Moest Jezus dood?

kreuzigung_isenheimer_altarVerliep de kruisiging van Jezus volgens plan? De meeste kerkvaders leggen het zo uit. Pardon; allemaal. Ze zeggen allemaal: God had van te voren vastgesteld dat Jezus zou worden gekruisigd.

Maarten t Hart schiet nog altijd van pure ergernis uit zijn sokken, als hij deze redenering hoort. Hij is de enige niet. Ik krijg het er ook nogal benauwd van. En de gedachte, dat God hiermee een meedogenloze regisseur wordt is dan nog niet eens het grootste struikelblok. Er is veel wat ik niet begrijp. Ik begrijp G’d nog wel het allerminst. Dus, wie weet. Pijnlijker vind ik, dat het lijden van Jezus hiermee iets nepperigs krijgt. Iets “het-is-niet-ergs’-achtigs. Wat het zwartste is, het doden van een mens, wordt ineens ‘de bedoeling’. Ik kan mij daar niets bij voorstellen. En al helemaal niet, wanneer het in verband wordt gebracht met lijden van mensen om ons heen. “God wil het zo” stond er eens in dikke, uitgebeitelde, letters op een grafmonument voor een kind van zes. Een traktor had hem doodgereden. Nou, geef mijn portie dan maar aan Fikkie. Lijden is nooit, ik herhaal, nooit te vergoelijken of te verfraaien. Apokriefe brief van de heilige apostel Sybrand. Lijden heeft maar één mogelijk antwoord: dat ik er bij blijf. Dat iemand er bij blijft. En naar het appèl luistert.

Toch schrijven de evangelisten ook zoiets van “het moest”. “Dei” in het Grieks. Hier, bijvoorbeeld. Voor de meesten zal het woord niet zoveel zeggen, maar op theologen heeft het woord hetzelfde effekt als het woord “zwam” op makelaars. Foute boel. Opletten hier. Dei, zo spuwen alle naslagwerken hun kennis, is een werkwoord dat er op duidt, dat God hier aan het werk is.

Ik word er niet vrolijk van. Zijn wij domme poppetjes op het strijdtoneel? Stromannetjes? Stellen wij niets voor?

Onze ervaring is het in elk geval niet. Wij maken nogal wat werk  van ons bestaan. Een misselijke grap? Wij denken iemand te zijn, maar we zijn niemand? Mag ik Buddist worden? Of is dat geen verbetering in dezen? De bijbel neemt, over het algemeen, ons aardse mens-zijn nogal serieus. Met onze huid, en warmte, en haren in het afvoerputje.

Ik kijk nog eens naar de kerkvaders. Zij schreven in een tijd, dat christenen nog steeds over de kling werden gejaagd. Of in elk geval voelden zij nog de brandwond van de herinnering aan de vermoorde christenen nog in hun ziel. Niemand was bij machte geweest om de keizerlijke furie te doven. Het gevaar was een onvermijdelijk deel van hun bestaan.

Als je zegt dat “God” iets doet. In elk geval zit er de erkenning in, dat je er zelf niets aan had kunnen veranderen. Je draagt er geen schuld aan. “God”, op die manier gedacht is dan de laatste beweegreden. Niet meer te bevragen. Het is zoals het is. Verhipte dicht bij die moeizame naam JHWH. Ik zal zijn die ik zijn zal.

Er is ook veel dat niet is, zoals het is. Waar speelruimte voor mij in zit. Maar wat doe ik met de dingen die wel zijn, zoals ze zijn, amen en klaar? Mijn eigen bestaan, bijvoorbeeld? Vanaf het moment dat ik er was, was het onvermijdelijk dat ik er was. ‘En niemand vroeg of dat wel een leuk cadeautje was”, zingt Herman vanVeen sip. Vanaf het moment dat ik mijn studie af had, was het onvermijdelijk dat dit mijn studie was. Damn. En toen ik ruzie kreeg met mijn buurman, had ik onvermijdelijk ruzie met mijn buurman. Niet alles is mijn schuld.

De schrijvers van Jesus Christ Superstar doen iets opvallends, als zij Jezus laten bidden in Gethsemane. Het lijkt zo’n depressief gebed: doe mij maar weg. U hebt gewonnen. De schrijvers van de film voegen er een flinke drup woede aan toe. En passie. Was dit Uw bedoeling, G’d? Dat ik dood zou gaan?  Nou, goed dan, dan ga ik dood. Maar U kijkt toe! Hoort u? Heb niet het lef om weg te kijken. Dan zult u ook zien wat u aanricht!

Het lied laat mij verbluft achter. En met adrenaline in het bloed. Jezus staat op tegen een “God die het zo zou willen” en zijn verzet ligt hem erin, dat hij het doen gaat. Wow. In een soort verdwaasde boost pakt hij het onvermijdelijke op. En maakt er zijn leven van.

Abel Herzberg heeft gezegd, zo hoorde ik deze week: “Bewaar in alle omstandigheden je menswaardigheid.” Dat God iets wil, zou wel eens het laatste zetje kunnen zijn om zijn raad op te volgen. Want soms lijkt God wel gek geworden.

 

 

Peptalk is nog niet gemakkelijk.


Of ik nog even wilde blijven, vroeg ze na een vergadering. Een venijnige onzekerheid sprong op. Had ik iets fout gedaan? Motortjes in mijn hoofd scanden alle werkterreinen af. Had ik iets geks gezegd tijdens een kerkdienst? Vond ze mijn gedoe op facebook ongepast? Kon mijn rode jasje niet door de beugel? Nog voordat ze iets had gezegd, had ik mijzelf gewogen… en te licht bevonden. Ik stelde ook niet zo veel voor, besloot ik.

Is het de opvoeding? Ja, vast. Een moeder met dagelijks wisselende spelregels helpt de stabiliteit niet direkt. Ligt het in mijn karakter? Ongetwijfeld. Een flink opgetuigd super-ego is niet altijd een zegen. Het geloof dan? Tja, het geloof….

We hadden helemaal niet zulke strenge dominees, vroeger. Wel heel serieuze. Wat dan ook weer een soort gestrengheid is. Maar ze bedoelden het goed. En hadden een groot hart voor mensen.

Ik zocht zelf de strengheid op. Dat wilde ik niet helemaal toegeven, dat het mijn eigen weg was. Ik zei – om ervan af te zijn- liever dat ik van huis uit tot de Gereformeerde Bond behoorde. Niet helemaal waar. Onze kerkelijke thuisgemeente was open en liberaal.

En toch was het ook wel waar. Een onderstroom in onze familie was dat niet. Niet liberaal, bedoel ik. Mijn oma, naar wie ik genoemd ben, was een vrome vrouw. Vroom in de zin van – zwaar tillend aan haar zonden. Streng voor zichzelf. En gestoffeerd met een piëtistische woordenschat. Over het bloed van de Heer. En dat wij zijn genade nodig hebben. Maar dat God, die zij nooit zo noemde, maar altijd de Heere met hoorbaar drie e’s- de Almachtige is onder wiens hand je moest buigen. Het leven had haar nogal krom doen gaan. Het was geen vreemde hand die het haar aandeed, zou zij vaak zeggen.

Zoals stof aan je blijft hangen als je electrisch geladen bent, zo bleef aan mij kleven dat dit wel de juiste levenshouding moest zijn. Niemand die het mij ooit zei. Ik leerde mijzelf buigen en oordelen. Waarom?

Dat heb ik mij vaak afgevraagd. Ik weet het nog niet helemaal. Maar ik denk, doordat wij mensen geen aangeboren stabiliteit hebben. Ik maak er maar een algemeen menselijke kwaal van, dan voel ik me er niet zo alleen in. Zeg me maar niet, als het niet voor iedereen geldt. Op de een of andere manier ontvangen wij een ziel met maar één been. En het is aan ons, blijkbaar, om er een tweede aan te doen groeien. Of er aan te knutselen. Of ik weet niet wat. Stabiel worden, dat moeten we zelf maar doen. Het onnozelste kalf springt na een paar minuten recht op de poten en gaat drinken bij zijn moeder. Die heerlijkheid is aan ons niet gegeven. Wij kruipen maanden machteloos over de grond. Maanden? Jaren. Een leven lang soms.
Hoe word ik  stevig? Het leek mij, zonder woorden, maar het beste om te blijven liggen. Dan kun je ook niet vallen. Als ik mijzelf van te voren al beoordeel, valt het oordeel van de ander alvast mee. Ik word er niet gelukkig van, maar ik weet wel waar ik aan toe ben. En dat is ook wat waard. Liever zeker en onhappy, dan happy en onzeker.

Werd ik steviger? Je zou het niet zeggen. De depressieve route ligt altijd ergens te sluimeren. Maar ik veranderde wel. Denk ik. Ik groeide meer in de ruimte die van mij is. En ik leerde openstaande deuren dicht te doen. Hier ben ik. En zo is het voor nu goed.

Wat mij niet hielp, waren de teksten die riepen “Wat ben je goed!” Nee. Ik werd er onzekerder van. Des te scherper zag ik er door, wat er niet goed was. En neem maar van mij aan: in dit geval was het geen neurotisch gewik en geweeg. Niet alles wat ik doe is goed. Easy as cake. Mijn neurose school hier in: dat ik in het ‘niet-goed’ tuimelde en verdronk. En als ik zag dat het wel waar was, wat de ander zei, dan had ik nog een ander neurotisch antwoord paraat. “Als het de volgende keer dan ook maar zo goed is.” Ja, mijn ziel is een slim dier.

Wat heeft mij geholpen? Dit. Het onderkennen dat het voor de liefde niet uitmaakt of ik het goed doe, of slecht. De liefde wordt er niet anders van. Iemand zei eens: “Als je iets fout doet, ben jij nog niet fout.” Ik denk dat ik hem heel sceptisch heb aangekeken. “Eigenlijk”, vervolgde  hij, met een twinkeling in zijn oog: “Is het heel arrogant om te denken dat je pas goed bent als je alles goed doet.” En arrogant, dat had hij raak geschoten, dat wilde ik niet zijn. Dat vond mijn super-ego al helemaal niet goed. Spin gevangen in zijn eigen web. Je bent G’d niet!

Mijn oma zou zeggen: zie je nou wel, dat je van genade leeft? Er wordt van je gehouden. En je doet niet alles goed. Er wordt van je gehouden.

O, de ouderlinge hield mij trouwens nog even aan, omdat ze blij was dat ik met haar moeder had gepraat. “Het had veel opgelost”, zei ze.

 

Walging is nog geen verandering.

Psalm 110 is weer zo’n tekst, dat je denkt: “Waar lees je nou eigenlijk de bijbel voor?’ De zinnen ronken van oorlogstaal. Van overwinnende oorlogstaal, ten koste van.

Er wordt een koning aangesteld, zo lezen we. Het is een proclamatie. “JHWH zegt tegen mijn heer: zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd als voetbankje.” Het is God die de oorlogstaal baart: hij zal de vijanden neerslaan.

En de koning volgt zijn voorbeeld. Hij slaat hoofden stuk en stapelt lijken op. Ziezo, dat is dat.

Ik word er een beetje weeïg van in de maag. Moet dit een heilige tekst zijn? Met al dat bloed dat er in rondstroomt? Kan iemand hem misschien schrappen?

Er waren tijden, waarin men niet zo’n moeite had met deze tekst. Christenen bestormden met deze woorden op de lippen Moslims, ze sloopten de muren van Jeruzalem, doodden iedereen die er in leefde. En omgekeerd trouwens net zo. Moslims hadden hun teksten, waarmee zij Christenen in de pan hakten. Een tijdgenoot van de kruistochten schrijft, dat het bloed van de gedoden tot kniehoogte door de straten van de stad stroomde. Nu waren de mensen kleiner, en zaten de knieën lager. Maar zelfs dan. Walgelijk.

Walgelijker nog dat het zo door welke god dan ook maar goedgekeurd zou worden. Dat het zo de bedoeling zou zijn.

Wij kunnen er niet meer tegen, dat iemand roept: “Deus le vult”, “God wil het zo”. Te veel slachtoffers gezien. Teveel smerigheid van godsdiensten gezien.

Soms bekruipt me de gedachte, dat het bloedvergieten “in naam van” nog altijd doorgaat. Walging of niet. Maar dat we er de ogen niet voor hebben. Toen Teun van de Keuken op onderzoek uitging waar onze chocola vandaan kwam, bijvoorbeeld, en hij daarbij op kindslaven stuitte. “Ja,” zei Nestlé: “Maar dat is niet ons beleid. Dat ligt in handen van de wereldeconomie.” Of anders wel van de wisselkoersen. Of het corrupte regime in het land waar chocola groeit.

Iemand ging op onderzoek uit, waar de mineralen voor onze mobiele telefoons weg kwamen. Daarbij stuitte hij op wapenhandelaars en bloedgeld en – alweer- slaven. “Ja”, zeiden de telefoonaanbieders: “Maar dat ligt buiten onze macht. Het komt door de wereldeconomie, door de corrupte regimes, door..”

Nooit vallen de groten ten prooi. Het zijn de scharrelaars die opdraaien voor.

We walgen van God in wiens naam mensen worden gedood.

en terecht

maar de goden in wier naam mensen over de stekels worden gejaagd zijn er niet door verdwenen

walging verandert de wereld niet.

Ze kan wel een bron zijn voor iets anders.

Omkeer, bijvoorbeeld.

 

Er is een tijd geweest, waarin men Psalm 110 zonder enige moeite las. Met hoop in de stem las, zelfs. De evangelisten doen het al zo. Zij slaan het lied op en roepen: die koning? Dat is Jezus!”

Ik begrijp maar half hoe ze er op kwamen. Was het hun “de-wens-is-de-vader-van-de-gedachte-blik”? Was het hun zielsverbondenheid met de kleine mensen? Of hadden ze in Jezus, dieper, iets gezien van waarheid? Van ja-zo-is-het?

Jezus lijkt altijd de uitzondering. Hij-die-van-mensen-houdt.

Mooi, maar onhoudbaar.

 

De wereld zit immers zo in elkaar: wie niet van mensen houdt en geen rekening met hen houdt, die komt hier het verst.

 

En dan die gekke evangelisten: nee. Niet waar. Wie niet van mensen houdt verliest zichzelf. Ook al wint hij misschien alles.

De evangelisten proclameren zo maar Jezus tot “zo zit het in de wereld in elkaar”. De barmhartige wint. Ook al verliest hij misschien alles.

 

Ik ben iedere keer weer overtroefd door de evangelisten van tweeduizend jaar geleden. Waar ik blijf steken in mijn walging, daar gaan zij verder. Waar ik foeter: de wereld is rot, mensen zijn idioten. Daar horen zij verder.

Het slachtoffer zou jouw koning kunnen zijn

Als zij psalm 110 lezen, keert de wereld ondersteboven in hun lied. Wie onderaan zit, komt boven. Wie bovenaan zit, valt naar beneden.

En G’d? Die moet je dus beneden zoeken.

Bij de mens die vermorst wordt.

Ik moet het lezen om het te geloven.

De opstanding werd het woord. Bijna.

Geschiedenis is een leuke zaak. Het maakt nogal uit wat je vertelt. En misschien nog wel meer, wat je weglaat. Ons verleden blijkt even vloeibaar en levend als de verhalen die we er vandaag over vertellen.

“What if history” is nog een tandje verder: “Wat zou er gebeurd zijn, als..” Als Hitler de oorlog wel had gewonnen. Herman van Veen zingt er een lied over : “het had weinig gescheeld met die V2”. Of als Napoleon Moskou wel had weten vast te houden? Dan hadden wij misschien wel Frans gesproken. En had Geert Wilders niets om zijn politiek op te bouwen. Misschien was ik er zelf dan niet geweest. Want was die ene soldaat wèl van het front teruggekeerd in 1812. Met wie mijn bet-bet-betovergrootmoeder wel getrouwd zou zijn.  Er is niet één wereld. Er zijn werelden zoveel als mogelijkheden. Eindeloos.

File:Papa Ioannes Vicesimus Secundus.jpgIk vraag mij al jaren af, hoe wij christen zouden zijn geweest,  als Paus Johannes XXII niet zo verstrikt was geweest in de machtspolitiek van zijn tijd. Johannes de Twee-en-twintigste, schreef ik. Ik vergat geen I. De drie-en-twintigste heeft nog altijd zo’n charisma, dat je je niet meer kunt voorstellen tussen welke machten hij verstrikt heeft gezeten. Dat zat ook hij, maar de machten rondom zijn verre voorganger waren groter. Koningen, een keizer, en …geld.

De man was Paus tussen 1316 en 1334. Even terug, ja. Er werd gestreden om de macht in Europa. Franse krachten, Engelse krachten en Duitse krachten streden tegen elkaar. En de Paus streed zijn strijd mee. Eén van de zichtbare gevolgen voor hem was zijn verblijfplaats;  de paus zetelde in Avignon.

Er was, naast de geestelijke en wereldlijke macht, een derde macht in opkomst. Het wapengekletter en verengewapper van kloekmoedige mannen in het strijdperk doet vermoeden dat je nog helemaal in het riddertijdperk zit. Ongemerkt kwamen echter de stedelingen op. Met hun geld. En hun banken. Deze Paus was zelf oprichter van één van Europa’s eerste bankinstellingen. De kerk kon zelf ook wel geld gebruiken. Het bracht hem in conflict met de Fransiscanen, die hij in een bul veroordeelde. Het ideaal van eenvoud, zo stelde hij, was niet naar het evangelie. Hij zal daarbij naar de geldbuidel van de Heer gewezen hebben. Dat weet ik niet. Ik heb het document nooit gelezen, noch bestudeerd.

Mijn vinger blijft bij hem steken om een andere reden: hij heeft zich in preken uitgesproken over de dood. En over wat hierna. En hoe. En daarin blijkt hij zijn bronnen, de bijbelse geschriften, verbijsterend goed te kennen. Wat zei hij?

Eerst even iets over wat ‘de kerk’ in het algemeen zei. In de veertiende eeuw, was de hemel nòg rijker bewoond dan in onze dagen. Er waren de zalige zielen. Zij aanschouwden de heerlijkheid van God. Zij waren de mensen die de sacramenten van de kerk genoten hadden. Vooral dat. Dan waren er de heiligen. Zij hadden ook uitgeblonken in hun daden. Ze waren uitzonderlijk dapper geweest, of vroom, of dienstbaar aan de kerk. En ook na hun leven zouden ze daarmee doorgaan. De levenden konden tot hen bidden. Ze konden hen aanroepen in nood, of met vragen. De kerken die heilig gebeente in bezit hadden sponnen er garen bij.

En nu Paus Johannes XXII. Hij ontkende het bestaan van zoiets als een ‘heerlijke aanschouwing van God’.  Hij proclameerde de opstanding. Wij sterven.

Ik ben zelf ook nogal een voorstander van de opstanding, ook al vermoed ik dat ik – zevenhonderd jaar na deze Johannes- daar nog weer iets anders mee bedoel dan hij. De kracht van het woord ligt hem voor mij hierin: dat het erkent hoe pijnlijk, echt en werkelijk de dood is. Ik ga dood op een dag. En dan is het over voor mij. Ik kan nog iets hopen van God, misschien. Maar de dood ontneemt mij al mijn zeggingsmacht. Dat is een rotstreek. Maar ook een veelzeggende rotstreek. Je kunt je afvragen, wie je helemaal bent, als je verdwijnt en alles draait vrolijk door, daarna.

Beseffen dat je dood gaat, doet je al een beetje doodgaan. Een beetje? Nee. Niet. Als je je dood aan je toelaat, word je gezuiverd. Je zou je flauwekul kunnen loslaten. En je houdt in handen wat sterk is. En waar.

Tegenover mijn dood is de scheefliggende stoeptegel voor mijn huis geen item meer. Maar de vraag van mijn buurman aan mij blijft dat wel.

Kijk, daarom hou ik nou zo van het woord opstanding: je gaat er in dood. Maar op een of andere manier sta je er ook in op. Als een ander mens.

Ja, je doorziet mijn truuk goed: ik hou het allemaal hier in dit leven. Nog wel. En ik wil best aannemen dat doodgaan net zo iets is: je verliest. Alles. Maar op de een of andere manier sta je ook op. Moet er wel iets in je leven geweest zijn, dat op kan staan. Iets in je daden, je woorden, je vertrouwen, je leven.

Als mijn flauwekul wegvalt en ik had alleen maar flauwekul. Ja. Nou, dan blijven mijn handen leeg.

Ik vind het idee van sterven als ‘weggaan naar een andere plek” of “naar een plek waar het beter is”, ik vind het domweg te plat. Ik geloof ook niet, dat er een aangeboren stukje in onszelf zit, dat eeuwig is. We worden geboren. Dus gaan we dood. Helemaal.

Er is een opstanding, zei Paus Johannes XXII, en hij zag het aan het eind van de tijden gebeuren. In de oertijd, zeg maar, maar dan naar voren. Als stip aan de horizon. Maar zijn prelaten zagen heel hun mooie wereld met heiligen en zaligen kantelen. En zagen daarmee het geld verdampen. Zo rationeel ging het niet. Dingen gaan nooit rationeel. Zelfs als mensen zeggen, dat ze rationeel zijn, gaat het toch ook langs andere kanalen. Er was genoeg om deze paus verdacht te maken.

Zo verdacht dat geen enkele opvolger in de zevenhonderd jaar na hem zijn naam overnam.

De opstanding werd weer ingeruimd voor hemels gezang. Voorgoed?

Ja, dat blijft de vraag. Johannes de drie-en-twintigste zal zijn naam niet gekozen hebben vanwege de machtsstrijd. Zijn voorganger hervormde de kerk. Zo deed hij. Zijn voorganger doordacht de dood opnieuw, en de opstanding. Zo deed hij, o neee, zo deed hij niet. Midden in zijn werk stierf Paus Johannes XXIII.

Wat zou er nou gebeurd zijn, als hij langer had geleefd?

Mooi vak, geschiedenis.