Sááái? Je lege ziel zul je bedoelen.

Vroeger had ik een saaie naam: Van Dijk. Veel suffer kon het niet worden. Half Nederland heet Van Dijk.

Eind jaren tachtig verhuisde ik naar Polen. “Van Dijk?”, vroegen daar mijn medestudenten, “Van Dijk? Ben jij soms familie van de schìlder Van Dijck?” Hun ogen lichtten op: dit kon interessant worden. Van Dijck kenden ze van zijn theatrale barokke schilderijen. “Nee”, antwoordde ik: “Ik ben simpel. Mijn naam schrijf je alleen maar met een k. Saai.” Toen ik dat ook tegen mijn docent kerkgeschiedenis, Pasierb zei, reageerde hij wat ongelovig en gepiekeerd: “Saai? Man! In Polen heet niemand Van Dijk. En weet je waarom? Omdat wij nauwelijks dijken hebben! We hebben zelfs Nederlanders laten komen om er een aantal aan te leggen. Jouw naam vertelt over de strijd die jullie tegen het water voeren, de lef om onder zeeniveau te gaan wonen, de slachtoffers van de dijkdoorbraken, de moed om de boel daarna weer op te pakken en droog te leggen. Jouw naam is een cultuur-historisch monument!”

Wauw. Nou. Dat had nog nooit iemand gezegd. Niemand ook had het ooit zo gezien. De diepte. De associaties. De gelaagdheid. In één enkele naam.

Sááái is zo ongeveer het stopwoord van onze tijd en cultuur. Alles wat langer dan een kwartier duurt is saai. Alles waar geen drumstel onder staat is saai. Alles wat niet jong is, is saai. De eis is: het moet zó zijn dat het mij direkt pakt. Het moet míj pakken. De gedachte dat ik “het” moet pakken ligt ver bij ons vandaan. Daar krijg je die hijgerige Matthijs van Nieuwkerk van. Kort. Snel. Gemakkelijk. En anders is het niets waard.

Het tragische is dat ‘saai’ niet bestaat. Niet buiten jou. Dingen zijn wat ze zijn. Gebeurtenissen zijn wat ze zijn. Presentaties zijn wat ze zijn. Saai of interessant zijn geen woorden die in de dingen wonen. Ze wonen in de beschouwer. Zie jíj er iets in?

Zien is een activiteit van de ziel.  Een verhaal wordt in jou wakker geroepen. Een herinnering. Bepaalde kennis. Waar je naar kijkt, opent een wereld in jou. Als die wereld er is.

Op de boerenfeesten in Nijehorne zitten elk jaar veertig, vijftig mannen op een rij. Voor elk van hen staat een ondefinieerbaar, klein, machientje te pruttelen. Ik liep er altijd aan voorbij. Ik had geen idéé wat ik er aan moest zien. Aan de mannen niet en aan hun machientjes nog minder.  Toen we er weer eens waren, vroeg ik: wat is dat nou waar ik naar sta te kijken? Precies de vraag die als een sleutel het slot opende: “Nou”, begon de man enthousiast.. en hij vertelde over de fabriek waar het gemaakt was, welk onderdeel het precies was van welke machine, hoe oud het was en waar het had gefunctioneerd. “Maar u kunt er nu niets mee?”, vroeg ik constaterend. “Nee”, antwoordde hij: “zo niet. Je moet er andere dingen aan vast maken om er iets mee te kunnen. Je kunt hem nu alleen aan en uit zetten.” “Maar weet je”, vervolgde hij juist toen ik met vraagtekens volstroomde, “weet je wat nou zo leuk is? Als hij kapot gaat, dan bel ik de anderen die hier staan op en dan praten we er over hoe je het machientje moet repareren. Wat er aan de hand is enzo” Ik zag hem aan een bakelieten telefoon in de gang: “Ja. Kees hier. Zeg. Hij doet het niet. Wat zou jij doen?” En dan drie uur met stijgend plezier en met stemverheffing praten over het palletje van het nippeltje.

Alles is saai, als je geen moeite doet. Je ontvangt wat je investeert.

Alles kan interessant worden als je er tijd aan geeft. Je er in verdiept. Als je gaat zien met een innerlijk oog.

De tragiek van onze tijd is dat wij rijk zijn aan alles, maar gebrek lijden aan juist deze twee: tijd en verdieping. Sááái, dat zijn we zelf geworden.

En ondertussen ga ik maar eens de monumentenstatus aanvragen voor mijn naam.

 

Advertenties

Toevalligheid, zo ver het oog reikt

Nee, mijn facebookpagina kleurde niet naar de vlag van Rusland. Dat had ik na de aanslag in Parijs wel met de Franse vlag gedaan, maar nu in Sint Petersburg bommen waren afgegaan zweeg mijn tijdlijn in alle kleuren. Bij niemand zag ik iets Russisch voorbij komen, trouwens. Ook niets Brits, na de aanslag op de Towerbridge. Zijn we campagnemoe? Meeleefmoe?

Nee. Want hand-in-hand begonnen alle mannen door het land te lopen. En ook ik plaatste Pechtold en Koolmees. Want als mannen lief over straat willen dan val je die niet aan. Dat vind ik nog, zelfs nu het verhaal van Jasper en Ronnie misschien wat anders ligt dan eerst verondersteld.

In Amsterdam werden twee andere mannen aangevallen en in Eindhoven ook, maar dat deed me dan weer minder.

Waarom?

Ik zou het niet weten. Waarom schrik ik bij het ene op en bij het andere niet? De media doen meer voor de een dan voor de ander. Parijs ligt mij nader aan het hart dan Sint Petersburg. Ik heb er wel eens een sigaar voor een bistro gerookt. Dat schept een band. Maar verder? Het slangenbrein in mij trekt zijn schouders onschuldig op.

Er klinken stemmen dat het zo onschuldig niet is. Bij aanslagen in Istanbul of Noord-Somalië dienen we net zo geschokt te zijn. Een jaar terug demonstreerde een aantal mensen bij de Essalam-moskee in Rotterdam tegen al deze selectiviteit. Alsof een westers leven méér waard zou zijn dan een ander leven. Zo zou mijn medeleven met de één een teken zijn van afkeer jegens een ander. Zeiden zij. En dat het een schande was.

Medeleven niet langer als medeleven, maar als maatstaf. In dit geval: het Westers medeleven als maatstaf aller maatstaven.

Komt iedereen aan zijn trekken? Nee, bij mij niet. Ik geef het eerlijk toe. Mijn excuses voor mijn imperfectie.

In het bijbelboek Ruth wordt verteld dat de arme en hongerige Ruth “per toeval” op de akker van Boaz terecht komt. Dat lijkt mij heel juist opgemerkt. Wie in je vizier komt en wie niet, ik heb het niet in de hand. En iedereen op je akker, dat is ook een beetje veel.

Ruth dus.

En wat doet Boaz? Die neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij verlieft zich in Ruth, dat helpt, maar het begint bij doen wat er gedaan moet worden. Voor deze ene. Waren er geen andere hongerige vrouwen in het land? Oh, vast. Was Ruth de hongerigste onder alle vrouwen? Nee, zeker niet. Maar Boaz zag Ruth. En dat werd de verplichting. Hij liet haar het graan meenemen dat bij de oogst op de grond was gevallen. Hij vroeg zijn medewerksters om stiekem nog wat extra graan op de grond te laten vallen.

Dus ja. Een foto van Pechtold en Koolmees. Mijn gevallen graanstengel. Het is nog helemaal niks. Facebook is nogal gemakkelijk. Iets als liturgie. Je doet alsof. Maar Jasper en Ronnie maken mij bewust van de mensen die in mijn omgeving in de knel zitten. En dat ik er voor hen zal zijn. Die ene voor al die anderen, zeg maar. Dankzij die ene, leer ook de anderen te zien

En ik hoop, vooral dat, dat er weer andere mensen zijn rondom de mannen uit Eindhoven, rondom de slachtoffers in Sint Petersburg. Je kunt niet alles. Niemands medeleven breekt een staf over ander leed.

Perfectie, zegt de onvolprezen Wislawa Szymorska, die vind je alleen in een ui.