Job, Szymborska en God. G’d?

4f2999dc3299d_oVan ‘God’ moest ze niet zo veel weten. Vond ze het banaal worden, als “God” van alles de verklaring zou zijn? Het woordje “God” kan het onbegrijpelijke, grootse leven inderdaad ineen doen krimpen tot een klein, menselijk wereldje, waarin alles op zijn voorspelbare, want door Hem gewilde, plek staat. Veilig, ogenschijnlijk. Maar even saai. En, dodelijker nog, hanteerbaar voor de menselijke hand en het menselijk denken. Wislawa Szymborska, de Poolse dichteres, werd dagelijks overrompeld door het onverwachte en het onvoorspelbare. Dat is het verschil tussen leven en dood: in het leven is alles groter dan je dacht. En in elk geval groter dan ik zelf ben. Zelfs groter dan ik in mijn beste gedachten ben.

Na de middelbare school verdween het begrip “God” uit Szymborska’s leven. Het was niets dramatisch. Het was de erkenning van wat er voor haar altijd was geweest: dat de verwondering meer is dan de verklaring. In haar gedichten wilde ze de werkelijkheid eerder verwarren dan de werkelijkheid verhelderen. Ze wiegerde de veelheid terug te brengen tot ‘een idee’. Als iets je helder was, kon het wel eens zijn dat je het meeste over het hoofd had gezien. Je zag het niet goed, daarom leek het je zo helder.

Szymborska schreef een gedicht over Job. In haar typerende, prozaïsche stijl. ‘Het kon een werkstuk zijn van de middelbare school”, noteert iemand. Hij bedoelde het niet als een afkeurend commentaar. Mij valt op, dat zij in haar korte samenvatting van het hele boek noemt wat ik achterwege zou laten: het herstel van Job. Dat ongeloofwaardige einde – net zo schokkend als het begin met die duivel die door de hemelse hofhouding wandelt. Dat Job alles krijgt, wat hij eerder verloor. In dubbele aantallen zelfs. Ik vind dat slot pijnlijk. Alsof ooit kinderen te vervangen zouden zijn. Alsof er ook ooit maar iets “goed te maken” zou zijn.

Szymborska noteert, dat Job zich niet verzet. Hij buigt. Voor de Heer. Job laat het allemaal toe. “Job schikt zich. Job wil geen meesterwerk verknoeien.”

Ik moet heel wat lawaai in mijzelf tot bedaren brengen om deze zinnen toe te laten. Had Job niet met potten en pannen moeten smijten? De Heer heeft hem geen enkel antwoord gegeven!Had Job niet moeten schelden? Tieren? God vervloeken? Job was rijk geweest en alles, alles wat hij bezat was hem zonder enige reden afgenomen. Ik vloek tegen wat ik niet wil.

Szymborska zou naar mij glimlachen. Leer mij Szymborska kennen. Ze zou haar hoofd schudden. “Je probeert klein te krijgen wat te groot is.” zoiets zou ze zeggen. Origineler dan in deze woorden. Maar wel met deze strekking. Het leven is het leven. Het is veel groter. Het is een kunstwerk.

Ik heb de Nachtwacht niet kunnen schilderen. Ik heb nog geen madeliefje kunnen maken.

Leven: je kunt er alleen deel van uit maken en er van genieten. Het trekt zich immers niets aan van onze verwachtingen. Het trekt zich evenmin iets aan van mijn eisen. Soms kan ik een punt of een komma verplaatsen, maar scheppen kan ik niets. En lukte het mij een keertje toch, dan zou ik niet te arrogant moeten denken dat het mijn prestatie was. Ik had geluk. Het ongeluk week even. Het rolde naar mij toe. Ik kan niet anders dan zeggen: “God, was is het leven mooi.”

Uit de buiging van Job voor de Heer zoals dat door Szymborska wordt beschreven, zegt een commentaar, kun je twee dingen concluderen: of God is zichzelf genoeg en trekt zich niets van ons aan, of verwondering is de enige blijvend vruchtbare levenshouding.

Ik blijf voorlopig bij de laatste van deze twee conclusies. Omdat ik denk dat daarin, in de verwondering, iets groots aan ons gegeven kan worden.

De poëzie van Szymborska tintelt van G’d.

Verkort. 

Job, beproefd naar lichaam en bezit, vervloekt het menselijk lot. Dat is grote poëzie. Zijn vrienden komen langs, en terwijl ze hun mantels verscheuren, peilen ze naar schuld van Job in de ogen van de Heer. Job roept uit, dat hij rechtschapen is geweest. Job weet niet, waarom de Heer hem heeft getroffen. Job weigert met hen te spreken. Job wil spreken met de Heer. De Heer verschijnt op een wagen van stormwind. Vóór de man, open tot op het bot, looft hij zijn schepping: de hemelen, de zeeën, de aarde en de dieren, en Behemoth vooral, en Leviathan in het bijzonder, monsters, die baden in hoogmoed. Dat is grote poëzie. Job luistert – de Heer komt niet ter zake, want de Heer wil niet ter zake komen. Daarom haast Job zich om zich te vernederen voor de Heer. Nu volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. Job herwint zijn ezels en kamelen, zijn ossen en schapen, die tweemaal zijn toegenomen. Huid overdekt weer zijn blote schedel. En Job laat dit toe. Job schikt zich. Job wil geen meesterwerk verknoeien.

vertaling: Jeanine Verreecken

 

Mijn advies: Laat God los!

In de waarheid komen, kun je niet. Je zou verbranden. Waarheid is fel, eenduidig, vol consequenties en vol oordeel naar alles wat onwaar is. In zo’n zonnelandschap kan geen leven het volhouden. Of misschien is het zo niet. Is de waarheid niet te fel maar is de waarheid juist te diffuus. Zitten er aan haar te veel kanten. Je zou moeten kiezen, je bent zelf slechts één. Maar kiezend zou je de waarheid dan toch geweld aandoen. Linksom, of rechtsom, in haar hart kom je niet.

En dan toch: soms zegt iemand iets, dat zó rakelings langs de waarheid gaat, dat je haar bijna kunt zien. Je voelt de scherpte en de hitte. Je verstijft van binnen. En tegelijk slaat je hart een slag over: dit ongeveer moet het zijn.

De vrouw van Job – bijbelboek, een roman, een vertelling, een speurtocht naar wat deugt- roept haar man toe: “Ach man, laat God toch gaan!”. Dat is zo’n “bijna-waarheid-ervaring”. Die kreet van haar. Die oerroep. Ze wenst haar man een gelukkig leven toe, ze ziet hem tobben, ze ergert zich aan zijn getob; zijn leven zou zo anders kunnen zijn, zo veel gemakkelijker, als Job anders deed. In haar schreeuw gooit ze hem haar hele hebben en houden in zijn gezicht: haar verlangen, haar liefde voor hem, haar afkeer van hem, haar haat en haar wijsheid.  Hou toch op!

Er is wel wat aan voorafgegaan. Ook al zijn we pas in hoofdstuk 2. De Bijbel heeft altijd een geweldige haast. De boeken vertellen niet, ze ontploffen in je gezicht. Job was een vroom en verstandig man, zo wordt geschreven. Hij had goed geboerd bovendien. Hij was rijk. Hij had veel kinderen. Zonen vooral. Het is wel het middenoosten van ruim twee millenia geleden hè! En hij had een lieve vrouw. De duivel ziet het allemaal met lede ogen aan. Zo veel perfektie, dat kan niet echt zijn. Misschien heeft de duivel gelijk.

In elk geval gaat hij zijn beklag doen bij God. En God? Het is krankzinnig, maar God gaat mee met het voorstel van satan: als ik het Job nou eens moeilijk zou maken? Een ziekte hier, een sterfgeval daar. Eens kijken of hij dan nog zo’n mister Adorable blijft! Zo gezegd, zo gedaan. God vraagt nog wel, om Job zelf in leven te laten. Alsof de rest van de familie Hem toch niet zo aan zijn goddelijke hart gaat.

Dus sterven Jobs zonen, branden zijn schuren af en gaat zijn vee dood. Job, zijn vrouw en een stel vrienden blijven achter. En Job? Job blijft vroom, goed en wijs. Als altijd. Hij lijkt wel meer God dan die spelbeluste god daar in de hemel. Job blijft stoïcijns wie hij is. Met dit verschil: nu wil hij God spreken. Wat vanzelfsprekend was, tot nog toe, zal zich nu moeten laten zien. Kom op! Waar gaat het in dit leven om? Laat het nu maar helder worden.

Ik ben altijd weer onder de indruk van de rauwheid van Israëls verhalen. Deze mensen houden geen keurig betoog in een gelambrizeerde kamer bij een goed glas wijn. Ze vertellen een rotverhaal. Het is net het leven zelf. En grabbelen in die drab naar betekenis. Of, andersom, ze scheppen in die modder betekenis. Ze maken haar zelf. Want God laat het in het verhaal nogal afweten.

Eén van de direkteuren van het Rijksmuseum zei ooit over de portretschilderijen van Rembrandt: “deze mensen schijten.” Hij zei dat in aanwezigheid van koningin Beatrix, waardoor ik mij nogal geneerde. Maar de vorstin glimlachte vol aandacht terug, dus durf ik hier wel te parodiëren: de bijbelverhalen schijten. Ze ruiken naar echte mensen.

Leven in een voortdurend vragen naar waarheid – wat moet ik doen, wie moet ik zijn, wat moeten wij doen, wie moeten wij zijn- kost je veel moeite. Het is een snertvraag. Hoe zou je een antwoord krijgen in deze chaotische wereld? En dit is het gemene: des te intenser je de vraag stelt, des te harder klapt het idiote in je gezicht. Vorige week reed een vrouw door de stad. Ze moest onverwacht remmen voor iemand die in zijn onoplettendheid overstak. Ze bleef met het riempje van haar schoen aan het gaspedaal hangen. In een reflex trapte ze het pedaal in. Het verkeerde pedaal. U begrijpt hoe dit afliep. Slechter nog dan u denkt. Ze raakte in een slip en er stond een lantaarnpaal langs de weg. Die wereld dus.

Je zou kunnen zeggen: het gaat nergens over. Er is alleen maar idotie.

Je voelt de opluchting. Ik wel, tenminste. Nooit meer die zwaarte. Nooit meer de verantwoordelijkheid. Nooit meer dat gewichtige van “mijn leven”. Het gaat gewoon, stomweg zoals het gaat. Meer is er niet te zeggen.

“Zegen God vaarwel”, vertaalt Pieter van Oussoren. En ga zelf je eigen weg.

“En sterf”, vervolgt de vrouw van Job, van wie ik niet begrijp dat zij geen naam krijgt in het verhaal. Of het zou de naam moeten zijn die in de Bijbel bij voortduren verstop wordt als een Paasei.

In de waarheid leven kan niet. Zo erg niet, dat je soms zou willen dat onze cultuur de gedachte van orde, zin, betekenis nooit bedacht zou hebben.

En toch: het idee dat je er dichtbij zou kunnen komen. En dat je daar waardevolle dingen zou kunnen vinden. Opgetild zou worden, veranderd, verlicht van mijn part. Als je dat zou lòslaten. Tsja. Dan is het leven niet zo veel meer aan.

Dan kan je maar beter gelijk dood gaan.

Hoera! We hebben weer een rel. Maar kan het ook anders, alstublieft?

Als mijn buurman de indruk zou hebben, dat ik iets akeligs over hem zei, dan zou ik met een bos bloemen naar hem toe gaan. Ik zou hem vertellen hoe vervelend ik het vind wat hij heeft gehoord. Ik zou hem ervan verzekeren dat hij een fijne buurman is en dat ik blij ben dat wij naast elkaar wonen. Ik zou misschien een beetje overdrijven en hem complimenteren met de prachtige rozen in zijn tuin. Ik zou zelfs lichte ergernissen in hun tegendeel omdraaien. Ik zou zeggen, dat ik de wekelijkse autowasbeurt door mijn buurman zo verstandig vind: goed voor de carrosserie. En de hartelijke groeten aan uw echtgenote.

Alles voor de relatie!

media_xl_1064977Blijkbaar gelden deze menselijke overwegingen niet, als je kardinaal bent. Of als je Eijk heet. Hij wurmt zich deze dagen steeds dieper de confrontatie in. En waarom? Uit arrogantie? Domheid? Wereldvreemdheid? Mijn minder aardige “ik” denkt: “Als de eerbiedwaardige een echtgenote had gehad, was hij er vast niet zo gemakkelijk van af gekomen. Ze had gezegd: “eerst naar de protestanten en dan krijg je je lunch!” Zo schat ik echtgenotes in.

Wat is er gebeurd? Het Reformatorisch Dagblad had Eijk geïnterviewd. Het onderwerp ervan lag in een donker verleden: het concilie van Trente. Dat was de kerkelijke vergadering die een antwoord zocht op de revolutie die de reformatoren ontketend hadden. We zitten dus in de omslag van de zestiende naar de zeventiende eeuw. Vandaag leven we in de eenentwintigste. Gewoon, even gezegd voor het weten. De sindsdien tot stof vergane vaderen hadden uiteengezet, wat de kerkelijke leer van Rome wel en wat die leer niet omvatte. En, zoals dat hoort als je iets met duidelijkheid wilt neerzetten, ze hadden erbij gezet: wie dit niet gelooft is vervloekt! “Dat wil zeggen”, legde de kardinaal uit: “zij mogen geen deel hebben aan de sacramenten van de Kerk van Rome”. Nu waren de reformatoren en hun volgelingen dat toch al niet van plan, dus no problem. We kunnen elkaar een hand geven bovendien. In de Heidelbergse Catechismus staat met eenzelfde levenslust: de paapse mis is vervloekt! Het moet de goede God wel duizelen om al die vervloekingen over en weer.

Goed. Prima, dat Eijk dit uiteenzet. Hij werd er naar gevraagd. Hij antwoordde: wij zijn het niet met de protestanten eens. Nee, wij ook niet met de Rooms-Katholieken. Net zo nieuwswaardig als de constatering dat een koe geen schaap is. Maar Eijk dacht, of zei de interviewer het hem?- dat de protestanten er wakker van lagen. Dus verklaarde hij eerst: “die vervloekingen gelden nog altijd”. Tsjonge. En vervolgde (en hij bedoelde het als een handreiking): “maar ze zijn theoretisch.” “Want” en nu moet je even opletten, dit is even lastig: “ze betreffen alleen die mensen die de leer van bijvoorbeeld de transsubstantiatie bewust, zelfstandig en weloverwogen afwijzen.” Naar mijn gewoonte citeer ik hier geheel uit het eigen hoofd. Maar dit was wel de strekking. “En de meeste protestanten weten niet wat de leer van Rome is. Ze zijn als protestanten geboren, hebben nooit wat bijgeleerd, dus ja, dan kun je het ze nauwelijks kwalijk nemen dat ze niet zijn zoals wij.” Dus zijn ze niet echt vervloekt.

Nou, daar sta je dan als protestant. Onze vervloeking van de paapse mis geldt ook onverkort. Zelfs als de priesters niet helemaal weten dat ze het nu anders vieren dan wij dat doen. Welke handreiking kan ik de kardinaal doen? Nou, bijvoorbeeld deze: vijfhonderd jaar is erg lang geleden. Wetten van Meden en Perzen zijn niet te herroepen. Maar je kunt ze wel een beetje in hun eigen tijd gaar laten sudderen. Of te wel: vergeet ze en laat ze verstoffen.

Daar koos de kardinaal niet voor. Hij koos voor een andere oplossing. Hij zei:  “Ik vind je een grote sukkel, buurman. Maar daar kunt u verder ook niets aan doen.” En dan verbaasd zijn, als de buurman boos is. “Ik zei toch dat u er niets aan kon doen?”

De Protestantse Kerk heeft Eijk uitgenodigd tot een gesprek. Eijk komt niet. Hij vindt, dat hij fout is geciteerd, dat Trouw hem een loer heeft geleverd (gelukkig zijn er nog kranten in de Kerk geïnteresseerd! Kun je die altijd nog de schuld geven.) en dat hij de oecumene echt een warm hart toedraagt. Hij blijft thuis. Om het laatste te bewijzen?

Ik ben niet beledigd door de vervloeking. Het is zo lang geleden. We denken verschillend bovendien, dat kan niemand ontkennen. Ik ben er ook niet door beledigd dat Eijk haar stiekem weer onder het stof vandaan heeft gehaald. Ik vind het eigenlijk een beetje sneu voor hem, dat hij – of zijn kerk- vervloekingen nodig heeft. Ik vind het wel krenkend, dat hij ons afschildert als domme blondjes die uit onnozelheid protestant zijn. En dat hij ons ook als zodanig behandelt.

Dus Eijk: kom op, steek de Maliebaan over. Zeg dat u het verdraaid vervelend vindt, allemaal. Doe een beetje aardig. Gewoon, voor de relatie. Het Protestants Dienstencentrum is niet heel ver bij u vandaan. En ik weet nog wel een aardig bloemenzaakje bij u om de hoek.

Niets is goed. Dus is alles toegestaan.

Het maakt de zaak wel duidelijk. Je splijt de werkelijkheid in tweeën: het goede aan de ene kant, het kwade aan de andere kant.

Heel lang leken binnen de kerk de zaken duidelijk. Je had plaatsen die je wel bezocht -kerkdiensten het liefst, bijeenkomsten van de dameskrans- en plaatsen waar je niet kwam: het theater!, de gokhal! Mijn oma zat ooit met het hart in de keel van angst in een Hilversumse schouwburg: ze was naar een toogdag van de NCRV gegaan en had niet verwacht dat dít de plek zou zijn waar zij zou landen. Ze dacht: “Als de Heer nu terug komt en Hij zou mij hier vinden…!” Met een van narigheid omgedraaide maag verliet zij de zaal ver voor het einde van de dag.

brede_smalle_wegWaar werd de tweedeling aan ontleend? De schoolplaat van de “breede en de smalle weg” spookte door veel protestantse hoofden. Er was ook een rooms-katholieke versie, trouwens. Ging het terug op Augustinus? Hij schreef zestienhonderd jaar geleden  zijn opum magnus “Over het Rijk van God”. Hij beschreef daarin hoe het licht van God altijd weer wordt aangevallen door het duister. En ja, hij had wel gesuggereerd – wat heet- dat het licht het meest te vinden was in de Kerk. Maar hij had nooit bedoeld te zeggen dat het daar ongemengd te vinden zou zijn. En ook niet, dat er buiten de kerk alleen maar duisternis zou heersen.

Wie eerlijk is ontdekt dat er veel duistere zaken spelen, juist op zogenaamde plaatsen van licht. De socialisten hadden de scherpste ogen, als het om de kerk ging: zij zagen er de hypocrisie, de mannetjesmakerij en de eigendunk. De ‘christelijke kring’ had het zelf ook kunnen zien, als zij zich niet in zo veel eigenwaan had gekleed. Onder naam van het goede zijn er veel mensen afgeserveerd, beschadigd en gekleineerd. Terwijl in door kerken verafschuwde millieus mensen tot hun recht zijn gekomen, gesterkt zijn en gezien.

Maar het omgekeerde is al even waar: de kerken zagen hoe in socialistische kring mensen over elkaars rug naar de top probeerden te klauteren. Hoe ook daar mensen werden opgeofferd aan het grote ideaal. Dat had iedereen kunnen zien, als niet….

ach en dit zijn slechts twee, toevallige, kringen. Het is geen enkele kring anders. Hoerenkasten zijn geen poelen van verderf en kloosters geen hoven van heiligheid. Nee.

Goed en kwaad zijn als begrip wel te scheiden, maar lopen in de werkelijkheid volstrekt door elkaar. “Alles ligt onder de vloek van de zonde”, zou ik uitroepen, als ik zwaarder van taal zou zijn.

Wat betekent dat? Dat het niet zo veel uitmaakt waar je je beweegt. Dat het ook al niet uitmaakt wat je leest of bekijkt. “Niets wat de mond ingaat is onrein”, zegt Jezus. Of te wel: alles wat de mond ingaat is onrein. Het maakt niet uit.

Het maakt wel uit wat je er mee doet. Met welk oog lees je? Met welk hart neem je dingen aan. En – dat vooral- met welke handen deel je uit. Dien je het licht? Of dien je het licht niet?

En dan, ook dat weer niet al te zwart-wit oppakken. Met kwaad en goed is het namelijk zo: ze lopen ook in mij door elkaar. Nooit kun je helemaal zeggen: ik doe licht.  Je kunt ten hoogste zeggen: ik heb het gezocht.

En God doet er het Zijne mee. Met wat ik begon. Hij is wel helemaal licht, namelijk. Zonder enige schaduw van duister.

Schreeuwen tegen het kwaad.

Er is zeker is veranderd in ons temperament. Of ik moet met andere ogen kijken, dan ik vroeger deed. Ook een mogelijkheid: de media focussen het oog van hun camera op andere kanten. Mij grijpt de hardheid aan, waarmee mensen spreken. Over elkaar. Over wat anderen aanrichten. Over wat henzelf wordt aangedaan. Steeds keert die hoge, van verontwaardiging trillende stem terug.

Ik weet wel, je moet de Telegraaf niet lezen voor de nuance. Maar het lijkt wel, alsof het overal Telegraaf is: welke zender je ook opzet, welke krant je ook opslaat, welke website je ook bezoekt. We spuwen groen ons gal. We zijn ons gaan gedragen als de typische Telegraaf-cliché: de woede is niet in te tomen.

Ik krijg niet goed in de vingers, wat er gaande is. Zijn we minder goed bestand tegen het kwaad, den vroeger? Is het verlangen groter geworden naar een zuivere wereld? Of is het een frustratie: dat de wereld niet zo maakbaar blijkt als wij wel hadden gedacht.

Ooit hadden we het programma “Breekijzer”. Een jonge vrouw had haar borsten laten verkleinen. Een voor haar gezondheid nodige ingreep. Het was niet uit een bevlieging. Maar de ‘nieuwe borsten’ voelden – dat valt te begrijpen – niet als de hare. Ze vond ze niet mooi. Nog niet mooi? Ze wilde verhaal halen bij de chirurg. Storms, de programmamaker, liep het hele ziekenhuis door achter de betreffende chirurg aan en riep staccato: “Kijk, u heeft deze borsten verklooid! Hoe voelt dat!”.

Wie had Storms als rechter aangesteld? Kon hij de positie die hij innam wel waarmaken; is hij zelf een man van vlekkeloos gedrag?

Er lijken legers vol Stormsen opgestaan te zijn.

Soms denk ik:  de woede komt doordat wij het contact zijn kwijtgeraakt met het kwaad in onszelf. We lopen er aan voorbij. Kwaad, lijken we te denken, schuilt alleen in de ander. Vooral in de ander. Dus die moet worden aangeklaagd, uitgewist, kapot-gemaakt.

Wie zijn eigen stommiteiten onder ogen ziet, zal nog niet alles over zijn kant laten gaan. Maar hij zal ook begrijpen dat de ander door dezelfde duistere kanten wordt bewoond als hij zelf.

De laatste dagen horen we Groningers in het nieuws. Schreeuwend. Uiteraard. Zijn zij allemaal slachtoffer? Ja. Nee. Er zijn er met scheuren in hun huis. Er zijn er met angst. Er zijn er ook die geld willen zien. En opportunisten die hopen op geld. En mensen die amokmaken van nature.

Moet daarom de NAM of Kamps, of de regering daarom het gelijk aan hun kant krijgen? Nee. Er is veel fout gegaan. En onder het kleed geveegd. En verdraaid uit eigen belang, angst voor gezichtsverlies, economische dwang. Beslist.

Het helpt niet om je tegenover elkaar op te stellen. Alsof de een goed is. En de ander slecht. De NAM-directeur zal ook het goede willen. Of hij moet de duivel zijn. En die rol hadden we al aan een ander toebedeeld.

Wie weet van zijn eigen kwaad, zal een brug zoeken naar het kwaad van de ander. Om een oplossing te vinden. Een gezamenlijke weg naar voren.

Ik mis de bruggenbouwers en de zoekers. Ik zie vooral schreeuwers.

En die, die krijgen niets voor elkaar,  helaas.

En weer zo’n psalm.

Een dondergod rolt naar binnen, zodra je psalm 38 opent. “Stort uw toorn niet over mij uit!” Want uw hand weegt zwaar op mij. Uw pijlen doorboren mij.

Je vraagt je af, waarom je zo’n tekst zou willen lezen. En al helemaal, waarom je de woorden zou binnenlaten. Wie gelooft nog dat een god, welke god dan ook, tegen je te keer zou gaan? Welke grond zou er voor zijn, bovendien? Wat zou een god er bij winnen, als mensen gestraft zouden worden? Mensen winnen er in elk geval niets bij. Behalve bitterheid.  Mooier wordt geen mens van straf. Dacht ik.

IMG_20140115_155127Elke maand schuiven een paar mensen door de donkere avond naar een verlichte en verwarmde kamer om zich te buigen over de drieduizend jaar oude psalmen. Ze vinden er lang niet altijd een vriendelijk welkom. De gedichten doen geen enkele moeite om in de smaak te vallen. Ze doen geen handreiking en komen uit zichzelf niet zomaar dichterbij. De enige manier om contact te maken is deze: onbevooroordeeld luisteren. De psalm laten zeggen wat die zeggen wil.

Nou, voordat we zo’n welkom-thuis voor de psalmist zijn…!

En toch, elke keer verlaten we ons huis, doen de deur op slot en gaan op weg. Waarom? Om het geheim dat in deze woorden ademt. Er gloeit hier een liefde. Met de naam “Ik ben er”, of “Ik zal er zijn”. Of “Zoals ik er zijn zal, zo zal ik er zijn.” Zo iets.

Henri Nouwen heeft eens geschreven, dat er in ons een hunkering leeft om uit onszelf bevrijd te worden. Aangeraakt te worden. Opgetild uit onze beperkingen, pijnen en ‘de altijd opnieuw bewandelde vaste paden.’

Hoe dieper het verlangen, hoe dieper de worsteling. Werd ik maar: Ik die ik zijn zal.

Ik kom nu zelden verder dan: “Zo ben ik nou eenmaal.” Ik leef ééndimensionaal. Zoek daar, uit armoede, mijn tevredenheid in.

De psalmist is niet tevreden. Hij rust niet; hij jammert, smeekt, zwijgt, fleemt en begint opnieuw: Gij die zijt die Gij zijt!

We lazen gisteravond. Langzaam werden we meegezogen in de liefdesstrijd van deze schrijver. Hij gooit zichzelf leeg: mijn wonden stinken! De pijn is de enige metgezel! God, mijn God, mijn God.

Het werd bijna gênant, .. en toch.

“Durfden wij dat maar”, geeft Kees Waayman als commentaar. Wij zijn zo keurig, ingepakt en geschikt voor de burgerlijke consumptie. “Geef mij de gave van de tranen, god.” noteert Dorothé Sölle.

God, stort uw toorn niet over mij uit! Of misschien wel. Rammel mij door elkaar. Schop mij. Alles, als ik maar niet zo vastgeroest blijf. Niet zo onbewogen.

Kom met uw hulp, eindigt de psalm

en doe er niet te lang over.

Wat blijft.

Iemands positie wordt niet sterker, als je hem verdedigt. Eerder in tegendeel. Wie verdediging nodig heeft, zal – zo is de suggestie- een zwakte hebben. Er rookt vast iets. Anders was er geen vuur.

Daarom zwijgen is echter een slechtere optie, soms. Hoe krijg je de aanval uit de lucht? Niet door niets te zeggen, in elk geval.

hillesumJos Palm (Trouw, 11 januari 2014. Achter betaalslot, helaas) haalt ineens uit naar Etty Hillesum. Ze is, in zijn ogen, niet veel meer dan een nuffig wicht, dat beroemd werd door het navelstaren tot kunst te verheffen. Nee, gooit hij er nog achteraan: dan Anne Frank. Kijk maar naar de verkoopcijfers! Kijk naar de creativiteit van musical, film en toneel! En je ziet het direkt: Etty was een modegril. Een fenomeen uit de jaren tachtig. Ze bracht toen hulp aan het tobbende christendom en stelpte ons latente schuldgevoel over de Tweede Wereldoorlog: wij-waren-toch-niet-zo-slecht. Nu, dertig jaar later zien we wie ze werkelijk was: een figuur uit de Joop ter Heul reeks.

Need I say more? Karaktermoord, op z’n minst. Ik kan er niet veel tegenoverstellen, tegenover zoveel geweld. Behalve mijn roze handpalmen. Ik kan hier alleen maar vertellen, waarom Etty Hillesum enorme indruk op mij maakte. Toen, en nu nog. En dat dat niets te maken heeft met welk tobbend christendom of met welk oorlogsschuldgevoel dan ook.  Etty heeft een gaatje geboord naar de waarheid die ergens achter alles schuil gaat. En ze gaf mij de kans om daar doorheen met haar mee te kijken.

“Het denkende hart van de barak”, wat het eerste wat ik van haar las. Zoals bijna iedereen die van haar wist in de jaren tachtig. Want ja, ze is even “in” geweest. In bepaalde kring. Ik tobde, daar schiet Jos Palm ook al raak. Ik tobde over mijzelf. Had mijn aanwezigheid hier wel zin? Ik was begin twintig en had ontdekt dat ik niet veel anders ben dan een ander. “Et tu, Brute?!” had mijn ziel verontrust naar mijn ziel uitgeroepen. Ja, ook ik was een middelmatig mens.

Het waren de jaren tachtig. Veel gesomber omringde mij. Over de economie, over de moraal, over de tolerantie. Lelijke jaren, vond ik het. De felle Dolly-Dot-kleuren maakten het er niet beter op. Ik las veel. Ik las “Ik ben OK, jij bent OK” en meer van dat werk. Prachtig!Maar ik vond mijzelf niet OK.

Etty Hillesum raakte mij in haar kijken naar het kwaad. Dat het lelijke deel is van ieder mens. Er zijn, in die zin, geen goeden en geen slechten. We zijn allemaal met hetzelfde sop overgoten. Zo dacht ik ook. Maar hier vond ik het gefundeerd terug. Etty durfde dat ook nog te zeggen, toen zij door de nazi’s werd gearresteerd en op transport gesteld. Zij verschilde niet wezenlijk van de soldaten die haar bespotten. Schreef ze. Met een innerlijk oog.

En tegelijk, hield ze vast, kon je een verschil maken. Door lief te hebben. Juist door lief te hebben. Jouw onvolmaaktheid vraagt er om. Om liefde. Er is een scène waarin Etty Hillesum het uitzicht uit haar venster beschrijft. Uit het venster van de barak waarin zij gevangen zit. Westerbork, het zijn de oorlogsjaren. Ze schrijft hoe zij de blauwe lucht ziet en dat ze daar blij mee is. Want die lucht welft zich over alles heen. Over wie wij “de goeden” noemen, maar ook over die “de kwaden”heten. Over de daders, maar ook over de slachtoffers. Over allen dezelfde blauwte. Voor allen hetzelfde antwoord.

Vele honderden kilometers verderop schreef Dietrich Bonhoeffer woorden van gelijke strekking. Dat hij zich geen gevangene voelde. Dat hij zijn bewakers vaak als de gevangenen zag.  Zijn medegevangenen vonden zijn gedrag ‘koninklijk’. Ze zagen er een grote liefde in.

Mijn ziel dronk alle woorden op, als was ze dorstig geworden. Etty bevrijdde mij van mijn tobberigheid, mijn navelstaarderij. Ze zette mij op mijn plek: ik ben een mens als ieder ander. En die erkenning opent de weg voor barmhartigheid. Ze dacht, Etty, dat wij er waren, omdat God ons nodig had.

Dit zijn woorden die blijven. En ze zullen sterker zijn dan het etiket “modegril”.

God en de dood. Nee, God en het leven.

“Nou,waar geloof je dan nog wel in?”, vroeg ze. Haar woorden klonken als een pistoolschot boven de tafel. Iemand had gezegd, dat haar vader nog wel eens bij haar voorbij kwam. Dat op zich is geen verwonderlijke opmerking. Maar wel in dit geval: de bedoelde vader was al zes jaar geleden gestorven. Ze merkte het aan het licht, zei ze. De lampjes in de kamer gingen dan aan, of juist uit. Ik had er niet zo veel mee en merkte op, dat het wel rustig was om niet te geloven in een leven na de dood. Dan komt er ook niemand, goed bedoeld of niet, bij je spoken.

Overigens werd de vraag afgevuurd door iemand die zelf ook ‘nergens aan doet’. Niet aan officiële kerkgang, niet aan inofficiële geloofsgedachten en ook niet aan happinezachtige spiritualiteit. Maar blijkbaar was er wel dit beeld: als je gelovig bent, doe je aan de hemel. Of aan de hel. Of aan allebei desnoods. Maar in elk geval draait het om wat er ná de dood nog te beleven zou zijn.

Ik voelde me een beetje dom.

Gelukkig kwam er juist een schaal oliebollen voorbij, merkte iemand op “dat je wel spannende dingen miste als je dacht dat dood dood was”, er werd vervolgens gelachen en niemand dacht meer aan de knal er tussendoor.

Behalve ik dan, natuurlijk.

Ik lag er niet wakker van, dat niet. Hoewel? Moest ik niet de hemel verkondigen als aanlokkelijke prijs op een zedig en betrouwbaar leven? En de hel voor het geval je er met je pet naar gooide? Dat laatste zou mijn werkterrein wel enorm uitbreiden. Ik ken vooral mensen die het woord “G’d”  niet zien zitten.

“Waar geloof je dan nog in?” Nou, vooral in het leven vóór het laatste plakje cake. Hoe kostbaar het is. Hoe eenmalig. En hoe het zo uniek de vorm aanneemt van wie jij bent en van wat er in jou beweegt. Ik ben nog steeds verbluft dat de één opgewonden raakt als een envelopje van de postcodeloterij door de bus valt, terwijl de ander hetzelfde briefje ongezien in de kachel opstookt. Bijvoorbeeld. Twee mensen. Twee levens.

Maar ik zie ook, hoe smal de grens is tussen “jouw leven” dat jouw vorm draagt en “jouw leven” dat een copie is van denkbeelden van anderen. Hoe je je hoort te gedragen, hoe je je hoort te kleden, spreken, zingen, zwijgen, sterven. En welke keuzes je hoort te maken. Ik scheurde de Postcodeloterijbrief open, omdat mij in al zoveel reclames was toegeroepen hoeveel geld ik er wel niet mee zou kunnen verdienen.

Ik zie levens van mensen die nooit uit de verwachtingen van hun ouders zijn gegroeid. Ik zie ook levens van ouders die nooit zijn losgekomen van hun kinderen. Niet losgekomen van hun eigen verwachtingen, teleurstellingen, wonden, successen. Ze kwamen nooit in hun eigen leven.

G’d, dat woord, staat voor mij allereerst voor het diepe geheim van jou. En er is een woord voor omdat wij mensen zonder woord de ‘zaak’ niet ontdekken. De ‘zaak’ namelijk dat je je leven ‘vergooien’ kunt.

Sommige mensen zijn al dood, nog voordat ze werkelijk zijn gaan liggen. Omdat ze bang waren, geen risico’s durfden te nemen, nooit over zichzelf dachten in kansen, omdat…

Ach ja, soms ben ik zelf al dood. Vast in mijn beelden van mijzelf. Vast in wat ik deed, of juist naliet.

Op zulke momenten, hoop ik, geloof ik, dat een stem mij toeroept

“Kom, sta op en treed naar voren!”

die stem draagt het woord G’d

daar geloof ik heilig in.

De kindermoord en God.

opnamedatum: 2003-05-27Er zijn veel schilderijen van gemaakt, van de kindermoord in Bethlehem. Het is een aangrijpende geschiedenis van een koning die zich belachelijk gemaakt voelde en daarom om zich heen sloeg. ‘Alle kinderen van twee jaar en jonger moeten dood’. En de soldaten gaan op pad: het is een bevel tenslotte. Bij sommige schilders werd het een politiek pamflet, tegen de koningen van hun eigen tijd.

Maar God staat er nooit op.

Geen wolkje met een regisseur er boven in. Geen oog dat naar beneden kijkt. Niets. Als je God het meeste nodig hebt, is hij het verst van je verwijderd.

In Mattheus, hij is de enige die de geschiedenis opdient, komt God evenmin voor. Hij laat het werk door een engel doen. Die heeft het er druk mee. Hij, de engel, komt en gaat naar Jozef, de vermeende vader van ‘het kind’ en stuurt zo het verhaal. ‘Het kind’ ontkomt aan de slachting. Maar of God daar zoveel geloofwaardiger van wordt? Waarom zou de een omkomen en de ander ontsnappen? Het zou een cynisch dankgebed worden: “Heer, u heeft mij wel gered. Dank u.”

Mattheus stuurt zijn geschiedenis door citaten uit de schriften. “Ik heb mijn zoon geroepen uit Egypte” en “Te Rama werd een klacht gehoord” en tenslotte “Daarom wordt hij ook Nazoreër genoemd.” Dat laatste citaat komt uit een onbekende bron, trouwens. Niemand kan je zeggen waar het precies staat.

Toch, denk ik, gaat het verhaal om deze laatste woorden. En om de afschuwelijk schurende afstand tot God. Mattheus speelt een woordspel. Met de stad Nazareth allereerst. Hij had een appeltje te schillen met iedereen die Nazareth maar een dom gat vond. En dat waren er nogal wat. Tegen hen zegt hij: uit deze stad, het Spijkenisse van die tijd, zeg maar, kwam de Zoon voort! Dat is zijn eerste troef. De tweede troef is deze: hij speelt met het woord ‘nazarener’. Dat de Zoon ‘Nazarener’ werd.

Ja, daar moet ik dan nog iets bij uitleggen. Voor ons is het woord ‘nazarener’ zo dicht als een oude kluis. Voor de toehoorders van de evangelist was dat waarschijnlijk anders. Een nazarener was een mens die zijn leven wijdde aan God. Totaal. Helemaal. En daardoor aan zijn naaste.  Mensen rondom Mattheus keken er van op, zoals wij dat doen als iemand “Mandela” zegt.

Zo is het verhaal: in de verschrikking van de wereld roept een leegte. God zou er aanwezig moeten zijn. Dat vindt iedereen, gelovig of niet. Als God aanwezig zou zijn, zou het stoppen, de oorlog. De oorlog gaat door. Wie roept er nog “halt”, dan – als het God niet is?

De Zoon. Zo suggereert Mattheus. De ervaring van God-niet-ter-plaatse doet een appèl op jou.

Zo, een lang verhaal. Maar je zou het ook kort kunnen zeggen: vraag niet waar God is. Vraag waar jouw plaats is.

Jij maakt het plaatje compleet.