Het verhaal doet ’t hem.

Ooit hing “De man met de gouden helm” in de Gemäldegalerie in Berlijn. Het schilderij had er een eigen boudoir. Daar was het tentoongesteld op een hoge sokkel, bijna als een altaarstuk. Kunstkenners roemden het prachtige licht, het contrast tussen de glorieuze helm en de vermoeide soldaat, de stofuitdrukking van het goud. Onder het schilderij stond in kleine letters wie het gemaakt had: Rembrandt van Rijn.

Miljoenen hebben kostbare ervaringen met dit schilderstuk opgedaan, totdat

totdat..

onomstotelijk werd vastgesteld, dat het nooit door Rembrandt geschilderd kon zijn.

Was het schilderij nu minder mooi? Nee.

Was de helm minder glorieus? Het licht minder subliem. Nee, nee, nee.

En toch verdween het schilderij uit de collectie. Niemand kwam meer kijken.

Hoe kon dat?

 

We waren het verhaal kwijt.

Het verhaal van de geniale, tegendraadse kunstenaar. Ineens was “de man met de gouden helm” door een onbekende geschilderd.

Het werd een depotstuk. Door een stille beschaamdheid omgeven.

Vorige week brak er een huiskamerstorm los rondom ds. Van der Kaaij. Hij beweerde na studie, dat de historische Jezus nooit heeft bestaan. Ik keek naar het artikel (hier) als naar een flard krant uit het jaar 1850. Ook toen dacht men, vermoedde men, veronderstelde men, dat Jezus nooit echt heeft bestaan. Mij lijkt het weliswaar wat kras: dat de hele Jezus uit de fantasie of uit de behoefte naar mythe zou zijn ontsproten, maar ik heb voor mijn stelling “Jezus heeft waarschijnlijk wel bestaan” net zo veel argumenten, als Van der Kaaij voor die van hem. Het lijkt mij dan ook niet erg zinvol, zoals Arjan Plaisier met grote haast deed, om heel hard terug te gaan roepen “en Jezus heeft wèl echt bestaan”. (hier). Die twee papegaaien uit de crokychipsreclame van dertig jaar geleden schoten mij weer eens in beeld.”Paprika!”, snauwt de ene. En slaat zijn zak op de kop van de andere. Die vervolgens terugslaat en roept “Naturel!”. Ze houden allebei kapotte zakken over, aan het eind. En oneetbare chips.

Ik kan er niet heel erg wakker van liggen, of Jezus heeft bestaan of niet. Klinkt dat heel erg vrijzinnig? Misschien. Misschien bevind ik mij aan de rand van de afgrond. Dat zij dan maar zo. We hebben geen enkel bewijs van zijn bestaan. (nee ook niet die nagels-uit-zijn-kindertijd die her en der in kerken bewaard worden, sorry). Geen bewijs, behalve de verhalen. Behalve wat de verhalen uitwerken.

“De man met de gouden helm” laat ons zien, dat het verhaal belangrijker is dan het ding. Minstens net zo belangrijk, in elk geval. Voor mensen is dat zo. Amerika heeft per hoofd van de bevolking bijna meer schuld dan Afrika per hoofd van de bevolking. Afrika wordt daarop afgerekend. Amerika niet. Het laatste land heeft…, een beter verhaal. Inderdaad. Niemand wilde de spuuglelijke truien van Joop! dragen. Totdat Bill Cosby er een aan had. Toen wilde wij ze allemaal. Waarom Cosby dat vandaag niet meer voor Joop! zou kunnen doen, dat is weer een ander verhaal.

Het verhaal schept de wereld om ons heen.

Toevallig, of niet zo toevallig, is het verhaal van Jezus ijzersterk. Dat G’d, het geheim dat allen zoeken, woont in een verwonde mens. Dat klein méér is dan groot. Dat je leven aan de andere kant ligt, dan waar je zoekt. Dat wie zich geeft ontvangt. Wie zichzelf wil behouden juist verdwijnt. En dat je niet uit jezelf bestaat, maar uit – laten we het zo maar noemen – een goedheid die zo maar naar je toekomt.

Dat verhaal dat ons voortdurend omdraait, zoals korreltjes kleur in een caleidoscoop. Daar keer je elke keer weer naar terug. Ik wel in elk geval. En als ik een band aanga met dat wat ik lees, dan doe ik deze ervaring op: dat deze Jezus leeft. Hier. Nu.

Dan is de vraag of hij daar en toen heeft geleefd ineens een verre, verre planeet.

Zo, en laat ik eens eindigen, zoals een echte dominee betaamt. Met een gedicht. Diete Kits plaatste het op haar tijdlijn…

Verlegen met mijn God

Ook ik kan wel als Strauss en als Renan
en zoveel andere verlichte heren
het vreemde fenomeen analyseren,
de fabels en parabels van de man
die door het koren liep in Kanaän.

Historisch is het ook wel te verstaan,
de oude mythe kan men er in horen:
een god wordt gaarne uit een maagd geboren,
doet wonderen en sterft zoals het graan
om als het graan weer op te staan.

Maar als ik door het pad naar voren schrijd
en om mij heen de arme stervelingen, mensen zo dwaas als ik,
de lofzang zingen: “O Heer, uw bloed roept voor altijd barmhartigheid, barmhartigheid”

dan ben ik niet verlegen met mijn god, dan is hij vlak bij mij,
dan weet ik zeker dat hij mij aankijkt uit de donkre beker,
dan eet ik zijn genadebrood, dan leef ik van zijn dwaze dood.

Jan Willem Schulte Nordholt
uit: God in gedichten

Of Jezus bestaat

Op een zonnige namiddag kletsten mijn broer en de buurjongen met elkaar over de heg. Het was windstil, er hing loomheid tussen de blaadjes. “Geloof jij, dat het allemaal waar is, van Jezus enzo?”, vroeg de buurjongen, toen een tiener met een lang, dun lijf. Dat hij geen hemd aan had, was niet de enige reden, dat mijn aandacht ineens getrokken was. Ik speelde iets vaags met autootjes verderop in de tuin. ‘Nee”, antwoordde mijn broer kortaf. Hij was al sinds z’n zesde een besloten buitenkerkelijke en vocht iedere zondag zijn gevechten uit met de zondagsschooljuf.  Zijn “nee”brak de lucht en de buurjongen bedacht, dat hij het ook niet geloofde. Bijna opgelucht zei hij: “Nee, dat over het water lopen, en die andere dingen” “Nee”.

“Nou”, reageerde mijn broer: “dat is het niet. Er staan zo weinig details in. Daar gaat het om. Je weet helemaal niet bij welk meer hij liep. Of in welk jaar. Dan kan het niet echt zijn.” Mijn broer las de Kijk, en dan zei je zulke slimme dingen.

Ondertussen had de buurjongen zijn ogen op mij gericht. Ik was toen al tamelijk vroom. Mijn hoofd was daar ook uitermate geschikt voor. Mijn haar viel als vanzelf al in een keurige scheiding.Bij mijn broer niet. Die had van die gekke pieken overal. Met zijn dunne vingers gebaarde de buurjongen naar mijn broer dat het onderwerp voor mij misschien riskant zou zijn. Beide jongens draaiden zich naar mij. In een zekere verwachting. Misschien hadden ze gedacht, dat ik zou gaan huilen. En ik? Ik wist niet zo goed wat ik er van dacht. Misschien hadden ze wel gelijk. Die détails hadden indruk op mij gemaakt. Maar ik vond de zondagsschooljuf  lief. En ik baalde er van hoe mijn broer altijd deed. Dus ik zei: “Nou, en ik geloof het wèl” Ik had het gevoel dat ik Jezus en de juf en de hele kerk erbij voor de ondergang had gered. Ik was zeven.

Het is een raadsel langs welke weg mensen toegang tot het leven vinden. Voor de een openbaren zijn kinderen alle dingen, voor een ander is het de kunst. Bijvoorbeeld. Ik denk aan Fred Lingen, een man die zo’n beetje in het operagebouw van Amsterdam woonde, achter zijn veel te grote brillenglazen. Hij leeft niet meer, helaas. Wij zagen hem wel eens, als hij achter de tafel van “de vrienden van de opera” stond. Voor hem was opera méér dan zomaar een avondje uit. Opera was voor hem de kunst aller kunsten. De verhalenwereld die mensen iets in handen geeft, of in hun hart. Iets van hoop. Of vertrouwen. Of liefde. Iets, waarmee ze weer naar huis kunnen en vorm kunnen geven aan hun leven. Want wij mensen, wij zijn bijzonder krakkemikkig op de wereld toegerust. Een kuiken kruipt uit het ei en kan gelijk staan. Het pikt vanaf minuut één in de grond en krabbelt erbij, alsof hij er al duizend jaar was. Wij niet. Wij lijken het eierstadium nooit ontgroeid.

En voor mij? Voor mij werd Jezus die verhalenwereld. Waarom? Misschien was het wel die zondagsschooljuf. Of mijn vader die altijd alleen naar de kerk ging en moest zien hoe de bijbel, zijn bijbel, van tafel werd verbannen naar de boekenkast en uiteindelijk in zijn eigen nachtkastje werd geparkeerd. Dat vond ik rot. Voor hem. En ook een beetje voor God. Alsof die alleen nog in de kast mochten bestaan. Ik ben wel iets van een redder.

Maar er waren ook die andere momenten. Momenten waarop ik verlost werd van mijn redder-willen-zijn.

Ik geloofde dus wel. En dan ook maar gelijk de full monty: ja, Jezus had over het water gelopen en ja blinden hadden door een aanraking van hem echt kunnen zien weer. Ik bad daarom trouw voor een gemeentelid dat, ondanks zijn grote zwarte bril, niets kon zien. Of de Heer, misschien, als Hij tijd had, even…..

Ik zei dat op een onbewaakt moment na de kerkdienst tegen de man. Ik dacht dat hij dat wel mooi zou vinden. Van mij. Hij wachtte even met reageren en zei toen: “Ja dat snap ik wel. Jij denkt natuurlijk: ik heb iets wat hij niet heeft. Dus hij mist iets. Maar misschien is het wel andersom. Zie ik veel meer dan jij. En mis jij iets.” Ik weet niet of ik hem begreep. Ik weet ook niet meer of hij het helemaal zó zei, maar hier kwam het wel op neer. “Weet je wat” zo redde hij mij uit míjn domme situatie: “weet je wat? Als je voor mij wilt bidden, bid dan voor mooi weer volgende week. Dan gaan mijn vrouw en ik op vakantie.” En hij bulderde van het lachen.

Sip liep ik naar huis. Ik snapte er niks van. Ik bad toch voor hem? En dat was toch goed? Of…  Ik snapte, dat ik er niks van snapte. Dat blinde mannen en vrouwen nìet op mijn gebed zitten te wachten. Pas jaren later begreep ik: omdat zij geen blinden zíjn. Door mijn gebed, máákte ik hen tot blinden. Alsof hun beperking hun identiteit was. Alsof zíj hun beperking als beperking ervoeren. Ik lijd er ook niet onder, dat ik de vijfde dimensie niet kan zien.

Dat verwarrende moment. Dat jaren doordraaide in zijn verwarring. Werd voor mij een verhaal, een bevrijdend verhaal, door Jezus. Door de verhalen over hem. Ik had hem vele keren horen rondgaan, terwijl hij zieken genas. Ogen opende en oren.  Ik dacht altijd dat het over anderen ging. Zij waren de blinden. Of de doven. In de verwarring ontdekte ik mijn eigen blinde vlek. Redder willen zijn is best arrogant. Eigenlijk.

En zo is Jezus gebleven. Als Die-Mij-bevrijdt. Die bevrijding was, en is, voor mij, de toegang tot het leven.

Ik ben wel een beetje jaloers op Fred Lingen. Als de hele zaal bittere tranen weent, omdat Mimi sterft, of Violetta, als een huiver door de mensen gaat, omdat Katya Katanova zich van het leven berooft, als men smelt door de liefde van Tristan und Isolde en daarbij in het donker even de hand van de geliefde-naast-je zoekt.. op al die momenten is er nooit iemand die opstaat en roept: “Maar Mimi bestaat helemaal niet!”

Waarom bij ons, in de kerk, dan wel?