Blindgeboren

 

Plato lijkt er op, met zijn grot-mythe. Lijkt op hoofdstuk 9 uit het evangelie van Johannes. De filosoof vertelt dit: de mensen zitten gevangen in een grot. Ze zitten met hun rug naar de uitgang en achter hen brandt een vuur. Allen kijken naar een muur waarop schaduwen te zien zijn. Omdat ze niet beter weten, houden ze die schaduwen voor de echte wereld. Maar dan ontsnapt er één. Die sluipt de grot uit, ziet de kleuren van de bomen, zon en lucht en keert lyrisch terug. Hij wordt niet geloofd.

Dit is het verhaal van Johannes: een man is blindgeboren. Jezus opent hem de ogen. Je zou denken: feest voor iedereen. Maar zo gaat het dus niet: de man wordt gewantrouwd. Wie heeft hem de ogen open gemaakt? En wat heeft hij dan gezien? Is hij eigenlijk wel blind geweest? Is het geen truuk?

Johannes vertelt even geestig als vilein. De beelden buitelen bij hem over elkaar heen en niet alleen in dit hoofdstuk trouwens. Het gaat over blind zijn, maar ook over zien. Over licht en over donker. Over zien en toch blind zijn. Het gaat over Jezus zelf, uiteindelijk.

Die blindgeboren man, dat zijn wij allemaal. De evangeliën zijn als dromen: jij kunt elk personage in de vertelling zijn. Het zijn kanten van onszelf. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Blindgeboren wil zeggen: je ziet het niet. Niet zomaar.

Die ervaring herken ik wel. Dat het niet goed gaat met een vriend en je ziet het niet. Dat je door iemand gemanipuleerd wordt en je hebt het niet door. Het is me vaak gebeurd dat ik het verband tussen de dingen niet zag. En daardoor de plank finaal missloeg.

Een andere ervaring: ik zie de verbanden anders dan anderen. Een eenzame positie. Want wie de verbanden meent te zien, heeft ook ideeën over beleid, beslissingen of richtingen.  In het evangelie ontstaat een enorm debat over de vraag wie  gelijk heeft en hoe dat gelijk er dan uit ziet. Het raakt mij, dat het blijkbaar zwaar is om elkaar werkelijk te verstaan. Werkelijk te begrijpen waarom de ander ziet wat hij ziet. En te begrijpen waarom maatregelen worden genomen die worden genomen.

In het evangelie gaat het om nóg een diepere  laag. Zo schrijft Johannes. Hij benoemt het ene en hij bedoelt tegelijkertijd ook het andere. De diepere laag is deze: dat wij niet weten waarvoor wij leven. We zien het niet. En dat is niemands schuld. Zo is het nu eenmaal.

Wij bestaan. En doe het er maar mee. Ook die wankelheid van het leven ken ik. Al die knagende vragen: waarom ben ik er? Doe ik er wel toe? Als ik er niet was, zou dat niet net zo goed zijn? Nu ik er ben, wat doe ik dan met mijn leven?

Ik ken de twijfel aan het leven en aan mijzelf. En het verdriet om mislukkingen. Dat je als mens nooit verder lijkt te kunnen komen dan menselijk geknutsel. Vaak denk ik: ‘Een paar dagen gaat het goed, maar dan ga ik weer hard onderuit.” En veel verder dan dat kom ik niet. Omdat ik mijn geduld verlies, toch niet zo leuk was, niet het succes behaalde dat ik had verhoopt.

Die momenten van falen openen dat gat: ik ben er en ik weet niet waarom.

Jezus lijkt in het verhaal de man die de grot uit sloop en van kleuren weet die wij nog niet kennen. Hij raakt de blinde man aan. En de man kan zien.

Nee, ik kan niet zeggen dat ik heb gezien wat Jezus heeft gezien. Misschien ben ik pas halverwege. Ik begrijp wel dit: dat er een liefde is die al mijn twijfel omringt. Dat er een aanvaarding is die al mijn onzekerheid draagt. Dat ik mijzelf niet hoef vast te houden. Niet hoef te bewijzen. Ik hoef mijzelf mijn bestaansrecht niet te geven.

Mij ontroert altijd weer het slot van het hoofdstuk. De man is door iedereen weggestuurd. Hij is in het buitenste buitenbos terecht gekomen. En juist dáár komt Jezus hem tegemoet. Jezus die zelf óók weggejaagd zal worden. Eenzaamheid ontmoet eenzaamheid. En beiden worden getroost.

Kijk, en dáár weet Plato dan weer niet van. Bij hem is iedereen die in de schaduwwereld blijft hangen een stommeling.

Maar Johannes omarmt ons. Ook als wij stom zijn.

Schuld en verzoening

“Het meest vernederende wat een mens zichzelf of de ander kan aandoen is dit: verlies van schuldbesef”, zei hij. Met zijn wonderlijk milde en vriendelijke stem. Hier sprak een man die het leven had gewogen, dat hoorde je, die er waarschijnlijk ook zelf de klappen van had gehad en die daar wijsheid uit had weten te putten. Hij, dat was Bert Hoedemaker. En hij zat bij mij in de auto. We waren op weg naar een groep kerkleden die zijn boek “Ik bid dus ik ben” hadden gelezen en daarover met elkaar in gesprek waren geweest. Dit was de laatste avond en Bert zou er zelf bij zijn.

Filosofische essays over de Shoah hadden het gezegd, dat over verlies van het schuldbesef. Zij hadden willen doorgronden hoe mensen er toe hadden kunnen komen om andere mensen te vermoorden. Door het schuldbesef te elimineren, hadden de daders zichzelf ontmenselijkt. “Ik denk dat ons schuldbesef ons allen met elkaar verbindt.”, dacht Hoedemaker hardop na: “Het houdt ons oog ook open voor schade die we de ander kunnen berokkenen.”

“Wat is schuld?”, zou later die avond iemand vragen. We spraken opnieuw. We luisterden. De temperatuur in het zaaltje was ondertussen flink opgelopen. “Allereerst”, zei Hoedemaker: “dat je als mens onmogelijk op jezelf kunt bestaan. Je hebt de ander nodig. Wij kunnen alleen in relatie bestaan. Door wat de ander ons geeft, staan wij bij de ander voortdurend in het krijt.”

Ik dacht aan een broeder uit Taizé. Vijfentwintig jaar geleden alweer. Die had bij de uitleg van het Onze Vader lange tijd stilgestaan bij het “vergeef ons onze schulden”. “Er is onnoemlijk veel aan ons vooraf gegaan”, had hij gezegd. Onze ouders, hun inzet, de wereld die klaar lag, onze talenten, de liefde die we kregen.” We beginnen al met achterstand.

“Ik vond het een enórme bevrijding om dat te lezen wat u over schuld schrijft”, zei een jonge vrouw. “Als puber heb ik geprobeerd om alles zelf te begrijpen en op te lossen, maar dat krijg je gewoonweg niet voor elkaar! Je kunt jezelf onmogelijk vasthouden.”

“Als puber móet je dat ook doen hè”, reageerde Hoedemaker: “Je móet proberen op jezelf te bestaan, anders kun je jezelf niet worden.”

“Maar je komt er toch vroeger of later achter”, antwoordde de vrouw: “Dat je anderen nodig hebt.”

Dat is al een schuld. “En dan hebben we het nog niet eens”, zei Hoedemaker: “Over wat er vervolgens fout gaat in onze relaties. Ouders die hun kinderen opvoeden kunnen niet anders dan hun kinderen liefhebben èn beschadigen. Allebei tegelijk.”

Hij herkende zich niet in het post-moderne beeld van de mens die zichzelf ontplooit, die groeit, die het roer in handen neemt en een kunstwerk van zijn leven maakt. “Het is allemaal wel wáár, maar niet het héle verhaal.” Je kunt jezelf alleen ontplooien binnen de relatie met de ander.

Je kunt jezelf alléén ontplooien, als je jezelf gééft.

“Mensen vinden het praten over schuld vaak ouderwets”, had Hoedemaker in de auto gezegd. De groep dacht dat veel spanning tussen mensen juist hieruit voortkwam. Omdat wij niet meer praten over schuld, lijkt alles goed. Moeten we de schijn ophouden dat het goed gaat en goed is. “We hebben een cultuur die als een maniak probeert aan te tonen dat er niets aan de hand is.” En als vervolgens iemand die schijn dóórprikt…

“Op Instagram zitten ze allemaal vrolijk te lachen bij een buitengewoon geslaagd kerstmaal. In hun smetteloze, witte zelfgebreide kersttrui”, zou Brigitte Kaandorp zeggen. Háár lukt zoiets nou nooit.

Mij ook niet, trouwens.

Hoedemaker wilde van “schuld” weer een hoop-woord maken. Een woord dat de relatie van mensen aanduidt. Zodat ook de weg gewezen wordt: die van de verzoening.

Waar die uit bestaat? “Dat er over de breuk heen, de relatie toch weer opnieuw gestalte kan krijgen.”, antwoordde Hoedemaker.

Het enig mogelijke antwoord op ons menselijke gedoetje is barmhartigheid. Heb een beetje mededogen met het geklungel en het gerommel. Heb een beetje mededogen ook met jezelf.

Eén van de groepsleden vertelde een ingrijpend verhaal. Zijn vader had in het verzet gezeten. Hij was verraden geweest en opgepakt. Hem hing de doodstraf boven het hoofd, maar de bevrijding had de voltrekking daarvan tegen gehouden. Vervolgens had zijn verrader de doodstraf gekregen. Zijn vader was daar niet vóór geweest. Hij was de dader gaan opzoeken. Ze hadden gesproken. Zijn vader had bijbel gelezen. Ze hadden samen gebeden. Met rode ogen zei de zoon nú:  “Dat is zó’n groot voorbeeld van wat verzoening kan doen!”

We waren stil van zijn verhaal. Het moest bij ons indalen.

“Wat een goeie groep”, zei Bert Hoedemaker, eenmaal weer terug naar huis. Ik had het ook een mooi gesprek gevonden. Wat Hoedemaker eigenlijk als kosten rekende? Hij glimlachte. “Je hebt me heen- en weer gebracht. Die kosten zijn voor jou.”

Droeg ik zomaar zelf de schuld.

 

N.a.v. Ik bid dus ik ben

een boek van Bert Hoedemaker

En van wie is zij nu?

 

Je bepaalt niet zelf wie je bent. Niet helemaal, in elk geval. Er gaat ontzagwekkend veel aan jou vooraf: het gezin waar je in geboren werd, de tijd waar je in leeft, de vrienden die jou omgeven. En, niet in het minst, hoe anderen naar je kijken.

Buber, Martin Buber, zegt dit het scherpst: “Door de ogen van jou word ik ik.”

Doordat jij mij bevestigt. Mij erkent. Mij namen geeft. Maar óók doordat jij mij ontkent.

En daar zit nu precies óók de pijn. Want mensen ontkennen heel veel van elkaar. Ontnemen ruimte aan elkaar. Gunnen elkaar het licht niet.

Wij zijn leuk. Wij zijn niet leuk.

Gisteren vertelde een homoseksuele man waarom hij eerder in zijn leven getrouwd was geweest met een vrouw: “Je wilt jezelf niet blootstellen hè aan de spot van anderen.” De kring om hem heen zei nooit hardop: “Homo’s zijn niet gewenst.”, maar het onderhuidse taalgebruik, de woordgrappen, de praat over “wijven” en de harde grappen maakten het hem wel duidelijk. “Dan zoek je veiligheid.”

Oók gisteren brak er weer een nieuw deel in het pietendebat aan. Het gaat daarin niet om een potje schmink. Het gaat om de vraag: wat doet de witte meerderheid? Welk beeld schept zij van mensen van kleur? Welke ruimte krijgen zij? Er was een spannend gesprek op de avondradio. Over de intocht van Sinterklaas op Curacao. Of de roetveegpiet daar óók zijn intrede had gedaan? Nee. Er zijn geen schoorstenen op Curacao. Maar méér nog: er is geen witte meerderheid die bepaalt wat de plek van een zwarte minderheid zou moeten zijn. Daar wordt Sint juist wit geschminkt “en in dat spel komt men sterker uit het slavernijverleden.”, zei de geïnterviewde journalist. “Maar”, vervolgde hij: “Ook op Curacao klinken protesten. Niet iedereen gelooft in dat overwinnen van.”

Wie bepaalt wie de ander is? Wie heeft daarin de macht?

Vanmorgen klonk een bizarre geschiedenis in de kerk. Er komen mannen bij Jezus. Ze hebben een raar en pijnlijk verhaal. Over een man die kinderloos sterft. “En nu zegt de wet van Mozes, dat zijn broer met de weduwe moet trouwen.” Zo zullen er alsnog kinderen geboren worden. Alsof dat al niet krankzinnig genoeg is, herhalen de mannen de geschiedenis zeven keer. De man had zeven broers. En ze “hadden haar allemaal als vrouw.” Maar kinderen werden er niet geboren. “Als zij nu sterft”, vragen de mannen met – zo stel ik mij voor- triomfantelijke grijns: “Van wie is deze vrouw?”

De enige rol die de vrouw krijgt in het verhaal is: bezit zijn. Wat zij had gewild wordt niet gevraagd, niemand is er in geïnteresseerd wie zij is, wat haar verlangens waren, haar mogelijkheden, haar kracht. Zij is bezit en zij moet ervoor zorgen dat de naam van haar man wordt doorgegeven.

Zeggen de mannen.

Een huiveringwekkend verhaal. Ontluisterend hoe wij onszelf macht toedichten. En de ander onmacht.

“De vrouw”, zegt Jezus: “Zal van niemand zijn.” Zij zal leven in het licht van God en als de engelen zijn.” Vrij. Hij spreekt over een denkbeeldige tijd. “In de opstanding”. Maar die “in de opstanding” maakt duidelijk hoe het nu al zit. “Niemand heeft macht over een ander.”

Of wacht. Nee. Dat gaat te snel. Wij voeren voortdurend macht over elkaar. We houden elkaar van het lijf. We gebruiken elkaar en we zijn bang voor elkaar.

Maar dit besef wil geboren worden: je word zelf méér iemand, naarmate je de ander vrij laat.

Harmonie is niet voor handen

 

Ik zag een filmpje en werd boos. Het filmpje toonde een idealistische jonge vrouw. Zij wilde huisarts worden. Geen gewone, maar “waarschijnlijk de eerste medicatievrije arts in Nederland”. Zij ging geen pillen, poeders of zalfjes voorschrijven.

Dat zit zo: het lichaam, zei ze, heeft een eigen wijsheid. Daar moeten wij goed naar luisteren. Is er een deel van het organisme ziek, dan wil ons dat iets zeggen. Er is een oorzaak achter onze kwalen. Nemen we een pil, dan zullen we, vervolgde zij, de verschijnselen wel aanpakken, maar de oorzaak blijft. En dan wilde ze nog maar niet beginnen over de chemische samenstellingen van medicijnen, of over de macht van de farmaceutische industrie. Kende je die, dan begreep je helemaal dat je niks moet slikken.

Zo jong als de vrouw is, ze hangt een oer-oude mythe aan. Dat er een heelheid in alle dingen zit. Niets gebeurt in haar wereldbeeld zó maar. Alles spréékt. Heb je griep? Dan is dat niet alleen een virus, het is een verháál. Je zorgt niet goed voor jezelf. Je eet niet goed. Je bent aan je lichaam voorbij gelopen – dat soort dingen. Heb je de oorzaak en handel je daar naar – zo vertelt de mythe- dan zul je herstellen.

Met griep, met een gebroken been, met een hernia, met kanker.

Disclaimer: zelfs ik vind dat je voor jezelf moet zorgen. En dat er soms verbanden zijn tussen een aandoening en ons gedrag. Wie rookt moet niet verbaasd staan dat zijn tanden bruin worden.

Maar. Een heel dikke maar. Deze regel is slechts zéér fragmentarisch aanwezig. De rest is toeval, pech, narigheid. Het valt niet vol te houden: “Heb je kanker? Oh joh, dan moet je koffie laten staan.” De christelijke variant, dat je ziekte wordt veroorzaakt door iets tussen jou en God, gaat evenmin heel vaak op.

Mensen worden ziek.

En daar kunnen ze vaak niets aan doen. Ze hebben er geen schuld aan en gedragsverandering zal hen niet genezen.

Mijn man is chronisch ziek. De lijst van aandoeningen is te lang om dit blog mee te vullen. Ze zijn alle even ernstig. Hij heeft zich vaak afgevraagd wat de oorzaak daarvan is. Ligt er een ziekte ten grondslag aan alles wat hij heeft? Is er misschien een genetisch defekt? Er is nooit iets aangetoond.

Dat hij een redelijk leven heeft, is te danken aan artsen die hem opereerden en die hem medicatie voorschreven. Wanneer iemand dat in alle idealisme afdoet als “symptoombestrijding”, dan slaat het rood mij voor de ogen. Er is niets anders dan symptomen. Zonder medicijnen was hij al lang dood geweest.

Ziekte is geen verhaal. Ziekte is een ziekte.

Ik vrees dat de medicatievrije artsenij niet veel gezondheid zal brengen. Ik weet niet wat de vrouw zal zeggen als haar patiënten sterven. Er zijn idealisten die zeggen: “dan is de dood óók wat je op dat moment nodig had.” Maar dat is het einde van alle mededogen. Je kreeg immers wat je verdiende.

“Een goede graadmeter voor de gezondheid van spiritualiteit”, zei onlangs een collega: “is dit: hoeveel ruimte krijgen de stumper, de knoeier en de hakkelaar.”

En zo is het.

Natuur is (g)een luxe.

Het hele woord “natuur” is al misleidend. Alsof het iets is, wat buiten ons staat. Je stapt in de auto, je koopt een kaartje je gaat naar binnen en bent in “de natuur”.  Alsof het iets is, waar je in en uit kunt gaan.

Toen we het woord bedachten, suggereerden we dat het een luxe is, die je je kunt veroorloven, of waar je van af kunt zien.

Dus zeggen mensen: “Nederland is te klein voor natuur”. Of ze zeggen, bij monde van de LTO: “Liggen natuurgebieden wel op de goede plek, eigenlijk?” Dat laatste, omdat de rechter in het stikstofarrest heeft gezegd, dat we nu maar eens moeten ophouden met vernietigen en plunderen. Dat het nu tijd wordt om een stap op de plaats te zetten en liever nog: een stap terug. Stop nou maar met het verbreden van snelwegen, het aanleggen van bedrijventerreinen, het bouwen van woonwijken en megastallen.

De natuur staat niet buiten ons. Eén virus en je weet het weer: ik ben zelf natuur. Ik ben er een zoon van, een dochter van. Ik doe wel heel gecultiveerd en onkwetsbaar, maar één zuchtje wind en ik lig onder de zoden. Te voelen dat “de natuur” niet “iets” is, maar dat zij het is die mij baarde, die mij voedde, verzorgde, droeg en nu vernietigt voor nieuw leven.

Ik heb de laatste weken gewandeld. Meer dan anders. En ja, het was prachtig. Maar het was ook ontluisterend. De kroonjuwelen van ons land zag ik. Het Fochteloërveen, het Bargerveen, gebieden van vennen en heide. Die heide was er. Maar er was ook héél veel pijpestrootje, brandnetel, braam – tekenen dat er stikstof over de gebieden waait. Stikstof dat wij mensen verspreiden. En wat ik óók zag: droogte. Beangstigende droogte: zelfs grote vennen zijn drooggevallen.

Kijk je naar de cijfers dan hoor je niet anders dan: de populatie loopt terug. Zwaluwen: verdwijnen langzaam, insecten: verdwijnen in rap tempo, vogels van allerlei aard: verdwijnen, de hoeveelheid bloemen: neemt af. Die cijfers spreken een duidelijke taal: het vlot dat ons draagt, zinkt. De kraanvogels die in het Fochteloërveen zijn gekomen of die ene wolf doet aan dat feit niets, helemaal niets af.

De oermythe van de mens in de tuin (Genesis 2) helpt ons op dit moment niet. Die mythe zit ons mensen van het westelijk halfrond in de genen. Of we nu christen zijn of niet. We vinden van onszelf dat we een vanzelfsprekend recht hebben om hier rond te lopen. En om te doen wat we willen. Wij vinden dat we wegen mogen aanleggen (waarom niet?), varkensstallen mogen bouwen (waarom niet?). En op onze beste momenten, ’s avonds met een glas wijn, willen we ook nog wel zeggen dat we dit verantwoordelijk moeten doen, maar als het dan weer ochtend is vervliegen die woorden te vaak in de werkelijkheid.

Gisteren las ik, dat de giraffenstand decimeert. Dat het dier, dat voor mij tot het elegantste, mysterieuste, schoonste dier van de aarde mag worden uitgeroepen, richting uitsterven gaat.

Als de giraf sterft, sterven wij ook. Moreel allereerst. Waarom zouden wij nog moeten bestaan, als wij de oorzaak zijn van een aarde die met de dag leger, viezer en saaier wordt? Wat blijft er van onze status als “redelijk wezen” over, als we alles verpulveren onder onze voet?

Maar waar de giraf sterft, zullen wij uiteindelijk zelf sterven. De “natuur” is geen tuin. De natuur, dat zijn wij, dat is de adem die wij ademen, dat is het geluk dat ik geboren ben, dat is alles.

Niet de natuurgebieden, ook een misleidende naam, liggen op de verkeerde plek, maar de vervuilers. De rechter heeft gelijk: het ìs tijd om een stap terug te doen. Terug naar het  aangeklede dier dat wij zelf zijn.

Dorpsdominee verlaat Sauwerd

 

SAUWERD – (dit artikel verscheen op 6 juni in de Ommelander Courant) Hij wilde dolgraag in een dorp aan de slag gaan en dat is predikant Sybrand van Dijk uiteindelijk zeer goed bevallen. Tien jaar geleden kwam hij vanuit Zuid-Holland naar Sauwerd, waar hij uitgroeide tot een geliefde dorpsdominee. ,,Ik vroeg de kerk om de ruimte om dominee voor het hele dorp te kunnen zijn”, zegt de uit Utrecht afkomstige voorganger en nu, tien jaar later, kan vastgesteld worden dat hij daarin is geslaagd. Maar er komt deze maand een einde aan zijn verblijf in Sauwerd. Hij en zijn echtgenoot Henk van Donk nemen zondag 23 juni afscheid van de protestantse gemeente Adorp, Sauwerd en Wetsinge. De laatste dienst met Van Dijk als voorganger begint om 09.30 uur.

Sybrand van Dijk is een bijzondere predikant. Vaste prik is dat hij in Sauwerd Sinterklaas ontvangt en ook is hij bestuurslid van de Oranjevereniging. ,,Dat is voor een dominee inderdaad niet gebruikelijk”, geeft Van Dijk lachend toe. Daardoor staat de dominee echter wel middenin in het dorpsleven en dat is precies wat hij wilde bereiken.  Zo komt hij namelijk ook in contact met mensen die niet naar de kerk gaan. ,,Bij God is voor iedereen ruimte, niet alleen voor mensen die trouw naar de kerk gaan. Het is geen kwestie van zegeltjes sparen”, aldus de dominee.

Van Dijk groeide op in een protes­tants gezin, maar zou zich later in zijn leven afvragen of hij daar wel op zijn plek was. Dat verhaal begint bij Hebe Kohlbrugge, die in 2016 op 102-jarige leeftijd overleed en in de Tweede Wereldoorlog actief was als verzetsstrijdster. ,,Na de oorlog zette zij zich in om bij te dragen aan het verminderen van de haatgevoelens tussen Nederland en Duitsland en bruggen te slaan tussen beide landen. Uiteindelijk richtte ze zich vooral op Oost-Europa, op landen die communistisch geworden waren. Vanaf de jaren zestig zorgde ze ervoor dat Nederlandse theologiestudenten in Oost-Europa konden gaan studeren. Die studenten waren volgens haar levende boeken, die niet gecensureerd kunnen worden. Wat ze hebben gezien, hebben ze immers gezien”, vertelt Van Dijk. Eind jaren tachtig ging hij zelf als ‘bruggenbouwer’ die kant op, naar Polen om precies te zijn. ,,Dat was in 1989, pal voor de omwenteling. Ik heb Polen van de ene op de andere dag zien veranderen, al heerste er in de nacht van de val van de muur ook veel angst. Men was bang voor een Russische inval.” In Polen raakte hij ook onder de indruk van paus Johannes Paulus II. Van Dijk maakte de Poolse kerkleider mee tijdens bezoekers aan diens vaderland. ,,Een van zijn thema’s was ‘Vrijheid begint waar mensen hun verantwoordelijkheid nemen’ en dat sprak mij heel erg aan”, aldus de Sauwerder. Mede door het optreden van de paus kreeg hij steeds warmere gevoelens voor de katholieke kerk. ,,Wat bij de katholieken heel sterk geldt, is dat de kerk en het geloven als een gemeenschap worden gezien. Bij de protestanten is dat veel minder uitgewerkt en sta je als individu voor God”, legt Van Dijk uit. Een ander groot verschil is in de katholieke kerk een grote rol is weggelegd voor symboliek. ,,Protestanten willen alles onder woorden brengen, maar soms is bijvoorbeeld het aansteken van een kaars voldoende. Niet alles hoeft plat gepraat te worden”, vindt Van Dijk, die op een bepaald punt in zijn leven overwoog om  priester te worden. ,,Ik kreeg een gesprek met kardinaal Simonis, die toen aartsbisschop van Utrecht was. Dat gesprek mislukte volledig”,  kijkt Van Dijk terug.  De overstap naar de katholieke kerk was meteen van de baan. Hij bleef protestants. ,,Je ontdekt jezelf in anderen”, zegt de predikant over dat proces. Toch stond op dat moment nog helemaal niet vast dat Van Dijk dominee zou worden. Dat inzicht kwam pas in Taizé. Na 2,5 jaar in Polen te hebben verbleven, bracht hij ook 2,5 jaar in deze Franse gemeenschap door. Als kloosterling bad hij veel en hielp hij mee om de bijeenkomsten voor de soms wel 9000 jongeren te organiseren. Na 2,5 jaar dacht Van Dijk zijn roeping te hebben gevonden: hij werd broeder in het klooster van Taizé. ,,De broeder die mij begeleidde, vond dat geen goed idee. Toen ben ik, best ontdaan, teruggegaan naar Nederland”, vertelt Van Dijk. Een jaar later keerde hij terug om het uit te praten. Op de vraag wat Van Dijk met zijn leven ging doen, antwoordde hij dat hij sowieso geen dominee zou worden. ,,Maar eenmaal buiten overkwam me iets heel bijzonders. Ik voelde me heel raar en plots wist ik zeker dat ik wél dominee wilde worden. Ik ervoer ineens de vrijheid om mijn eigen keuze te maken en belde meteen mijn familie op om het te vertellen. Die wisten het al lang. Ik had immers theologie gestudeerd, dus verrast waren ze bepaald niet”, lacht Van Dijk. Hij kon meteen als predikant aan de slag. op verschillende plaatsen in Zuid-Holland.

Op 11 oktober 2009 werd hij predikant in Sauwerd. ,,Ik wilde heel graag in een dorp werkzaam zijn en de advertentie van de PKN-gemeente in Sauwerd sprak me heel erg aan. Het was een evenwichtige advertentie, terwijl ik soms advertenties tegenkwam waar de wanhoop vanaf droop. Dan lees je gewoon dat de gemeente op het punt staat te verdrinken en ze een reddingsboei nodig hebbeen”, vertelt Van Dijk.

Het goede gevoel dat hij bij Sauwerd had, bleek terecht. Nu, tien jaar later, prijst hij de kerkgemeente als een warm bad, waar iedereen zich welkom mag voelen. ,,Het is een open kring en mensen staan meteen klaar om te helpen. Dat geldt ook voor het dorp Sauwerd als geheel.” Sauwerd is een dorp van aanpakkers, de geschiedenis rond de buurtsupermarkt is daarvan het bekendste voorbeeld. Van Dijk illustreert zijn verhaal met een andere gebeurtenis. ,,Vier jaar geleden overleed een alleenstaande man. Hij had geen geld en geen familie. ‘We gaan hem toch niet zomaar onder de grond stoppen?’, vroeg zijn buurvrouw zich af. Toen is er van alles losgekomen. Er werd een kist geregeld, de bloemist zorgde voor de bloemen en ik wilde de dienst wel doen. Omdat hij lid was van SIOS, heeft de kist op de middenstip van het voetbalveld gestaan met spelers van SIOS er omheen. Het hele dorp liep uit. Dorpshuis Ubbegaheem zat afgeladen vol. Dat is zo Sauwerd.” Het dorp Sauwerd laat zien wat de kracht van een gemeenschap kan zijn. ,,In onze tijd worden mensen steeds individualistischer, terwijl een gemeenschap sterker is dan losse individuen bij elkaar. Natuurlijk is ook het dorp Sauwerd veranderd, maar hier is het wel zo dat als iemand hulp nodig heeft er altijd iemand voor hem of haar klaar staat. Dat heb ik zelf ook gemerkt. Mijn partner is heel ziek geweest. Hij heeft een konijnenfokkerij en er kwam meteen iemand bij ons achter huis. ‘Ik had het zo bedacht dat ik de hokken schoon maak’, zei hij meteen. Hij was heel praktisch en ook dat is echt Sauwerd.”

 

door Hielko Merkus

 

 

Teken en naaste.

 

Nu de eerste puinhopen van de Notre Dame worden bekeken, blijkt het vergulde altaarkruis  ongeschonden door de furie te zijn gekomen. Het beeld van dat glanzende goud te midden van het as en de zwartgeblakerde muren roept veel emotie los. Mensen zijn er door geroerd, en dat kan ik mij wel indenken. De fantastische rozetramen zijn nog intact, het orgel staat er nog – dat bulderende en fluisterende instrument!- en het kruis. We trillen nog na op de woorden: “We hadden de hele Notre Dame kwijt kunnen zijn! De kathedraal had zomaar weg kunnen zijn!” Dan ben je blij met alles.

Een zekere Kaylee Crain ging een stap verder: leg me eens uit, schreef zij op Twitter, hoe je nìet in God kunt geloven als je dit hebt gezien? Een nogal tricky uitspraak. Want als er een logische verklaring is, dan sta je daar mooi te kijk met je god.

Die logische verklaring is er. “De brandtemperatuur van hout is 600 graden, antwoordde Dan Broadbent, “de smelttemperatuur van goud 1064” Daarom. Het was heet genoeg voor het hout, maar niet heet genoeg voor het goud.

Kaylee was een beetje dom. Maar het antwoord van Dan geeft mij evenmin wijsheid. Het komt zo aan verwondering te kort! De verwondering dat onder al het vuur en al het puin dan tóch nog dat kruis overeind staat. De verwondering dat het ueberhaupt zo is: hout brandt bij de ene temperatuur en goud smelt bij een andere. Alsof ze wéten wanneer het heet genoeg is. Heus, ik snap: dit is malle lekenpraat. Maar dat nuchtere “ja zo zit het nu eenmaal” is net zo mal. Er is niets nuchters aan het feit. Het is fantastisch dat het zo zit. Uitzonderlijk.

Je kunt niet net doen alsof je de brandtemperatuur van hout zelf bedacht hebt. 

Dan maar liever mijn lieve dichteres Szymborska. Zij beschrijft heel de werkelijkheid als één grote wonderkermis. “Alledaags wonder: een koe is een koe”. Je raakt niet uitverbaasd over alles. Dat het niet ander is. Dat het zó is.

Het kruis bleef toevallig staan. Maar het is wel toevallig dit toeval en geen ander.

 

Ondertussen rommelt er echter nog iets anders. Dit is pas het halve verhaal.

Het christelijk geloof heeft zulke godsbewijzen als een kruis dat blijft staan helemaal niet nodig. “Joden zoeken tekenen”, zo meldt Paulus, “Grieken zoeken wijsheid” – maar voor het christelijk geloof is noch het één, noch het ander een bewijs voor God.

Als je al een bewijs zou wìllen zoeken dan is het enige godsbewijs voor het christelijk geloof: de naaste. De andere mens. “Wie dit voor de minste van mijn broeders doet”, woorden van Jezus: “Die doet het voor mij.” “Want de glorie van God” schrijft Origenes: “Is de levende mens.”

Het grote keerpunt van het christelijk geloven: God is mens geworden. In tekenen, toevalligheden, of wetmatigheden schuilt het niet. Het zit in de mens die jou nadert, vriend of vijand. God woont in het antwoord dat jij geeft. Zul jij een vriend willen zijn?

Ik zal eerlijk zijn: ik heb niet zo veel met toevallige wendingen in het leven. Dat je rechtsaf fietste en kijk nou – daardoor ontkwam je aan een ongeluk. Het is jouw persoonlijke ervaring, maar ik kan er niet zo veel mee, alsof dit aantoont dat er wel een god moet zijn. Een ander fietst rechtsaf, en fietst het ongeluk tegemoet.

Ik geloof wel wat Ruth overkwam. Zij was arm, ze was vreemdeling, ze had honger en ging op zoek naar graan. “Per toeval”, zo staat er dan geschreven: “Kwam zij op de akker van Boaz terecht.” En Boaz? Boaz maakte het toeval tot geluk. Hij deed recht aan Ruth en schonk haar méér graan dan zij tot brood vermalen kon. Ja, uiteindelijk gaf hij haar ook zijn lichaam, maar dat is weer een ander verhaal.

Die bekering tot de andere. Dat is het punt. Daar woont God.

We hebben in de kerk, denk ik wel eens, de  toewending tot de andere mens nog altijd niet radicaal genoeg gemaakt. Daardoor blijven er van die niet zo slimme tweets komen “Als je niet in God gelooft, hoe kan dan volgens jou dit gouden kruis nog overeind staan?”

Als je in God gelooft, hoe kan het dan dat er nog zoveel mensen in je omgeving eenzaam zijn? Had ik teruggetweet. Maar ja. Ik heb geen mobiele telefoon. Toevallig.

 

Biddag

 

Bidden lijkt zoiets kinderlijks. Je wilt iets. Je kunt het zelf niet voor elkaar krijgen. Je roept onzichtbare machten in. Je krijgt wat je hebben wilt.

Of je krijgt het niet.

Verder maakt het dan ook niet zo uit, of je engelen inroept, kabouters, god, of het vliegend spaghettimonster. De gedachte is steeds dezelfde: ik geef uit handen, zodat een ander, een Ander, iets anders of Iets anders het gaat doen.

Bidden zoals overal gebeden wordt. Met of zonder offers erbij.

Ik begrijp wel dat sommigen er verlegen mee zijn. Als God, God is, dan weet hij toch al lang wat je wilt? Of een verlegenheid de andere kant uit: hoort iemand je wel als je bidt? Zesmiljard mensen. Dat is onmogelijk bij te benen. Is er zoiets als god?

Ik kom moeilijk meer los van het beeld uit de film “Bruce Almighty”. Ene Bruce mag voor een tijdje de plek van God innemen. Hij wordt stapel van alle gebeden die hij de hele dag hoort. Dus verzint hij een list: elk gebed print hij op een Post-it. Deze oplossing, geniaal als die is, wordt een ramp: miljoenen, nee, miljarden post-it-stickers stormen op zijn huis, stoelen, koelkast, haren, benen en armen af. Alles zit onder, in een mum van tijd. Kanariegeel.

Als iemand míj de vraag zou stellen: en heeft God ons nu gehoord? – die vraag wordt wel gesteld- dan voel ik hoe het haspelen in mijn keel begint. Het zweet staat mij in de handpalmen.

Ik bid, is steeds mijn antwoord. Ik bid.

Dat is het.

Een flink aantal jaar geleden wandelde ik de Hartebrugkerk binnen. Hoog torent het gebouw uit boven de binnenstad van Leiden. Met joekels van gouden letters op de voorgevel: “Dit huis van God is de poort naar de hemel”, valt het gebouw niet te ontlopen. Binnen, wat je in een kerk verwacht: schemer, heiligenbeelden verstild in de tijd, kaarsen, een altaar, een gebedenboek. In dat boek stonden allerlei verlangens en verwachtingen. “Laat mij morgen mijn rijbewijs halen”, “Zorg voor oma”, “Zegen mijn kinderen”, “Bekeer mijn man”, “Geef mij geld.” Kort, lang, poëtisch of prozaïsch, steeds was het een herhaling: God, doe iets voor mij.

Er was nog iets anders met het gebedenboek. Iemand had de tijd genomen om de gebeden te lezen. En om ze vervolgens van commentaar te voorzien. “Je haalt je rijbewijs wel, en als je het niet haalt, haal je het niet”, “Je oma? Wat kun jij voor haar doen?”, “Hoe zegenrijk ben jij voor je kinderen?”, “Moet ìk je man bekeren? Kun jij hem mijn liefde niet laten zien dan?”

Nee. Ik weet niet of deze antwoorden geïnspireerd waren. Ik vond ze wel inspirerend. In één klein ogenblik begreep ik: bidden betekent niet dat je bij god, God, Spaghettimonster je wensen en verlangens indient. Bidden betekent: open gaan voor de verlangens die bij jou worden ingediend. Zeg maar.

De beweging van bidden is niet van mij uit naar een ander. De beweging is naar mij toe. Niet ik spreek. Ik word aangesproken.

En je wòrdt aangesproken. Of je nu christen bent of niet. Dat doet er eigenlijk niet eens zo veel toe. Er wordt op ons allemaal een appèl gedaan. De straatkrantverkoper bij de Albert Heyn, de buurvrouw die met haar hak tussen de straatstenen is klem geraakt, de moeder die het allemaal niet krijgt rondgebreid, de man die om zijn gestorven vrouw treurt, de collega die nog net de lift wil halen, de vluchteling die aan je landsgrenzen staat, de werkloze die zich geen raad weet, de rijke die de zin van het leven niet kan ontdekken… en dan noem ik nu pas de menselijke stemmen. Maar wat te denken van de dieren, de bomen, het gras, de wolken, de aarde, de zon.

Ik word aangesproken. Om te zijn. Te doen. Te luisteren. Dat laatste het eerste

Ik bid om te luisteren.

Zodat ik hoor wie ik kan zijn.

 

De vraag is niet: luistert iemand dat je bidt?

De vraag is: luister ik wanneer ik bid?

Rouw. Een ode aan het leven.

Nee, geen dankdienst voor mij als ik dood ben. Ik begrijp de keuze van anderen, maar voor mij is het te vroeg. Alles op z’n tijd. Die dank, die komt wel. Na de rouw. Sla de rouw niet over. De pijn niet. Noch het verdriet. Organiseer na mijn dood een rouwdienst. Trek het zwartste zwart aan, leg zwaar geurende lelies op mijn kist en vraag de organist traag en diep te spelen. Ik hoop dat er gehuild wordt. Dat het van de balkons klinkt en aan de gewelven kleeft: hier is iemand dood gegaan. Iemand die er was en was en was. Die iemand verdween, zomaar, en wij begrijpen er niets van.

Toast niet op het leven, als je mijn lichaam net in de aarde hebt begraven. Dat leven komt wel weer. Maar nu niet. Laat er hete troostsoep zijn. Of bedrukt zwijgen bij een kop koffie. Iedereen is vrij bij zijn afscheid te doen wat hem past. Voor mij echter geen al te jofel doen over de dood. De dood is niet grappig, licht of leuk. Hij is verschrikkelijk. Die ene is weg.  Een arm wordt van je afgerukt. Het hart uit je lijf getrokken. Een stuk van je ziel wordt losgescheurd. En het komt nooit meer terug. Nooit. Meer.

Ik weet wel: de dood maakt ons handelen zinvol. Stel dat we voor altijd zouden leven, Dan hoefde niets vandaag. Dan kon alles altijd nog morgen. Dan hoefde uiteindelijk helemaal niets. Ik weet óók, heel goed zelfs: de dood is niet bij machte om al het leven te vernietigen. De dood kan iets moois hebben. Iets troostends: het gaat hier voorbij. Goddank. Maar dat alles is theorie. Dat kun je bedenken zo lang de dood ver weg is. Zo lang je met een kopje koffie in de hand op de bank zit. Met je liefste dicht bij je.

Maar als de schaduw valt, is het met het verheven denken gedaan. Dan is dood rauw. Wat was, was. Wat er niet was, zal er dus nooit meer zijn. Wat werd gezegd is nu gezegd, wat werd verlangd is nu verlangd En wat uitbleef, zal voor altijd uitblijven.

“Is dit voor jou ook een treurige dag?”, vroeg een lieve neef aan mij, terwijl wij achter de baar liepen van mijn oudste broer. Hij, mijn broer, en ik hadden geen simpele relatie. Wij moesten altijd vele dwaalgangen door om elkaar te vinden. We waren de tocht niet vaak begonnen. “Ja”, antwoordde ik. “Ja, toch wel. Want nu weet ik dat het dit is. Nooit meer zullen we nog probéren om iets van elkaar te begrijpen.” De dood is een doek dat valt. Het oordeel is er. Het is klaar.

Verzwijg de pijn niet.

En als ik dan word uitgedragen, langzaam wiegend op de schouders van zes stokoude reumatische zwarte kraaien, zing dan met elkaar. Zing een lied. Het lied van de Steppe. Huub Oosterhuis’ lied van de steppe. Dat die – toch!- weer zal gaan bloeien.

Wanneer je dan met dichtgeknepen stem die veel te hogen noten zingt van: Dode, dode sta op! Die machteloze hulpkreet. Als je die zingt, dan zal ik een kaars omduwen. Mijn geest zal een kaars op de avondmaalstafel omduwen. Zodat je, wanneer je de schrik door de rijen hoort gaan, wéét: ik zou het óók willen. Opstaan.

En leven.

Want dat leven. Dat wint.

Maar eerst. De rouw.

Nashville zal licht zaaien

 

Nog onder de lichtkring van kerst plofte de Nashville-verklaring op de mat. Een ijskoude tekst over gender, huwelijk en seksualiteit. In veertien artikelen delen tweehonderdvijftig predikanten en bijbelleraren even zovele klappen uit aan alle mensen die niet passen in hun kaders van “het huwelijk is door God gewild als levenslang verbond tussen één man en één vrouw. Klappen worden uitgedeeld aan homoseksuelen, lesbiënnes, aan transgenders, mensen met een intersekseconditie, aan mensen die gescheiden zijn, hertrouwd zijn. Aan bijna iedereen. Behalve aan henzelf.

Zij zijn, blijkbaar, man naar Gods wil. Getrouwd zoals God het wil. Zij zijn, blijkbaar, de norm. En ze staan, blijkbaar, op de positie om anderen hun plek te ontzeggen.

Ik lees de woorden “Wij erkennen”, “wij wijzen af” en ik weet:  ik val veertien keer in hun afwijzing. Ik lees dat “homoseksualiteit een positionering is”, een keuze. Alsof iemand ooit zichzelf afvraagt: “Kom, wat zal ik eens worden? Homo? Hetero? Bi, misschien?”  Ook transgenders kiezen niet om man of vrouw te worden, ze zíjn man, ze zíjn vrouw. Maar hun lichaam klopt niet met wie zij zijn.

Een dag lang dacht ik: “Ik laat dit niet dichtbij komen. Ik gun hen mijn verdriet niet. Ik sta hen niet toe om mij te kwetsen. Ik zwijg. Het is te genant. Te erg. Te dom.” Ik scrolde langs de websites van de EO, van het CIP van het Nederlands Dagblad – ik las de reacties. Homo’s gaan naar de hel. U wacht het laatste oordeel! God zal u straffen voor uw dwaling. Er staat geschreven: alleen een man, alleen een vrouw. Ik las vuur. Liefdeloosheid. Kou. Veel kou. Verbroken contact.

Het kwam toch dichterbij. Dat is wat vuile praat doet: het bezoedelt je ziel. Het kruipt onder je huid. Het trekt je naar beneden. Wie zijn zij, dat zij vies maken wat voor mij zuiver en heilig is?

Toevallig verscheen óók op die zaterdag in het Algemeen Dagblad een interview met mijn man. Hij vertelt daarin over zijn ziek-zijn, de dreiging van de dood die er jaren was, hij vertelt over zijn schilderkunst en over zijn grote levenslust. De dood week dankzij een nier die ik kon doneren. Ik ben zijn mantelzorger. En dan zou ons huwelijk zondig zijn?  Niet naar Gods wil?

Het kwaad kruipt van twéé kanten dichterbij. Op weg naar een viering met dak- en thuislozen in de stad, luister ik naar de radio. Daar vertellen mensen dat ze het nú zeker weten: godsdienst is het finale kwaad. Dominees zijn slechte mensen. Christenen zijn hypocriet.

Van de orthodoxen mogen wij niet bestaan. Van de seculiere Nederlander mogen wij óók niet bestaan. Iemand schreef: het is een heidens karwei om als LHBTI’er in de kerk uit de kast te komen, maar het is duivels werk om in de wereld als christelijke LHBTI’er uit de kast te komen.

Zo was het tot maandag.

Toen begonnen de panelen te schuiven. Er verscheen een regenboogvlag aan een kerk. Eerst in Bodegraven. Toen in Woerden. In Amsterdam; één, twee, drie, vier. Meterslange wimpels werden aan torens gehangen. Dominees keerden zich naar de LHBTI’ers in hun gemeenschappen en daarbuiten. Ds. De Smouter, directeur van de EO notabene, schreef: “Geloof Nashville niet! Wie je ook bent, je bent welkom bij God.” Zo’n helder geluid heeft de omroep nog nooit laten horen. Het stadhuis van Amsterdam, Utrecht, Amersfoort gaven verklaringen af. Over inclusiviteit. En dat geen mens géén plek onder de zon zou hebben.

Er verschijnen artikelen in de kranten van homoseksuele christenen. Ogen die je aankijken. Monden die zeggen: hier ben ik. Je krijgt me niet weg. Al zou ik niet in jouw ideale wereld passen, ik pas wel in de wereld van God.

 

De ondertekenaars zelf beginnen te schuiven. “Het is zo niet bedoeld”, schutteren ze. “Wat jammer dat we niet worden begrepen”, haspelen ze. Hun namen werden van internet afgehaald. Door henzelf. Ze trekken een jas aan die hen niet past: “Wij zijn slachtoffer. Mogen wij dan geen christen meer zijn in dit land?” Ze blijken een muis die brulde.

Dat mensen het zullen zien. In hun eigen gemeentes. Dat mensen de verhalen van alle mensen zullen horen, het eerst van hen die niet zijn zoals je zelf bent. Dat het contact hersteld wordt. Waar pennen sloegen, zullen handen elkaar zoeken.

Dit verhaal is nog niet ten einde. Wat ferm als een “stukje positionering” in de wereld werd gezet, zou wel eens een mosterdzaadje kunnen zijn. Zoals de Heer in zijn gelijkenis vertelt: “Een boer ging uit om graan te zaaien, maar toen hij achterom keek, stond er een mosterdplant.” Onbedoeld zouden de opstellers wel eens een nieuwe openheid hebben kunnen zaaien.

Overal wordt gesproken. Over wie wij zijn als mens. Wat onze diepste drijfveren zijn, onze liefdes, onze huwelijken, onze teleurstellingen.

“Wat je ook van de verklaring vindt”, zei iemand, zelf orthodox: “Dit doe je niet. Je zet mensen niet in een hoek. Je zet daar je handtekening niet onder. Je schrijft mensen niet af.”

“Ik ben niet zo van de statements”, schreef iemand anders, “maar ik kan er niet meer omheen. Hier komt ‘ie: ik ben christen. En ik ben homo.”  Onder zijn bericht begon het al gauw te kolken van warme, lieve, hartelijke en goede wensen en woorden. “Homo betekent toch mens?”, vroeg iemand gevat.

Ik denk aan pater Van Kilsdonk. In de jaren tachtig al bezocht hij homoseksuele mannen die ziek waren geworden door het HIV-virus. Wat wisten we daar toen van? Van de ziekte. Van homoseksualiteit? Toen was het nog veel méér: “Wij wijzen af!”  Pater van Kilsdonk niet. Hij wees niet af, hij bevestigde. Hij schreef: Als wij op deze aarde zoveel vrouwen en vrouwen en mannen en mannen gadeslaan die zelfs in een bedreigende cultuur niet ophouden een eigen liefdesaanleg met ontroerende ernst en bloei te handhaven, dan kan een gelovige niet anders begrijpen: deze behoefte en deze kunst om te beminnen en om bemind te worden, is niet zomaar een toeval, nog minder een ongeval. Zij is een vondst, een ontwerp van de Schepper. Zij is een gave én opgave. Net zoals zon, maan en sterren dat zijn, of zwart, bruin of blank, of man en vrouw als paar.”

Hij zal gelijk krijgen op het eind. Daar ben ik van overtuigd. Want het licht breekt door. Dat vierden we. In die kerstkring.