitten in elk geval wel op één hersencel. Daar hoef je niet eens een grote Freudiaan voor te zijn. Je angst keert zich vaak tegen je eigen verlangen. Om in een variant op Paulus te spreken: Ik ben bang voor wat ik het liefste zou doen.

Of – ik ben bang dat ik ga doen waarvan ik weet dat ik het niet mag doen. Meisjes aanvallen.

Seks is soms een vreemde in ons eigen lijf. Het wil dingen, die ik niet wil. Het wil het met een angstaanjagende oerkracht. Het houdt niet op. En tegelijkertijd is mijn seksueel verlangen, wel het míjne. Jij hebt het niet in mij geplant. Nou ja, soms dus wel. Ik zie jou. En dan wil ik dingen die ik niet wil. Arme ik.

Het is veel gemakkelijker om dat wat ik niet wil terwijl ik het wil op een ander te plakken. Dan kan ik hem wegsturen.

Ik kan nog iets: hem voor zijn

en aan hem doen

waarvan ik dacht, dat hij het aan mij zou willen doen:

dat wat ik dus ten diepste zelf wilde.

Uhm. Was u er nog?

We lazen Genesis 19, vorige week.

Twee vreemdelingen komen de stad Sodom binnen. Een man met de naam Lot woont daar ook en doet veel moeite om de mannen hartelijk in zijn huis te ontvangen. De stad hoort er van en raakt er van overstuur. Het woord vreemde gaat resoneren. En dat naar buiten moet komen wat verborgen is. Waarvan de stad denkt, dat het verborgen is.

“Wij willen hen leren kennen” roepen de mannen van de stad. (Zouden vrouwen dit nu ook herkennen? Of is dit echt een uitzonderlijk mannenstukje?). Ze gebruiken het werkwoord “jada”. De schrijver doet dat. Hetzelfde woord, waarvan de Statenvertalers maken, dat Adam Eva “bekende”. Nou dan weet je het wel. Ze willen de vreemdelingen de kleren van het lijf vragen. En daarna nog een stapje verder.

Ik ben bang

bang voor de vreemde

de vreemde huist in mij

zoiets.

Voordat die vreemdelingen het in hun hoofd zouden kunnen halen òns te verkrachten, zullen wij hen “eens flink te pakken nemen”,  vertaalt de Bijbel in Gewone Taal. Knap gevonden. Zo is het: ik pak jou.

En God?

Ja. Nou.

De lezer weet: die twee mannen, die vreemden, in hen nadert God.

Waarom Lot hen ontvangt? Het klinkt walgend uit de monden van de mannen van Sodom: “Jij bent zelf ook een vreemde.”

Vreemde meets vreemde. Vreemde heet vreemde welkom.

Sex en angst. Zitten misschien niet helemaal op één hersencel, maar ze zitten wel dicht bij elkaar. Volgens mij kunnen we dat maar beter erkennen, dan willen uitbannen.

Ik zou angst en vreemdheid kunnen omarmen, beide. Lot zijn voor mijzelf.

Als ik het vreemde in mij omarm, als ware het een godsgezant, dan zou ik ook de vreemdeling in mijn stad kunnen omarmen. Daar ben ik van overtuigd.

Want die grote zak, dat ben ik

soms.