De kerk, de vijandige wereld.

 

Wilma Vermaat.

De naam dook op in een woordpuzzel. En ineens stond die gelovige vrouw, zij leefde van 1873 tot 1967, mij weer voor ogen. Schrijver was ze, van christelijke romans. Ze schuwde het woord God in haar werk niet en ze leefde daarbij vroom en strikt. Zo gaat de anekdote dat in de Tweede Wereldoorlog nazi’s aan haar deur klopten en op eisende toon vroegen of zij onderduikers in huis had. Ze wilde geen onwaarheid doen en zei heel naïef: “ja”.  De nazi’s dachten dat zij hen voor de gek hield en liepen door. Haar huis werd niet doorzocht.

In de jaren tien van de vorige eeuw, raakte zij bevriend met Willem de Merode, schoolmeester en dichter in Uithuizermeeden. De Merode had, in de beschrijving van die tijd, een fatale affectie opgevat voor één van zijn leerlingen. De leerling was minderjarig, èn man. Ik vermoed zomaar dat het tweede zwaarder woog dan het eerste. De Merode werd ontslagen en zat in Groningen een gevangenisstraf van acht maanden uit. Hij zou nooit meer terugkeren in het onderwijs, zelfs het openbare leven was voor hem onmogelijk geworden. Over homoseksualiteit sprak je òf niet, òf veroordelend. De Merode werd veroordeeld.

Maar niet door Wilma. Zij pakte de pen op en schreef het boek “Gods gevangene”. Daarin portretteert zij een homoseksuele onderwijzer. Ze laat zien dat de man geen perverseling is, dat hij niet ziek is,  niet verachtelijk is, maar wel een man die tot liefde in staat is.

In diezelfde jaren woonde er in de straat van mijn moeder een alleenstaande man. Die werd steevast Mietje genoemd. “En toen hij eens van een keldertrap gleed, was dat maanden de grootste grap”, vertelde mijn moeder: “kinderen riepen hem na “Mietje is van de trap gevallen! Mietje is van de trap gevallen.” Dat was de sfeer.

En die doorbrak zij. Ook al begreep zij het zo, dat een relatie voor haar onderwijzer niet mogelijk was. Die grens was hem, dacht zij, door God opgelegd. De Merode zal het zelf ook zo hebben geloofd.

Van de kerk en haar leden bestaat het beeld: altijd tegen homo’s geweest en nooit anders dan dat. De werkelijkheid is, zoals zo vaak, kleurrijker en gevarieerder. In de regressieve cultuur – die wàs er, binnen en buiten de kerk- stonden steeds mensen op die een andere toon aansloegen. Die deuren open deden. Die de mens zagen achter het etiket.

In de jaren vijftig hield Trimbos korte lezingen voor de K.R.O.-microfoon. Het boekje dat hij daarvan maakte “De homofiele naaste” ligt hier nog ergens. Het zijn moedige toespraken. Waarin hij de mensen bij de naam noemde. En onderwees: zij zijn niet gek. En dat in een tijd, waarin je als ambtenaar een onderzoek aan de broek kreeg bij het vermoeden van homofilie en een daaropvolgend ontslag.

Alje Klamer, pastor bij de IKON schreef begin jaren zestig: “Ook al hebben uw ei­gen ouders, uw kerk, uw vrienden u afge­we­zen, ook al zwijgen ze u dood, God aanvaardt u zoals u bent. Laat u niet wijsmaken, dat de Bijbel tegen u is. Dank God voor de liefde, die u als homoseksueel kunt beleven en mag beleven.” Hij had het pad van “je mag het wel zijn, maar niet doen” al lang verlaten.

Het zijn deze enkelingen die geschiedenis schrijven. En wat zij hebben open gemaakt, sluit niemand meer.

De kerk, een vijandige wereld? Het is maar welk verhaal je vertelt.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s