Hoera! We hebben weer een rel. Maar kan het ook anders, alstublieft?

Als mijn buurman de indruk zou hebben, dat ik iets akeligs over hem zei, dan zou ik met een bos bloemen naar hem toe gaan. Ik zou hem vertellen hoe vervelend ik het vind wat hij heeft gehoord. Ik zou hem ervan verzekeren dat hij een fijne buurman is en dat ik blij ben dat wij naast elkaar wonen. Ik zou misschien een beetje overdrijven en hem complimenteren met de prachtige rozen in zijn tuin. Ik zou zelfs lichte ergernissen in hun tegendeel omdraaien. Ik zou zeggen, dat ik de wekelijkse autowasbeurt door mijn buurman zo verstandig vind: goed voor de carrosserie. En de hartelijke groeten aan uw echtgenote.

Alles voor de relatie!

media_xl_1064977Blijkbaar gelden deze menselijke overwegingen niet, als je kardinaal bent. Of als je Eijk heet. Hij wurmt zich deze dagen steeds dieper de confrontatie in. En waarom? Uit arrogantie? Domheid? Wereldvreemdheid? Mijn minder aardige “ik” denkt: “Als de eerbiedwaardige een echtgenote had gehad, was hij er vast niet zo gemakkelijk van af gekomen. Ze had gezegd: “eerst naar de protestanten en dan krijg je je lunch!” Zo schat ik echtgenotes in.

Wat is er gebeurd? Het Reformatorisch Dagblad had Eijk geïnterviewd. Het onderwerp ervan lag in een donker verleden: het concilie van Trente. Dat was de kerkelijke vergadering die een antwoord zocht op de revolutie die de reformatoren ontketend hadden. We zitten dus in de omslag van de zestiende naar de zeventiende eeuw. Vandaag leven we in de eenentwintigste. Gewoon, even gezegd voor het weten. De sindsdien tot stof vergane vaderen hadden uiteengezet, wat de kerkelijke leer van Rome wel en wat die leer niet omvatte. En, zoals dat hoort als je iets met duidelijkheid wilt neerzetten, ze hadden erbij gezet: wie dit niet gelooft is vervloekt! “Dat wil zeggen”, legde de kardinaal uit: “zij mogen geen deel hebben aan de sacramenten van de Kerk van Rome”. Nu waren de reformatoren en hun volgelingen dat toch al niet van plan, dus no problem. We kunnen elkaar een hand geven bovendien. In de Heidelbergse Catechismus staat met eenzelfde levenslust: de paapse mis is vervloekt! Het moet de goede God wel duizelen om al die vervloekingen over en weer.

Goed. Prima, dat Eijk dit uiteenzet. Hij werd er naar gevraagd. Hij antwoordde: wij zijn het niet met de protestanten eens. Nee, wij ook niet met de Rooms-Katholieken. Net zo nieuwswaardig als de constatering dat een koe geen schaap is. Maar Eijk dacht, of zei de interviewer het hem?- dat de protestanten er wakker van lagen. Dus verklaarde hij eerst: “die vervloekingen gelden nog altijd”. Tsjonge. En vervolgde (en hij bedoelde het als een handreiking): “maar ze zijn theoretisch.” “Want” en nu moet je even opletten, dit is even lastig: “ze betreffen alleen die mensen die de leer van bijvoorbeeld de transsubstantiatie bewust, zelfstandig en weloverwogen afwijzen.” Naar mijn gewoonte citeer ik hier geheel uit het eigen hoofd. Maar dit was wel de strekking. “En de meeste protestanten weten niet wat de leer van Rome is. Ze zijn als protestanten geboren, hebben nooit wat bijgeleerd, dus ja, dan kun je het ze nauwelijks kwalijk nemen dat ze niet zijn zoals wij.” Dus zijn ze niet echt vervloekt.

Nou, daar sta je dan als protestant. Onze vervloeking van de paapse mis geldt ook onverkort. Zelfs als de priesters niet helemaal weten dat ze het nu anders vieren dan wij dat doen. Welke handreiking kan ik de kardinaal doen? Nou, bijvoorbeeld deze: vijfhonderd jaar is erg lang geleden. Wetten van Meden en Perzen zijn niet te herroepen. Maar je kunt ze wel een beetje in hun eigen tijd gaar laten sudderen. Of te wel: vergeet ze en laat ze verstoffen.

Daar koos de kardinaal niet voor. Hij koos voor een andere oplossing. Hij zei:  “Ik vind je een grote sukkel, buurman. Maar daar kunt u verder ook niets aan doen.” En dan verbaasd zijn, als de buurman boos is. “Ik zei toch dat u er niets aan kon doen?”

De Protestantse Kerk heeft Eijk uitgenodigd tot een gesprek. Eijk komt niet. Hij vindt, dat hij fout is geciteerd, dat Trouw hem een loer heeft geleverd (gelukkig zijn er nog kranten in de Kerk geïnteresseerd! Kun je die altijd nog de schuld geven.) en dat hij de oecumene echt een warm hart toedraagt. Hij blijft thuis. Om het laatste te bewijzen?

Ik ben niet beledigd door de vervloeking. Het is zo lang geleden. We denken verschillend bovendien, dat kan niemand ontkennen. Ik ben er ook niet door beledigd dat Eijk haar stiekem weer onder het stof vandaan heeft gehaald. Ik vind het eigenlijk een beetje sneu voor hem, dat hij – of zijn kerk- vervloekingen nodig heeft. Ik vind het wel krenkend, dat hij ons afschildert als domme blondjes die uit onnozelheid protestant zijn. En dat hij ons ook als zodanig behandelt.

Dus Eijk: kom op, steek de Maliebaan over. Zeg dat u het verdraaid vervelend vindt, allemaal. Doe een beetje aardig. Gewoon, voor de relatie. Het Protestants Dienstencentrum is niet heel ver bij u vandaan. En ik weet nog wel een aardig bloemenzaakje bij u om de hoek.

Waarom bij mij kerst misgaat. Ieder jaar weer.

Kerst is geen Christelijk feest en dat weten we. Het is het feest van de onoverwinnelijke zon. Die incarneert in de keizer van Rome. Het kan ook het feest zijn van de natuurkrachten die het winnen, van de Germaanse god Thor en zijn winterse strapatsen aan de hemel en van de demonen die moeten worden verjaagd. Jul noemen ze het feest een paar honderd kilometer noordwaards hiervandaan. Naar de Joelfeesten, waarbij de jonge jongens iedereen de stuipen op het lijf joegen met vuur, geschreeuw en verkleedpartijen. En dan maar hopen dat de boze spoken het met de staart tussen de benen ook op een lopen zouden zetten.

De Kerk heeft geprobeerd het feest Christelijk op te leuken, ze noemden Christus de onoverwinnelijke zon en lieten in de nacht van de zevende naar de achtste dag van kerst lawaai maken bij de lezingen en uiteindelijk werd de eer van de keizer, om het jaar naar zichzelf te vernoemen, overgebracht naar de Heer. Hij zou de jaren voortaan kleuren: in het jaar des Heren 2013…

Het bleef lapwerk. Het heidendom kiert er aan alle kanten nog dwars door heen. Niks ten nadele daarvan hoor! Je hoort mij niet klagen over de versieringen, de innigheid van de familie, het somberen bij de openhaard en het staren in de vlammen. Het is prachtig! Ik houd van een goed Joelfeest. Maar Christelijk is het niet.

Hoe het precies zit met die kerstboom, weet ik niet. Als het een Germaanse gewoonte was, dan is die bijna 1000 jaar zoek geweest. Best lang. Zelfs als je uitgaat van zoiets als een collectief geheugen. Feit is, dat we met kerst meer de neiging hebben bomen in huis te halen, dan om een dakloze binnen te halen. We hebben meer de neiging om bacchanalen aan te richten, dan om werkelijk iets te gaan doen aan de honger in de wereld. We hebben meer de neiging tassen met vuurwerk aan te slepen, dan om nu eens  werk te gaan maken van het verwijderen van spoken uit het verleden. Slavernij, bijvoorbeeld. Of anders wel racisme. Anti-semitisme. Homohaat. Xenofobie. Wat dacht u van uw eeuwige gezeur en gedoe met uw buurman? Kan dat eens over zijn?

Het draait met kerst meer om het feest dan om wat je leest. Ja, flauwe woordspeling. Maar we lezen: toen je een zieke opzocht, heb je Mij bezocht. Toen je een gevangene opzocht, kwam je bij Mij. Toen je iemand een glas water te drinken gaf, gaf je Mij te drinken. En toen je iemand te eten gaf, deed je dat aan Mij.

“Ja hoor”, antwoordde iemand eens serieus op een bijbelkring: “dat kan wel een andere keer. Kerst is voor mij. En voor mijn kinderen.”

Kerst is geen Christelijk feest. Had iemand al eens voorgesteld om het dan maar te laten schieten? Er mee op te houden?

De Kerk eruit en deze dagen worden weer wat het is: een midwinterfeest met veel gezelligheid.

Ik zou er zomaar van kunnen gaan joelen…

Gemeenschap der heiligen?

Sommigen vonden het maar een beetje plat. Om bij de kerk te willen horen “vanwege de mensen van wie ik houd”.  Als dat alles is! Een beetje met aardige mensen naar mooie verhalen luisteren…

Ik was op mijn beurt verbaasd, na mijn vorige blog. Wat is communicatie toch afhankelijk van interpretatie. Misschien is communicatie wel niet veel meer dan interpretatie en ontvangt de hoorder iets volstrekt anders dan de zender heeft bedoeld. Wie zal het zeggen.

De kerk is geen club van aardige mensen. Ook de gemeente die ik dien bestaat niet uit mensen met wie ik het getroffen heb. Ik heb het getroffen met mijn buren. Ik vind ze leuk vanaf de eerste dag. We zien elkaar regelmatig, praten op de stoep met elkaar en hebben belangstelling voor elkaars levens. Zo hebben de gemeenteleden het niet met elkaar getroffen. Ze zijn geen vrienden. Ze vinden elkaar niet buitensporig leuk. Ook niet niet-leuk, trouwens. Gewoon. Ze zijn mensen bij elkaar geschoold.

Sommigen zijn aanhangers van de PvdA, anderen zijn hun leven lang trouw aan het CDA, sommigen vinden Geert Wilders een geweldige man, anderen houden het bij de SP, er zijn er die vinden dat een christen met het millieu rekening moet houden, er zijn er die vinden dat de landbouw alle aandacht van de Kerk verdient. Sommigen vinden dat gelovigen de weg naar de hemel moeten kennen en die dienen te bewandelen. Anderen denken dat het in het geloof gaat om gerechtigheid op aarde. De een verdient veel, de ander heeft zijn baan verloren. Er zijn gezinnen met veel kinderen, er zijn echtparen die nooit kinderen hebben gekregen. Sommigen zijn lid van Christenen voor Israël, anderen zijn Vriend van Sabeel. Er is geen onderwerp waar iedereen het met elkaar over eens is. Nog niet over de kleur waarin de voordeur geschilderd zou moeten worden. Eigenlijk zijn we lastig voor elkaar.

In al deze verschillen zijn we toch op zoek, op zondag en door de week, naar wat waar is. Naar wat wijs is. We willen allemaal open gaan voor God. O ja, er zijn er ook onder ons die het hele concept ‘God’ nogal bedenkelijk vinden. En toch.

De verschillen worden niet weggemoffeld voor een ‘hoger doel’. Het is in de Kerk geen voetbalvereniging, hoe respektabel ook die is. Bij de voetbal wordt gevoetbald en praten we niet over politiek. Tenzij… we elkaar wel mogen. In de Kerk praten we over politiek. Omdat we de essentie zoeken van het bestaan. We praten, bidden en zingen. En alles wat ons leven uitmaakt komt voorbij. Liefde, lust, angst, hoop, verwachting, vreugde, opgewondenheid, dood, ziekte, lijden, geluk. En in alles luisteren we. Niet naar zomaar mooie verhalen, maar naar – zo hopen we- wat een stem zal blijken te zijn die ons aanspreekt.

In al die uren dat wij bij elkaar zijn, in deze uitzonderlijke setting van gebed, stilte en schriflezingen, gebeurt het wonder: we worden aan elkaar verbonden. Er groeit een liefde in ons. Voor elkaar. Ook voor elkaar. Mensen die mij van nature niet zo liggen, komen mij nabij. Hun verhaal verweeft zich met dat van mij. Ze kleuren mij, maken mij milder, mooier, meer een ander, meer mijzelf.

Toen iemand uit de gemeente stierf die in alles mijn tegenpool was geweest en die deed wat mij  tegen had gestaan, toen huilde ik. Ik miste hem. En mis hem nog. Op straat was ik hem voorbij gelopen. Als buurman had ik hem in zijn sop laten dobberen. Nu was hij mijn broeder geworden. Ik kon niet meer zonder hem.

Wie dat “een beetje oppervlakkig” vindt, is zich er nog nooit bewust van geworden hoe bijzonder dit is. Of hij- zeg ik in alle arrogante liefde- heeft er nog nooit echt een begin mee gemaakt. Met zich te openen voor de gemeenschap der heiligen.

Ben nog altijd lid van de kerk!

“Het is je werk”, zul je nu denken.”Natuurlijk ben jij nog lid van de kerk.”Je krijgt er je salaris van, tenslotte. Uit de kerk stappen zou een totale revolutie van mijn leven betekenen.

Inderdaad. En toch liggen, zoals zo vaak, de zaken ingewikkelder.

Een paar dagen geleden schreef een collega-blogger over zijn geestelijke ontwikkeling. Als vijftienjarige, schreef hij, vond hij dat je vurig vóór Christus moest zijn en een trouw kerklid. Zijn vijftienjarige zelf vond kerstgangers hypocriet. Je bent christen of je bent het niet, maar je bent het in elk geval niet voor één kerkdienst per jaar.  Zijn twintigjarige ik dacht: “Nou, die mensen die met kerst binnenkomen zijn een mooie kans. Om met het geloof in aanraking te brengen.” Zij missen iets, wat “wij” wel hebben. Inmiddels is hij weer een aantal jaar verder. Hij ging minder en minder vaak naar de kerk. Uiteindelijk schreef hij zich uit.

Dat laatste raakte mij. Hoewel hij en ik nooit fysiek met elkaar in de kerk hadden gezeten, miste ik hem ineens met terugwerkende kracht. Vond ik nu, dat hij een foute beslissing had genomen? Dat hij in de kerk thuis hoorde? Dat je sowieso in de kerk beter af bent? Die vragen kon ik niet met een “ja” beantwoorden. Daarvoor herkende ik te veel in zijn betoog.

Ook mijn vijftienjarige ik zou een hekel hebben aan de dominee die ik ben geworden. Ook ik vond, dat je als dominee “voor je zaak moest staan” en de zaak was: wij zijn zondaars, wij hebben de Heer nodig, zonder Hem ga je verloren. Mijn moeder, geen kerkganger, vroeg eens of een gestorven tante, van wie ik veel had gehouden, nu dan niet in de hemel was. Ik had de moed om te zeggen: “Tsja, ze heeft nooit voor de Heer gekozen, dus nee, ik denk niet dat ze in de hemel is.” Diep van binnen voelde ik, dat dit antwoord niet klopte. Maar ik vond het ook een rotstreek, die vraag van mijn moeder. En ik zou elke dominee veroordeeld hebben die een ander antwoord had gegeven.

Inmiddels ben ik zo’n dominee. Ik heb een ander antwoord. Of erger nog: ik heb geen antwoord. De hele term ‘hemel’ is uit mijn draagbuidel getuimeld. Ik weet er geen raad meer mee.

Ik herken de vervloeiing van het geloof. Ik herken de vervreemding: waar gaat het in de kerk in ’s hemelsnaam over. Misschien daarom mijn ergernis over de kerstcommercial van de Protestantse Kerk: zó leeg, dat het je niet zou verbazen als de kerstman in beeld kwam. Misschien ben ik zelf zo leeg geworden, maar wil ik het niet weten?

Zou ik uit de kerk willen?

Nou, dolgraag. Soms, althans.

Maar dan toch uiteindelijk ook weer niet. Ik houd van de gemeenschap van mensen. Ik houd van de concrete mensen die concreet in Sauwerd, Adorp en Wetsinge bij de gemeenschap horen. Ik mis tientallen anderen. Ik zou een brug willen zoeken naar een nieuw ‘wij’.  En ik houd er onnoemelijk van, dat zij bij elkaar komen – in welke vorm dan ook- rondom de Schriften, die sterke verhalen over leven en dood. En dat we bidden! Die bijzonder intense manier van samen-zijn en omgaan met elkaar.

Iemand vroeg mij deze zomer, waarom ik dominee was. Ik hoorde mijzelf, tot mijn stomme verbazing, vloeiend antwoorden: om de kracht van de verhalen uit de Bijbel en om de kracht die ik in de mensenlevens ontdek.

“Dat kan ik ook buiten de kerk vinden”,  zo ongeveer schreef mijn blogcollega. Ik heb misschien nog niet goed genoeg gezocht: ik vind het niet buiten de kerk. Ik vind de gebaren van brood en wijn die gebroken worden niet. Niet zó. Ik herken de gebaren wel. Maar ze worden nergens gevierd, zoals in de kerk. Ik vind er ook de verhalen van de Heer niet terug.

Dat is denk ik mijn eigenlijke troef: ik ben gefascineerd door wat mensen in het leven van Jezus hebben herkend. Ik ben gefascineerd door de evangeliën. Door hun enorme liefde. Daar wil ik bij horen. Bij die liefde.

Ik ben – ik streep dat alles zeggende woordje nog door- lid van de kerk

en ik houd ervan.

 

Buma, de kerk en kerst.

Ha fijn! De Protestantse Kerk heeft haar eigen mini-rel. “Beter beroerd in het nieuws, dan helemaal niet in het nieuws”, denk ik dan altijd maar. Ik hou ook wel van reuring. Ik zou zo naast Albert Verlinde in zijn programma kunnen plaatsnemen.

Wat is er aan de hand? Het is al best een heel dingetje geworden, tenslotte. Buma heeft voor de Kerk een filmpje opgenomen, waarin hij, naar verluidt, na een overladen dis de aanwezige jongeren (zijn kinderen?) aanspoort om mee te gaan naar de kerstnachtdienst. Waar ligt nu het probleem? Bij Buma. Hij had dit filmpje voor-de-kerk niet mogen maken. Want zijn politiek is verfoeilijk. Dat laatste, dat zijn niet mijn woorden, maar van een twitteraar @Theobrand en nog wat protesterenden. Wie mag zo’n reclame wel inspreken? Iemand van onbesproken gedrag, blijkbaar.

image-892375Ik ben over het algemeen niet dol op de filmpje van de Kerk. Ik vind het een beetje gênant dat je reclame maakt voor intimiteiten van betrokken mensen, maar goed ik snap het wel. Niets doen, voelt ook alsof je het allemaal maar afwacht terwijl de kerkmensen door alle deuren hard wegrennen. Dus vooruit: een filmpje. Met Buma heb ik geen moeite. Met zijn politiek wel, maar ik meen niet dat hij gaat zeggen: “Ga naar de kerk want daar hoor je het unverfroren CDA-geluid.” Misschien hoort hij zelf ook nog wel op, wanneer hij zijn eigen raad opvolgt. Wie weet, je moet niets bij voorbaat uitsluiten.

Oké. Buma doet een filmpje. Iemand moet het doen. Heb ik dan helemaal geen problemen? Ja, die heb ik wel. Gelukkig. Anders geen blogje. Moet er nu werkelijk een koppeling gemaakt worden tussen kerstdiner, dikke toetjes en de kerkdiensten met kerst? Het zal voor veel mensen zo zijn, maar het blijft een ongelukkige koppeling. De kerstnachtdienst wil ruimte maken om de nacht-voor-mensen te ervaren en tegelijk dáár de hoop vast te houden. Naar de kerstnachtdienst gaan is zoiets als waken bij een uitzetcentrum, of waken bij het bed van een stervende, of op visite zijn bij iemand bij wie je niet weet wat je zeggen moet. En er dan toch blijven.

Ik weet, het gaat allemaal verloren tussen de glühwein en de gezellige kerstliedjes voor, na en tijdens de nachtdienst. Dat is al beroerd genoeg. De Kerk zou dat beeld niet nog eens moeten versterken.

Wat zou de Kerk voor filmpje hebben moeten maken? Als ik het voor het zeggen had, dan zou ik niet oproepen om naar de Kerk te gaan. Het gaat in de Kerk niet om de Kerk. Ik zou een filmpje hebben gemaakt van mensen die graag iemand naast zich zouden zien. Een vluchteling uit Ter Apel. Nog maar eens die eenzame, homoseksuele, man bij wie Gordon langs ging deze zomer. Een vrouw zonder familie in het ziekenhuis. Een man die met zijn rolstoel de stad niet in kan alleen (paaltjes, stoepen, kledingrekken op de stoep, weet u wel?). En dan vragen: komt u 25 december? U had toch niets te doen die dag. Zoiets.

Maar ja, daar krijg je vast geen volle kerken mee.

En naast Albert Verlinde kom ik er ook al niet mee te zitten.

Kijk naar buiten en genees!

Dat één mens zoveel verschil kan maken, ik ben er nog van onder de indruk. “Of het allemaal zin heeft wat de Paus schrijft, dat moet nog maar blijken”, monkelde Trouw wat in de kantlijnen. Een volstrekt overbodige opmerking! Dàt hij een brief als Evangelii Gaudium de wereld in stuurt maakt al enorm verschil. Ik merk aan mijzelf, hoe mijn oren zich spitsen, als Franciscus iets gaat zeggen. Ik luisterde altijd wel naar een paus, ja wel, maar uit beroepsbeleefdheid. Een dominee hoort te weten wat er op andere erven speelt. Maar Benedictus kon mij persoonlijk niet inspireren. En een ad-limina-bezoek van Nederlandse bisschoppen, dat geloofde ik wel.

Hoe anders dit keer! Met enige spanning wachtte ik op de eerste ontmoeting. Die had vandaag plaats. De bisschoppen kwamen met een sombere en naar binnen gerichte brief. Het gaat slecht met de Kerk in Nederland, als je de aantallen wilt tellen. Dat geldt niet alleen voor de Rooms-Katholieke Kerk. Met recht brachten de bisschoppen zorgen mee. Wat zou de Paus er over te zeggen hebben?

Zijn toespraak is inmiddels op het net verschenen. En daar flikt hij het weer: hij enthousiasmeert eenvoudigweg door zijn ogen. Hij vraagt van de bisschoppen om niet langer naar zichzelf te kijken, niet naar het instituut, niet naar de aantallen binnen de kerkmuren. Ze moeten kijken naar de mensen buiten de kerkmuren. Het hoeft geen verdere uitleg dat díe getallen heel wat vrolijker stemmen. Maar daar gaat het de Paus evenmin om. Het gaat hem niet om getallen. Het gaat hem om het Evangelie en om mensen.

De Paus heeft de bisschoppen gezegd, dat zij de mensen moeten dienen in hun zoektocht naar zingeving en naar een zinvol leven. “De Kerk is niet zomaar een hoedster van morele waarheden”, zo zegt Franciscus. Ze is dienaresse, allereerst. En geen Kerk groeit door te overtuigen, maar een Kerk trekt aan door aantrekkelijk te zijn. “Vertrouw de mensen toch”, lijkt de Paus opnieuw te zeggen: “Ga met hen op weg” En trek je niet als een wereldschuwe terug in je eigen gelijk.

Hij geeft uitdrukking van betrokkenheid op alle mannen en vrouwen die door priesters sexueel zijn misbruikt. Hij voelt zich met hen verbonden en bidt met en voor hen. “Zij hebben moedige stappen gezet op weg naar heelwording”, zegt Franciscus. Ze traden in de openbaarheid en vertelden hun verhaal. De Paus begrijpt hoe zij zich hiermee opnieuw kwetsbaar hebben gemaakt. Hij wil hun kwetsbaarheid hoeden.

Eijk kwam naar buiten en zei, bijna blij: “De Paus is tevreden hoe de Nederlandse bisschoppen het probleem van het sexueel misbruik hebben aangepakt.” De somberte van de Nederlandse brief golfde weer dreigend terug. Want Eijk, in de speech zegt de Paus niets over de bisschoppen. Het is ook helemaal niet interessant of de Paus tevreden is: de slachtoffers, zij en zij alleen hebben recht van enig spreken. En als zij zeggen: ik ervaar een zekere heel-wording, dan is dat waardevol. Voor henzelf allereerst. Voor de bisschoppen is er ook dan geen enkele reden om zichzelf te kietelen of te feliciteren.

“Kijk naar buiten”, zegt de Paus. Eijk komt naar buiten en kijkt gelijk weer naar binnen. Er is nog een hele weg te gaan voor de Nederlandse bisschoppen. Maar dat Franciscus met hen spreekt. Dat hij een speech meegeeft en dat hij Evangelii Gaudium heeft geschreven, man, wat een verschil!

“Het gezin is in een crisis.”

Er is niet veel voor nodig om je aandacht te trekken. Eén zin kan voldoende zijn om je innerlijk in beweging te zetten. Een wesp is een klein beestje, maar kan ons hele grote mensenlijf in alarmfase 2 brengen.

gezinEr rolde een zinnetje uit een gespreksnotitie. De synode van de Protestantse Kerk wil spreken over familie en gezin. Ik heb – eerlijk is eerlijk- de notitie niet helemaal gelezen. Voel me ook wat vreemdeling als ik de urgentie hoor, waarmee mijn kerk over ‘het gezin’ wil praten. Wil de kerk er alleen over praten? Of wil ze ineens een punt maken? Er zijn meer punten te maken, lijkt me.

Enfin, dat was wat gemorrel vooraf. Als een haaievin uit de golven torende ineens deze zin omhoog: “Men zegt ook wel, dat het gezin in een crisis verkeert.” Een slimme zet, van de auteur. “Men”, niet noodzakelijk de schrijver, maar het is toch alvast gezegd. Hij had vlak daarvoor een somber beeld geschilderd met echtscheidingspercentages en woorden als “patchworkgezinnen, één-ouder-gezinnen en, o heden, homohuwelijken”. De notitie zag er vooral problemen in, begreep ik. Ik had het gevoel dat een oud, stoffig archief openging en een oude geur mij in het gezicht woei.

Ik geloof er niets van, dat het gezin in een crisis verkeert. Mensen trouwen er nog steeds vrolijk op los, wonen samen, zoeken een partner, willen met een ander verder en geloven ook nog dat dat kan. Iedereen vindt, tenminste de meerderheid wel, dat je het meest compleet kan zijn in verbondenheid met andere mensen. Sla een willekeurig tijdschrift open, een reclameblaadje van de Aldi desnoods, en de gezinnen springen je tegemoet.

De Kerk zou er niet over moeten mopperen dat de verschijningsvormen van het gezin zo veranderd zijn. Er zijn meer vormen denkbaar dan van een man en een vrouw en kinderen. Dat hele concept, van één gezin in één huis stamt uit de omslag van de negentiende en de twintigste eeuw. Vóór die tijd woonde er van alles bij elkaar. Broers, zussen, vaders, moeders, opa’s, oma’s, buren. Al was het maar vanwege woninggebrek. Tot halverwege de negentiende eeuw was het percentage vrijgezellen hoger dan dat van de getrouwden. Terwijl er toch heus kinderen geboren werden, anders waren wij er niet geweest.

In de Bijbel is het al net zo’n veelkleurige toestand: Abraham had twee vrouwen, okay het ging nog niet fantastisch, maar dat was voor zijn zoon geen enkele reden om niet óók met twee vrouwen getrouwd te zijn. Bij Jakob ging het al een stuk gemakkelijker, maar dat was dan ook de derde generatie, he. Tamar krijgt een kind met haar schoonvader en de Bijbel rekent het haar als gerechtigheid. Maria heeft een zoon, maar is -nog- in ondertrouw met een man die, zegt men, de vader er niet van is. Petrus had wel een schoonmoeder, Paulus was ongetrouwd.

Wanneer leert de Kerk, mijn Kerk in elk geval, de mensen om lief te hebben en wanneer leert ze hen om niet bang  te zijn voor hun liefde? Waarom wil de syode nu toch weer tot een soort richtwijzer komen? Wie kan de liefde van een ander peilen? En wie kan zeggen welke vorm hem of haar past?

Ondertussen is er misschien wel iets met onze beelden van familie en gezin. We hebben grote verwachtingen, torenhoge verwachtingen. Er is geen crisis, dat de mensen het gezin zouden minachten.  Ik denk wel, dat wij zó veel van het gezin zijn gaan verwachten dat de teleurstelling al ingebakken zit. Mijn man moet mij aanvullen, begrijpen, verrijken, inspireren, onderhouden en de seks moet ook nog adembenemend zijn. Mijn vrouw moet beeldschoon zijn, attent, moet mij inspireren, begrijpen, naar mij luisteren en onze kinderen moeten het ook heel goed doen. One big happy family.

Sinds wanneer is het leven zo’n Barbara Cartland boekje?

Waren onze voorouders beter in het accepteren van de middelmatigheid? Ik denk het soms. En soms verdenk ik hen ervan, dat ze stiekem gelukkiger waren dan wij. Het scheelt al enorm als je begrijpt dat geluk en perfectie twee verschillende grootheden zijn.

Wat zou de Kerk wel kunnen doen? Mensen het vertrouwen in hun liefde teruggeven. Ze hoeven niet te voldoen aan de beelden die ons overal worden voorgeschoteld. Samen onderuit op de bank met een patatje kan net zo goed zijn als fijn-gemanicuurd aan een sterrendis.

Van mijn ouders leerde ik dit: dat het soms goed kan zijn om te accepteren wat niet zo geweldig is en de pijn ervan te omarmen. Er kwamen tijden waarin ze weer naar elkaar toe groeiden en alle moeite toch vruchtbaar bleek te zijn.

Ik koos daarna mijn eigen vorm. Mijn weg, mijn liefde, mijn eigen, gezellige patchworkfamilie.

Daar hoeft geen synode zich in te mengen.

Dankdag.

Op enkele plaatsen schijnt het echt wat te wezen: dankdag. De winkels gaan dicht, de scholen hebben vrij – het leven staat heel even stil.  Hier niet. Hier draait alles gewoon door. De meesten zullen niet eens weten, dat deze woensdag voor sommigen net even anders is. Dankdag is op onze dorpen verschrompeld tot een uur binnen de kerk.2013dankdag 165

Toch vind ik het nog altijd een mooie dag. De mensen die niet thuis blijven, maar bij elkaar komen. De vrijheid van de kerkdienst: op zondag ‘hoef’ je al niet naar de kerk, maar op woensdagavond kom je al helemaal niet omdat het ‘moet’.  Je wilt hier nu zijn. Samen maak je een open plek, een doorbreking van het gewone. Je wandelt door een dicht begroeid bos. Het licht valt nauwelijks zichtbaar nog op de grond. Je komt in een open ruimte en ziet dat er veel en veel meer licht is dan je had beseft. Op dankdag maken we contact met wat ons draagt. Wat is de energie waarop wij gaan?

Verbluft blijf je achter na momenten, waarop iets doorbrak. Je rijdt naar huis: links en rechts van de weg strekken weilanden zich uit zo ver het ook maar reikt. Spreeuwen duiken vliegend op. Niet één of twee, maar duizend, drieduizend, vijfduizend. Ze vormen een wolk tegen de lucht, blazen zich op, krimpen ineen, vormen een trechter, draaien zich om en beginnen hun dans opnieuw. Zomaar boven jou. Je wordt opgenomen in een werkelijkheid, veel groter dan je had verwacht.

Dankdag wil je terugbrengen naar die ervaring. En hem bij je bewaren. Zodat je het leven zult omarmen, met alle kracht die in je is.

Het mooiste bewaart deze dag echter voor het moment waarop je weer naar huis loopt. “Wat met mensen die het niet zo met het leven hebben getroffen?”, denk je. “Waar moeten mensen voor danken die onrechtvaardig worden behandeld? Vluchtelingen? De honderdduizenden die vandaag niet te eten hadden?”

Stilstaan bij het leven brengt je dankbaarheid. En onrust. Beide stuwen je verder.