Waarom ik christen ben.

Het is een mysterie, uiteindelijk. Dat ik christen ben, daar ligt een heel fijn web aan ten grondslag van oorzaak en gevolg. Van een vrome oma en een geboorteplek op het westelijk halfrond. Van deze ouders, deze kerkelijke gemeenschap, deze leider van de zondagsschool. Een web dat wordt opgebouwd uit mijn behoeften en verwachtingen. Mijn antenne en mijn weerstand.

Waarom ik Nederlander ben, kan ik je ook niet helemaal uitleggen. Of man. Of wit. Of met schoenmaat 46.

Ik kan wel zeggen waarom ik mij ermee verzoend heb. Christen-zijn is één van die attributen die in mijn rugzak blijken te zitten. Sommige heb ik eruit gegooid. Sommige probeer ik mijn leven lang er al uit te gooien. Sommige keren hardnekkig weer. En sommige zitten er en daar ben ik blij mee.

Dat ik ermee heb ingestemd Nederlander te zijn komt, heel plastisch, door Beatrix. Haar plichtsopvatting. Haar blik op de samenleving. Haar poging om in de waarheid te leven, raakten mij. Als Nederlander-zijn betekent: ik probeer de ander te begrijpen, ik probeer ruimte te scheppen ook voor wie ik niet begrijp, ik probeer samen te leven. Dan wil ik wel Nederlander zijn. Vooruit. Maar goed. Ik zou dan ook een heel beroerde Spanjaard zijn. Ik hou niet van inktvis.

Dat ik christen wil zijn dat komt, al net zo plastisch, door Jezus. Zijn schuld. Hij is zo’n droomman. Niet om te hebben, maar om zelf te zijn. Ik denk dat dit mij als kind al emotioneerde: Jezus neemt geen ruimte in ten koste van. Maar hij geeft ruimte. Ten bate van. De ruimte die hij inneemt is tegelijk een ruimte om te delen. Legio zijn daarover de verhalen: er zit een bedelaar langs de kant van de weg. Hij roept en schreeuwt. Dat doet hij al jaren en niemand hoort hem meer. Maar – en dan worden de evangelisten ineens heel precies- Jezus staat stil. En hij hóórt de man. Hij keert zich om. En hij vraagt: Wat kan ik voor je doen?

Vier keer een wonder. Ik weet zelf hoe je opleeft, wanneer iemand je uit de massa wegvraagt en jou ziet. Niet iemand ziet, maar jóu.

En dan gaat het huppelen in mijn hoofd. Dus als ik het goed begrijp word ìk zo gezien. Want, grote stappen snel thuis, zoals Jezus zó God. En God, nog een keer grote stappen, dat is de waarheid over het bestaan. Dit is de waarheid: ik doe er toe. Als ik roep, word ik gehoord. Ik ben geen grijze muis. Dat is één.

En twee: je kunt zelf ook zo worden. Nou ja – nee. Ingewikkelder: zo zul je nooit worden. Het is daarom geen ramp als het je niet lukt. Het zal je niet lukken. En toch is het zinvol om te streven. Woonplaats van een ander te worden.

Het moderne seculiere geloof is: jij bent het centrum. Zorg voor jezelf. Jij werkt ervoor. Het komt jou toe. Het is van jou. Jij bepaalt. Je bent je eigen baas.  Het is allemaal waar. Maar als dit de enige toonladder is die wordt bespeeld, is het helemaal níet waar. Als wij allemaal het centrum zijn, wie zorgt dan nog voor de rest? Wie luistert er dan naar wie? Wie vangt dan wie op?

Het zegt bovendien niet hoe wij mensen in elkaar steken. Ik geloof (maar ja, geloof…) helemaal niet dat wij mensen zijn geboren om voor onszelf te leven.

Dan maar liever de andere kant: er wordt voor jou gezorgd, zorg jij evenzo voor de ander.

De belofte is dat als we dat doen, zo – met al onze fouten en falen en mislukkingen erbij, de wereld goed en mooi zal worden.

En daar ben ik blij mee.

Alleen die schoenmaat nog van mij.

Kan daar nou niet iemand wat aan doen?

Advertenties

Het is maar wat je vrij noemt, natuurlijk

Christenen zijn onvrije mensen! Zo veel zei minister Schippers bij de H.J. Schoo-lezing afgelopen maandag. Eigenlijk ging het haar niet om christenen, maar om – je kunt het raden- moslims. Dat zei ze dan weer niet zo, want dat klinkt dan meteen weer of je discrimineert. En de minister is een moderne vrouw, dus zei ze: “dat mensen hun levens laten voorschrijven door Bijbel of Koran”. Ze kon er met haar hoofd niet bij. Ze had trouwens gedacht, dat het wel uitgestorven was, zo langzamerhand. Het geloof.

Van moslims weet ik niet zo veel. Maar dat wij onvrij zijn,  dat had Schippers dan en passant toch wel goed gezien. Ik denk niet dat ze weet wie Paulus is. Doet er ook niet toe. Paulus heeft zelf geschreven:”Wij zijn gevangenen.” Niet van de bijbel als zodanig, die was er nog helemaal niet in de dagen van Paulus en ook wij zijn geen gevangenen van de Bijbel. Wij zijn gevangen van Christus Jezus. Je kunt het vinden in een brief die Paulus rond het jaar zestig schreef aan Christenen die in Efeze woonden. Hoofdstuk drie en vier. Die hoofdstukindeling is dan weer niet van hem, maar reuze handig voor ons, lezers tweeduizend jaar later. Paulus liet het met nogal fierheid neerpennen. Hij vindt het zijn roeping om “gevangene van de Heer” te zijn. Dus

“Zie je wel?”, reageert de minister nu denkbeeldig. Jullie zijn gevangen. En ze denkt van zichzelf dat zíj vrij is.

Beetje gek is die laatste gedachte wel. Want de vrije minister Schippers ziet er toch opvallend duidelijk uit als een, ehm, seculiere, Nederlandse vrouw uit de eenentwintigste eeuw. Ze draagt geen Volendamse muts, ze loopt niet in een tuinbroek, ze heeft geen corset aan, en ze zegt geen dingen als “de man is de kostwinner van het huisgezin”, en ook geen dingen die zó nieuw zijn dat niemand ze snapt, dus ergens heeft zij haar opvattingen ook “van buitenaf”.  En past ze in een cultuur. Ik weet niet of je vrij bent, wanneer je in je blootje de vergaderzaal van de Tweede Kamer binnen rent. Ik weet wel dat mevrouw Schippers dit niet zou doen. Je hebt je fatsoen, je denkt aan anderen. Je gaat “met je tijd mee” (die komt niet van buitenaf?)  en je schuift met de PVV mee naar rechts. Hoe vrij is vrij?

Paulus maakt trouwens een geintje. Hij zìt gevangen op het moment dat hij schrijft. Ik bedoel: echt gevangen. Achter een dikke deur, een bewaker en achter tralies. Dat komt omdat hij Christen is en, nou ja beetje lang verhaal: omdat hij Christen is, heeft de staat hem gevangen gezet. Zo veel is duidelijk. “Maar ik ben geen gevangene van de staat”, knipoogt Paulus, doodleuk: “Ik ben gevangene van de Heer” En dat is heel andere koek. Die gedachte maakt Paulus vrij. Vrij om naar Efeze te schrijven, alsof hij naar hen onderweg is. Vrij om te bidden. Vrij om te hopen. Vrij in zijn hoofd. In zijn handelen.

Negentienhonderd jaar ná hem zit Bonhoeffer gevangen. Ook een Christen. In een kamp, waarvan hij weet, of in elk geval vermoedt, dat hij er niet meer levend uit zal komen. Hij schrijft aan zijn verloofde, die misschien iets minder door heeft wat er staat te gebeuren, dat hij elke dag in zijn bijbel zit te lezen. En hij schrijft hoe vrij hem dat maakt. Als hij uit zijn cel wordt gelaten om gelucht te worden, heeft hij medelijden met zijn bewakers, beweert hij frank en vrij. “Zij”, schrijft hij:  “zitten gevangen in het systeem.” Bonhoeffer niet. Bonhoeffer is vrij. Zijn ziel kunnen zij niet raken. Andere gevangenen zeggen verbaasd:  “Wij vragen ons af wie nu de echte gevangene is, Bonhoeffer, of zijn bewakers.”

De gevangenschap van Christus maakt vrij. Vrij van angst, vrij van schaamte, vrij van jezelf. Bonhoeffer was zó vrij, dat hij zijn bewakers de hand kon schudden en hen lief kon hebben.

Kijk dat zou ik mevrouw Schippers nou wel willen toewensen. Dat ze uit haar eigen wereldje stapt. En leert lief hebben wat haar volslagen vreemd voorkomt. Vooral als ze weer eens over “de Moslims” begint.

Volslagen krankzinnig … mooi.

De muziek was goddelijk, zei Mike Bodde, maar we moesten maar niet te veel op de inhoud letten (hier). Hij doelde op de aria “Wie wunderbarlich is doch diese Strafe” uit de Mattheuspassion van Bach. Want die inhoud: die was volslagen krankzinnig. “Barmhartige heer offert zijn eigen zoon.” Tot zover Boddé ’s diepte-analyse van het lied.

Nu ben ik zelf niet zo dol op Bach. Te frutterig, te corsetterig en dwangmatig, sorry. Maar ik snap wel, dat de eventuele goddelijkheid van zijn muziek àlles te maken heeft met de inhoud ervan. Die twee kun je niet zomaar uit elkaar scheuren. Bach moet zelf hebben geloofd wat hij op muziek zette. Goddelijke muziek ontstaat niet op een flutinhoud.

Je zou mogen verwachten dat een kommaliefhebber als Witteman niet akkoord gaat met: “laten we de tekst hier voor het gemak maar even vergeten.” Hij deed het wel: er mee akkoord gaan.

Kom op, mannen: het gáát om de tekst.

En ja; die is volslagen krankzinnig.

Volslagen krankzinnig, mooi.

“Hoe wonderbaar is deze straf,

de goede Herder lijdt voor zijn schapen

de schuld, betaalt de Heer, de Rechtvaardige

voor zijn knechten”

In het Duits rijmt het. Maar dat had je al begrepen. Hoe komt Bach, of eigenlijk zijn librettist, nu bij deze tekst? En wat zouden wij er mee moeten?

Het komt uit de bijbel (open deur). In het Oude Testament staat een tekst die indringend vertelt over iemand die mishandeld wordt (Jesaja 53, onder andere). Zijn baardharen worden uitgetrokken, hij wordt geslagen. hij krijgt met de zweep, en iedereen denkt: “Zo, die is door God en alleman gehaat zeg.” Maar dan komt onverwacht de clou: hij droeg onze straf. Hij werd geslagen en wij genazen er van.

Duidelijk he? Nee. Raadseltaal.

Maar goed, de tekst komt terug, later. Als Jezus is gekruisigd. Die hele martelgang van Hem leek één gruwelijke fout. Jezus was meer dan een goed mens. Hij had dit niet verdiend.

Maar leg je nu Jesaja bij de kruisdood van Jezus, en dat deden zijn leerlingen, dan lijken raadselstukjes op hun plek te vallen. Híj verdiende geen straf, maar de mensen wel. Het wonder is: zij werden niet gestraft. Maar Hij wel.

Het beeld van de goede Herder die de straf draagt voor zijn schapen, dat is onder andere door Petrus zo gezegd. Hij schrijft er over in één van zijn brieven. Hij droeg de straf die voor de mensen, voor ons, bedoeld was.

Nog steeds raadseltaal?

Ja- het blijven teksten die groter zijn dan wij. Nooit kan ik helemaal zeggen dat ik het snap. Net als poëzie: ik lees het, het doet iets met mij. Maar als je mij vraagt: leg het uit, dan sta ik met een mond vol tanden.

En toch.

Dit is wat ik er van begrijp.

Als ik kijk naar de afgelopen week. Brussel, Ankara, maar als ik daarbij ook denk aan Mosul, aan Homs, aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven onder de bommen van de Westerse mogendheden en aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven door messen en bommen van IS, en dan is dat nog maar een versimpeling van alles wat er gaande is. Ik noem dan nog niet eens de vrouwen die deze week door hun mannen zijn mishandeld, of de mannen die zijn vermoord, of het alledaagse onrecht van de rijke die overal doorheen komt terwijl de arme overal voor lijkt te moeten boeten. Als ik die wereld zie, dan denk ik: zo veel kwaad, zo veel rotzooi. Dat kan toch niet onbeantwoord blijven? Het kan toch niet altijd maar zo doorgaan?

Wilders riep gelijk om het dichtgooien van de grenzen. Het aanpakken van de misdadigers. Het preventief fouilleren van “donker getinte personen”. Hij was de enige niet. We willen voorkomen. We willen ook rechtzetten.

Zo veel rechtvaardigheid hebben mensen dan nog wel in hun donder. Wat oneerlijk is mag niet de vrije hand hebben. We willen dat het oneerlijke stopt.

Omdat dat de basisstructuur van ons bestaan is, zeggen de schriften. God is rechtvaardig. Zeg: de energie achter alle dingen. Ik zeg: de stem die in alle dingen spreekt.

Kwaad moet worden rechtgezet.

En wat zegt nu de aria? Die zegt dat alles al rechtgezet ìs.

Huh? Oh!

Jezus heeft de straf gedragen

niemand zal meer worden gestraft

 

straf is helemaal het woord niet

leven, dat is het woord

ga vrijuit – dat is het woord.

 

Voor mij betekent Goede Vrijdag allereerst: wij zijn vrij  –

en daarna volgt in één adem: laat ook anderen vrij

straf hen niet.

Deze week begonnen mensen in Brussel op de straten en muren te tekenen en te schrijven. Het waren woorden van hoop. Ze tekenden een nieuwe wereld. Eentje, waarin mensen elkaar niet meer zouden doden, maar waarin mensen elkaar het leven zouden gunnen. Wat ze ook maar op hun kerfstok zouden hebben.

Ephimenco, een columnist in dagblad Trouw, geloofde er niet in. “Met krijt en bloemen win je geen oorlog.”

Ik dacht: “Voor wie het wel geloven is de oorlog al voorbij. Voor wie het wel geloven heeft haat geen macht meer. Voor wie het wel geloven heeft de dood geen greep op ons.”

Maar ja, ik snap het wel: dat te geloven is tamelijk

krankzinnig

God in Nederland, God uit Nederland?

kerk

Al een week staart het onderzoek “God in Nederland 2016” mij aan. Wat moet ik er van vinden, dat het aantal kerkelijk betrokkenen daalt? Dat “de Nederlandse cultuur niet christelijk meer is”, zoals commentaren overal melden. Moet ik het erg vinden? Moet ik er überhaupt een mening over hebben?

Ik weet het niet.

Ik deel niet in de opgewonden stemmen dat het secularisme nu gewonnen heeft. Ik deel evenmin in de opgetogen gedachte dat het nu beter wordt. Een samenleving zonder kerk is niet mijn wereld. Ik kijk er niet naar uit, dat de verhalen van Abraham, Rebekka, Mozes, Deborah, David, Jezus, Maria Magdalena, dat die uit onze samenleving verdwijnen.

Ik stond voor het enorme schilderij “Bathseba” van Rembrandt. Hij toonde haar met een brief in haar hand. En in haar ogen schilderde hij het ondeelbare moment tussen gevleid-zijn en gekrenkt-zijn. Gevleid dat David haar schrijft, gekwetst dat David haar schrijft. Ik dacht: “Maar wie verstaat dit schilderij nog, als we het verhaal niet meer kennen”?

Ik begrijp de opgewekte commentaren op het onderzoek niet.

Aan de andere kant: ik deel ook de treurnis niet.Ik heb niet de behoefte om te gaan roepen, “dat de kerk heeft gefaald” of “dat het nu allemaal anders moet”. Het is wat het is. Wie ogen en oren open heeft in de gemeentes weet al lang wat er gaande is. In mijn geboortedorp waren in mijn jeugd zes protestantse gemeentes. Over één daarvan schreef iemand vijftien jaar geleden in de Volkskrant, dat je op tijd moest zijn om er een zitplaats te kunnen vinden. Nu is nog één protestantse gemeente. En eentje die op het punt staat te scheuren of om te vallen. Dan valt een teruggang van vijftig procent in tien jaar nòg mee.

Raakt het me niet? Ja, het raakt me wel – de achteruitgang. Kerk is gemeenschap zijn, verbondenheid zoeken met mensen met wie je geen natuurlijke verbondenheid voelt, bruggen bouwen, door-één-deur-willen-gaan-met-wie-je-niet-zomaar-door-één-deur-gaat. Als er steeds minder zijn om mee door die deur te gaan, dan voelt dat op z’n minst vreemd.

En ja, ik stel me wel eens voor dat ik ooit als oud baasje in een verpleeghuis woon als een soort curiosum. “Dat is er nog één” “Goh, bestáán ze dan nog?” En dat dan niemand een idee heeft waar het in het christelijk geloof om ging. “Ze waren tegen homo’s, meen ik.” Het lokt me, opnieuw, niet aan.

Ergens anders raakt het me niet. En dat vind ik vreemd van mezelf. Zo veel mensen hebben gereageerd. Waarom ik niet?

Ik denk: “Er schijnen in Nederland ook heel weinig cricket-spelers te zijn. Maar ik heb niet de indruk dat hen dat stoort.” Ze spelen hun spel, ze hebben er plezier in. Ze hebben niet het idee dat hun spelregels er niet toe doen, omdat bijna niemand ze kent. Ze spelen en ze spelen precies. Waarom zou ik dan een big fuzz maken van een kleine kerk?

Ik begrijp wel: de kerk is geen cricketclub. De kerk heeft een verleden met veel leden. En in de kerk gaat het om waarheid. Kuch: de waarheid. Dat maakt het toch wat complexer.

Maar

dan hier de maar: ik heb nooit geloofd, dat de kerk een machtsfactor moest zijn. Ik huiver zelfs voor een kerk in een meerderheidspositie. Kerk en macht, dat wordt altijd narigheid. Een menselijke waarheid die met een kerkelijk stempel ineens de ene grote waarheid voor iedereen wordt. Nee, dank je wel.

Ik heb ook nooit geloofd, dat een samenleving “christelijk” moest zijn. Wat is een christelijke samenleving? Dat iedere man getrouwd is met één vrouw? Dat er regels worden opgesteld om iedereen “christelijk” te houden? Nogmaals: dank je.

Ik ben deelgenoot van de kerk om slechts één reden. Die reden heeft een naam: Jezus. Zijn direktheid en helderheid van leven raakt mij. Op een manier van: daar wil ik van leren. Ik wil mij koesteren in Zijn bestaan. Ik wil er door worden meegenomen en ik wil het zelf meenemen. Die band – die geraaktheid, volgens mij is dat wat de kerk tot kerk maakt. De Kerk is de kring van mensen die zich rondom Jezus verzamelen. Voor wie Zijn woord, handelen, verlangen,  en beminnen de waarheid is. En die dat met plezier en precisie willen leven.

Al het andere is slechts bijzaak. Dus óók hoe groot of hoe klein die kring is.

Zonder Zoon van God is er niks meer aan.

Nee, Jezus heeft zichzelf nooit “Zoon van God” genoemd. Inderdaad. Maar de teksten over hem doen dat wel. In al hun verschillen – wanneer was nou dat laatste avondmaal, hoeveel Maria’s waren er nou precies en wat riep Jezus aan het kruis?- lijken ze het over één ding eens: die kreet “Zoon van God”, dat heeft hem uiteindelijk de das om gedaan.

Ook na zijn dood heeft het tot veel tumult geleid. Er waren groepen die zeiden: “Jezus is een goed mens, en een prachtige profeet. Hij is gedood, omdat de mensen aan zoveel goedheid nog niet toe waren”. Of vergelijkbare tonen. En dan hebben we het niet over dominees anno 2014, maar gewoon: eerste christenen. In de eerste eeuwen. Er waren er ook die zeiden: “Jezus was wel de Zoon van God. Maar hij stierf niet aan een kruis.”  Ze hadden er de mooie oplossing bij bedacht, dat er iemand is gekruisigd, die heel erg op de Heer leek. Maar die de Heer niet was. Zo bleef hun god mooi god.

Het tumult is nog niet ten einde. Blijkt maar weer uit de nieuwe productie van toneelgroep De Appel. “Bij ons is Jezus niet de Zoon van God”, zegt de regisseur Arie de Mol. Want “dan vind ik hem oninteressant worden”.

Ik weet niet waar Arie precies tegenaan hikt. Hij moet sowieso niet veel hebben van het christendom-zoals-het-er-vandaag-uitziet. Kerk? Nee bweh. Theologie? Yuk! Christenen? Nog meer bweh en yuk. “Wij houden Jezus menselijk”. Hun Jezus heeft dan ook geen mooie woorden paraat.

Of zijn omstanders zijn woorden toentertijd zo mooi vonden, weet ik niet. Ik vind Jezus vaak een beetje een weirdo. Zo eentje die met een paar rake woorden de sfeer weet te verpesten. En die zichzelf daarmee steeds weer buiten de groep plaatst. Hij gaat elke keer daar zitten, waar de klappen vallen.

Ik vind het wel kinky om van zo iemand te zeggen: en dat is nou God.

Die menselijke Jezus van Arie de Mol, die interesseert me geen biet. Gek is dat toch.

Het is zó volstrekt idioot om juist Jezus God te noemen. Ik weet duizend betere kandidaten. Zelfs de spelers van Ajax hebben nog betere papieren voor deze titel dan hij. Het is zo totaal op-z’n-kop gedacht, dat ik er door geërgerd word. Ik baal soms van die Joodse man. Enorm.

Maar ik word er ook door gefascineerd. Door mijn eigen ergernis. Door de hardnekkigheid, waarmee christenen zijn blijven verklaren: Zoon van God. Mens – en Zoon van God.

Het herdefinieert alles wat wij over god, of over goden zeggen.

Goden wonen in wolkenkrabbers. Op de bovenste verdieping. Ver van het aardse gemodder. In glanzende meubels van het laatste design besluiten ze daar wat volgens de wetten van god-weet-wat-precies nodig is. Goden zijn perfekt. Onbesmet door armoede, mislukking, getob, narigheid.

Goden zijn glamorous.

Wij creëren die goden, dat weet ik. Zij zijn het resultaat van onze verhalen over wat leven is. En over waar de werkelijkheid over gaat. Leven is: loskomen van het aardse gedoe. En de werkelijkheid is: de uitnodiging om perfekt te zijn.

We houden meer van jonge mensen met parelwitte tanden dan van een oude man die kwijlend wat zit te mompelen in zijn rolstoel.

En dan komt ineens Jezus binnen. Hij lijkt in niets. helemaal niets op ons ideaalbeeld. Niet van het ideaal van leven – hij kwam nooit aan het Zwitserlevengevoel toe. Niet van het ideaal van mens-zijn: hij was naar verluidt te lelijk om naar te kijken. Niet van het ideaal van waar het om zou moeten gaan: hij had geen auto-onder-den-kont.

En dan zeggen: dàt is God.

Die mislukte.

Die uitgekotste.

Die vermoorde.

Ik snap Arie wel. Een menselijke Jezus is een tragische figuur met wie je medelijden kunt voelen. Zelf blijf je schoon, objektief en van een afstandje kijken. En je rijdt in je verwarmde auto weer naar huis.

Maar Jezus als de Zoon van God. Tsja, dat is een aanval op mijn zo zorgvuldig gecultiveerde goede smaak. Yuk.

of toch maar ‘amen’?

Het verhaal doet ’t hem.

Ooit hing “De man met de gouden helm” in de Gemäldegalerie in Berlijn. Het schilderij had er een eigen boudoir. Daar was het tentoongesteld op een hoge sokkel, bijna als een altaarstuk. Kunstkenners roemden het prachtige licht, het contrast tussen de glorieuze helm en de vermoeide soldaat, de stofuitdrukking van het goud. Onder het schilderij stond in kleine letters wie het gemaakt had: Rembrandt van Rijn.

Miljoenen hebben kostbare ervaringen met dit schilderstuk opgedaan, totdat

totdat..

onomstotelijk werd vastgesteld, dat het nooit door Rembrandt geschilderd kon zijn.

Was het schilderij nu minder mooi? Nee.

Was de helm minder glorieus? Het licht minder subliem. Nee, nee, nee.

En toch verdween het schilderij uit de collectie. Niemand kwam meer kijken.

Hoe kon dat?

 

We waren het verhaal kwijt.

Het verhaal van de geniale, tegendraadse kunstenaar. Ineens was “de man met de gouden helm” door een onbekende geschilderd.

Het werd een depotstuk. Door een stille beschaamdheid omgeven.

Vorige week brak er een huiskamerstorm los rondom ds. Van der Kaaij. Hij beweerde na studie, dat de historische Jezus nooit heeft bestaan. Ik keek naar het artikel (hier) als naar een flard krant uit het jaar 1850. Ook toen dacht men, vermoedde men, veronderstelde men, dat Jezus nooit echt heeft bestaan. Mij lijkt het weliswaar wat kras: dat de hele Jezus uit de fantasie of uit de behoefte naar mythe zou zijn ontsproten, maar ik heb voor mijn stelling “Jezus heeft waarschijnlijk wel bestaan” net zo veel argumenten, als Van der Kaaij voor die van hem. Het lijkt mij dan ook niet erg zinvol, zoals Arjan Plaisier met grote haast deed, om heel hard terug te gaan roepen “en Jezus heeft wèl echt bestaan”. (hier). Die twee papegaaien uit de crokychipsreclame van dertig jaar geleden schoten mij weer eens in beeld.”Paprika!”, snauwt de ene. En slaat zijn zak op de kop van de andere. Die vervolgens terugslaat en roept “Naturel!”. Ze houden allebei kapotte zakken over, aan het eind. En oneetbare chips.

Ik kan er niet heel erg wakker van liggen, of Jezus heeft bestaan of niet. Klinkt dat heel erg vrijzinnig? Misschien. Misschien bevind ik mij aan de rand van de afgrond. Dat zij dan maar zo. We hebben geen enkel bewijs van zijn bestaan. (nee ook niet die nagels-uit-zijn-kindertijd die her en der in kerken bewaard worden, sorry). Geen bewijs, behalve de verhalen. Behalve wat de verhalen uitwerken.

“De man met de gouden helm” laat ons zien, dat het verhaal belangrijker is dan het ding. Minstens net zo belangrijk, in elk geval. Voor mensen is dat zo. Amerika heeft per hoofd van de bevolking bijna meer schuld dan Afrika per hoofd van de bevolking. Afrika wordt daarop afgerekend. Amerika niet. Het laatste land heeft…, een beter verhaal. Inderdaad. Niemand wilde de spuuglelijke truien van Joop! dragen. Totdat Bill Cosby er een aan had. Toen wilde wij ze allemaal. Waarom Cosby dat vandaag niet meer voor Joop! zou kunnen doen, dat is weer een ander verhaal.

Het verhaal schept de wereld om ons heen.

Toevallig, of niet zo toevallig, is het verhaal van Jezus ijzersterk. Dat G’d, het geheim dat allen zoeken, woont in een verwonde mens. Dat klein méér is dan groot. Dat je leven aan de andere kant ligt, dan waar je zoekt. Dat wie zich geeft ontvangt. Wie zichzelf wil behouden juist verdwijnt. En dat je niet uit jezelf bestaat, maar uit – laten we het zo maar noemen – een goedheid die zo maar naar je toekomt.

Dat verhaal dat ons voortdurend omdraait, zoals korreltjes kleur in een caleidoscoop. Daar keer je elke keer weer naar terug. Ik wel in elk geval. En als ik een band aanga met dat wat ik lees, dan doe ik deze ervaring op: dat deze Jezus leeft. Hier. Nu.

Dan is de vraag of hij daar en toen heeft geleefd ineens een verre, verre planeet.

Zo, en laat ik eens eindigen, zoals een echte dominee betaamt. Met een gedicht. Diete Kits plaatste het op haar tijdlijn…

Verlegen met mijn God

Ook ik kan wel als Strauss en als Renan
en zoveel andere verlichte heren
het vreemde fenomeen analyseren,
de fabels en parabels van de man
die door het koren liep in Kanaän.

Historisch is het ook wel te verstaan,
de oude mythe kan men er in horen:
een god wordt gaarne uit een maagd geboren,
doet wonderen en sterft zoals het graan
om als het graan weer op te staan.

Maar als ik door het pad naar voren schrijd
en om mij heen de arme stervelingen, mensen zo dwaas als ik,
de lofzang zingen: “O Heer, uw bloed roept voor altijd barmhartigheid, barmhartigheid”

dan ben ik niet verlegen met mijn god, dan is hij vlak bij mij,
dan weet ik zeker dat hij mij aankijkt uit de donkre beker,
dan eet ik zijn genadebrood, dan leef ik van zijn dwaze dood.

Jan Willem Schulte Nordholt
uit: God in gedichten

Of Jezus bestaat

Op een zonnige namiddag kletsten mijn broer en de buurjongen met elkaar over de heg. Het was windstil, er hing loomheid tussen de blaadjes. “Geloof jij, dat het allemaal waar is, van Jezus enzo?”, vroeg de buurjongen, toen een tiener met een lang, dun lijf. Dat hij geen hemd aan had, was niet de enige reden, dat mijn aandacht ineens getrokken was. Ik speelde iets vaags met autootjes verderop in de tuin. ‘Nee”, antwoordde mijn broer kortaf. Hij was al sinds z’n zesde een besloten buitenkerkelijke en vocht iedere zondag zijn gevechten uit met de zondagsschooljuf.  Zijn “nee”brak de lucht en de buurjongen bedacht, dat hij het ook niet geloofde. Bijna opgelucht zei hij: “Nee, dat over het water lopen, en die andere dingen” “Nee”.

“Nou”, reageerde mijn broer: “dat is het niet. Er staan zo weinig details in. Daar gaat het om. Je weet helemaal niet bij welk meer hij liep. Of in welk jaar. Dan kan het niet echt zijn.” Mijn broer las de Kijk, en dan zei je zulke slimme dingen.

Ondertussen had de buurjongen zijn ogen op mij gericht. Ik was toen al tamelijk vroom. Mijn hoofd was daar ook uitermate geschikt voor. Mijn haar viel als vanzelf al in een keurige scheiding.Bij mijn broer niet. Die had van die gekke pieken overal. Met zijn dunne vingers gebaarde de buurjongen naar mijn broer dat het onderwerp voor mij misschien riskant zou zijn. Beide jongens draaiden zich naar mij. In een zekere verwachting. Misschien hadden ze gedacht, dat ik zou gaan huilen. En ik? Ik wist niet zo goed wat ik er van dacht. Misschien hadden ze wel gelijk. Die détails hadden indruk op mij gemaakt. Maar ik vond de zondagsschooljuf  lief. En ik baalde er van hoe mijn broer altijd deed. Dus ik zei: “Nou, en ik geloof het wèl” Ik had het gevoel dat ik Jezus en de juf en de hele kerk erbij voor de ondergang had gered. Ik was zeven.

Het is een raadsel langs welke weg mensen toegang tot het leven vinden. Voor de een openbaren zijn kinderen alle dingen, voor een ander is het de kunst. Bijvoorbeeld. Ik denk aan Fred Lingen, een man die zo’n beetje in het operagebouw van Amsterdam woonde, achter zijn veel te grote brillenglazen. Hij leeft niet meer, helaas. Wij zagen hem wel eens, als hij achter de tafel van “de vrienden van de opera” stond. Voor hem was opera méér dan zomaar een avondje uit. Opera was voor hem de kunst aller kunsten. De verhalenwereld die mensen iets in handen geeft, of in hun hart. Iets van hoop. Of vertrouwen. Of liefde. Iets, waarmee ze weer naar huis kunnen en vorm kunnen geven aan hun leven. Want wij mensen, wij zijn bijzonder krakkemikkig op de wereld toegerust. Een kuiken kruipt uit het ei en kan gelijk staan. Het pikt vanaf minuut één in de grond en krabbelt erbij, alsof hij er al duizend jaar was. Wij niet. Wij lijken het eierstadium nooit ontgroeid.

En voor mij? Voor mij werd Jezus die verhalenwereld. Waarom? Misschien was het wel die zondagsschooljuf. Of mijn vader die altijd alleen naar de kerk ging en moest zien hoe de bijbel, zijn bijbel, van tafel werd verbannen naar de boekenkast en uiteindelijk in zijn eigen nachtkastje werd geparkeerd. Dat vond ik rot. Voor hem. En ook een beetje voor God. Alsof die alleen nog in de kast mochten bestaan. Ik ben wel iets van een redder.

Maar er waren ook die andere momenten. Momenten waarop ik verlost werd van mijn redder-willen-zijn.

Ik geloofde dus wel. En dan ook maar gelijk de full monty: ja, Jezus had over het water gelopen en ja blinden hadden door een aanraking van hem echt kunnen zien weer. Ik bad daarom trouw voor een gemeentelid dat, ondanks zijn grote zwarte bril, niets kon zien. Of de Heer, misschien, als Hij tijd had, even…..

Ik zei dat op een onbewaakt moment na de kerkdienst tegen de man. Ik dacht dat hij dat wel mooi zou vinden. Van mij. Hij wachtte even met reageren en zei toen: “Ja dat snap ik wel. Jij denkt natuurlijk: ik heb iets wat hij niet heeft. Dus hij mist iets. Maar misschien is het wel andersom. Zie ik veel meer dan jij. En mis jij iets.” Ik weet niet of ik hem begreep. Ik weet ook niet meer of hij het helemaal zó zei, maar hier kwam het wel op neer. “Weet je wat” zo redde hij mij uit míjn domme situatie: “weet je wat? Als je voor mij wilt bidden, bid dan voor mooi weer volgende week. Dan gaan mijn vrouw en ik op vakantie.” En hij bulderde van het lachen.

Sip liep ik naar huis. Ik snapte er niks van. Ik bad toch voor hem? En dat was toch goed? Of…  Ik snapte, dat ik er niks van snapte. Dat blinde mannen en vrouwen nìet op mijn gebed zitten te wachten. Pas jaren later begreep ik: omdat zij geen blinden zíjn. Door mijn gebed, máákte ik hen tot blinden. Alsof hun beperking hun identiteit was. Alsof zíj hun beperking als beperking ervoeren. Ik lijd er ook niet onder, dat ik de vijfde dimensie niet kan zien.

Dat verwarrende moment. Dat jaren doordraaide in zijn verwarring. Werd voor mij een verhaal, een bevrijdend verhaal, door Jezus. Door de verhalen over hem. Ik had hem vele keren horen rondgaan, terwijl hij zieken genas. Ogen opende en oren.  Ik dacht altijd dat het over anderen ging. Zij waren de blinden. Of de doven. In de verwarring ontdekte ik mijn eigen blinde vlek. Redder willen zijn is best arrogant. Eigenlijk.

En zo is Jezus gebleven. Als Die-Mij-bevrijdt. Die bevrijding was, en is, voor mij, de toegang tot het leven.

Ik ben wel een beetje jaloers op Fred Lingen. Als de hele zaal bittere tranen weent, omdat Mimi sterft, of Violetta, als een huiver door de mensen gaat, omdat Katya Katanova zich van het leven berooft, als men smelt door de liefde van Tristan und Isolde en daarbij in het donker even de hand van de geliefde-naast-je zoekt.. op al die momenten is er nooit iemand die opstaat en roept: “Maar Mimi bestaat helemaal niet!”

Waarom bij ons, in de kerk, dan wel?

 

Moest Jezus dood?

kreuzigung_isenheimer_altarVerliep de kruisiging van Jezus volgens plan? De meeste kerkvaders leggen het zo uit. Pardon; allemaal. Ze zeggen allemaal: God had van te voren vastgesteld dat Jezus zou worden gekruisigd.

Maarten t Hart schiet nog altijd van pure ergernis uit zijn sokken, als hij deze redenering hoort. Hij is de enige niet. Ik krijg het er ook nogal benauwd van. En de gedachte, dat God hiermee een meedogenloze regisseur wordt is dan nog niet eens het grootste struikelblok. Er is veel wat ik niet begrijp. Ik begrijp G’d nog wel het allerminst. Dus, wie weet. Pijnlijker vind ik, dat het lijden van Jezus hiermee iets nepperigs krijgt. Iets “het-is-niet-ergs’-achtigs. Wat het zwartste is, het doden van een mens, wordt ineens ‘de bedoeling’. Ik kan mij daar niets bij voorstellen. En al helemaal niet, wanneer het in verband wordt gebracht met lijden van mensen om ons heen. “God wil het zo” stond er eens in dikke, uitgebeitelde, letters op een grafmonument voor een kind van zes. Een traktor had hem doodgereden. Nou, geef mijn portie dan maar aan Fikkie. Lijden is nooit, ik herhaal, nooit te vergoelijken of te verfraaien. Apokriefe brief van de heilige apostel Sybrand. Lijden heeft maar één mogelijk antwoord: dat ik er bij blijf. Dat iemand er bij blijft. En naar het appèl luistert.

Toch schrijven de evangelisten ook zoiets van “het moest”. “Dei” in het Grieks. Hier, bijvoorbeeld. Voor de meesten zal het woord niet zoveel zeggen, maar op theologen heeft het woord hetzelfde effekt als het woord “zwam” op makelaars. Foute boel. Opletten hier. Dei, zo spuwen alle naslagwerken hun kennis, is een werkwoord dat er op duidt, dat God hier aan het werk is.

Ik word er niet vrolijk van. Zijn wij domme poppetjes op het strijdtoneel? Stromannetjes? Stellen wij niets voor?

Onze ervaring is het in elk geval niet. Wij maken nogal wat werk  van ons bestaan. Een misselijke grap? Wij denken iemand te zijn, maar we zijn niemand? Mag ik Buddist worden? Of is dat geen verbetering in dezen? De bijbel neemt, over het algemeen, ons aardse mens-zijn nogal serieus. Met onze huid, en warmte, en haren in het afvoerputje.

Ik kijk nog eens naar de kerkvaders. Zij schreven in een tijd, dat christenen nog steeds over de kling werden gejaagd. Of in elk geval voelden zij nog de brandwond van de herinnering aan de vermoorde christenen nog in hun ziel. Niemand was bij machte geweest om de keizerlijke furie te doven. Het gevaar was een onvermijdelijk deel van hun bestaan.

Als je zegt dat “God” iets doet. In elk geval zit er de erkenning in, dat je er zelf niets aan had kunnen veranderen. Je draagt er geen schuld aan. “God”, op die manier gedacht is dan de laatste beweegreden. Niet meer te bevragen. Het is zoals het is. Verhipte dicht bij die moeizame naam JHWH. Ik zal zijn die ik zijn zal.

Er is ook veel dat niet is, zoals het is. Waar speelruimte voor mij in zit. Maar wat doe ik met de dingen die wel zijn, zoals ze zijn, amen en klaar? Mijn eigen bestaan, bijvoorbeeld? Vanaf het moment dat ik er was, was het onvermijdelijk dat ik er was. ‘En niemand vroeg of dat wel een leuk cadeautje was”, zingt Herman vanVeen sip. Vanaf het moment dat ik mijn studie af had, was het onvermijdelijk dat dit mijn studie was. Damn. En toen ik ruzie kreeg met mijn buurman, had ik onvermijdelijk ruzie met mijn buurman. Niet alles is mijn schuld.

De schrijvers van Jesus Christ Superstar doen iets opvallends, als zij Jezus laten bidden in Gethsemane. Het lijkt zo’n depressief gebed: doe mij maar weg. U hebt gewonnen. De schrijvers van de film voegen er een flinke drup woede aan toe. En passie. Was dit Uw bedoeling, G’d? Dat ik dood zou gaan?  Nou, goed dan, dan ga ik dood. Maar U kijkt toe! Hoort u? Heb niet het lef om weg te kijken. Dan zult u ook zien wat u aanricht!

Het lied laat mij verbluft achter. En met adrenaline in het bloed. Jezus staat op tegen een “God die het zo zou willen” en zijn verzet ligt hem erin, dat hij het doen gaat. Wow. In een soort verdwaasde boost pakt hij het onvermijdelijke op. En maakt er zijn leven van.

Abel Herzberg heeft gezegd, zo hoorde ik deze week: “Bewaar in alle omstandigheden je menswaardigheid.” Dat God iets wil, zou wel eens het laatste zetje kunnen zijn om zijn raad op te volgen. Want soms lijkt God wel gek geworden.