Psalm 73

 

Het werd een gesprek over politiek. Over macht. En geweld.

Hoe je er je tanden op kunt stukbijten dat de brutalen de halve wereld bezitten. Met een grote mond kun je je blijkbaar alles veroorloven.

Het werd een gesprek over Trump. We vroegen ons af: “Waarom kan niemand die man stoppen? Zelfs als hij de ene dag het ene zegt en de volgende dag het tegenovergestelde, blijft het hele politieke bedrijf gewoon doorgaan.”

“Ik hoorde hoe hij een stadion vol Amerikanen ophitste over de vluchtelingen uit Latijns-Amerika.”, merkte een van ons op. “Hij riep tegen de massa: “Dus wat zijn zij….?” En de massa krijste terug: “A-NI-MALS!”

We lazen de psalm kort na de Kristallnachtherdenking. We vielen stil.

De gedachten dwarrelden wat neer, iemand van ons hernam het gesprek. “Is het eerlijk dat we zo spreken?”, vroeg hij: “Ik bedoel, hoe hebben wij blanke Europeanen ons in de geschiedenis opgesteld? Hebben wij niet óók gedaan alsof de wereld van ons was?” “De mannen en vrouwen uit Afrika die wij als slaaf verkochten?” “De Indianen in Noord- en Zuid-Amerika hebben vermoord?” “Wij deden toch ook, alsof dat allemaal kon? En alsof er geen god is die het ziet of merkt?”

Psalm 73 spreekt over mensen die “hun mond in de hemel zetten” en “wier tong op aarde rondgaat”.  Ploert en schender, noemt Huub Oosterhuis ze wel in andere psalmteksten.

Er is een slag volk dat leeft ten koste van een ander. En wie zegt, dat wij dat slag niet zelf zijn?

Vanzelfsprekend was dit gesprek niet. Vroeger (vroeger?) werd het gedeelte over de mensen-die-schadelijk-leven nooit gelezen. “We zongen eigenlijk alleen maar over de hemel waar we naar toe gaan en hoe fijn dat is.”

Psalm 73 was, dankzij knip- en plakwerk, ooit ontdaan van zijn actualiteit, zijn aardsheid. Het was een lied geworden dat bezingt hoe de vrome naar de hemel gaat.

Het lot van heel de kerk. Als tegenbeweging op weg gegaan, dwazen van de Heer die geloven in de zachte krachten, in zegenen en delen, als proeftuin van Gods werkelijkheid begonnen: een hoekje op de aarde waar we in elk geval probéren om het anders te doen. Geen ploert te zijn. En geen schender. Ooit bedacht als spiegel: hoe ploertig ben ik zelf?

Ooit – is de kerk geworden tot een “spiritueel genootschap tot verbreiding van zielenzaken”. Ik zeg het maar eens zo. Ik hoop dat je het herkent. De kerk als een groep : geïnteresseerden in wonderlijke zaken. Ga je na de dood naar de hemel? Ja/nee.

“De Kerk moet zich niet bemoeien met..”, hoor je soms zeggen. Niet met vluchtelingen, niet met geld, niet met economie, niet met verdeling van rijkdommen, niet met politiek, niet met het aardse leven.

Psalm 73 roept ons tot de orde: de kerk moet zich er wel mee bemoeien! Het is haar kern. Een thuis te zijn voor vreemdeling en wees. Voor mensen van elke taal, elke kleur, elke afkomst en van elke toekomst.

“Ik was bijna uitgegleden”, zingt de psalmdichter. Uitgegleden over wat? “Over de gedachte van ‘trek je er niks van aan’, en over de gedachte van ‘doe maar net als ieder ander.’

De kerk doet niet als ieder ander. Zo zou het niet moeten zijn. Ze doet als de Heer.

Het werd een gesprek over politiek. En over macht

En zo moet het zijn, voor wie psalm 73 leest.

In zijn geheel.

 

Advertenties

Wie dient, blijft.

 

Goed. We kunnen een nieuw streepje zetten bij de column “populistische presidenten”. Na de Filipijnen, Polen, Hong Kong, Hongarije, de Verenigde Staten, heeft nu Brazilië óók zijn sterke man: Bolsonaro.  Opnieuw klinkt hetzelfde wapenarsenaal: ons land het eerst, weg met het uitschot, lang leve de familiewaarden, handel voorop, ons ras het beste. Hetzelfde offensief klinkt: wij worden bedreigd, aangevallen, vergeten, bedrogen, in de luren gelegd. Hetzelfde wondermiddel: ik ben degene die jullie nodig hebben. Ik los alles op.

Overal waren het christenen die met enthousiasme de populistische kandidaten steunden. Overal poetste de kerken de schoenen van de sterke mannen (mannen! Ja! Steeds weer.) En de mannen koketteerden op hun beurt met de sterke mannen van de kerken, bisschoppen, predikers, evangelisten. “Brazilië boven alles en God boven allen”, riep Bolsonaro. God als parel boven op zijn regering. Als stempel van goedkeuring. Macht die macht bevestigt.

Ik huiver. Ik heb het gevoel in het verkeerde kippenhok terecht te zijn gekomen. En ik begrijp het niet: die ogen die gaan stralen wanneer de macht “aan ons” gegeven wordt. Dat geloof in “eindelijk (eindelijk!) iemand die schoon schip gaat maken”.

Alsof schone schepen kunnen bestaan zonder mensen te slachtofferen. Sterke mannen willen vijanden. Zullen vijanden vinden. Bedenken desnoods. En ze zullen niet rusten, totdat hun vijand weg zal zijn. Om dan het spel opnieuw te beginnen.

Prawo i Sprawiedliwosci, de Poolse regeringspartij, die haar pijlen richt op “communistische krachten” en daarmee bedoelt: iedereen die democratisch, Europees, liberaal, niet-roomskatholiek is heeft te vrezen. Victor Orbán in Hongarije die tegen vluchtelingen kettert. Trump die onverbloemd anti-semitische taal uitkraamt “allen betaald door Soros zullen moeten verdwijnen”. Die stadions vol mensen laat schreeuwen dat de vluchtelingen “kakkerlakken” zijn. Trump: “Wat zijn zij?” Tribunes, kolkend in hun antwoord: “Kakkerlakken!”

Bolsonaro die èn anti-semitisch is, èn anti-feministisch, èn anti-LGTB, èn…… en de christenen dansen op de straten. Eindelijk een vent aan het roer.

In het Bijbelboek Samuel staat een intrigerend zinnetje over koning Saul. Dat “hij boven alle manschappen uitstak” namelijk. Hij is het toonbeeld van een leider. Iemand die weet hoe het moet. Willem Barnard tekent daarbij aan: maar het is de vraag op wie hij het meest lijkt; “op de farao van Egypte of op een knecht des Heren.” Daarmee raakt Barnard aan een van de kernpunten uit de Bijbelse geschriften. Wat geloof je? Wat volg je?

Egypte, Babel, Fenicië – alle volkeren rondom- geloven de macht. Opgelegde, uitgevoerde macht. Maar voor Israël zou het anders moeten zijn. Dienstbaarheid zou hun leidraad moeten zijn.  Niet omhoogkijken, maar naar beneden kijken. God, de God van Israël laat zich niet gebruiken als sieraad op het hoofd van de sterke man. Hij is die woont onder de verworpene, de weggestuurde. De verdrevene. En die blíjft vragen: de wees, de weduwe, de vreemde, de vluchteling, de andere – wat heb je voor hen gedaan?

Ishwarbai Patel was een Indiase activist. Hij overleed al in 2010, maar deze week stond er een in memoriam van hem in de krant. Hij was zijn leven lang betrokken op de sloppenwijken van zijn land. Zo bouwde hij er twee miljoen toiletten. Hij zei eens: “De rijken van ons land kijken neer op de inwoners van de sloppen. Zij noemen hen crimineel, opvreters, de schande van de natie. Maar in feite zijn de sloppenbewoners het kapitaal van ons land: ze werken hard, ze kosten weinig, ze verbruiken weinig, ze zijn de basis van de rijkdom aan de top. We zouden hen moeten koesteren” Ishwarbai sprak de taal van de verbinding. Niet van de verdeling. Hij vernederde niemand, hij eerde de ander.

Danste er maar eens iemand voor hem. Voor mensen zoals hij.

Ik dans vandaag voor hem.