De vraag, de plek, de vrijheid

 

(preek gehouden tijdens de Pride-dienst op 4 augustus 2019 in de Keizersgrachtkerk

schriftlezing: Johannes 4)

 

Ik wist heel goed hoe het bij mij zat

Dat wist ik al sinds Waldolala

Het voor zijn tijd opwindende televisieprogramma

Jaren zeventig, ik was elf. Twaalf misschien.

 

Dat er veel blote vrouwen te zien waren

Daar had iedereen het over

 

Maar ik

Ik vond het niet zo veel

 

Mijn moeder liep ook wel eens bloot, tenslotte

 

Nee, mannen!
die moesten ze maar eens laten zien

 

Dat leek mij nou opwindend.

 

Maar toen ik dat op het schoolplein zei

Tegen de jongens die daar met hoog omslaande stemmen

Tegen elkaar stonden te roepen bijna

 

Viel het gesprek stil

Er was maar één zinnetje nodig

 

eentje

 

Een met neus ophalen uitgesproken:
Gatver, je bent toch geen homo?

 

En ik voelde me beschaamd

Vies

Raar

 

Gemáákt

 

Ik begreep: dit zeg ik dus nooit meer.

 

**

 

Wie nu precies die vrouw is

Bij de put

 

Weten we niet

 

We horen haar náám niet eens

 

We horen alleen dit:

Ze heeft vijf mannen gehad

En de man die ze nu heeft is haar man niet

 

Zes mannen

Daar raken wij niet meer erg van overstuur

 

Maar voor haar

In haar leven

Is het blijkbaar een issue

 

Een verzwegen issue

 

Iets wat brandt in haar

 

En gesuggereerd wordt

Door Johannes, de schrijver

 

De mensen in de stad

Moeten haar daarom niet

 

Gatver

Jij toch niet

 

Elkaar schaamte aandoen

doodt

 

Je kijkt wel gauw uit

Om je te melden

 

En het gekke is:

Je voelt haarfijn aan

Wanneer je je mond moet houden

 

Je ziet de blikken

Je voelt het oordeel

 

Je wéét wanneer je de hand van je vriend moet loslaten

Wanneer je beter niet kunt zeggen dat je transvrouw bent

 

Beter jezelf beschadigen

Dan dat anderen het doen.

 

***

Ik weet niet , waarom Jezus vraagt

Haal je man eens

 

Ik weet wel

Dat hij met die vraag

Al het zwijgen doorbreekt

En aan de vrouw het leven terug geeft dat haar ontnomen was

 

Soms zijn er van die intuïties

Dat iemand, zonder misschien zelf te weten

Precies

 

Die ene vraag stelt

Die jou uit elke beklemming bevrijdt

 

Bij mij was het de lerares wiskunde

Zij zei op een hele gewone woensdagmorgen

Na de les

 

Als je dat wilt, kun je altijd bij mij komen om te praten

Dat weet je he

 

Dat wist ik

Maar ik durfde niet

 

Ik vond school onveilig

Ik was bang voor de gevolgen

 

Het is een wonder

Dat de vrouw

Rustig

Tegen

 

Jezus zegt

 

Ik heb geen man

 

En het is een wonder

Dat Jezus háár dan weer antwoordt

 

Ja, dat is zo.

 

Geen enkel oordeel

 

Alleen aanvaarding

 

Ja, dit ben jij.

 

***

Wat heb ik er naar verlangd

Dat iemand dat zou zeggen

Jij bent homo en dat is okej

Jij bent jij

 

En wat was ik er bang voor

Dat iemand mij de vrijheid terug zou geven

 

Wat was ik bang voor wie ik worden zou

 

Wat was het een gevecht

 

Verlangen

Willen

Niet willen

Bang zijn

Klem

**

 

Vanouds

Waren het de cafés

 

Met hun humor

Hun ruimte voor verdriet

Hun gekkigheid

En hun liefde

 

Waar dit alles tegen elkaar gezegd werd

 

Je wilt wel

Je durft niet

 

Je kunt wel

Al denk je van niet

 

Waar men de moed kreeg

En de ruimte

 

Om te zeggen

Maar ook om te proeven

En te doen

 

Wie men was

 

Café Het Mandje op de Zeedijk

Of vandaag Club Church

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder trots hervond

 

Afgenomen trots terug pakte

 

Begreep: er is niets om mij voor te schamen

 

Het was in de Stonewall inn

Dat ieder de kracht terug kreeg

Om zich niet in een hoek te laten drukken

 

En zich nooit meer in een hoek te laten drukken

 

Nooit meer een stap terug

 

Wat is gezegd

Kan niet meer worden ontzegd

 

Dit zijn wij

Hier zijn wij

 

En jij zal mij niet meer krenken

Trots.

Je zou willen dat de kerk

Ook zo’n plek was

 

Hier ben ik.

 

Is de naam van God

Notabene

 

En dat de kerk

Bij monde van haar dienaren

Zou zeggen

 

Ja,

Hier ben jij.

Welkom in de mensenfamilie

 

Er zijn kerken

Waar dit zo is

 

Uiteindelijk vroeg een predikant aan mij:

Wat wil jij nu eigenlijk?

 

En ik riep uit

 

Ik wil dat er van mij gehouden word

En ik wil van iemand houden

 

Ik wil van een man houden

Ik wil mijn verlangens volgen

 

En de predikant antwoordde

 

Ja, dat is wat je wilt

 

Die dag draaide

Mijn leven om

 

Ik ging naar buiten

 

En ik zou

Vanaf die dag zeggen

 

Als er naar werd gevraagd

Zeggen

 

Ja, ik ben homo

Heb je er iets op tegen?

 

Jouw probleem.

 

Het zou nooit meer worden: mijn probleem

Het is niet mijn probleem

De liefde is de grootste gave in ons leven

Het mooiste

Het ontroerendste

 

***

De vrouw rent terug naar de stad

 

Ik voel met haar mee

Wat een feest van vrijheid

Zij in zich voelt

 

Ze stormt de stad binnen

En zegt

 

Ik heb iemand ontmoet

En die heeft

Gezegd

 

wie ik ben

 

Zou Hij niet de messias zijn?

De heelmaker?

 

De genezer?

 

En de mensen luisterden naar haar

Ze luisterden

Naar

Haar.

.

 

*

 

Eindelijk was zij geworden

Wie zij is

 

En geen mens neemt haar dat meer af.

 

Niemand

Ooit.

 

Ik wens de kerk toe

Genoeg kan lachen

 

Ik wens de kerk toe

Dat zij genoeg van tranen weet

 

En genoeg van liefde

 

Om te begrijpen

Te aanvaarden

Te omarmen:

 

This is me

Yes this is you

 

This is my life

Yes this is your life

 

**

 

Als de kerk die plek niet kan zijn

Of niet wil zijn

 

Dan gaan wij maar beter naar de kroeg

Daar worden tenminste

 

De echt slechte grappen verteld

 

amen

 

 

Valse hoop bestaat niet.

Het is een nuttig woord gebleken voor allen die tegen een verruiming van de asielwet zijn: valse hoop. Neemt iemand het op voor vluchtelingen, dan is dit stopbord gauw neergezet. “We gaan ze halen”, de actie van Rikko Voorberg om naar de vluchtelingenkampen in Griekenland te reizen, kreeg het te horen: “Jullie geven valse hoop!” De kerkdienst in de Haagse Bethelkapel. “Valse hoop!”  De inzet voor vluchtelingen uit Azerbeidjan: valse hoop! Voor vluchtelingen uit Armenië: valse hoop!

Een mooi woord om de ander weg te zetten als dom en naïef.

Volgens mij kun je de valse-hoop-troefkaart alleen inzetten bij wanneer iets groter is dan jijzelf. Een arts die weet dat je niet meer geneest, geeft valse hoop als hij het tegenovergestelde beweert. Je zegt: “Ik zal voor altijd bij je blijven.”, terwijl je wéét “ik hou niet van je”,  dán geef je valse hoop. De werkelijkheid is onbuigzaam, maar jij doet alsof je toch met je handen buigen kunt.

De asielwet is niet groter dan wij. Hij is geschreven door ons. Elke wet is door mensen bedacht. Uitzonderingen zijn niet te maken, wellicht. Maar iets anders bedenken kan natuurlijk wel. Het waren geen goden die zeiden: trek grenzen en houd mensen daarmee van elkaar gescheiden.

Wanneer de bedenkers van de wetten zeggen: “Geef geen valse hoop!”, dan verschuilen ze zich. Achter hun verantwoordelijkheid. Ze doen alsof er geen keuze is. Alsof het nu eenmaal zo is dat wij hier wel mogen wonen en zij niet. Alsof ook vanuit het universum gegeven is wie “wij” zijn en wie “zij”. Het zijn stuk voor stuk ontwerpen die wij zelf hebben gemaakt. Waarvoor wij dus verantwoordelijkheid dragen.

De enige goddelijke wet die ik ken luidt: heb lief. De wees, de weduwe en de vreemdeling. Wees gastvrij. Getuig van de hoop die in u is. Geef niet op.

Met die wet begint een avontuur. Vol vragen, waarop het antwoord pas gegeven wordt, zodra het gegeven wordt. Wie komt er dan bij ons wonen? Dat weet je pas als je het weet. Hoe wordt ons land dan? Dat weet je pas als je het weet. Wat ìs gastvrijheid? Moet dan iederéén hier komen? Wanneer zeg je dan nee?

Misschien kan een staat niet met deze openheid leven, maar als wij dat nou zelf wel zouden kunnen?

Met verbazing hoorde ik de afgelopen maanden dominees zeggen: die kerkdienst in Den Haag – als het nou allemaal mislukt, hoe beëindig je die dan? Waarom wel dit gezin en geen ander?

Ik dacht: dat zijn nou precies de vragen van het geloof. Je weet het niet.

Inmiddels weten we het wel. Hoe het is afgelopen. Het is een beetje gemakkelijk om nu mijn gelijk binnen te halen. Zo van “zie je wel?”

Het is ook te vroeg om mijn gelijk binnen te halen. Ik ben er nog helemaal niet gerust op. Wat gaat Harbers doen? Schuift hij de zeshonderd “schrijnende gevallen” vooruit? Wacht hij totdat we even niet opletten? Stuurt hij ze tijdens onze zomervakantie alsnog het land uit?

De VVD voorzegt “een nu echt keihard en radicaal asielbeleid”. Om te beginnen, nemen we volgend jaar 250 minder asielzoekers op.

Ik protesteer daar nu alvast tegen. Ik begin mijn éénmans-actie “Valse Hoop!”. Want als er één ding is gebleken, ook buiten het geloof, dan dit: valse hoop kan soms zomaar echte hoop blijken te zijn. Omdat het mensenwerk is.

Elizabethsknuffel

Ik heb hem gezien, de knuffel van Elisabeth!
Lucas schrijft er zo ontroerend over. In zijn evangelie. Hij tekent Maria in haar haast om over de bergen te komen. Ze is zwanger, Maria. Ze is nauwelijks veertien, vijftien jaar. Een kind. Een meisje. Zwanger.

En geen vader bekend.

Al vanaf het allereerste moment wordt er over haar gezegd: zal wel een slet geweest zijn. Ze zal wel met de soldaten meegegaan zijn. Ze zal haar geld wel horizontaal verdiend hebben. Ze zal.

Het is niet moeilijk om vrouwen te vernederen.

Vernederen is nooit moeilijk. Je ziet iemand die anders is dan jij en je barst in een spottende lach uit. Je dolt wat. Je zeikt de ander af. Jij bent de held. De ander voelt zich vies. Ongewenst. Niet de moeite waard.

Bergen zijn niet alleen maar verheffingen in het landschap.

Maria haast zich. Naar Elisabeth. Ook zíj is in zwanger. Maar geen veertien meer. Eerder zestig. Zij weet van spot. Hoe je iemand kan afbreken. “Moet dat nog, op háár leeftijd?” “Dóen zij het dan nog?”

Wie heeft toch ooit vastgelegd, dat gepest moet worden wie van de norm afwijkt? Wie bepaalt de norm eigenlijk?

Elisabeth ziet Maria aankomen. En zegent haar. Elisabeth zegent Maria: jij bent de meest gezegende vrouw onder alle vrouwen, zegt ze. Een zegen van Abraham geeft ze door. Aan hem werd gezegd: jij bent de gezegende onder de volkeren. Elisabeth omarmt Maria en Maria groéit. Wordt Maria. Al zóu zij met een soldaat gevreeën hebben: zij is een gezegende vrouw. “En”  vervolgt Elisabeth kordaat: “Gezegend is de vrucht van je schoot!” Dat je niet dacht dat er reden tot schaamte zou zijn. Jij zult een prachtige moeder worden van een prachtig kind.

Dit weekend verscheen de Nashvilleverklaring. Honderd dominees (allemaal man, allemaal in een zwart pak, stel ik mij voor) ondertekenden een verklaring waarin zij nog maar eens uitdrukten dat zíj de norm zijn. Norm van mannelijkheid. En dat zij dus ook wel even de norm van vrouwelijkheid kunnen bepalen. Hun seksualiteit is hoe het hoort: één man en één vrouw. Wij verklaren, zeggen ze veertien keer. Wij verklaren dat iedereen die normaal is bij God hoort. En wij wijzen af dat iedereen die eigenaardig, anders, vreemd, scheef, krom, raar of typisch is óók bij God zou horen.

Het is niet moeilijk om mensen te vernederen.

Mensen eren. Verhogen. Doen stralen. Dat is de kunst.

Ik heb hem gezien, die Elisabethsknuffel. In de indringende serie van Margriet van der Linden. “How to be gay”. Een Syrisch journalist, vluchteling, vertelt hoe hij is gemarteld. “Omdat ik homoseksueel ben”.  Ze (mannen, zwarte jurken) hadden het op zijn computer ontdekt. Margriet was stil. Ze keken uit over een heet en kaal Libanees landschap. Een vliegtuig vloog over. “Ik heb al zo vaak gedroomd dat ik er in zou zitten.”, zei de journalist. Ogen verscholen achter een zonnebril. “Dat je in dat vliegtuig zou zitten?”, vraagt Margriet. De man begint te huilen. Margriet doet een stap naar hem toe. Ze slaat haar arm om hem heen. Samen kijken ze het vliegtuig na. Hoop, een klein beetje hoop wordt geboren.

Zo. En nu denk ik dat ik erg aan een groepshug toe ben.

God kleineert niet. God maakt groot.

Dat zong Maria al.

Waarom ik christen ben.

Het is een mysterie, uiteindelijk. Dat ik christen ben, daar ligt een heel fijn web aan ten grondslag van oorzaak en gevolg. Van een vrome oma en een geboorteplek op het westelijk halfrond. Van deze ouders, deze kerkelijke gemeenschap, deze leider van de zondagsschool. Een web dat wordt opgebouwd uit mijn behoeften en verwachtingen. Mijn antenne en mijn weerstand.

Waarom ik Nederlander ben, kan ik je ook niet helemaal uitleggen. Of man. Of wit. Of met schoenmaat 46.

Ik kan wel zeggen waarom ik mij ermee verzoend heb. Christen-zijn is één van die attributen die in mijn rugzak blijken te zitten. Sommige heb ik eruit gegooid. Sommige probeer ik mijn leven lang er al uit te gooien. Sommige keren hardnekkig weer. En sommige zitten er en daar ben ik blij mee.

Dat ik ermee heb ingestemd Nederlander te zijn komt, heel plastisch, door Beatrix. Haar plichtsopvatting. Haar blik op de samenleving. Haar poging om in de waarheid te leven, raakten mij. Als Nederlander-zijn betekent: ik probeer de ander te begrijpen, ik probeer ruimte te scheppen ook voor wie ik niet begrijp, ik probeer samen te leven. Dan wil ik wel Nederlander zijn. Vooruit. Maar goed. Ik zou dan ook een heel beroerde Spanjaard zijn. Ik hou niet van inktvis.

Dat ik christen wil zijn dat komt, al net zo plastisch, door Jezus. Zijn schuld. Hij is zo’n droomman. Niet om te hebben, maar om zelf te zijn. Ik denk dat dit mij als kind al emotioneerde: Jezus neemt geen ruimte in ten koste van. Maar hij geeft ruimte. Ten bate van. De ruimte die hij inneemt is tegelijk een ruimte om te delen. Legio zijn daarover de verhalen: er zit een bedelaar langs de kant van de weg. Hij roept en schreeuwt. Dat doet hij al jaren en niemand hoort hem meer. Maar – en dan worden de evangelisten ineens heel precies- Jezus staat stil. En hij hóórt de man. Hij keert zich om. En hij vraagt: Wat kan ik voor je doen?

Vier keer een wonder. Ik weet zelf hoe je opleeft, wanneer iemand je uit de massa wegvraagt en jou ziet. Niet iemand ziet, maar jóu.

En dan gaat het huppelen in mijn hoofd. Dus als ik het goed begrijp word ìk zo gezien. Want, grote stappen snel thuis, zoals Jezus zó God. En God, nog een keer grote stappen, dat is de waarheid over het bestaan. Dit is de waarheid: ik doe er toe. Als ik roep, word ik gehoord. Ik ben geen grijze muis. Dat is één.

En twee: je kunt zelf ook zo worden. Nou ja – nee. Ingewikkelder: zo zul je nooit worden. Het is daarom geen ramp als het je niet lukt. Het zal je niet lukken. En toch is het zinvol om te streven. Woonplaats van een ander te worden.

Het moderne seculiere geloof is: jij bent het centrum. Zorg voor jezelf. Jij werkt ervoor. Het komt jou toe. Het is van jou. Jij bepaalt. Je bent je eigen baas.  Het is allemaal waar. Maar als dit de enige toonladder is die wordt bespeeld, is het helemaal níet waar. Als wij allemaal het centrum zijn, wie zorgt dan nog voor de rest? Wie luistert er dan naar wie? Wie vangt dan wie op?

Het zegt bovendien niet hoe wij mensen in elkaar steken. Ik geloof (maar ja, geloof…) helemaal niet dat wij mensen zijn geboren om voor onszelf te leven.

Dan maar liever de andere kant: er wordt voor jou gezorgd, zorg jij evenzo voor de ander.

De belofte is dat als we dat doen, zo – met al onze fouten en falen en mislukkingen erbij, de wereld goed en mooi zal worden.

En daar ben ik blij mee.

Alleen die schoenmaat nog van mij.

Kan daar nou niet iemand wat aan doen?

Die ene die niet verzoop.

Het is een afschuwelijk verhaal. Dat van Noach. Al die mensen die verdrinken. Al de beesten die omkomen. Gustave Doré zwelgde er in zijn tekening bijna in. Ik kan dit Genesis-verhaal nooit losdenken van de tientallen mensen die ik op de Zuid-Hollandse eilanden hoorde vertellen over de stormvloedramp van 1953. Hoe zij de wind onder de dakpannen door hadden horen ratelen. Het verwaaide klokgelui. Hoe mensen angstig op zolders waren gekropen. Het water dat brullend en ratelend over het land was gespoeld, tegen huizen aan, over schuren heen. Hoe het voordeuren had geramd. Kamers en gangen in bezit had genomen, langs trappen omhoog was geklommen. Zou het nog hoger komen dan de slaapkamers? Het kwam hoger. Nog hoger dan de vliering met haar vluchtelingen?

Noach is een verhaal van angst en vernietiging. Het vertelt hoe mensen zelf angst en vernietiging zaaien.

De laatste jaren kan ik het verhaal niet meer lezen zonder te denken aan de terroristische aanslagen. De aangrijpende beelden, ooit van de vluchtende mannen en vrouwen in de straten van New York, de vallende mensen uit de Twin Towers. De vele beelden die daarna volgden, van uit elkaar gescheurde warenmarkten in Bagdad, kapot geschoten mensen op een Parijs terras, een gewonde vrouw op een kapotte stoel op Zaventem.

Ik lees het verhaal niet meer zonder de vele ingezonden brieven, facebook-berichten, politici die roepen om wraak. Wraak op de vernietiging. Tegen-terreur moet er komen. Weg met alles wat vreemd en anders is. Weg met allen die een bedreiging lijken. De wens om de tsunami met een tsunami te stoppen.

In het verschrikkelijke verhaal staat Noach. Zijn naam is als een ogentroost. Hij bouwt een schip. Het is een hachelijke onderneming. Een schip, dat net zo goed een doodskist zou kunnen worden. In het hebreeuws staat dat er zelfs met zo veel woorden. Die ark deelt zijn woord met dat van een lijkkist. Noach doet een poging een nieuwe weg te vinden door het kwaad. Dat is een innerlijke drang. Hij moet die weg vinden omdat hij moet. Van binnen uit. “Het is de stem van God”, zeggen dan de bijbelse geschriften.

Die nieuwe weg is de weg van de vrede. Dat had de verteller al verklapt door Noach Noach te noemen. Zijn naam betekent vrede. Troost, zo u wilt. Zijn weg is er een van: ik verwelkom, laat binnen, ik bewaar, behoed. Voor zo ver ik kan. Er is een prachtig détail in het verhaal: als Noach en zeven anderen in het avontuur zitten met al die dieren om hen heen, moet iemand het luik dicht doen. Het toegangsluik van het schip.

Maar al die mensen buiten dan? Al die dieren buiten dan?

God doet het luik dicht.

Er zijn dingen die ik kan. Er is nog veel meer dan ik niet kan. Laat je niet verlammen door wat je niet kunt. Doe wat je kunt.

Jij kunt een Noach zijn.

Sinds een jaar kan ik het verhaal van Noach niet meer lezen, zonder de stem van het kleine jongetje in Parijs dat zegt: “Maar zij hebben wapens. En zij schieten ons dood.” Zijn vader knuffelt het kereltje en zegt: “Maar wij hebben kaarsen. En wij hebben bloemen.” “En dat houdt hen tegen?”, vraagt het jongetje bezorgd.  “Ja”,  zegt de vader, fluisterend nu: “dat houdt hen tegen.”

Hij bouwde een ark voor onze ogen.

En God? God raakt zó onder de indruk dat Hij besluit het geweld niet met geweld te keren. God besluit: ik schep weer een nieuwe dag

en nog één

en nog één.

Om de mensen die de vrede durven te bevaren.

Wow, waarin zit Arjen Lubach nou weer verstrikt?

Als we goed zouden doorrekenen, had de meester beloofd, dan zouden we aan het eind van de middag “De Reddertjes” gaan kijken. Op TV. Met een video-recorder. Het waren de jaren zeventig en toen deed je dat zo. Grote opwinding in de klas! “De Reddertjes”! De sommen waren gauw gemaakt.

Ik herinner mij het verhaal van de tekenfilm niet meer. Het was iets met twee muizen en een meeuw. Ik herinner me nog wel dat ze ergens op een gegeven moment in een mandje zaten, die muizen, en dat mandje, op zijn beurt, hing daarbij onder de nek van de meeuw. Ze droegen alle drie kleren, trouwens. En ze konden praten. Ze gingen iemand redden, denk ik. Daar zal de titel wel van zijn.

Ik was tien of elf. Het was mij inmiddels wel duidelijk dat je pratende muizen niet in de werkelijkheid van de sommen zou tegenkomen. Niet als je met de blik van de wetenschap zou kijken. Er bleven genoeg vragen over bij het rekenen: als tien plus tien twintig is, welke tien bedoel je dan? En waarom deze tien? Ik bedoel tien peren is toch andere koek dan tien stuks fruit of tien schepen vol graan. De vraag echter: kunnen muizen praten, hoorde daar niet bij. Ik vermoed dat ik toen a heel goed begreep waarom niet.

Ik geloofde de film van A tot Z. Ik accepteerde de muts van muis Bianca moeiteloos. Ik geloofde in de leren cap van de meeuw. Niet omdat ik toen nog een kind was – ik geloof er vandaag de dag nog in- maar omdat er iets werd verteld dat alleen op deze manier verteld kan worden. “De Reddertjes” was een film over vriendschap, vertrouwen, kracht, en het rotsvaste weten dat wie goed doet goed zal ontmoeten. Ik weet het verhaal niet meer, maar de boodschap kwam wel over. Juist door de vreemdheid. Keek ik beter. En zo.

Goed. Enfin.

Gisteren sprak Arjen Lubach met Gert-Jan Segers. Over godsdienst in de openbare ruimte. Het gesprek vond plaats in een gebouw groter dan de menselijke maat: in de Pieterskerk in Leiden. En wat beweerde Lubach daar onder die eeuwen-oude gewelven? “Als je de fantasie loslaat, waar blijven we dan?” Nee, we moesten ons enkel en alleen op wetenschappelijke feiten baseren. Punt uit. Klaar.

Klaar? Nee. Helemaal niet klaar! Zijn uitspraak galmde nog lang na in mijn schedelpan. Waar zouden we zijn als we de fantasie loslieten? Maar mijnheer Lubach: wij léven van de fantasie!

Nee, correct: tien plus tien blijft twintig. En een leeg plein kun je niet vol mensen fantaseren. Dat zijn sprookjes. Touché.

Maar na de feiten, komen de interpretaties. En die kunnen niet anders bestaan dan dankzij onze fantasie. Gaat u even mee? Mijn identiteit, om maar ergens te beginnen, is een vrucht van fantasie. Van de verhalen die ik over mijzelf vertel. En anderen natuurlijk. Zonder die wisselwerking gaat er iets fout. Als mijn verhalen niet rijmen met de verhalen van anderen over mij, word ik narcist. Losgezongen van andere mensen in elk geval. Nog iets: dat de economie stijgt, omdat de president van Amerika gelachen heeft, of dat de dollar in elkaar zakt omdat de president van Rusland gehoest heeft- producten van onze fantasie. Of wou u beweren, dat het goddelijke wetten zijn die de koers van de dollar bepalen? De dollar zèlf: onze fantasie. Een papierworm ziet er toch echt iets anders in.

Vrede, ook een fantasie.

Verzoening,

heelheid,

liefde-

ach ja, de liefde. De liefde is wel de grootste fantasie van alle. Verliefdheid, zeggen de nucleair biologen is een product van hormonen, feromonen en voortplantingsdriften. Verliefdheid, zeggen de psychologen, is een product van het gat in onze behoeften.

Maar wat zegt onze fantasie? Liefde, aaah, de liefde is een roos, is een roos, is een roos. Is een roos. Zij is een geschenk. Ze tilt ons op tot waar we thuis behoren. De liefde maakt ons mooi. Mooier nog dan we waren.

Wat valt te leven, denk je? Leef je met feromonen (mag ik, uuuh, mag ik even achter je oren ruiken of uuh, of de jouwe overeenstemmen met mijn feromonen?). Of leef je met “aaaaah, aaaaah, jij, jij,  enkel jij”?

Arjen Lubach kon niet begrijpen hoe je onderwijs kunt toestaan waarin “een onderwijzer eerst zegt dat tien plus tien twintig is en vervolgens vertelt dat er een man uit een grot kwam gekropen en dat die god is”.  Mijn god, Lubach! Is dat wat je te zeggen hebt over het christelijk geloof? “Een man die uit een grot kwam gekropen en die is god”?  Hou dan je mond, zou ik zeggen.

Okay. Ik ben niet kinderachtig. Zelfs al zou het zo zijn “de man uit de grot is god”.  Dan nog. Dan nog. Begrijp je dan niet dat ìn dat verhaal de grote dingen verborgen zijn die we in de rekensommen niet terug kunnen vinden? Leven, namelijk? Een interpretatie die alle dingen ten goede keert? Juist ook, wanneer de rekensommen van je eigen leven een beetje in de min uitvallen.

Nee, je lijkt het niet te begrijpen. Jongen toch.

Bevrijd je, uit je benarde visie, Lubach. Of zoals Segers notabene, als dàt geen fantasie is, tegen je zei: “Twijfel eens wat vaker”

Ik weet nog wel een paar muizen die je erbij willen helpen.

Geloven in tijden van ellende.

Of ik er ook wat aan heb, aan het geloof, nu het allemaal even minder leuk is. Die vraag wordt wel gesteld, ja. Of je steun vindt aan God. Aan de gedachte dat Iemand je nabij is. Anderen kunnen het soms zeggen: “Als ik mijn geloof niet had, ik zou nergens zijn.”

En ik?

Heb ik er wat aan?

Hebe Kohlbrugge reageerde kort en een beetje kregelig: “Nooit!”, toen haar gevraagd werd of zij God ook had ervaren in het concentratiekamp. Ze vond het een soort ontkenning van de verschrikkelijkheid van het kamp. Alsof het een prettiger oord wordt, als je “God ervaart”.

Ze had een ander verhaal te vertellen.

Ik weet niet, of ik Hebe’s “Nooit!” zomaar zou herhalen. Ik ervaar de verwondering over het leven. Dat het er allemaal is en dat ik het mee mag maken. Dat ik het goede meemaak en dat ik het kwade meemaak. Het ene is niet uitzonderlijker dan het ander. Het is beide uitzonderlijk. De kans dat ik was geboren was praktisch nul. Ga maar na: als mijn oma een andere opa had getrouwd… en haar oma, en die haar oma, en de oma van die oma. Ze trouwden precies zó dat ik geboren werd. Ik kan er niet over uit. Zo bijzonder.

Dat is wel iets van een godservaring. Die mij draagt en troost en kracht geeft.Alles is veel groter, fascinerender en fantastischer dan je denkt.

Maar het is uiteindelijk ook niet míjn hele verhaal.

Laat ik hier beginnen: geloof is geen ‘verbandtrommel voor mindere tijden’. Soms wordt het wel zo gevoeld: “toen ik het moeilijk had, was God bij mij”. Ik haper bij die woorden. Daarvoor is het beeld van het verdronken kind te sterk. Hij had het veel moeilijker dan ik het ooit zal hebben. Was God dan niet bij hem? (Ja, zullen sommigen zeggen: God was bij hem in zijn dood, maar dat vind ik te gemakkelijk. En te moeilijk tegelijkertijd. God had dan ook wel in zijn leven kunnen zijn. Toch?)

Er is nóg een reden waarom ik het niet zo zou zeggen: het grote verbod in wat wij het Oude Testament noemen. Het verbod op huisgoden. Even iets over hen, over die huisgoden: zij zijn uitermate handige figuren. Ze beschermen je tegen diefstal, roofoverval, blikseminslag, plotselinge sterfte van kinderen, tegen alles eigenlijk. Je zet ze dagelijks voedsel en gebeden voor: en hup! zij gaan voor je aan het werk. Security Service. Especially made for you.

Zo is de God van Israël niet. Hij is géén huisgod.

Hij is er niet om mijn kwalen te verhelpen.

Wie is Hij dan wel?

Hier komt mijn verhaal. Ik geloof niet, omdat ik denk dat het leven daardoor gemakkelijker wordt. Ik geloof niet om het zelf gemakkelijker te hebben. Ik geloof evenmin trouwens dat ik het moeilijker heb doordat ik God trouw wil zijn. Om Augustinus te parafraseren (een gelovige uit de vierde eeuw): ik geloof niet om een beloning te ontvangen, ik geloof ook niet om een straf te ontlopen. Ik geloof, omdat ik overtuigd ben van de juistheid van het Verhaal.

Het Verhaal van God.

Dat het namelijk niet gaat om veiligheid, maar om recht. En om het herstel daarvan. Ik geloof dat het juist is om te leven voor de ander. Om je leven in te zetten voor anderen. Om het weg te geven.Om het uit te delen als zaad.

En ik geloof dat, om dàt leven voor elkaar te krijgen, het nodig is om te verlaten wat je hindert: mijn egoïsme, mijn hardheid, mijn ik-gerichtheid.

Ik geloof dat het juist is – en het enig juiste- om ruimte te scheppen voor het wonder van de ander. En om achter te laten wat mij daarin hindert: mijn ergernis aan de ander, mijn angst voor de ander, mijn haat jegens de ander.

Het Verhaal van God is het verhaal van: er zijn altijd mannen en vrouwen onderweg geweest naar een betere wereld. Zij hebben zichzelf als water gegeven voor de groei daarvan.

Nu ben ik geen Sint Fransiscus. Had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben geen moeder Theresa, had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben ik. Maar ik geloof wel, dat God – en daar komt Hij dan- dat God het mij gééft om opener, eerlijker, ruimer te worden. Meer te worden zoals Hij.

Mijn leven wordt verbonden met Zijn Verhaal. Dat is de draagkracht en de spankracht van mijn bestaan. Ik geloof dat ik naar het juiste streef. Ook al lukt mij dat nog lang niet. Ik zit wel in de goede film, zeg maar.

Henri Nouwen heeft eens gezegd: “Het is niet van betekenis hoe lang je hebt geleefd. Het is van betekenis wat je hebt geleefd.”

Daarin helpt “mijn geloof” (dat helemaal mijn geloof niet is, maar het geloof van zovelen duizenden voor mij, na mij, en om mij heen) mij: het geeft mij inhoud aan dat “wat”. Inhoud aan”wat” ik leef.

Ook in beroerde tijden.

Sodom en Gomorra: het was de homoseks niet.

Nee, Sodom en Gomorra (hier) zijn niet de steden van de homo’s. Alle brieven, preken, e-mails en tegenwoordig zelfs messengerberichten ten spijt die dit wel beweren. God keerde de steden niet om vanwege homoseksuelen.

Ik zal je niet proberen te overtuigen met het argument dat in de tijden van de bijbelschrijvers seks tussen twee mannen of tussen twee vrouwen als een abjekte abberatie werd gezien – terwijl wij nu anders kijken; wij begrijpen dat er een gevoel, een harteklop, een verbondenheid in schuil gaat die niet veel anders is dan die tussen man en vrouw. Ik ben er wel van overtuigd dat het zo is: Paulus had geen idéé van zoiets als seksuele geaardheid. De Genesisschrijvers evenmin: hoe zouden ze kunnen. Pas de negentiende eeuw deed deze ontdekking: dat het niet om verdorven moraliteit gaat maar om liefde.

Niet iedere bijbellezer wordt door dit argument overtuigd. Dat is een feit, al betreur ik die.

Ik zal je ook niet lastig vallen met de gedachte: “dit zijn verouderde teksten.” of “dit is de wet”.  Ik deel die argumenten niet. De afspraak bij bijbelteksten is: we nemen ze serieus. Omdat wie leest, er van uit gaat dat er wijsheid te vinden is in deze woorden. Op z’n minst. En op z’n meest: dat jou, terwijl je leest, een werkelijkheid tegemoet komt die wij het kortst “God” kunnen noemen.

Ik hoef je niet te overtuigen dat het in Sodom en Gomorra niet om homoseksualiteit gaat. Het zijn de bijbelse geschriften zelf die het je voorzeggen. Eerder in Genesis wordt melding gemaakt van de zware zonden van de steden. Dat de ernst daarvan is doorgedrongen tot in de hemel. Beide steden deden de wereld schudden op hun grondvesten. Hun namen gaan als een grote afschrikking door de profeten. Jesaja noemt ze, Jeremia noemt ze. “Word niet omgekeerd zoals Sodom en Gomorra!” Doe niet wat die steden hebben gedaan. Maar wat deden zij dan?

Ezechiël vertelt het ons: de steden waren rijk, de inwoners aten hun brood met trots, maar was er een arme, dan boden zij geen hulp, was er een weduwe dan reikten zij niet hun hand, “zij bleven”, zo vertaalt Pieter van Oussoren “op veilige hoogte” (hier)

De steden waren arrogant. Op zichzelf gericht. En dáárom stortten zij ineen. Ze waren al dood, zeg maar, terwijl ze nog leefden.

Jezus zegt: “Ze aten, ze dronken, ze plantten, ze verbouwden, kochten en verkochten” (hier). Wij zouden parafraseren: het was één en al consumentisme. Maar dat er ook nog iets te dóen was in het leven. Voor een ander. Dat er überhaupt antwoord te geven was – dat ontging de Sodomieten ten volle.

Geen woord over seks. Laat staan over homo’s.

Wat staat er dan in  Genesis 19? Als we van dichtbij gaan kijken, blijkt dat het hele homoverhaal op één werkwoord vastzit: “opdat wij die mannen te grazen nemen”, las ik ergens. Jada in het hebreeuws. Het werkwoord betekent in bijna alle gevallen: nauwkeurig leren kennen. En in een aantal – niet onbelangrijke- gevallen betekent het werkwoord: seks hebben. De Statenvertaling zegt mooi, dat Adam Eva bekende. Ook daar staat datzelfde werkwoord: jada.

Willen de mannen hier wel allemaal seks? Van jong tot oud? Dat zou wel heel kras zijn. Het lijkt me ook niet aan de orde. Wat de stad wil is dit: laat die mannen naar buiten komen, dan kunnen wij eens flink uitzoeken wie zij zijn, waar zij vandaan komen en wat ze hier eigenlijk moeten, in die stad van ons. De stedelingen sluiten zich op in hun eigen identiteit die zij als superieur beschouwen. Zíj hoeven zich niet te verantwoorden. Dat moeten die vreemdelingen maar doen.

Bijbels de-wereld-op-zijn-kop, blijken de vreemdelingen Gods aanwezigheid te vertegenwoordigen. Zij zijn engelen van God. Maar dat weten die mannen niet!

En Lots poging dan om de stedelingen tot bedaren te krijgen door zijn eigen dochters aan te bieden? John Boswell deed een uitgebreide studie naar stadsoproer in rurale samenlevingen en kwam tot de schokkende slotsom: dreigende opstanden werden standaard met vrouwen geblust.

Dat is een gruwelijke conclusie, maar rechtvaardigt niet de gedachte “Lot vond het minder erg als de mannen i.p.v homoseks, heteroseks zouden hebben.”

Ik hoop dat het (al even verschrikkelijke!) verhaal uit Richteren 19 een absoluut nodige correctie is op de gedachte dat vrouwen wel ingezet zouden mogen worden voor de stadsvrede. In dat boek, in dat hoofdstuk wordt verkrachting verafschuwd en afgewezen.

Dus, lieve dreigbrievenschrijvers. God liet zijn toorn niet dalen over de “homo’s in de steden Sodom en Gomorra”.  U leest echt niet goed. God toornde over de harteloosheid van de stad, over de vreemdelingenhaat. En over de arrogante weigering om veiligheid, onderdak en brood te delen.

Daar zou ik nou wel eens een brief over willen schrijven: over onze harteloosheid. De harteloosheid van Europa die de wereld op zijn grondvesten laat schudden.

Desnoods anoniem.

 

Twaalf dagen. Niet twee.

Zo, de ergste hitte van het feest hebben we weer gehad. Mag ik er dan nog even op terug komen? Op kerst? Er zit me namelijk iets hoog. Dat iedereen veel te veel haast heeft.

Gisteren zal ik al weer kerstbomen buiten op straat liggen. “Gelukkig, dat hebben we achter de rug.”, zeiden ze. Ik las, dat in Amsterdam het dagelijkse bestaan zelfs Tweede Kerstdag al weer door holde: alle winkels open, de stadsreiniging veegde al weer, de toeristenindustrie draaide op volle toeren. Geen geduld, we moeten door. Twee dagen: we vinden het genoeg. We vinden het te veel.

Breaking news voor allen dan: kerst duurt niet twee dagen. Het feest telt twáálf dagen. Twaalf? Ja, twaalf. En als je een echte hardliner bent, kun je doortellen tot veertig dagen: tot aan twee februari. Ik ken iemand die de kerstboom na Pasen nog had staan. Maar dat was uit gezelligheid, en dat is iets anders.

Kerst, de christelijke variant daarvan, heeft in wezen niets met gezelligheid. Voor een dominee is dat ieder jaar opnieuw een heel gedoe. Het midwinterfeest is gezellig. Kerst is dat niet. Of zou het niet moeten zijn. Niet allereerst.

Wat zingen de christelijke kerstliederen? Ook de meest zoete? “Wereld, verloren in schuld”, “kyrië- eleis”, “Hij daalde neer van ’s Vaders troon.” En het scherpste: “Maar wie dit kindje kussen wil

En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,

Om in het volgende couplet nog meer de bitterheid van het leven op te zoeken

en daarna met Hem sterven,
om geest’lijk op te staan
en ’t leven te verwerven,
gelijk Hij heeft gedaan.
Bij de kerstkalkoen is het moeilijk sterven. Of er moet iets mis zijn geweest met het recept.
De kerstliederen hebben beter begrepen waar het om gaat, dan veel kerstsfeer voor waar wil hebben: dat er nood is, dat er schuld is, dat er pijn is, dat deze wereld geen paradijs is. En dat daar een roep van uit gaat. Dat het lijden van mensen om een antwoord roept. Om een heling, een aanwezigheid. Dat het niet mag verdwijnen zonder gezien of gehoord te zijn.
G’d antwoordt: Ik zal er zijn. Ik zal horen, ik zal zien, ik zal dragen
Je leest het in Lucas. Over de nacht, waarin herders waakten (prachtig beeld: er zijn mensen die de nacht doorstáán). En over Bethlehem, de stad die Huis van Brood heet. Wat is het brood? Het kind dat zich geeft.
G’d daalt af tot onder de planken van het wereldtoneel, schreef Oepke Noordmans ooit. Dat er draagkracht is, waar je dat niet dacht. Dat jij dus kunt zijn waar je dat niet had gedacht. Dat het misschien wel onze roeping is om dáár te zijn waar niemand zijn kan. Wat het ons ook kost.
De eerste twee dagen van kerst komen we daar niet zo aan toe. We scheppen een eigen hemel van vriendschap en familieliefde. Dat is niet niks. Maar het is niet kerst. Het is een vluchtheuveltje tegen de wereld. Ernst Daniël Smid zei op de radio: ‘even alle zorgen opzij’ Derde kerstdag zijn de zorgen er weer.
Dus zul je er toch iets mee moeten. Wat je weg werkt komt later met grotere kracht terug.
Tweede kerstdag leest de kerk de geschiedenis van Stefanus. De man diende mensen en volgde de Heer. Hij beleed dat het licht van Christus schijnen kan en schijnen zal. Hij werd gedood. Zijn naam betekent “Overwinningskrans”.  Wat? Overwinningskrans. Waarom? Omdat hij het juiste had gekozen.
Op vierde kerstdag leest de kerk de verschrikkelijke geschiedenis van de moord op honderden kinderen in Bethlehem. Omdat Herodes, de koning, bang was zijn macht te verliezen. Zo ver kan een mens dus zinken. Het lezen van de geschiedenis is al ruimte scheppen voor G’d. En willen horen naar al die plaatsen waar nòg kinderen het onderspit delven. Aleppo, Sierra-Leone, Bolivia. Dichterbij: als kinderen worden verwaarloosd, mishandeld, misbruikt.
Op de zevende kerstdag leest de kerk uit Romeinen 3. Het felle stuk over onze dood. Wij zijn het die deze wereld maken zoals die is. Wij verwaarlozen kinderen. Het zijn niet de aliëns onder ons die keer op keer oorlog bedenken.”Maar”, vervolgt Paulus: “buiten elke regel, redelijkheid en logica om (nomos) is nu de Heer verschenen.” Ondanks het duister is ook, altijd, het licht. Omdat er duister is, zal er ook altijd licht zijn.
Op 1 januari, achtste dag van kerst, leest de kerk over de besnijdenis van de Heer. Zijn toewijding aan de G’d die zegt: “Ik wel”.  “Op mij kun je aan” De toewijding snijdt. In ons.
Op de twaalfde kerstdag, 6 januari, leest de kerk over de magiërs. Magioi in het Grieks. Mensen die het leven in eigen hand willen houden. Zodra zij het kind op het spoor zijn, verdwijnt in de tekst (je vindt het in het Mattheus-evangelie) die aanduiding. Ze kunnen dan nog maar één ding: knielen.
Kerst gaat over: G’d die verschijnt.  Kerst vraagt: dat ook wíj verschijnen. Niet ontkennen. Niet wegduwen. Toelaten. Verstaan. Ja, zeggen.
Laat het feest daarom ook alle twaalf dagen duren. Al was het maar vanwege die laatste zin uit de Mattheuslezing: “door een droom gewaarschuwd, keerden zij niet terug naar Herodes, maar zij volgden een nieuwe weg.”
Nieuwe wegen vinden gaat niet zomaar in een dag.

 

In de waarheid te leven

zeist-580x260

 

Een paar honderd oudere, enigszins sjiek in het donker geklede mensen kwamen gisteren bij elkaar in de pure, witte kerk van de Broedergemeente in Zeist. Aan het Zusterplein. Ze gedachten Hebe Charlotte Kohlbrugge. Zij stierf vorige week in de leeftijd van 102-jaar.
Vóór in die kerk staat geen altaar. Zelfs geen avondmaalstafel. Meer een keukentafel, eigenlijk. Op een verhoging. Met een grote stoel er achter. Daar zit de voorganger, de hele dienst lang. Wonderlijk genoeg gaf het de samenkomst de sfeer van een vergadering met notulen, raadsverslagen en een voorzitter. Dat past wel bij Hebe, dacht ik. Haar verjaardagen waren ook altijd iets van “bijeenkomsten van het commandocentrum” geweest. Het moest wel ergens over gáán. De situatie in Midden Europa. Het engagement van haar verjaardagsgasten. Ze wilde het weten en vroeg je naar het hoe en het wat. Daarbij onthield ze je haar commentaar beslist niet. Maar ook haar meelevendheid hield ze niet verborgen.
“Een leven in de waarheid”, zo zei een van de voorgangers over haar. Als jonge vrouw was ze au-pair geweest bij een neef van Churchill. De eigenlijke Churchill was nogal tegen gevallen “een ouwe brompot” noemde ze hem eens. Zijn neef was onder de indruk van Duitsland, het waren de jaren dertig, want dáár gebeurde iets nieuws, iets sociaals. Heel anders dan het duffe, nuffige Engeland. Hebe wilde “dat heerlijke” wel meemaken en reisde af naar Nazi-Duitsland. “Maar het heerlijke bleek afschuwelijk te zijn”, zo liet ze de predikant voorlezen uit haar levensgeschiedenis. De Broedergemeente vraagt aan elk van haar leden om een levensbeschrijving te maken voor het geval dat…
Zo ook Hebe.
Het trof mij opnieuw. Een jonge vrouw in Duitsland en zíj zag wat miljoenen nog niet konden of wilden zien. Zou ik het hebben gezien? Ik weet het niet. “Waarom u wel?”, zoiets vroeg een interviewer haar een paar jaar geleden. “Dat weet ik niet.”, had zij geantwoord: “Dat weet alleen de Lieve Heer.”
Gisteren probeerden we de Lieve Heer het antwoord te ontfutselen. Hoe kon Hebe haar leven lang zo scherp zijn op recht en rechtvaardigheid? Was het haar karakter, haar overgrootvader, haar onaangepastheid? In de oorlog werkte zij in de illigaliteit (Oh, wat had zij een hekel aan het woord verzetsstrijdster, zei de dominee), ze werd gearresteerd en naar kamp Ravensbrück gedeporteerd. Na de oorlog bouwde zij in opdracht van de Nederlandse Hervormde kerk aan nieuwe bruggen met Duitsland. Nog weer later zocht zij dissidenten op in Tsjechie, de DDR en Roemenië. Hilarisch en indrukwekkend is haar relaas over de zoektocht naar Vaclav Havel in de jaren zeventig, toen het regime hem ergens had weggestopt. Uitgezet uit Tsjechië, reisde zij er unverfroren weer heen. Er was een vriend in nood. Anderhalve meter hoog en “zonder luister of gestalte” werd gisteren mooi gezegd. Maar daar kwam ze aan. En vònd Havel.
Dat is het grootste wonder.
Wat was dat? Ze vond haar drijfveren in het Johannesevangelie, werd verteld. Dat de waarheid je vrij maakt. Dat Jezus de waarheid is. En dat, wie uit de waarheid is, naar Zijn stem luistert. Het evangelie maakt je vrij van alles wat vanzelfsprekend is. Wat je zo op het oog niet ziet. Wat je als onder “een verstikkende deken houdt”, woorden van Hebe. Wie vrij is, is niet bang. En wie niet bang is, ziet scherp.
En dan waren er ook de mannen als Karl Barth, Oepke Noordmans, Miskotte, Rosenstock – die trage theologen. Beetje wereldvreemd ook. Maar juist daardoor: vlijmscherp. Miskotte schreef vóór de oorlog al “Edda en Thora”. Dat God de machten (lees: het nazisme, het heidendom) stom slaat.
Vaclav Havel werd genoemd. Zijn pamflet “Poging om in de waarheid te leven” had zij letterlijk en figuurlijk verslonden. Het was haar voeding geworden. Ik dacht aan mijn eigen studententijd. Dit boekje heb ik maanden in mijn zak meegedragen. En er keer op keer uit gelezen. Hij vertelt over een groentenman in Tsjechië die op een dag besluit: “Ik hang het bordje “Proletariers aller landen, verenigt u” niet meer in mijn etalage”. Daarmee ontmaskert hij het regime. En hij draagt de consequenties. “Wij moeten op onze plek gaatjes in de deken prikken”, zei Hebe. Ik ben nog eens naar haar toegereisd om haar de vraag te stellen, hoe je de deken herkent. “Door je verstand te gebruiken”, was haar eerste, korte antwoord. “En lees de goede boeken.”
Haar zuster Hanna werd genoemd. En toen werden de aanwezigen heel stil in de kerk. Haar zus met wie ze zoveel had gedeeld. Studie, gesprek, reizen. Ze hadden hun leven met elkaar gedeeld. Hanna stierf op 13 december 1999. Hebe stierf op 13 december 2016. Na díe zinnen werd de stilte nòg dieper.
Ik keek om mij heen. Met een schok besefte ik: dit zijn de mensen van mijn jeugd. Ineens herkende ik ze weer. Deze mensen die net niet helemaal deel uitmaken van de wereld. Omdat ze andere boeken lezen. Anders kijken. Anders leven. Langzamer en daardoor zo veel scherper.
Verontrust liep ik na afloop terug naar de auto. We namen afscheid van Hebe. “Dit àlles gaat voorbij”, dacht ik. Miskotte, Noordmans, Barth, Rosenstock. De kerk, ook de kerk, is hijgerig geworden. Wil er te graag bij horen. Is dat de deken van vandaag, in de kerk?
“Het enige gaatje in de deken kun je zelf zijn”, zei Hebe ooit. Ik zal mijn best doen het als een oproep te zien. De laatste uit het commandocentrum Kohlbrugge