Eer uw vader en uw moeder.

een hele preek. Omdat ik het zelf zo’n klus heb gevonden om mijn ouders lief te hebben zonder mijn voorwaarden en zonder mijn verwachtingen. Ze zijn die zij zijn. En dat lijkt dan weer verdacht veel op de naam van G’d: “Ik ben die ik ben”.

lezingen Exodus 20: 12

Efeziërs 6: 1 – 4

en Mattheus 15: 3-6

Geliefden van God.

je ouders waren het eerste venster op de wereld

zij leerden je kijken naar de dingen

zij leerden je welke woorden bij de dingen horen

dat is een boom

en dat is je zus

en dat is goed

en foei, nee dat doen we niet!

 

zij ordenden alvast voor jou

de complete chaos

 

om jou heen

 

toen je een baby was

had je geen flauw benul

dat een kat een kat was

en een hond een hond

 

laat staan dat je wist

dit is onze hond

 

of

deze hond is te vertrouwen

en die hond, daar moet ik omheen lopen

 

het werd je geleerd.

dat je je kinderen tuchtigt

is een vervelend zinnetje bij Paulus

 

vervelend, omdat je denkt aan

slaan

 

dat je je kinderen zou moeten slaan

 

zo is het wel vaak uitgelegd

met alle rampzalige gevolgen die dat met zich heeft meegebracht

 

tucht heeft niets met slaan

tucht heeft alles met vormen

 

zucht zeggen de duitsers

als ze een woord nodig hebben

dat aangeeft hoe je een plant

zó kunt vormen

dat die vruchten gaat dragen

 

zucht van tomaten

je haalt de zijtakken, de dieven er uit

je bindt andere takken op

 

je geeft vorm

 

ouders geven vorm aan hun kind

 

dat is een riskante onderneming

 

want elke vorm

betekent ook:

beperking

 

en niemand kan je zeggen

wanneer je het goede in je kind vorm geeft

 

of wanneer  je het verkeerde in je kind afbindt

 

mijn ouders dachten dat ik de exacte vakken moest kiezen

wiskunde, scheikunde

het was een vergissing: ik ben nooit een scheikundige geworden

geen grote en geen kleine

 

vorm, toch, ondanks dat, je kinderen

want dat is

waar ouders voor zijn

 

en wees niet bang

om fouten te maken

 

je zult fouten maken

onvermijdelijk

 

laat je daar niet door verlammen

 

ouders zijn het venster voor hun kinderen op de wereld

wees het venster voor je kinderen op de wereld

met al jouw beperkingen –

Van Gennep

een theoloog van een jaar of twintig geleden

schreef:

onze samenleving durft geen sturing meer te geven

omdat zij de fouten uit het verleden ziet

maar zonder sturing

geen groei

in de tien woorden

zijn de ouders

 

het venster

op God

 

het woord

eer uw vader en uw moeder

 

een woord aan volwassen mensen

trouwens

 

maar dat had u hopelijk al begrepen

 

het is geen machtswoord waarmee ouders

gehoorzaamheid zouden kunnen afdwingen

 

ook daarmee zijn persoonlijke rampen gebeurd

van kinderen die niet gevormd werden, maar gekleineerd

van ouders die hun plek als ouders niet innamen

maar hun onzekerheid verborgen achter tirannie

en daarmee deuren dichtdeden

 

in plaats van vensters te openen

 

ook het vijfde woord is een woord van liefde

 

en dat omwille

van de toekomst

jouw toekomst

 

dat die

– eerste woord-

vrij zou zijn

 

en goed

het vijfde woord

staat tussen het vierde en het zesde in

 

tussen de woorden over God

 

Ik ben de HEER uw God die u heeft bevrijd

Jij hebt geen andere goden voor mijn aangezicht

Jij gebruikt de naam van de HEER niet voor de schijn

Jij houdt de sabbat

 

woorden over jou en God

 

en na het vijfde woord

 

Jij moordt niet

jij steelt niet

Jij pleegt geen overspel

jij liegt niet over je naaste

jij wilt de levensplek van je naaste niet.

 

woorden over jou en je naaste

 

de ouders staan in het midden

niet toevallig

zij staan in het midden

 

omdat zij het venster zijn

ook op God

 

in hun leven

verschijnt iets van

dat wat àlle levens verbindt

 

in hun leven

verschijnt iets aan ons

dat over God vertelt

 

en zo komen wij dichter bij dit vijfde woord

 

door je vader en je moeder te eren

worden jouw dagen verlengd

 

zegt het woord

 

het is het enige woord met een belofte

noteert Paulus hier bij

 

en je proeft bijna hoe verrukt hij hier over is.

 

verlengen is, letterlijk

je krijgt veel dagen

 

zo denken de geschriften in het Oude Testament vaak

 

op de goede weg

wordt je leven lang en rijk

 

ik heb daar niet zo veel aan toe te voegen

zo denken die geschriften

 

verlengen kan ook betekenen:

ze worden rijk naar inhoud

 

ze worden verdiept

 

door het eren van je vader en je moeder

wordt jouw leven verdiept

 

en ik noteer daar nog een keer bij:

 

het gaat hier om volwassen mensen

die hun ouders eren

 

het gaat zelfs over mensen van wie de ouders al lang gestorven zijn

 

want je ouders

 

omdat zij het eerste venster open doen

met al hun tekorten en al hun liefde

 

omdat het het eerste venster is

blijft

 

de vorm daarvan

 

wat ze zeiden

goed vonden

afkeurden

 

wat ze deden

hoeveel vertrouwen ze jou leerden

 

het blijft je je leven lang bij je

 

ik hoor mijzelf soms dingen zeggen

en denk:

o jee, mijn vader

eren

wil zeggen

 

de waarde van je ouders schatten

 

zien wie zij zijn in jouw leven

vandaag nog

 

en ze daarom waarderen

 

wie je ouders ook waren

zij gaven je allereerst het leven

 

jij bent er, doordat zij er waren

en dat jij er bent, is het grootste geschenk

een groter geschenk is er niet

 

wie je ouders ook waren

zij gaven je ogen

oren

en woorden

 

om de wereld om je heen te ordenen

zij gaven je middelen in handen

 

om je leven

uiteindelijk

 

zelf vorm te geven

 

en wanneer kinderen aan jou zijn toevertrouwd

om op jouw beurt

jouw kinderen te vormen

 

nu begrijp ik mijn moeder pas

nu ik zelf kinderen heb

 

en nu begrijp ik mijzelf ook pas

 

ik ben met mijn ouders verbonden

zij gaven mij tenslotte het leven

 

wat ik hen afkeur

keur ik – uiteindelijk ook af in mijzelf

 

als ik mijn ouders niet eer

doe ik mijzelf te kort

en beschadig ik hen

 

maar ook mijzelf

waarom is hier een woord aan gewijd?

 

waarom is het een gebod

je ouders te eren?

 

ik denk hierom:

het is een gevecht

om je ouders

de waarde te geven

die ze hebben

 

en dat gevecht gaat tussen twee valkuilen door

 

ik wil daar tot slot een aantal dingen over zeggen

over die twee valkuilen

 

eerst dit:

 

ik zei: je ouders zijn het eerste venster op de wereld

en op God

 

ze gaven je ruimte

maar ze ontnamen je ook ruimte

dat kan niet anders

 

ze gaven je liefde

maar je kwam ook te kort

dat kan niet anders

 

ze deden hun best

en ze deden hun best soms niet

wij mensen zijn nooit uit één stuk

 

de eerste valkuil is deze:

wij blijven steken in onze kinderlijke verlangens

 

ook al zijn we dertig, veertig, vijftig

we willen nog steeds van onze ouders horen

dat we het goed doen

 

of we willen dat ze vaker op bezoek komen

 

of we willen dat ze nu eens laten merken dat je bijzonder voor ze bent

 

je wilt nog iets van ze

maar je bent dertig

veertig

vijftig

 

wat moeten je ouders je nog geven?

ze moeten niets meer

 

die tijd is voorbij

 

jij doet het nu op eigen kracht

 

wat je te kort kwam in hen

vind je nu in jezelf

vind je nu bij God

vind je nu bij de mensen die vandaag om je heen leven

 

zij zijn je ouders

zij zijn je niets meer verschuldigd

 

eren vraagt om je kinderlijke verlangens los te laten

en je ouders te zien zoals ze zijn en hen daar om te waarderen

 

dat is de eerste valkuil

de tweede valkuil is deze:

 

dat je je ouders idealiseert

hun schaduwzijden niet meer wilt zien

 

je imiteert hun leven

 

ik ben geen psycholoog

maar ik zie het soms wel

 

dat mensen niet tot een eigen mening zijn gekomen

maar de mening van hun ouders ongereflecteerd en onbewust hebben voortgezet

 

dat zij in het leven van hun ouders leven

 

eren

is

 

allereerst

 

volwassen worden

 

dit zijn mijn ouders

ik heb hen lief

 

in hun liefde

en in hun beperking

 

en eren is:

 

ik geef mijn eigen antwoord

op hoe mijn ouders mij vormden

 

we zongen psalm 78

 

een bijzondere psalm

 

die het licht bezingt in het leven van de mensen die ons onderwezen en voorleefden

maar die ook de schaduw van hun leven bezingt

 

zij waren trouw

en zij werden ontrouw

 

in die dubbelheid zijn wij mens

ook onze ouders

zijn in die dubbelheid mens

 

maar wie dan dit leert:

 

God bleef trouw

in hun trouw

en in hun ontrouw

 

zij werden bemind in beide kanten van hun bestaan

 

wie dat leert

zal zelf ook zijn ouders

waarderen

 

zal ook zien dat zijn eigen leven

dubbel is

 

en bemind wordt

 

wie zijn ouders eert

zal God zien

 

amen.

Advertenties

Vreugde, in verdriet?

Het was een mooie dag. Een begrafenis. En toch, een mooie dag.

We waren teruggekeerd naar de geboortegrond van wie nu gestorven was. Het kerkje omsloot ons nu, zoals het ooit hem, als jongetje temidden van zijn broers, zus en ouders, had omsloten. Warm en intiem.

De dominee las Psalm 150. Zo had hij het voorbedacht. “De nabestaanden zochten de tekst niet uit”, verhelderde de predikant: “Zo van – gelukkig, die is weg” Het was de keuze van de gestorvene. “Nog één keer haalt het psalmenboek uit. Tussen een halleluja en een halleluja klinkt één en al lofzang. “Alsof hier nooit een cambrium was, geen seluur en geen krijt’ zou Szymborska dichten. “Maar je hebt lofzang en lofzang.”

Het psalmenboek staat vol met van emoties gistende liederen. Boosheid, verwijten, liefde, passie, vertrouwen, vragen, het golft van het ene uiterste naar het andere. Het leven zelf is er vol van. Maar telkens piept door al die lagen de lofzang. “Alsof het daar, tòch, naar toe gaat.” In het psalter in elk geval wel. Het laatste woord heeft de lofzang. En bijbels gedacht, wat het laatste is, is ook het eerste. Hiervoor zijn wij op aarde.

De predikant deelt al een flink deel van het leven van de mensen die hij voor zich heeft. Hij kwam dertig jaar terug bij hen wonen. Hij werd een teken van vertrouwen. Gewoon, door er te zijn.

Er is een lofzang die opstijgt uit de volheid van de jaren. Als je jong bent en alles om je heen groei is, bloei, lust en feest en alle kansen open liggen. Je bent blij, dat je er bent en je vindt jezelf een verbazingwekkend gaaf wezen.

Er is ook een lofzang die ontspruit aan de diepte van het bestaan. Die juist daar begint waar pijn voelbaar is. Het leven is niet altijd een spel. En als het een spel is, zijn niet alle regels even rechtvaardig. Dingen gebeuren. Ook de dingen die je nooit hebt gewild. Je kunt ze niet tegenhouden. En zijn ze er eenmaal, dan krijg je ze niet meer weg. Hoe zou je het leven dan nog mooi kunnen vinden?

Lofzang, in de rijpere vorm, is met beide handen open omarmen wat op je toe komt. Er in staan en er mee verder gaan. Het leven liefhebben.

Maar hoe doe je dat? Het lijkt zo’n tegenstelling. Liefhebben als je niet hebt gewild wat voor je ligt.

“Er staan muziekintstrumenten in de psalm”. Ida Gerhardt haalt ze sterk naar voren n haar vertaling. Loof God, met de stoot op de ramshoorn! Cithers! Tamboerijnen!

“Ik hoop dat u de verhalen een beetje kent”, zei de voorganger en hij begon bij Abraham. Hoe die zijn zoon dreigde te verliezen en op het scherpste moment een ram vond, met zijn hoorns verstrikt in de takken van een struik. “De begeleidende midrasj vertelt, hoe Abraham een hoorn van de ram afbrak en er op blies.” Je niet gewonnen geven aan het duister. Gaan staan: hier ben ik. De ruimte voor het leven blijven claimen. En niet zelf verstrikt raken in de takken.

Bij het snarenspel, werden we meegenomen naar David. Hij had gespeeld voor Saul, toen die depressief was, toen de Geest van de Heer tegen hem was geweest. Het tokkelen had hem tot vrede gebracht. Andere mensen kunnen je bijstaan. Ze kunnen het licht om je heen van kleur doen veranderen. Ze kunnen je ziel bewaren. Hoe wordt de snaar van jouw ziel geraakt? Laat toe wat je voelt. Het is er. Je snaren zijn je kostbare bezit. Ga open, naar binnen en naar buiten.

De tamboerijn. Ik dacht aan Mirjam, na de overwinning van Mozes. De dominee wees op het ritme. De overledene was iemand van tijd en maat. Zo precies dat je wel eens dacht dat hij niet aan leven toekwam. Het ritme, zei de predikant, was voor hem de regelmaat van de dingen die hij gewoon was te doen. Het ritme legt de bodem waarop de melodie geboren kan worden. “Blijf doen, ook als er geen smaak aan zit.” De smaak komt zeker niet, als je ophoudt.

Loven. Hoe doe je dat? Ineens schoof de dominee een beeld van de overledene naar voren. We waren het alweer vergeten. Het was een minifilmpje. Hoe hij zijn haar in een keurige scheiding droeg. Maar dat er altijd één pluk eigenzinnig omhoog prikte. Die hij met een handgebaar dan weer gladstreek. Je looft niet pas als alles in orde is. Je brengt orde, ook al weet je, dat er steeds van alles ‘lastig’ zal blijven. Je leeft. Wat geleefd wil worden.

Het laatste instrument in psalm 150 is de mens, ben je zelf. “Alles wat adem heeft”, dat het de Heer love.

Toen we de kerk verlieten speelde de organist “Dank sei Dir, Heer”, van Händel. Hij bespeelde onze snaren. En wij bliezen de ramshoorn, om te gaan doen wat moest worden gedaan, temidden van goede mensen: gaan begraven van wie wij houden.

Het was een mooie dag.

Sint Nicolaas en Christus

Vaak wordt hij aan de heidense goden gelinkt. Daar zijn zijn attributen schuldig aan: zijn witte paard, zijn kunst om over daken te galopperen, zijn zwarte knecht en ook de afgeschafte parafernalia: de roe en de zak. Thor en Wodan verstonden de kunsten van door de luchten rijden ook, en ook zij gingen gepaard met zwarte gedaantes om hen heen. En: ja, ook zij verschenen vooral in de winter.

sinterklaas2013 143Het is wel vaker voorgekomen, dat de in onbruik geraakte heidense verschijnselen en verhalen aan heiligen gekoppeld werden. Het lag er zomaar ongebruikt in het reservoir van de volksverbeelding, en dat was toch jammer. Dan kon je het beter een likje verf geven en gerecycled weer in gebruik nemen. Blijkbaar vond met dat de heiligheid van Nicolaas prima door deze heidense toevoegingen werd verstaan en uitgelegd.

Voor alles is Nicolaas een heilige: een getuige van de Heer. In eerdere eeuwen (Sint Nicolaas werd geboren in de derde eeuw) je alleen voor de titel “heilige” in aanmerking komen, als je omwille van je christen-zijn gedood was. In je overgave aan het leven van God weerspiegelde je Jezus de Heer. Ook Hij had zich immers overgegeven.

Toen de christenvervolgingen afnamen en er een tekort ontstond aan “echte” heiligen, werden de eisen wat bijgesteld: wie op een bijzondere wijze in zijn daden had laten zien wie de Heer is, kon heilig verklaard worden. Nou, zo rationeel ging het er niet aan toe. Maar kijk je terug, dan was dit wel zo ongeveer de regel. En voor de fijnproevers: heiligen die gedood zijn omdat zij Christus volgden, dragen in hun afbeeldingen een palmtak in de hand. Dan zie je gelijk het verschil.

Sint Nicolaas heeft die palmtak niet, zoals wij allemaal weten. Wat maakte hem dan  heilig? Waarschijnlijk niet, dat hij aanwezig was bij de vergadering die bijdroeg aan de geloofsbelijdenis van Nicea. Maar wel, doordat hij zijn geld uitdeelde. Dat is altijd een mirakel: als mensen hun geld weggeven. Hij zou in de late avond vermomd langs de huizen van de armen in zijn woonplaats zijn gegaan en zakjes geld naar binnen hebben gegooid (does it ring a bell?). Hij had drie meisjes vrijgekocht die aan een hoerenmadam doorgesluisd dreigden te worden. Hij gaf ze daarna zelfs een bruidsschat mee, zodat zij naar hun stand konden trouwen. Hij had, zo wordt verteld, drie officieren door diplomatie vrij gekregen uit krijgsgevangenschap. Dat laatste verhaal ging een heel eigen leven leiden, doordat de officieren héél klein naast hem werden afgebeeld in een toren. Mensen dachten: dat zijn vast kinderen in een ton. En daarmee was het verhaal geboren dat de Sint drie jongetjes had gered die door een kwaadaardige slager in stukken waren gehakt en in een pekelton gestopt om tot worst te worden verwerkt. De Sint wekte hen weer tot leven. Net als de Heer dat had gedaan met Lazarus.

Nicolaas moet een enorme indruk hebben gemaakt. Hij gaf aan iedereen het leven terug.

In de eeuwen daarna dreven ook elementen uit de Schriften naar hem toe: het grote boek, de uitspraken over goed en kwaad en – niet te vergeten!-  de vrijspraak. In de jaren zeventig werd dit allemaal parmantig voor de televisie overboord gegooid. Een grote vergissing lijkt mij. Sint had nog nooit een kind meegenomen naar Spanje. En al helemaal nooit tot pepernoten vermalen, zoals mijn lieve moeder mij dat voorhield. Dat zijn onze angsten. Onze angsten dat wij zullen falen, dat wij fout zijn, stout zijn, niet goed zijn. De Sint ontslaat ons van al die angsten.

En daarin lijkt hij nog het meest op de Heer.