De honderdjarige man die uit het raam klom…

Het boek was een regelrechte knaller, om maar in de wereld van de schrijver, Johan Johansson, te blijven. Wij gingen naar de film. “Het is om te lachen.”, had iemand gezegd en daar had ik wel zin in. Even lekker waaien met de geest.

Ik lachte precies één keer. En ook nog helemaal aan het begin. De honderdjarige blaast daar een vos op met een reuze explosie en dat wordt een best goede grap die ik hier niet ga verraden. Voor het geval je zelf nog plannen hebt om naar de bioscoop te gaan. Maar daarna moesten we dus nog een hele film. Ik “verdween” langzaam, precies zoals de titel had beloofd, alleen wist ik niet dat het op de kijkers zou slaan.

Eindeloos volgen we een oude man met een koffer waarin vijftig miljoen kronen zat Een skinhead had hem die in de hand gedrukt, op een station. De jongen had moeten plassen. De koffer paste niet in het toilet. De oude man was dichtbij. Dus.

De kijker is nog niet zo dom, of hij begrijpt dat man en koffer verdwijnen, dat de skinhead er achteraan gaat en dat achter de skinhead nog een leger skinheads schuil gaat die daar weer achteraan rennen. En ja, er zit ook een rijke drugshandelaar achter, met veel mooie meiden aan een zwembad op Bali, die met veel doodsbedreigingen het circus in gang houdt. Een echt circus komt er ook in voor, trouwens.

Het had grappig kunnen zijn. Als die oude man niet zo’n volstrekt afwezige persoon was geweest. Hij was al verdwenen, volgens mij, nog voordat de kijker verdween en nog voordat hij zelf verdween. Er vallen nogal wat doden om hem heen. De koffer interesseert hem niet echt. Maar terug geven vindt hij ook geen goed idee. “Want wat is bezit? Alles verschuift voortdurend van eigenaar.”, mijmert hij. Hij borduurt het nog net niet op een tegeltje.

Daar moeten we het mee doen. Ach, de oude kan het niet helpen. Zijn moeder ging hem er in voor: toen zij stierf mompelde zij als laatste woorden “Het is zoals het is, het komt zoals het komt.” Misschien zei ze ook nog: “Het gaat zoals het gaat.” Geen idee. De oude man, toen negen jaar, heeft het bepaald in zijn oren geknoopt.

Terwijl het gesleep met de koffer niet ophoudt, ontrolt zich ook nog het leven van de oude man. En dat was nogal een leven. Hij vocht in Spanje tegen Generaal Franco, de man is echt heel oud, maar redde ook diens leven. Hij hielp Oppenheimer en passant met het ontwikkelen van de atoombom. Hij komt in de spionage van de CIA terecht, in de contra-spionage. Hij veroorzaakt de val van de muur in Berlijn, 1989, en hij wordt langzaam ouder. Bij dat alles vallen er doden, meer doden, nog meer doden. En die vallen rondom de koffer ook. Bij bosjes. Het interesseert de man niets. Hij merkt het nauwelijks op.

In de psychiatrie zouden we hem een “psychopaat” noemen. Maar ook als psychopaat is hij nauwelijks geslaagd. Niet eng, niet identificeerbaar, niets. En niet grappig.

“Het is een lachfilm”, fluisterde mijn partner steeds. Om mij bij de les te houden. “Je moet er niet over nadenken”. Maar dat lukte mij nou juist niet. Er werd al zo verschrikkelijk weinig in de film nagedacht. Mocht ik er dan misschien òver nadenken?

Stomverbaasd vroeg ik mij af, wat dit boek nou zo populair had gemaakt. Is de afwezigheid van denken een soort virus dat om zich heen grijpt? Nog verbaasder was ik dat de bioscoopzaal zo goed als vol zat. Meestal zit ik alleen. Of met een enkel wereldvreemd type. Maar nu was tout-rosé-drinkend Groningen in de zaal. Wat deden ze daar? Ik had een enquete moeten houden.

En die man die daar bijna twee uur voor de camera langs slofte en die de hoofdpersoon leek te zijn? Wat moesten we daar nou toch mee? Hij “liet het komen zoals het kwam” en “gaan zoals het gaat” en leek totaal opgelost. Zonder hem had de film ook kunnen bestaan. Gek.

Is het een spiegel? Dat wij niets voorstellen? En dat regie een illusie is? Misschien. 

Of vertelt het verhaal dit: dat wij zonder moraal en zonder kennis van goed en kwaad geen leven kunnen hebben. Dat we dood kunnen zijn, al leven we honderd jaar. Daar hield ik het maar op.

Maar er om lachen kon ik niet.

recensie van de film: de Honderdjarige man die uit het raam klom en verdween, Johann Johansson

Advertenties

En toch ben ik protestant.

Echt gebeurd: vlak voor de kerkdienst wil de ouderling van dienst de Paaskaars aansteken. De kerk zit al vol. Hij loopt op de kaars af, klautert op de avondmaalstafel, strijkt een lucifer af en mompelt, hoorbaar voor iedereen: “Hè ja, gezellig!”  De avondmaalstafel als opstapje. Het licht van Christus als dinerlichtje.

Nee, dan de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk. Komt daar de ‘flow’ in, dan neemt ze je mee naar een werkelijkheid waar je alleen maar van dromen kunt. Juist het onuitgesprokene (sorry, Calvijn) schept openingen naar ‘het land van verlangen’. “Koninkrijk van God’, als je meer thuis bent in de Bijbelse termen.

Ik was ooit in de mis in een dorpje, hoog in de bergen van Zuid-Polen. Zulke details helpen je altijd om je bestaan in nieuw licht te zien. De priester daar had een merkwaardig zachte en tegelijk energieke stem. Hij had het brood geheven, de zon brak door. Hij had de kelk geheven. Het hield op met regenen. Voor de communie kwamen de mensen uit de banken. Sommigen stram van ouderdom, de akkers en het zware werk zat hen in de knieën, anderen kwiek en goed gekleed. Ze deelden allen hetzelfde brood. Dat aan hen werd gegeven. Ze stonden ervoor in de rij.

Je zag een nieuwe gemeenschap ontstaan, al was het maar voor dat moment. Waarin mensen hun plaats ontvingen. Magic happened. God was aanwezig, Bijbelse taal.

Ik vind dit één van de sterkste kanten van het christelijke geloof. Ik zeg “christelijk geloof”, omdat ik dit het beste ken. Dat verlangen. Naar een ander bestaan. Hier op aarde. Een verlangen dat in ons mensen geworteld ligt. Niemand wil onrecht. En tegelijk “van een andere kant” lijkt te komen.

Zo gezegd, zou je denken: word Rooms-Katholiek. Er zijn er, die dat een goede keuze zouden vinden. Ik heb er lang over gedacht. En bleef toch protestant. Waarom?

De kern van het Protestantisme is, of ik moet mij erg vergissen: dat jij persoonlijk je leven draagt. Dit heeft het bestaan in Noord-Europa en de Verenigde Staten gevormd. Wij vinden van onszelf dat wij verantwoordelijk zijn voor ons doen en laten. Wij vinden ook, in Nederland misschien nog wel meer dan elders, dat niemand ons kan zeggen hoe dat doen en laten er uit moet zien. Dat is een sterke, creatieve kracht.

Waar ook een prijs aan hangt: aangezien er geen normen van buitenaf bestaan waaraan je al dan niet kunt voldoen, weet je ook nooit zeker of je het goed doet.

Ik denk, dat het protestantisme dit goed heeft doorzien. De kracht van ons individu-zijn. Maar ook de angst van het individu-zijn. “Het verbijsterende oordeel Gods”, schrijft Calvijn neer. Je voelt de schrik: ben ik die ik moet zijn?

De Rooms-Katholieke Kerk biedt de gelovige deze troost: zij hebben in handen, waarvan de Protestant zegt dat het open blijft staan. De Kerk van Rome weet wat goed is en wat niet. En, meer nog, de Kerk van Rome heeft de inhoud van elk verlangen in handen.  Het geheven brood “is het lichaam van Christus.”

Ik wou dat ik het geloven kon. Dat iemand, de Paus, de Kerk, mijn buurman, wie dan ook, dat iemand mij zeggen kon: als je nu zus-en-zo leeft dan komt het goed. Ik kan het niet. Ik zie er de schadelijke kanten van: mensen zijn te veel-vormig om in een model geschoven te kunnen worden. Ze misvormen zichzelf als ze voldoen aan wat een ander zegt. Je kunt alleen maar doen, wat je doen moet. Van binnen uit. Aangevuurd. Aangejaagd.

En vertrouwen dat het zo goed genoeg is. Dat is een kunst. Vertrouwen dat je goed genoeg bent. Dat er geen eis is.

Daar heeft het Protestantisme wel een woord voor: “sola gratia”. Twee woorden: het is allemaal genade. Een geintje. Een glimlach.

Ik lach vriendelijk naar de ouderling, als hij terugkeert naar zijn stoel. Het is geen arrogante lach, hoop ik. Maar één die zegt: Goed, dat je opmerkte dat de Paaskaars nog aangestoken moest worden!”

Wij leven van verhalen.

Geloven is: verbanden leggen tussen verschijnselen. En daarmee je wereld ordenen.

Een vriend gaf eens dit voorbeeld: de sterrenbeelden die wij aan de hemel zien staan (grote Beer, kleine Beer) die zien wíj alleen. Mijn hond kijkt omhoog en ziet niks.  Maar mij is geleerd, of mijn hersens doen dat vol-automatisch, welke ster bij welke ster “hoort”.

We leggen veel meer verbanden. Zonder ophouden. Noem het een overblijfsel uit de prehistorie. Toen moesten we uit het ritselen van takken en blaadjes begrijpen dat er een bengaalse tijger aan kwam lopen. Misschien heeft het ook wel een andere bron, ik weet het niet.

Ik weet wel dit: wij ordenen de wereld. Uit ogenschijnlijk volstrekt toevallige dingen, scheppen wij een verhaal. En dat verhaal bepaalt ons handelen. En ons spreken.

De huizenmarkt trekt weer aan (dat is een feit dat je kunt aantonen). De President van de Verenigde Staten hield een opbeurende toespraak voor het congres (ook redelijk een feit). En wij smeden uit die twee dingen het verhaal: toen Obama een toespraak hield, verbeterde de huizenmarkt.

Of omgekeerd: de dollarkoers daalde, doordat Obama een zwakke reaktie gaf op Putin.

Het is een verhaal: niemand weet wat een zwakke of een sterke reaktie op Putin is. Niemand weet ook, of daardoor de dollarkoers daalde. En zelfs het dalen of stijgen van de koersen volgen geen ‘wetten van het universum’. Ook zij zijn menselijke verhalen.

Het verbaast mij dan ook, dat de Kerk als uitzondering wordt beschouwd.  In onze cultuur althans.

Wijd verbreid wordt gezegd: in de kerk geloven mensen, buiten de kerk zijn mensen rationeel.

Ik moet er altijd een beetje om lachen, als het niet zo verdrietig was.

Ook buiten de kerk wordt veel geloofd. Dat de vrije markt-economie goed is voor iedereen. Dat je moet bezuinigen op zorgkosten, als de economie niet sterk is. Dat het er überhaupt toe doet, of de economie sterk of zwak is.  Dat je je tijd goed moet bewaken. Dat we vakanties nodig hebben (hoe deed de Neanderthaler dat dan, vraag ik mij wel eens af). Dat millieuschade niet in het eindprodukt hoeft te worden doorberekend. Dat we uitkeringsgerechtigden goed moeten volgen. Of ze nergens misbruik van maken. Dat Nederland een land is, waarvan de grens achter Bad Nieuweschans ligt.

Wij drijven op onze verhalen.

De kerk is wel een uitzondering, maar dan op een ander vlak. De kerk legt de verbanden anders. Heeft andere prioriteiten. Voor de kerk is niets goddelijk. Niets dwingend. Niets bepalend. Niets, behalve het gebod van de liefde. Dat je zou liefhebben. (hoge dollarkoers of niet)

In Jezus hebben we heel specifiek beleefd wat die liefde betekent. En hoe ver ze gaat.  Dat was zo’n schok. Daar zijn we na tweeduizend jaar nog niet over uitgepraat.

Miskotte zei al, tijdens de Tweede Wereldoorlog, de wereld wordt beheerst door goden. Hij hoorde de goden van zíjn tijd marcheren door de straten. Maar zij zwijgen, zodra de God van Israël spreekt.

Tegenover de Liefde heeft niemand een weerwoord.