Twaalf dagen. Niet twee.

Zo, de ergste hitte van het feest hebben we weer gehad. Mag ik er dan nog even op terug komen? Op kerst? Er zit me namelijk iets hoog. Dat iedereen veel te veel haast heeft.

Gisteren zal ik al weer kerstbomen buiten op straat liggen. “Gelukkig, dat hebben we achter de rug.”, zeiden ze. Ik las, dat in Amsterdam het dagelijkse bestaan zelfs Tweede Kerstdag al weer door holde: alle winkels open, de stadsreiniging veegde al weer, de toeristenindustrie draaide op volle toeren. Geen geduld, we moeten door. Twee dagen: we vinden het genoeg. We vinden het te veel.

Breaking news voor allen dan: kerst duurt niet twee dagen. Het feest telt twáálf dagen. Twaalf? Ja, twaalf. En als je een echte hardliner bent, kun je doortellen tot veertig dagen: tot aan twee februari. Ik ken iemand die de kerstboom na Pasen nog had staan. Maar dat was uit gezelligheid, en dat is iets anders.

Kerst, de christelijke variant daarvan, heeft in wezen niets met gezelligheid. Voor een dominee is dat ieder jaar opnieuw een heel gedoe. Het midwinterfeest is gezellig. Kerst is dat niet. Of zou het niet moeten zijn. Niet allereerst.

Wat zingen de christelijke kerstliederen? Ook de meest zoete? “Wereld, verloren in schuld”, “kyrië- eleis”, “Hij daalde neer van ’s Vaders troon.” En het scherpste: “Maar wie dit kindje kussen wil

En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,

Om in het volgende couplet nog meer de bitterheid van het leven op te zoeken

en daarna met Hem sterven,
om geest’lijk op te staan
en ’t leven te verwerven,
gelijk Hij heeft gedaan.
Bij de kerstkalkoen is het moeilijk sterven. Of er moet iets mis zijn geweest met het recept.
De kerstliederen hebben beter begrepen waar het om gaat, dan veel kerstsfeer voor waar wil hebben: dat er nood is, dat er schuld is, dat er pijn is, dat deze wereld geen paradijs is. En dat daar een roep van uit gaat. Dat het lijden van mensen om een antwoord roept. Om een heling, een aanwezigheid. Dat het niet mag verdwijnen zonder gezien of gehoord te zijn.
G’d antwoordt: Ik zal er zijn. Ik zal horen, ik zal zien, ik zal dragen
Je leest het in Lucas. Over de nacht, waarin herders waakten (prachtig beeld: er zijn mensen die de nacht doorstáán). En over Bethlehem, de stad die Huis van Brood heet. Wat is het brood? Het kind dat zich geeft.
G’d daalt af tot onder de planken van het wereldtoneel, schreef Oepke Noordmans ooit. Dat er draagkracht is, waar je dat niet dacht. Dat jij dus kunt zijn waar je dat niet had gedacht. Dat het misschien wel onze roeping is om dáár te zijn waar niemand zijn kan. Wat het ons ook kost.
De eerste twee dagen van kerst komen we daar niet zo aan toe. We scheppen een eigen hemel van vriendschap en familieliefde. Dat is niet niks. Maar het is niet kerst. Het is een vluchtheuveltje tegen de wereld. Ernst Daniël Smid zei op de radio: ‘even alle zorgen opzij’ Derde kerstdag zijn de zorgen er weer.
Dus zul je er toch iets mee moeten. Wat je weg werkt komt later met grotere kracht terug.
Tweede kerstdag leest de kerk de geschiedenis van Stefanus. De man diende mensen en volgde de Heer. Hij beleed dat het licht van Christus schijnen kan en schijnen zal. Hij werd gedood. Zijn naam betekent “Overwinningskrans”.  Wat? Overwinningskrans. Waarom? Omdat hij het juiste had gekozen.
Op vierde kerstdag leest de kerk de verschrikkelijke geschiedenis van de moord op honderden kinderen in Bethlehem. Omdat Herodes, de koning, bang was zijn macht te verliezen. Zo ver kan een mens dus zinken. Het lezen van de geschiedenis is al ruimte scheppen voor G’d. En willen horen naar al die plaatsen waar nòg kinderen het onderspit delven. Aleppo, Sierra-Leone, Bolivia. Dichterbij: als kinderen worden verwaarloosd, mishandeld, misbruikt.
Op de zevende kerstdag leest de kerk uit Romeinen 3. Het felle stuk over onze dood. Wij zijn het die deze wereld maken zoals die is. Wij verwaarlozen kinderen. Het zijn niet de aliëns onder ons die keer op keer oorlog bedenken.”Maar”, vervolgt Paulus: “buiten elke regel, redelijkheid en logica om (nomos) is nu de Heer verschenen.” Ondanks het duister is ook, altijd, het licht. Omdat er duister is, zal er ook altijd licht zijn.
Op 1 januari, achtste dag van kerst, leest de kerk over de besnijdenis van de Heer. Zijn toewijding aan de G’d die zegt: “Ik wel”.  “Op mij kun je aan” De toewijding snijdt. In ons.
Op de twaalfde kerstdag, 6 januari, leest de kerk over de magiërs. Magioi in het Grieks. Mensen die het leven in eigen hand willen houden. Zodra zij het kind op het spoor zijn, verdwijnt in de tekst (je vindt het in het Mattheus-evangelie) die aanduiding. Ze kunnen dan nog maar één ding: knielen.
Kerst gaat over: G’d die verschijnt.  Kerst vraagt: dat ook wíj verschijnen. Niet ontkennen. Niet wegduwen. Toelaten. Verstaan. Ja, zeggen.
Laat het feest daarom ook alle twaalf dagen duren. Al was het maar vanwege die laatste zin uit de Mattheuslezing: “door een droom gewaarschuwd, keerden zij niet terug naar Herodes, maar zij volgden een nieuwe weg.”
Nieuwe wegen vinden gaat niet zomaar in een dag.

 

Zinvol zinloos

95487-unbearable-lightness-of-being-quotes“Ja, ik ervaar mijn bijdrage aan het leven als zinvol. Mee eens, een beetje mee eens, neutraal, een beetje mee oneens, mee oneens”

Of ik het maar even wilde aanstrepen. Mijn pen bleef weifelend rondjes draaien rond de woorden “oneens”. Ik ben dominee. Geen heel goede, geen heel slechte. Maar zelfs al was ik de beste, wie zit er tegenwoordig op een dominee te wachten? Ik ben getrouwd, maar ik heb geen kinderen. Dus voor veel toekomst zorg ik ook niet. Ik heb geen mensen gered, geen steen in een rivier verlegd, ik ben geen revolutie begonnen. Ik ben er.

En daar is het dan mee gezegd.

Ik kon geen antwoord geven. Wat is zinvol? Is de bijdrage van de mensen met grote namen wel zinvol? Barack Obama? Angela Merkel? Ik bewonder ze. Min of meer. Maar is dat een bewijs van hun zinvolheid? Moet je over duizend jaar nog herinnerd worden? Mwah. Nero herinneren wij ons ook nog steeds. Maar of het nou zo zinvol is om mensen in de fik te steken, zoals hij deed? Of een stad af te branden en daar harp bij te spelen?

Ooit was ik jaloers op een leeftijdsgenoot. Hij was 24, gepromoveerd en had al drie klinkende, historische, studies op zijn naam staan. Ik zag hem onlangs weer. Nog altijd gepromoveerd. Nog altijd drie historische studies. Maar daarna? Niets. Niets bijzonders. Hij was getrouwd. En schreef nog steeds. Hij was net zo dik geworden als ik.

Dus.

We lazen uit de Hebreeënbrief. In dezelfde weken dat deze onmogelijke vraag werd gesteld. Een brief vol “waarom doen we dit eigenlijk?”. Vol: “Wat heeft dit voor zin?” Vol: “Zullen we er maar niet mee stoppen?”

Er zijn mensen die onder de onbenulligheid van hun leven bezwijken. Ik begrijp hen. Ik verdraag de ondraaglijke lichtheid van het bestaan niet. Niet zomaar.

De schrijfster van de Hebreeën doet iets geks. Ze zegt niet: “Oh, maar je bijdrage is ontzettend waardevol!”. Ze overtuigt mij niet van mijn fantastische aanwezigheid. Nergens een compliment. Daarin is ze zuiniger zelfs dan Paulus. Die kan, naast zijn kritiek, dan tenminste nog ergens zeggen: “Ik dank God voor jullie geloof.” Mevrouw Hebreeën dankt nergens voor.

Nergens? Nee. Ze slaat mij over en begint over een kosmologische werkelijkheid. Totaal niet op thema. Totaal op thema. Ze vertelt een verhaal zo groot als een mythe. Dat Jezus (verhip, niet ik, maar een ander) de Hogepriester van deze wereld is. En dat hij liefdevol is en goed en zuiver. Hij brengt het ultieme offer. Hij is zelf het ultieme offer.

Hij wel. Alle betekenis is er. Buiten jou. Zegt de schrijfster.

En ikzelf? Ach, gaat mevrouw Hebreeën opgewekt verder. Kijk, weet je. Dit is de hemelse hogepriester. De aardse hogepriesters, dat waren knullige persoonlijkheden, dat ben jij ook, knullig, geef maar toe. Dat geeft niet. Dat is mooi. Zo moet het zijn. Want zij konden zij zich daardoor inleven in jouw verdriet. En jij in dat van hen. Zij begrijpen jouw gemis. En jij dat van hen. Ze voelen zelf jouw kleinheid-waar-je-groot-had-willen-zijn. En jij dat van hen. En zo komt het goed. Waar je elkaar begrijpt, deelt de betekenis zich. Het zinvolle wordt aan jou verleend.

Ach, zegt ze nog een keer monter. Weet je. Er is eigenlijk een stróóm van knullige persoonlijkheden. Je bent niet alleen. Generatie op generatie. Abraham, Sara, David, Mozes, Deborah. Grote namen? Misschien. Maar dan vooral groot in klein-zijn. Veel grootsheid zagen zij niet. Veel grote dingen deden zij niet –

maar

in hun binnenste wisten zij: het is goed. Zij vertrouwden God.

Zij vertrouwden het grote verhaal. Ze droegen het verder. Ze werden er zelf onderdeel van.

 

Of mijn bijdrage zinvol is? Ik zet een kringel om “mee oneens”.

Ik kringel nog een keer: rondom “mee eens”

Ik ben er.

En dat is geweldig.

 

Want in mij vindt het eigenlijke een rustplaats,

zo lang ik er ben.

Vertrouw ik.

Alle kleine beetjes helpen. Toch?

Volslagen krankzinnig … mooi.

De muziek was goddelijk, zei Mike Bodde, maar we moesten maar niet te veel op de inhoud letten (hier). Hij doelde op de aria “Wie wunderbarlich is doch diese Strafe” uit de Mattheuspassion van Bach. Want die inhoud: die was volslagen krankzinnig. “Barmhartige heer offert zijn eigen zoon.” Tot zover Boddé ’s diepte-analyse van het lied.

Nu ben ik zelf niet zo dol op Bach. Te frutterig, te corsetterig en dwangmatig, sorry. Maar ik snap wel, dat de eventuele goddelijkheid van zijn muziek àlles te maken heeft met de inhoud ervan. Die twee kun je niet zomaar uit elkaar scheuren. Bach moet zelf hebben geloofd wat hij op muziek zette. Goddelijke muziek ontstaat niet op een flutinhoud.

Je zou mogen verwachten dat een kommaliefhebber als Witteman niet akkoord gaat met: “laten we de tekst hier voor het gemak maar even vergeten.” Hij deed het wel: er mee akkoord gaan.

Kom op, mannen: het gáát om de tekst.

En ja; die is volslagen krankzinnig.

Volslagen krankzinnig, mooi.

“Hoe wonderbaar is deze straf,

de goede Herder lijdt voor zijn schapen

de schuld, betaalt de Heer, de Rechtvaardige

voor zijn knechten”

In het Duits rijmt het. Maar dat had je al begrepen. Hoe komt Bach, of eigenlijk zijn librettist, nu bij deze tekst? En wat zouden wij er mee moeten?

Het komt uit de bijbel (open deur). In het Oude Testament staat een tekst die indringend vertelt over iemand die mishandeld wordt (Jesaja 53, onder andere). Zijn baardharen worden uitgetrokken, hij wordt geslagen. hij krijgt met de zweep, en iedereen denkt: “Zo, die is door God en alleman gehaat zeg.” Maar dan komt onverwacht de clou: hij droeg onze straf. Hij werd geslagen en wij genazen er van.

Duidelijk he? Nee. Raadseltaal.

Maar goed, de tekst komt terug, later. Als Jezus is gekruisigd. Die hele martelgang van Hem leek één gruwelijke fout. Jezus was meer dan een goed mens. Hij had dit niet verdiend.

Maar leg je nu Jesaja bij de kruisdood van Jezus, en dat deden zijn leerlingen, dan lijken raadselstukjes op hun plek te vallen. Híj verdiende geen straf, maar de mensen wel. Het wonder is: zij werden niet gestraft. Maar Hij wel.

Het beeld van de goede Herder die de straf draagt voor zijn schapen, dat is onder andere door Petrus zo gezegd. Hij schrijft er over in één van zijn brieven. Hij droeg de straf die voor de mensen, voor ons, bedoeld was.

Nog steeds raadseltaal?

Ja- het blijven teksten die groter zijn dan wij. Nooit kan ik helemaal zeggen dat ik het snap. Net als poëzie: ik lees het, het doet iets met mij. Maar als je mij vraagt: leg het uit, dan sta ik met een mond vol tanden.

En toch.

Dit is wat ik er van begrijp.

Als ik kijk naar de afgelopen week. Brussel, Ankara, maar als ik daarbij ook denk aan Mosul, aan Homs, aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven onder de bommen van de Westerse mogendheden en aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven door messen en bommen van IS, en dan is dat nog maar een versimpeling van alles wat er gaande is. Ik noem dan nog niet eens de vrouwen die deze week door hun mannen zijn mishandeld, of de mannen die zijn vermoord, of het alledaagse onrecht van de rijke die overal doorheen komt terwijl de arme overal voor lijkt te moeten boeten. Als ik die wereld zie, dan denk ik: zo veel kwaad, zo veel rotzooi. Dat kan toch niet onbeantwoord blijven? Het kan toch niet altijd maar zo doorgaan?

Wilders riep gelijk om het dichtgooien van de grenzen. Het aanpakken van de misdadigers. Het preventief fouilleren van “donker getinte personen”. Hij was de enige niet. We willen voorkomen. We willen ook rechtzetten.

Zo veel rechtvaardigheid hebben mensen dan nog wel in hun donder. Wat oneerlijk is mag niet de vrije hand hebben. We willen dat het oneerlijke stopt.

Omdat dat de basisstructuur van ons bestaan is, zeggen de schriften. God is rechtvaardig. Zeg: de energie achter alle dingen. Ik zeg: de stem die in alle dingen spreekt.

Kwaad moet worden rechtgezet.

En wat zegt nu de aria? Die zegt dat alles al rechtgezet ìs.

Huh? Oh!

Jezus heeft de straf gedragen

niemand zal meer worden gestraft

 

straf is helemaal het woord niet

leven, dat is het woord

ga vrijuit – dat is het woord.

 

Voor mij betekent Goede Vrijdag allereerst: wij zijn vrij  –

en daarna volgt in één adem: laat ook anderen vrij

straf hen niet.

Deze week begonnen mensen in Brussel op de straten en muren te tekenen en te schrijven. Het waren woorden van hoop. Ze tekenden een nieuwe wereld. Eentje, waarin mensen elkaar niet meer zouden doden, maar waarin mensen elkaar het leven zouden gunnen. Wat ze ook maar op hun kerfstok zouden hebben.

Ephimenco, een columnist in dagblad Trouw, geloofde er niet in. “Met krijt en bloemen win je geen oorlog.”

Ik dacht: “Voor wie het wel geloven is de oorlog al voorbij. Voor wie het wel geloven heeft haat geen macht meer. Voor wie het wel geloven heeft de dood geen greep op ons.”

Maar ja, ik snap het wel: dat te geloven is tamelijk

krankzinnig

God in Nederland, God uit Nederland?

kerk

Al een week staart het onderzoek “God in Nederland 2016” mij aan. Wat moet ik er van vinden, dat het aantal kerkelijk betrokkenen daalt? Dat “de Nederlandse cultuur niet christelijk meer is”, zoals commentaren overal melden. Moet ik het erg vinden? Moet ik er überhaupt een mening over hebben?

Ik weet het niet.

Ik deel niet in de opgewonden stemmen dat het secularisme nu gewonnen heeft. Ik deel evenmin in de opgetogen gedachte dat het nu beter wordt. Een samenleving zonder kerk is niet mijn wereld. Ik kijk er niet naar uit, dat de verhalen van Abraham, Rebekka, Mozes, Deborah, David, Jezus, Maria Magdalena, dat die uit onze samenleving verdwijnen.

Ik stond voor het enorme schilderij “Bathseba” van Rembrandt. Hij toonde haar met een brief in haar hand. En in haar ogen schilderde hij het ondeelbare moment tussen gevleid-zijn en gekrenkt-zijn. Gevleid dat David haar schrijft, gekwetst dat David haar schrijft. Ik dacht: “Maar wie verstaat dit schilderij nog, als we het verhaal niet meer kennen”?

Ik begrijp de opgewekte commentaren op het onderzoek niet.

Aan de andere kant: ik deel ook de treurnis niet.Ik heb niet de behoefte om te gaan roepen, “dat de kerk heeft gefaald” of “dat het nu allemaal anders moet”. Het is wat het is. Wie ogen en oren open heeft in de gemeentes weet al lang wat er gaande is. In mijn geboortedorp waren in mijn jeugd zes protestantse gemeentes. Over één daarvan schreef iemand vijftien jaar geleden in de Volkskrant, dat je op tijd moest zijn om er een zitplaats te kunnen vinden. Nu is nog één protestantse gemeente. En eentje die op het punt staat te scheuren of om te vallen. Dan valt een teruggang van vijftig procent in tien jaar nòg mee.

Raakt het me niet? Ja, het raakt me wel – de achteruitgang. Kerk is gemeenschap zijn, verbondenheid zoeken met mensen met wie je geen natuurlijke verbondenheid voelt, bruggen bouwen, door-één-deur-willen-gaan-met-wie-je-niet-zomaar-door-één-deur-gaat. Als er steeds minder zijn om mee door die deur te gaan, dan voelt dat op z’n minst vreemd.

En ja, ik stel me wel eens voor dat ik ooit als oud baasje in een verpleeghuis woon als een soort curiosum. “Dat is er nog één” “Goh, bestáán ze dan nog?” En dat dan niemand een idee heeft waar het in het christelijk geloof om ging. “Ze waren tegen homo’s, meen ik.” Het lokt me, opnieuw, niet aan.

Ergens anders raakt het me niet. En dat vind ik vreemd van mezelf. Zo veel mensen hebben gereageerd. Waarom ik niet?

Ik denk: “Er schijnen in Nederland ook heel weinig cricket-spelers te zijn. Maar ik heb niet de indruk dat hen dat stoort.” Ze spelen hun spel, ze hebben er plezier in. Ze hebben niet het idee dat hun spelregels er niet toe doen, omdat bijna niemand ze kent. Ze spelen en ze spelen precies. Waarom zou ik dan een big fuzz maken van een kleine kerk?

Ik begrijp wel: de kerk is geen cricketclub. De kerk heeft een verleden met veel leden. En in de kerk gaat het om waarheid. Kuch: de waarheid. Dat maakt het toch wat complexer.

Maar

dan hier de maar: ik heb nooit geloofd, dat de kerk een machtsfactor moest zijn. Ik huiver zelfs voor een kerk in een meerderheidspositie. Kerk en macht, dat wordt altijd narigheid. Een menselijke waarheid die met een kerkelijk stempel ineens de ene grote waarheid voor iedereen wordt. Nee, dank je wel.

Ik heb ook nooit geloofd, dat een samenleving “christelijk” moest zijn. Wat is een christelijke samenleving? Dat iedere man getrouwd is met één vrouw? Dat er regels worden opgesteld om iedereen “christelijk” te houden? Nogmaals: dank je.

Ik ben deelgenoot van de kerk om slechts één reden. Die reden heeft een naam: Jezus. Zijn direktheid en helderheid van leven raakt mij. Op een manier van: daar wil ik van leren. Ik wil mij koesteren in Zijn bestaan. Ik wil er door worden meegenomen en ik wil het zelf meenemen. Die band – die geraaktheid, volgens mij is dat wat de kerk tot kerk maakt. De Kerk is de kring van mensen die zich rondom Jezus verzamelen. Voor wie Zijn woord, handelen, verlangen,  en beminnen de waarheid is. En die dat met plezier en precisie willen leven.

Al het andere is slechts bijzaak. Dus óók hoe groot of hoe klein die kring is.

Mijn broer…

Als mijn broer in de penarie zat en hij zou bij mij aankloppen, dan nam ik hem zonder meer onder mijn hoede. In hem voelt het immers alsof ik zelf hulp nodig heb.

Als ik in het buitenland ben en een landgenoot komt in de problemen en ze verstaat de taal niet, dan schiet ik te hulp. Op z’n minst zou ik vragen “kan ik iets voor u doen?”. Haar taal, haar lichaamsbewegingen, haar manier van kijken: ik herken er het mijne in. Mijn taal. Mijn manier van doen. En dat verplicht.

Mensen zijn groepsdieren. Groepen vormen zich rondom herkenning. Ik meen eens gelezen te hebben dat we mensen met dezelfde naam elkaar vanzelf een stukje aardiger vinden dan een ander.

Ik ben dol op Sybrand Buma. Maar dat begreep je.

It’s what nature desires. Zorg voor hen die op je lijken.

Vanavond lazen we aan tafel een bizar gedeelte uit Marcus. De broers van Jezus en zijn moeder (zijn moeder! Je krijgt al weke knieën als je aan je moeder denkt) laten hem roepen. Marcus suggereert, dat ze zich zorgen om hem maken. Hij lijkt totaal de weg kwijt. De mensen zeggen: je familie zoekt je. En dan geeft Jezus een antwoord, dat de angst bevestigt. Hij is niet goed wijs. Jezus antwoordt: “Mijn broers? Mijn moeder? Wie zijn dat?”

Als een bezetene roept hij: “wie de wil van mijn vader doet. Die zijn mijn broers. En die is mijn moeder.”

Mijn natuur zegt: waanzin. Het is waanzin om je gelijken zo te schofferen.

Of is Jezus geniaal?

En verbreekt hij alle natuurlijke banden met opzet.

Rekt hij de mensenfamilie op?

Heeft Jezus gelijk dan word je een broer van iemand die in niets op jou lijkt.

Tinkebell deed een gek voorstel: geef tegenpolen dezelfde naam. Geef Geert Wilders de naam Mohammed erbij. En geef elke Mohammed de naam Geert erbij. Ze zullen iets voor elkaar gaan voelen, iets familiairs. Ze zullen zich verbonden voelen met elkaar en voor elkaar instaan. Tegenpolen worden één.

Ik vind Jezus geniaal. Ook als ik hem niet geniaal vind, vind ik hem geniaal. Dat heb ik lang geleden al besloten.

“De wil van de Vader” schuift hij over alle mensen heen. Alle mensen gaan elkaar herkennen.

Als mijn vader mijn vader is, dan ben jij een vreemde voor mij. Als jij dan bij mij aanklopt, houd ik mijn deur gesloten.  Vreemdelingen komen er van nature niet in. Kom je met honderd, duizend, drieduizend tegelijk, dan haal ik de brandspuit van de muur en spuit je van mijn stoep af. Ik heb ook nog wel een roestige handgranaat in mijn linnenkast. Voor als je blijft komen. Mijn huis is mijn huis. Mijn familie mijn familie. Je komt er niet in.

“God is je Vader” zegt Jezus. En ineens lijken we allemaal op elkaar. Gelukszoekers, vluchtelingen, luxe-boot-bezitters, angstigen achter de Europese grenzen. Er is geen ‘mijn huis’. Er is alleen ‘huis van de vader’. En daar woon jij dus ook.

Er klopt een broer aan je deur, Europa.

Er kloppen broers aan je deur.

Zusters

Moeders

ze lijken niet op je

ze zijn als jij.

Laat je ze niet binnen?

Ze zullen binnen komen.

ze zullen in je koelkast kijken en het lekkers er uit halen

ze zetten je TV aan

en gaan op de bank zitten

jouw bank

want dat is wat ze doen, broers

ze beschouwen jouw huis als hun huis.

En gelijk hebben ze.

Zonder Zoon van God is er niks meer aan.

Nee, Jezus heeft zichzelf nooit “Zoon van God” genoemd. Inderdaad. Maar de teksten over hem doen dat wel. In al hun verschillen – wanneer was nou dat laatste avondmaal, hoeveel Maria’s waren er nou precies en wat riep Jezus aan het kruis?- lijken ze het over één ding eens: die kreet “Zoon van God”, dat heeft hem uiteindelijk de das om gedaan.

Ook na zijn dood heeft het tot veel tumult geleid. Er waren groepen die zeiden: “Jezus is een goed mens, en een prachtige profeet. Hij is gedood, omdat de mensen aan zoveel goedheid nog niet toe waren”. Of vergelijkbare tonen. En dan hebben we het niet over dominees anno 2014, maar gewoon: eerste christenen. In de eerste eeuwen. Er waren er ook die zeiden: “Jezus was wel de Zoon van God. Maar hij stierf niet aan een kruis.”  Ze hadden er de mooie oplossing bij bedacht, dat er iemand is gekruisigd, die heel erg op de Heer leek. Maar die de Heer niet was. Zo bleef hun god mooi god.

Het tumult is nog niet ten einde. Blijkt maar weer uit de nieuwe productie van toneelgroep De Appel. “Bij ons is Jezus niet de Zoon van God”, zegt de regisseur Arie de Mol. Want “dan vind ik hem oninteressant worden”.

Ik weet niet waar Arie precies tegenaan hikt. Hij moet sowieso niet veel hebben van het christendom-zoals-het-er-vandaag-uitziet. Kerk? Nee bweh. Theologie? Yuk! Christenen? Nog meer bweh en yuk. “Wij houden Jezus menselijk”. Hun Jezus heeft dan ook geen mooie woorden paraat.

Of zijn omstanders zijn woorden toentertijd zo mooi vonden, weet ik niet. Ik vind Jezus vaak een beetje een weirdo. Zo eentje die met een paar rake woorden de sfeer weet te verpesten. En die zichzelf daarmee steeds weer buiten de groep plaatst. Hij gaat elke keer daar zitten, waar de klappen vallen.

Ik vind het wel kinky om van zo iemand te zeggen: en dat is nou God.

Die menselijke Jezus van Arie de Mol, die interesseert me geen biet. Gek is dat toch.

Het is zó volstrekt idioot om juist Jezus God te noemen. Ik weet duizend betere kandidaten. Zelfs de spelers van Ajax hebben nog betere papieren voor deze titel dan hij. Het is zo totaal op-z’n-kop gedacht, dat ik er door geërgerd word. Ik baal soms van die Joodse man. Enorm.

Maar ik word er ook door gefascineerd. Door mijn eigen ergernis. Door de hardnekkigheid, waarmee christenen zijn blijven verklaren: Zoon van God. Mens – en Zoon van God.

Het herdefinieert alles wat wij over god, of over goden zeggen.

Goden wonen in wolkenkrabbers. Op de bovenste verdieping. Ver van het aardse gemodder. In glanzende meubels van het laatste design besluiten ze daar wat volgens de wetten van god-weet-wat-precies nodig is. Goden zijn perfekt. Onbesmet door armoede, mislukking, getob, narigheid.

Goden zijn glamorous.

Wij creëren die goden, dat weet ik. Zij zijn het resultaat van onze verhalen over wat leven is. En over waar de werkelijkheid over gaat. Leven is: loskomen van het aardse gedoe. En de werkelijkheid is: de uitnodiging om perfekt te zijn.

We houden meer van jonge mensen met parelwitte tanden dan van een oude man die kwijlend wat zit te mompelen in zijn rolstoel.

En dan komt ineens Jezus binnen. Hij lijkt in niets. helemaal niets op ons ideaalbeeld. Niet van het ideaal van leven – hij kwam nooit aan het Zwitserlevengevoel toe. Niet van het ideaal van mens-zijn: hij was naar verluidt te lelijk om naar te kijken. Niet van het ideaal van waar het om zou moeten gaan: hij had geen auto-onder-den-kont.

En dan zeggen: dàt is God.

Die mislukte.

Die uitgekotste.

Die vermoorde.

Ik snap Arie wel. Een menselijke Jezus is een tragische figuur met wie je medelijden kunt voelen. Zelf blijf je schoon, objektief en van een afstandje kijken. En je rijdt in je verwarmde auto weer naar huis.

Maar Jezus als de Zoon van God. Tsja, dat is een aanval op mijn zo zorgvuldig gecultiveerde goede smaak. Yuk.

of toch maar ‘amen’?

Of Jezus bestaat

Op een zonnige namiddag kletsten mijn broer en de buurjongen met elkaar over de heg. Het was windstil, er hing loomheid tussen de blaadjes. “Geloof jij, dat het allemaal waar is, van Jezus enzo?”, vroeg de buurjongen, toen een tiener met een lang, dun lijf. Dat hij geen hemd aan had, was niet de enige reden, dat mijn aandacht ineens getrokken was. Ik speelde iets vaags met autootjes verderop in de tuin. ‘Nee”, antwoordde mijn broer kortaf. Hij was al sinds z’n zesde een besloten buitenkerkelijke en vocht iedere zondag zijn gevechten uit met de zondagsschooljuf.  Zijn “nee”brak de lucht en de buurjongen bedacht, dat hij het ook niet geloofde. Bijna opgelucht zei hij: “Nee, dat over het water lopen, en die andere dingen” “Nee”.

“Nou”, reageerde mijn broer: “dat is het niet. Er staan zo weinig details in. Daar gaat het om. Je weet helemaal niet bij welk meer hij liep. Of in welk jaar. Dan kan het niet echt zijn.” Mijn broer las de Kijk, en dan zei je zulke slimme dingen.

Ondertussen had de buurjongen zijn ogen op mij gericht. Ik was toen al tamelijk vroom. Mijn hoofd was daar ook uitermate geschikt voor. Mijn haar viel als vanzelf al in een keurige scheiding.Bij mijn broer niet. Die had van die gekke pieken overal. Met zijn dunne vingers gebaarde de buurjongen naar mijn broer dat het onderwerp voor mij misschien riskant zou zijn. Beide jongens draaiden zich naar mij. In een zekere verwachting. Misschien hadden ze gedacht, dat ik zou gaan huilen. En ik? Ik wist niet zo goed wat ik er van dacht. Misschien hadden ze wel gelijk. Die détails hadden indruk op mij gemaakt. Maar ik vond de zondagsschooljuf  lief. En ik baalde er van hoe mijn broer altijd deed. Dus ik zei: “Nou, en ik geloof het wèl” Ik had het gevoel dat ik Jezus en de juf en de hele kerk erbij voor de ondergang had gered. Ik was zeven.

Het is een raadsel langs welke weg mensen toegang tot het leven vinden. Voor de een openbaren zijn kinderen alle dingen, voor een ander is het de kunst. Bijvoorbeeld. Ik denk aan Fred Lingen, een man die zo’n beetje in het operagebouw van Amsterdam woonde, achter zijn veel te grote brillenglazen. Hij leeft niet meer, helaas. Wij zagen hem wel eens, als hij achter de tafel van “de vrienden van de opera” stond. Voor hem was opera méér dan zomaar een avondje uit. Opera was voor hem de kunst aller kunsten. De verhalenwereld die mensen iets in handen geeft, of in hun hart. Iets van hoop. Of vertrouwen. Of liefde. Iets, waarmee ze weer naar huis kunnen en vorm kunnen geven aan hun leven. Want wij mensen, wij zijn bijzonder krakkemikkig op de wereld toegerust. Een kuiken kruipt uit het ei en kan gelijk staan. Het pikt vanaf minuut één in de grond en krabbelt erbij, alsof hij er al duizend jaar was. Wij niet. Wij lijken het eierstadium nooit ontgroeid.

En voor mij? Voor mij werd Jezus die verhalenwereld. Waarom? Misschien was het wel die zondagsschooljuf. Of mijn vader die altijd alleen naar de kerk ging en moest zien hoe de bijbel, zijn bijbel, van tafel werd verbannen naar de boekenkast en uiteindelijk in zijn eigen nachtkastje werd geparkeerd. Dat vond ik rot. Voor hem. En ook een beetje voor God. Alsof die alleen nog in de kast mochten bestaan. Ik ben wel iets van een redder.

Maar er waren ook die andere momenten. Momenten waarop ik verlost werd van mijn redder-willen-zijn.

Ik geloofde dus wel. En dan ook maar gelijk de full monty: ja, Jezus had over het water gelopen en ja blinden hadden door een aanraking van hem echt kunnen zien weer. Ik bad daarom trouw voor een gemeentelid dat, ondanks zijn grote zwarte bril, niets kon zien. Of de Heer, misschien, als Hij tijd had, even…..

Ik zei dat op een onbewaakt moment na de kerkdienst tegen de man. Ik dacht dat hij dat wel mooi zou vinden. Van mij. Hij wachtte even met reageren en zei toen: “Ja dat snap ik wel. Jij denkt natuurlijk: ik heb iets wat hij niet heeft. Dus hij mist iets. Maar misschien is het wel andersom. Zie ik veel meer dan jij. En mis jij iets.” Ik weet niet of ik hem begreep. Ik weet ook niet meer of hij het helemaal zó zei, maar hier kwam het wel op neer. “Weet je wat” zo redde hij mij uit míjn domme situatie: “weet je wat? Als je voor mij wilt bidden, bid dan voor mooi weer volgende week. Dan gaan mijn vrouw en ik op vakantie.” En hij bulderde van het lachen.

Sip liep ik naar huis. Ik snapte er niks van. Ik bad toch voor hem? En dat was toch goed? Of…  Ik snapte, dat ik er niks van snapte. Dat blinde mannen en vrouwen nìet op mijn gebed zitten te wachten. Pas jaren later begreep ik: omdat zij geen blinden zíjn. Door mijn gebed, máákte ik hen tot blinden. Alsof hun beperking hun identiteit was. Alsof zíj hun beperking als beperking ervoeren. Ik lijd er ook niet onder, dat ik de vijfde dimensie niet kan zien.

Dat verwarrende moment. Dat jaren doordraaide in zijn verwarring. Werd voor mij een verhaal, een bevrijdend verhaal, door Jezus. Door de verhalen over hem. Ik had hem vele keren horen rondgaan, terwijl hij zieken genas. Ogen opende en oren.  Ik dacht altijd dat het over anderen ging. Zij waren de blinden. Of de doven. In de verwarring ontdekte ik mijn eigen blinde vlek. Redder willen zijn is best arrogant. Eigenlijk.

En zo is Jezus gebleven. Als Die-Mij-bevrijdt. Die bevrijding was, en is, voor mij, de toegang tot het leven.

Ik ben wel een beetje jaloers op Fred Lingen. Als de hele zaal bittere tranen weent, omdat Mimi sterft, of Violetta, als een huiver door de mensen gaat, omdat Katya Katanova zich van het leven berooft, als men smelt door de liefde van Tristan und Isolde en daarbij in het donker even de hand van de geliefde-naast-je zoekt.. op al die momenten is er nooit iemand die opstaat en roept: “Maar Mimi bestaat helemaal niet!”

Waarom bij ons, in de kerk, dan wel?

 

Moest Jezus dood?

kreuzigung_isenheimer_altarVerliep de kruisiging van Jezus volgens plan? De meeste kerkvaders leggen het zo uit. Pardon; allemaal. Ze zeggen allemaal: God had van te voren vastgesteld dat Jezus zou worden gekruisigd.

Maarten t Hart schiet nog altijd van pure ergernis uit zijn sokken, als hij deze redenering hoort. Hij is de enige niet. Ik krijg het er ook nogal benauwd van. En de gedachte, dat God hiermee een meedogenloze regisseur wordt is dan nog niet eens het grootste struikelblok. Er is veel wat ik niet begrijp. Ik begrijp G’d nog wel het allerminst. Dus, wie weet. Pijnlijker vind ik, dat het lijden van Jezus hiermee iets nepperigs krijgt. Iets “het-is-niet-ergs’-achtigs. Wat het zwartste is, het doden van een mens, wordt ineens ‘de bedoeling’. Ik kan mij daar niets bij voorstellen. En al helemaal niet, wanneer het in verband wordt gebracht met lijden van mensen om ons heen. “God wil het zo” stond er eens in dikke, uitgebeitelde, letters op een grafmonument voor een kind van zes. Een traktor had hem doodgereden. Nou, geef mijn portie dan maar aan Fikkie. Lijden is nooit, ik herhaal, nooit te vergoelijken of te verfraaien. Apokriefe brief van de heilige apostel Sybrand. Lijden heeft maar één mogelijk antwoord: dat ik er bij blijf. Dat iemand er bij blijft. En naar het appèl luistert.

Toch schrijven de evangelisten ook zoiets van “het moest”. “Dei” in het Grieks. Hier, bijvoorbeeld. Voor de meesten zal het woord niet zoveel zeggen, maar op theologen heeft het woord hetzelfde effekt als het woord “zwam” op makelaars. Foute boel. Opletten hier. Dei, zo spuwen alle naslagwerken hun kennis, is een werkwoord dat er op duidt, dat God hier aan het werk is.

Ik word er niet vrolijk van. Zijn wij domme poppetjes op het strijdtoneel? Stromannetjes? Stellen wij niets voor?

Onze ervaring is het in elk geval niet. Wij maken nogal wat werk  van ons bestaan. Een misselijke grap? Wij denken iemand te zijn, maar we zijn niemand? Mag ik Buddist worden? Of is dat geen verbetering in dezen? De bijbel neemt, over het algemeen, ons aardse mens-zijn nogal serieus. Met onze huid, en warmte, en haren in het afvoerputje.

Ik kijk nog eens naar de kerkvaders. Zij schreven in een tijd, dat christenen nog steeds over de kling werden gejaagd. Of in elk geval voelden zij nog de brandwond van de herinnering aan de vermoorde christenen nog in hun ziel. Niemand was bij machte geweest om de keizerlijke furie te doven. Het gevaar was een onvermijdelijk deel van hun bestaan.

Als je zegt dat “God” iets doet. In elk geval zit er de erkenning in, dat je er zelf niets aan had kunnen veranderen. Je draagt er geen schuld aan. “God”, op die manier gedacht is dan de laatste beweegreden. Niet meer te bevragen. Het is zoals het is. Verhipte dicht bij die moeizame naam JHWH. Ik zal zijn die ik zijn zal.

Er is ook veel dat niet is, zoals het is. Waar speelruimte voor mij in zit. Maar wat doe ik met de dingen die wel zijn, zoals ze zijn, amen en klaar? Mijn eigen bestaan, bijvoorbeeld? Vanaf het moment dat ik er was, was het onvermijdelijk dat ik er was. ‘En niemand vroeg of dat wel een leuk cadeautje was”, zingt Herman vanVeen sip. Vanaf het moment dat ik mijn studie af had, was het onvermijdelijk dat dit mijn studie was. Damn. En toen ik ruzie kreeg met mijn buurman, had ik onvermijdelijk ruzie met mijn buurman. Niet alles is mijn schuld.

De schrijvers van Jesus Christ Superstar doen iets opvallends, als zij Jezus laten bidden in Gethsemane. Het lijkt zo’n depressief gebed: doe mij maar weg. U hebt gewonnen. De schrijvers van de film voegen er een flinke drup woede aan toe. En passie. Was dit Uw bedoeling, G’d? Dat ik dood zou gaan?  Nou, goed dan, dan ga ik dood. Maar U kijkt toe! Hoort u? Heb niet het lef om weg te kijken. Dan zult u ook zien wat u aanricht!

Het lied laat mij verbluft achter. En met adrenaline in het bloed. Jezus staat op tegen een “God die het zo zou willen” en zijn verzet ligt hem erin, dat hij het doen gaat. Wow. In een soort verdwaasde boost pakt hij het onvermijdelijke op. En maakt er zijn leven van.

Abel Herzberg heeft gezegd, zo hoorde ik deze week: “Bewaar in alle omstandigheden je menswaardigheid.” Dat God iets wil, zou wel eens het laatste zetje kunnen zijn om zijn raad op te volgen. Want soms lijkt God wel gek geworden.

 

 

Walging is nog geen verandering.

Psalm 110 is weer zo’n tekst, dat je denkt: “Waar lees je nou eigenlijk de bijbel voor?’ De zinnen ronken van oorlogstaal. Van overwinnende oorlogstaal, ten koste van.

Er wordt een koning aangesteld, zo lezen we. Het is een proclamatie. “JHWH zegt tegen mijn heer: zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd als voetbankje.” Het is God die de oorlogstaal baart: hij zal de vijanden neerslaan.

En de koning volgt zijn voorbeeld. Hij slaat hoofden stuk en stapelt lijken op. Ziezo, dat is dat.

Ik word er een beetje weeïg van in de maag. Moet dit een heilige tekst zijn? Met al dat bloed dat er in rondstroomt? Kan iemand hem misschien schrappen?

Er waren tijden, waarin men niet zo’n moeite had met deze tekst. Christenen bestormden met deze woorden op de lippen Moslims, ze sloopten de muren van Jeruzalem, doodden iedereen die er in leefde. En omgekeerd trouwens net zo. Moslims hadden hun teksten, waarmee zij Christenen in de pan hakten. Een tijdgenoot van de kruistochten schrijft, dat het bloed van de gedoden tot kniehoogte door de straten van de stad stroomde. Nu waren de mensen kleiner, en zaten de knieën lager. Maar zelfs dan. Walgelijk.

Walgelijker nog dat het zo door welke god dan ook maar goedgekeurd zou worden. Dat het zo de bedoeling zou zijn.

Wij kunnen er niet meer tegen, dat iemand roept: “Deus le vult”, “God wil het zo”. Te veel slachtoffers gezien. Teveel smerigheid van godsdiensten gezien.

Soms bekruipt me de gedachte, dat het bloedvergieten “in naam van” nog altijd doorgaat. Walging of niet. Maar dat we er de ogen niet voor hebben. Toen Teun van de Keuken op onderzoek uitging waar onze chocola vandaan kwam, bijvoorbeeld, en hij daarbij op kindslaven stuitte. “Ja,” zei Nestlé: “Maar dat is niet ons beleid. Dat ligt in handen van de wereldeconomie.” Of anders wel van de wisselkoersen. Of het corrupte regime in het land waar chocola groeit.

Iemand ging op onderzoek uit, waar de mineralen voor onze mobiele telefoons weg kwamen. Daarbij stuitte hij op wapenhandelaars en bloedgeld en – alweer- slaven. “Ja”, zeiden de telefoonaanbieders: “Maar dat ligt buiten onze macht. Het komt door de wereldeconomie, door de corrupte regimes, door..”

Nooit vallen de groten ten prooi. Het zijn de scharrelaars die opdraaien voor.

We walgen van God in wiens naam mensen worden gedood.

en terecht

maar de goden in wier naam mensen over de stekels worden gejaagd zijn er niet door verdwenen

walging verandert de wereld niet.

Ze kan wel een bron zijn voor iets anders.

Omkeer, bijvoorbeeld.

 

Er is een tijd geweest, waarin men Psalm 110 zonder enige moeite las. Met hoop in de stem las, zelfs. De evangelisten doen het al zo. Zij slaan het lied op en roepen: die koning? Dat is Jezus!”

Ik begrijp maar half hoe ze er op kwamen. Was het hun “de-wens-is-de-vader-van-de-gedachte-blik”? Was het hun zielsverbondenheid met de kleine mensen? Of hadden ze in Jezus, dieper, iets gezien van waarheid? Van ja-zo-is-het?

Jezus lijkt altijd de uitzondering. Hij-die-van-mensen-houdt.

Mooi, maar onhoudbaar.

 

De wereld zit immers zo in elkaar: wie niet van mensen houdt en geen rekening met hen houdt, die komt hier het verst.

 

En dan die gekke evangelisten: nee. Niet waar. Wie niet van mensen houdt verliest zichzelf. Ook al wint hij misschien alles.

De evangelisten proclameren zo maar Jezus tot “zo zit het in de wereld in elkaar”. De barmhartige wint. Ook al verliest hij misschien alles.

 

Ik ben iedere keer weer overtroefd door de evangelisten van tweeduizend jaar geleden. Waar ik blijf steken in mijn walging, daar gaan zij verder. Waar ik foeter: de wereld is rot, mensen zijn idioten. Daar horen zij verder.

Het slachtoffer zou jouw koning kunnen zijn

Als zij psalm 110 lezen, keert de wereld ondersteboven in hun lied. Wie onderaan zit, komt boven. Wie bovenaan zit, valt naar beneden.

En G’d? Die moet je dus beneden zoeken.

Bij de mens die vermorst wordt.

Ik moet het lezen om het te geloven.