Gods liefde?

Helemaal straight is het niet, om G’d te danken dat de dingen zijn gegaan, zoals je had gehoopt. Je weet immers: bij een ander ging alles fout. Is daar Imagegeen G’d? Of lag er een plan, waarmee verklaarbaar wordt dat jij er wel doorheen kwam en die ander niet? Dat moet dan wel een ijzersterk plan zijn, wil het niet onbarmhartig worden.

Toen een vriend van ons in coma lag, vroegen wij aan zijn vrouw die veel van hem hield wat wij zouden kunnen bidden. Ze zei: “Toch niet dat hij genezen zal.” We keken haar met holle, pijnlijk vragende ogen aan. We wilden niets liever dan dat hij weer zou leven. Of we hadden gezien wie er naast hem lag op de IC, vroeg ze; een jonge man, fotootjes van een pasgeboren kind hingen rondom zijn bed. Ook hij was in coma, na een mislukte operatie. “Je wilt toch geen god”, vervolgde onze vriendin in staccato: “die mijn man geneest omdat wij daar om bidden, terwijl die jongen blijft liggen?” We hadden geen antwoord. Zo’n god zou wreed zijn. Of geniaal. Maar we vreesden dat beide woorden hetzelfde betekenden.

Toch zingt vandaag psalm 107 in mij. Dat G’ds liefde te bezingen is, omdat hij mensen bevrijdt uit ongastvrije streken. Ik moet denken aan de jonge vader op de IC, toen. Ik denk aan de drie patiënten die op zaal achterbleven, terwijl mijn partner naar huis mocht. Natuurlijk ben ik opgelucht. En blij. En dankbaar. En dankbaarheid heeft zo zijn eigen redenen.

“Maar wat kunnen wij dan wel bidden?”, vroegen wij onze vriendin. Het is vreemd dat ik het antwoord op die vraag niet meer weet. Verdwenen in de tijd. De vraag bleef kaal staan. 

Misschien moest het wel zo. De vraag is sterker dan welk antwoord dan ook. 

De afgelopen week lag mijn partner op de IC. Ik had niet de neiging om te bidden om genezing. Begrijp me goed. Ik wil niets liever dan dat. Maar ik denk:  G’d gaat daar niet over. Hij goochelt niet met omstandigheden. Die zijn die ze zijn. Het was ook niet nodig, om zo te bidden. Er was al veel voor handen. De intensiteit waarmee gezorgd wordt voor mensen. De aandacht van een verpleegkundige. Een heilig moment van een zuster die mijn partner over zijn hoofd streelde. En draagkracht. In alles.

G’ds liefde, zo zingt psalm 107. Dat die te prijzen is. Omdat zij overal tastbaar is. In geluk, maar ook in ongeluk. In het land van het licht lijkt dat laatste onvoorstelbaar, hoe is liefde te vinden op plekken waar je niet wil t zijn? Maar wie in de schaduw zat, weet de kracht van zelfs het kleinste lichtpunt. Hoop ik. Ik heb mij er over verbaasd, dat geluk een andere klank heeft dáár achter de deuren van het ziekenhuis. Anders dan hier, achter mijn eigen vertrouwde voordeur. En ik heb mij er over verbaasd dat het er is: dat “andere geluk”.

Misschien antwoordde onze vriendin dat toen ook wel. Dat we zouden bidden liefde te vinden op elke plek.

Zelf zat zij, als zij bij haar man was, elke keer óók een tijdje bij de jonge vader. En streelde ze zijn hand.

Zij was nogal straight in die dingen.

 

Ploert en schender, wie haalt ze neer.

Er is een nieuwe mens ontstaan. Vraag me niet precies wanneer of hoe.  Hij is opgestegen, zoals damp uit een sloot. Eerst zie je nog niets, maar bij het dalen van het licht wordt het zichtbaar: witte slierten over het gras. Een kou verspreidt zich rondom je benen.

Gewone mensen krijgen een toespraak mee, als ze uit hun baan vertrekken. Ze horen in het gunstigste geval wat een fijne collega ze waren. Vaak krijgen ze ook een eindafrekening met de vraag of ze geld willen terugstorten, daar de zaak hun te veel heeft uitbetaald, per ongeluk. Het Nieuwe Ras krijgt bij een afscheid geld mee. Veel geld. Heel veel geld. Zes nullen weten ze zeker voor zichzelf te regelen.

Gewone mensen krijgen het aan de stok met de belastingdienst als ze die oplichten. Of, ook als ze die niet oplichten. Elke cent zullen ze terugbetalen. Of ze daartoe nu een geschikt inkomen hebben of niet. Zo nodig kort de belasting ze op uitkeringen, vakantiegeld, of (jawel!) bij de lotto gewonnen prijzen. Het Nieuwe Ras lacht om zulk gemier. Aan hen wordt zoveel geld kwijt gescholden, dat de minister “even niet helemaal weet” hoeveel. Hij zal het opzoeken. Was het nou anderhalf miljoen? Of waren het er twee? Hij is er even af.

Gewone mensen betalen hun verkeersboetes. En als ze dat niet doen, dan komen hogere boetes. En als ze ook die negeren, komen de deurwaarders. Betalen zal je. Het Nieuwe Ras, tsja. U begrijpt het… Ze hebben zoveel boetes dat ze “schikkingen” kunnen regelen met het Justitieel Incasso Bureau. Dat is u ook nog nooit gelukt, zegt u? U bent gewoon, denk ik. Te gewoon.

Waar halen deze mensen hun privileges vandaan? Zijn zij godenzonen? Sterrenkinderen? Stroomt er ander bloed door hun aderen dan door dat van ons? Of ontbreekt er bij hen domweg een gen? Dat van de beschaving?

“Er is weer een nachtdienst uit het rooster gehaald”, zei vanmorgen een verpleegkundige. Nu heeft zij in de nacht niet langer de zorg over 64 bewoners van het verpleeghuis, maar over 86. De managers die bedachten dat dat wel kon, zitten terwijl zij werkt zich af te vragen of ze nou kaviaar of toch een oester als aperitief zullen nemen.

“Spijt is wel een heel ingewikkeld woord”, zei het Nieuwe Ras gisteren bij monde van Erik Staal. Vandaag gaan we iets horen van Van Woerkom. Dat het heel logisch is dat hij drie ton mee krijgt. Of iets vergelijkbaars.

Wie haalt hen uit hun hemel van wolkenkrabbers? Wie breekt hun arrogantie stuk?

Er is één troost: ze gaan, net als jij en ik, dood op een dag. Daarin zijn zij wel, heel uhh gewoon gebleven.

Naar psalm 82

Professor, bestaat God?

De Rijksuniversiteit van Groningen viert feest. Ze bestaat vierhonderd jaar! Ter gelegenheid daarvan werden alle inwoners van Stad en Ommelanden uitgenodigd vragen te stellen. Anco, een jongen van zeven, hoorde dat en pakte het gelijk groot aan: “Professor, bestaat God?”, vroeg hij. Als we dan toch wat willen vragen, laten we dan maar bij de basis beginnen, zo moet de jongen hebben gedacht.

Peter Barthel gaf antwoord. Hij is sterrenkundige. En daarmee, zo zegt hij, hard-core wetenschapper. Geen professor Zonnebloem die maar wat aanklooit en van ontploffing naar ontploffing gaat, maar iemand die de dingen goed op formule kan brengen en daar resultaten mee boekt.

Wat schrijft hij aan de zeven-jarige? Dat het leven te veelkleurig en te rijk is om alleen in formules te kunnen vatten! Er is, zo schrijft hij, ook zoiets als verwondering. Veel astronauten komen terug op aarde en zijn ondersteboven van wat ze hebben gezien: de blauwe planeet in een een eindeloze ruimte. Maar goed, verwondering valt, zoals wij weten, buiten de wetenschap. Ze kan onderwerp van wetenschap zijn. Maar ze doet aan het spel zelf niet mee. Noem het een tekort, het is zo.

“God”, zo veel zegt Barthel: “Is een verzamelnaam voor alles wat het leven bijzonder maakt”. En hij dacht aan de vriendschap, de liefde, de geraaktheid, de goedheid en nog een paar van zulke dingen.

Moedig zet hij uiteen, dat zo lang er mensen bestaan, zij dachten aan goden in een hemelse sfeer die de dingen op aarde regelden. Het Joodse volk kwam echter, drieduizend jaar geleden (de mens loopt hier zo’n tweehonderdduizend jaar rond) met een revolutie. Er zijn geen goden die “dingen regelen” er is een God met een stem die mensen oproept lief te hebben en het goede te doen. Een tamelijk nieuwe uitvinding dus, die éne God. Nieuw ook, dat het zwaartepunt van God bij mensen kwam te liggen. Hij verliet als het ware zijn hemel. Dat laatste zeg ik, trouwens, en niet Barthel.

Ik vond het een mooi antwoord. Een heldere definitie van “God”  en een krachtige verwoording van de “vondst” van de Joden. Chapeau. Niet iedereen echter vond de brief van Barthel zo treffend of  juist. Zeg “God” en je hebt gedonder in de glazen. En in Nederland zeker. Dus volgden er brieven, meer brieven aan Anco. Met andere antwoorden. In één van dez brieven werd gezegd: “als dat alles is, (wat Barthel zegt) dan kun je het woord God ook wel weglaten.”

Ik heb die afkeurende reaktie vaker gehoord. Ik begrijp haar eerlijk gezegd niet helemaal. Dat je het woord “God” ook weg kunt laten en dat daarmee de werkelijkheid niet ratelend in elkaar stort, dat lijkt mij evident. “God” lijkt mij niet een woord dat bíj de werkelijkheid komt, als een kers op een slagroomtaart, maar “God” is een woord waarmee wij de zoetheid van de slagroomtaart zelf in taal proberen om te zetten. God is ìn de slagroomtaart, om een slogan van ds. Hendrikse te parodiëren. Zonder het woord God gebruik je waarschijnlijk andere woorden om hetzelfde uit te drukken. Niet-christenen zien hetzelfde wat christenen zien. Ze delen dezelfde werkelijkheid. Christenen ordenen, wat zij zien, misschien anders.

Nog minder begrijp ik de uitroep “als dat alles is”. Alsof liefde, “ach ja, wat is nou liefde” en je haalt je schouders op. Er is zo’n verveeld liedje op een zeurmelodie “is this all there is?” De prachtigste dingen worden bezongen en de zangeres haalt vermoeid haar hand door haar haar.

Liefde ìs alles.

Het woord “God” kan ons helpen om dat niet te vergeten. Om ons er steeds weer op te focussen. Zoals een trompettist zijn ogen gaan glimmen als hij nieuwe trompetmuziek ontdekt in de bladmuziekhandel. Zo gaan onze ogen glimmen als we liefde ontdekken. En we moeten ons er op focussen, omdat ons leven zó snel is dat we er maar al te vaak aan voorbij lopen.

“Die aangeroepen wordt”, schijnt etymologisch de betekenis van “God” te zijn. Ik volg nu Huub Oosterhuis. Wij, wij roepen de liefde aan.

Dat Barthel aan het eind van zijn brief concludeert: “Nee God bestaat niet”,  dat zegt hij mij net iets te snel de hierboven genoemde dominee Hendrikse na. Hij had immers eerder betoogd, dat het leven te bijzonder is om woorden als “verwondering, goedheid, liefde” niet te gebruiken. En daarvan zal toch niemand ontkennen dat ze bestaan. Of wel?