Bidden? Wat is dat nou weer?

Toen had iedereen een mening over bidden.

“Ze doen het alleen maar, zodat ze zichzelf beter kunnen voelen dan een ander”, schreef ene Betty uit Duitsland op Facebook. “Bidden is laf”, reageerde een ander. “Je moet niet bidden, je moet wat gaan doen.”, adviseerde Atheism 411. Charlie Hebdo liet één van zijn tekenfiguurtjes melden: “We hebben geen gebed nodig, wij willen champagne, dans, zoenen.” Zelfs de Dalai Lama, toch geen sufferd op religieus gebied, mengde zich in het debat: “Je moet niet naar een god gaan bidden. Mensen doen dit, mensen zullen het moeten oplossen.”

De aanleiding was “Pray for Paris”. De spontane oproep na de terreur in Parijs. “En”, zeiden we later: “for Bayrut and Mali”.

Het riep nogal wat emotie los. In één etmaal tijd was ik “onnozel”,  “iemand die niet van het leven houdt”, “een gevaarlijke gek”, “een achterlijke rand- enz”. Voor uw gemak, en voor het mijne, laat ik de seksuele abberaties waaraan ik volgens de reaguurders zou lijden maar achterwege. Want ja, ik bid.

En ik dacht dat atheïsten rationele, bedaarde mensen waren.

Zijn we allebei een illusie armer.

Aan Charlie Hebdo schreef ik trouwens: “Ik bid èn ik drink champagne. Mag dat ook?” Ik hoop, dat google-translate er geen raar verhaaltje van maakte. Dat het atheistisch front zich niet de krieken heeft gelachen omdat de vertaalmachine zegt: “Ik bid dat ik champagne zal krijgen” ofzo. Of erger nog: “Ik bid dat er geen champagne meer zijn zal.” Je weet het maar nooit. Never trust a machine.

Ik bid niet om champagne, omdat ik zo langzamerhand wel doorheb, dat God geen sinterklaas is. Dank u wel. Ik bid geen verlanglijstje bij elkaar. En ik bid al helemaal niet uit een soort levenshaat. Ik ben dol op het leven.

Bidden gaat helemaal niet over “je probleem afschuiven op een ander”. Bidden is wel: onder de indruk komen wat het probleem eigenlijk is. Tenminste: zo ervaar ik het. Ik word stil, omdat de dingen groter zijn dan ik. Onmogelijk, dat ik begrijp wat er in Parijs is gebeurd, laat staan in Beiroet, of Mali. Politici roepen wel, dat ze het weten, maar is dat zo? En wijzen zij iets zinnigs? De rapheid, waarmee van links tot rechts werd geroepen dat we nu “en guerre” zijn, doet mij vermoeden van niet. En dat we ook helemaal niet de bedoeling hebben om iets te begrijpen. Zij slaan ons, wij slaan hen. Klaar. En het doet er niet zo heel veel toe wie “zij” zijn. Welke “zij” we eigenlijk op het oog hebben. Als er maar terug geslagen wordt. Want “wij” worden bedreigd. Welke “wij” wij dan ook zijn. Ik sta altijd stom verbaasd, met wat voor snelheid mensen zich aaneen scharen na iets indrukwekkends. Met de buurman die ik gisteren nog niet aankeek en met wie ik niets gemeenschappelijk heb, ben ik vandaag een “wij”?  O? En met de islamiet verderop dan niet? O?

Bidden is voor alles: op een elegante manier tijd rekken. Die tijd hebben we nodig om te luisteren, tot bezinning te komen, de impact te horen. Bij de aanslag op de Twin Towers zei de tòenmalige president: “Ik weet niet wat ik zeggen moet, maar ik ben bang, dat als we over oorlog spreken, wij de verkeerde wapens oppakken.”

Vandaag werd een Russisch gevechtsvliegtuig door Turkije uit de lucht geschoten. Ik dacht terug aan de Chirac van toen.

“Tot tien tellen”,  zei mijn moeder. En dat zei ze, omdat kwaad worden heel gemakkelijk is, maar wijs blijven niet. Onze ziel zit raar in elkaar. Het is nodig om naar buiten te luisteren, maar net zo goed wil de ziel beluisterd worden. Wat is impuls, wat is waarheid, wat is echt en wat is dwaasheid.

En ja: ik geloof dat ergens in dat luisteren God zich meldt. Dat is ook mijn ervaring. En als ik God zeg, bedoel ik niet “een almachtig wezen dat het voor mij oplost”. Ik schrijf ook liever G’d. Iedere keer opnieuw zal G’d zichzelf tonen. Met een zekere diepzinnigheid zeggen de Bijbelse geschriften dat G’d “Ik-ben-die-ik-ben” heet. Je weet niet zomaar iets. Je weet pas als je het weet.

Ik bid misschien wel het meest, omdat ik hoop dat er een creativiteit loskomt. Dat we niet herhalen, wat we altijd al doen. Maar dat mensen een nieuwe taal vinden. Nieuwe gebaren.  Iets, zoals de islamiet die op de Place de la Republique ging staan met een blinddoek om: Je kunt mij doden, maar wil je mij ook vertrouwen, misschien?

Bidden is: sterk worden om vertrouwen te vinden.

En dan,

ja dan handelen.

Paus Fransiscus zei een paar maanden geleden: “Wanneer je bidt om recht, en je hebt je ogen weer open gedaan, dan ga je daarna het recht doen. Want zo werkt gebed.”

 

En hup! Daar gaan weer 25.000 mensen dood.

Opera is walgelijk.

Weet je wel hoeveel zangers de eindstreep niet levend halen? Ze worden door koningen vermoord, aan zwaarden gespietst, of springen uit pure wanhoop zelf de dood tegemoet. Neem nu de prinsessen die mannen bij bosjes laten onthoofden, hun koppen worden vaak triomfantelijk over het toneel heen- en weer gedragen. IS waar je bij staat. Ziektes waren rond, TB velt meer dan één vrouwenleven, en anders breekt er wel een oorlog uit. Een stad wordt belegerd, een half-god stort van de rots. Volkeren worden tot slaaf gemaakt, vrouwen aan hun haren over de grond gesleept. De één wordt krankzinnig, de ander roept een avond lang om wraak.

Toch zal niemand zeggen, dat liefhebbers van het genre gevaarlijk zijn. Laat staan dat iemand fascistoïde trekken in het geheel zou ontwaren. Mijn moeder sloeg eens een programmaboekje open en merkte na een paar minuten opgewekt op: “O dat wordt een gezellige avond, ik tel al zes doden!”

De bijbel is walgelijk als opera. Het bloed druppelt vanaf bladzijde drie langs je vingers. Er wordt gemoord en verkracht. Ziektes over mensen uitgestort, de aarde scheurt open en verzwelgt 25.000 mensen, de pest gaat rond en vernietigt nog meer levens. Zomaar. Het is bepaald geen gezellig avondje ballet. En G’d is er geen vriendelijk personage. Geen sprookjesprins die in witte mallot en hoge spietzen komt binnentrippelen. Hij dreunt als een redeloze Germaan. Ook als is Hij Jood.

Ik ken geen kunstvorm die zó in de liefde gelooft als de opera. Ook al ligt Violetta aan het eind van La Traviata morsdood op haar bed, het zijn de tranen, je eigen tranen, die je meeneemt de auto in, naar huis. “En gisteren huilde het hele Muziektheater”, zei eens Annette van Trigt op de radio. Het was waar. Ik huilde daar ook. Toen. Omdat je niet wilt, dat het zo gaat in mensenlevens. Omdat je mensen gelukkig wilt zien. Die wil wordt geboren, daar in het Muziektheater. Je wilt, dat mensen van elkaar houden.

Dat is ook zoiets raars. Je weet dat Violetta niet ècht dood gaat. Dat kan ze helemaal niet, want deze Violetta heeft nooit bestaan. Ze is een actrice. Ja. Ik ben niet helemaal blond. En ik weet ook dat Alfredo, haar minnaar, niet echt wanhopig is. Ook hij is een zanger die, zodra het applaus is verstomd en de zaallichten zijn aangegaan, zich gaat afschminken en tegen anderen roept: “Gaan we nog ergens een biertje drinken?” Maar dat weten doet er niet toe: zo lang ik in mijn stoel zit en de muziek over mij heenkomt, geloof ik alles wat ik zie. Als de altviool, of wat is het, de aria aankondigt, de laatste aria van Violetta, dan breekt de snik in mij al los. Dat is knap van Verdi. Het is ook knap van mijn innerlijk. Het weet feilloos al die mensen te vinden van wie ik heb gehouden en die veel te vroeg zijn dood gegaan. Het weet precies wat schoonheid is. En wat kostbaarheid. En het maakt er innig contact mee. Terwijl Violetta zingt en sterft.

De eerste opera over licht en vreugde en alleen maar die twee, moet nog geschreven worden. Ik weet niet of er iemand naar toe zou gaan, zodra hij er was. Onbedreigde schoonheid laat mijn innerlijk koud. Ik weet niet waarom dat zo is. Het is zo. Een zomerse dag wordt pas perfekt, als onweer aan de horizon schemert. Het is de dreiging die de waarde van de dingen doet voelen.

Je bent een stommeling als je zou geloven dat de dood van mensen gewild zou moeten worden. En je bent een stommeling als je denkt dat gelovigen denken dat G’d mensen dood wil hebben. Omdat er ergens geschreven staat: “En toen zei God: “En ik zal hen doden omdat zij mij niet trouw waren.” , denk ik nog niet: “Ha, fijn! Ik ga ook eens even moorden.” Nee. Ik huiver.

En ik huil.

Dat is ook een midrasj, trouwens: dat G’d huilde, toen de Egyptenaren verdronken in het water van de Schelfzee.

Die tranen, die vertellen het verhaal.

Sex en angst.

Zitten angst en sex soms heel onhandig op dezelfde hersencel?

Waarom moest er “een piemel in” bij de vrouw die het in Steenbergen opnam vóór gastvrijheid aan asielzoekers? “Sla dat wijf dood!” zou ik nog kunnen begrijpen. Niet dat ik zo’n doodslag aanmoedig, of op zich zou snappen, maar dat mensen willen doden wie ze niet willen horen, daar zie ik wel enige logica in. Maar “een piemel er in”?

Er hangen her en der in Nederland spandoeken met een deze tekst “De buitenlander met zijn grote zak, grijpt uw dochter met gemak”. Het metrum kan ik bewonderen, de inhoud stelt mij voor grote raadsels. Heeft deze poëet alle mannenzakken gemeten? Of is er een studie naar de verhouding tussen de grootte van de balzak en de kans op verkrachtingen? Veel vragen, geen antwoord. Behalve dan, dat het dit keer eens niet over zwarte Piet ging.

Steeds is er met vreemdelingen het gerucht meegekomen, dat ze sexueel pervers zijn. De Fransen brachten sodomie het land binnen, in 1672 en nog een keer in 1795. Daarvoor waren de Lage Landen volstrekt kuis. Dat u het maar weet.

Of anders waren het de Joden wel, altijd mikpunt van aggressie. Die grepen elk maagdelijk meisje dat zij maar zagen. En deden er de verschrikkelijkste dingen mee. Zo dat de Kamasutra erbij verbleekt tot een keurig damesblaadje.

Cijfers onderbouwden de stellingen trouwens nooit. Ook niet met terugwerkende kracht of archiefonderzoek.

Het raadsel moet in de mensen zelf zitten.

In hun angst en in hun verlangen.

Die twee zitten in elk geval wel op één hersencel. Daar hoef je niet eens een grote Freudiaan voor te zijn. Je angst keert zich vaak tegen je eigen verlangen. Om in een variant op Paulus te spreken: Ik ben bang voor wat ik het liefste zou doen.

Of – ik ben bang dat ik ga doen waarvan ik weet dat ik het niet mag doen. Meisjes aanvallen.

Seks is soms een vreemde in ons eigen lijf. Het wil dingen, die ik niet wil. Het wil het met een angstaanjagende oerkracht. Het houdt niet op. En tegelijkertijd is mijn seksueel verlangen, wel het míjne. Jij hebt het niet in mij geplant. Nou ja, soms dus wel. Ik zie jou. En dan wil ik dingen die ik niet wil. Arme ik.

Het is veel gemakkelijker om dat wat ik niet wil terwijl ik het wil op een ander te plakken. Dan kan ik hem wegsturen.

Ik kan nog iets: hem voor zijn

en aan hem doen

waarvan ik dacht, dat hij het aan mij zou willen doen:

dat wat ik dus ten diepste zelf wilde.

Uhm. Was u er nog?

We lazen Genesis 19, vorige week.

Twee vreemdelingen komen de stad Sodom binnen. Een man met de naam Lot woont daar ook en doet veel moeite om de mannen hartelijk in zijn huis te ontvangen. De stad hoort er van en raakt er van overstuur. Het woord vreemde gaat resoneren. En dat naar buiten moet komen wat verborgen is. Waarvan de stad denkt, dat het verborgen is.

“Wij willen hen leren kennen” roepen de mannen van de stad. (Zouden vrouwen dit nu ook herkennen? Of is dit echt een uitzonderlijk mannenstukje?). Ze gebruiken het werkwoord “jada”. De schrijver doet dat. Hetzelfde woord, waarvan de Statenvertalers maken, dat Adam Eva “bekende”. Nou dan weet je het wel. Ze willen de vreemdelingen de kleren van het lijf vragen. En daarna nog een stapje verder.

Ik ben bang

bang voor de vreemde

de vreemde huist in mij

zoiets.

Voordat die vreemdelingen het in hun hoofd zouden kunnen halen òns te verkrachten, zullen wij hen “eens flink te pakken nemen”,  vertaalt de Bijbel in Gewone Taal. Knap gevonden. Zo is het: ik pak jou.

En God?

Ja. Nou.

De lezer weet: die twee mannen, die vreemden, in hen nadert God.

Waarom Lot hen ontvangt? Het klinkt walgend uit de monden van de mannen van Sodom: “Jij bent zelf ook een vreemde.”

Vreemde meets vreemde. Vreemde heet vreemde welkom.

Sex en angst. Zitten misschien niet helemaal op één hersencel, maar ze zitten wel dicht bij elkaar. Volgens mij kunnen we dat maar beter erkennen, dan willen uitbannen.

Ik zou angst en vreemdheid kunnen omarmen, beide. Lot zijn voor mijzelf.

Als ik het vreemde in mij omarm, als ware het een godsgezant, dan zou ik ook de vreemdeling in mijn stad kunnen omarmen. Daar ben ik van overtuigd.

Want die grote zak, dat ben ik

soms.