Die ene die niet verzoop.

Het is een afschuwelijk verhaal. Dat van Noach. Al die mensen die verdrinken. Al de beesten die omkomen. Gustave Doré zwelgde er in zijn tekening bijna in. Ik kan dit Genesis-verhaal nooit losdenken van de tientallen mensen die ik op de Zuid-Hollandse eilanden hoorde vertellen over de stormvloedramp van 1953. Hoe zij de wind onder de dakpannen door hadden horen ratelen. Het verwaaide klokgelui. Hoe mensen angstig op zolders waren gekropen. Het water dat brullend en ratelend over het land was gespoeld, tegen huizen aan, over schuren heen. Hoe het voordeuren had geramd. Kamers en gangen in bezit had genomen, langs trappen omhoog was geklommen. Zou het nog hoger komen dan de slaapkamers? Het kwam hoger. Nog hoger dan de vliering met haar vluchtelingen?

Noach is een verhaal van angst en vernietiging. Het vertelt hoe mensen zelf angst en vernietiging zaaien.

De laatste jaren kan ik het verhaal niet meer lezen zonder te denken aan de terroristische aanslagen. De aangrijpende beelden, ooit van de vluchtende mannen en vrouwen in de straten van New York, de vallende mensen uit de Twin Towers. De vele beelden die daarna volgden, van uit elkaar gescheurde warenmarkten in Bagdad, kapot geschoten mensen op een Parijs terras, een gewonde vrouw op een kapotte stoel op Zaventem.

Ik lees het verhaal niet meer zonder de vele ingezonden brieven, facebook-berichten, politici die roepen om wraak. Wraak op de vernietiging. Tegen-terreur moet er komen. Weg met alles wat vreemd en anders is. Weg met allen die een bedreiging lijken. De wens om de tsunami met een tsunami te stoppen.

In het verschrikkelijke verhaal staat Noach. Zijn naam is als een ogentroost. Hij bouwt een schip. Het is een hachelijke onderneming. Een schip, dat net zo goed een doodskist zou kunnen worden. In het hebreeuws staat dat er zelfs met zo veel woorden. Die ark deelt zijn woord met dat van een lijkkist. Noach doet een poging een nieuwe weg te vinden door het kwaad. Dat is een innerlijke drang. Hij moet die weg vinden omdat hij moet. Van binnen uit. “Het is de stem van God”, zeggen dan de bijbelse geschriften.

Die nieuwe weg is de weg van de vrede. Dat had de verteller al verklapt door Noach Noach te noemen. Zijn naam betekent vrede. Troost, zo u wilt. Zijn weg is er een van: ik verwelkom, laat binnen, ik bewaar, behoed. Voor zo ver ik kan. Er is een prachtig détail in het verhaal: als Noach en zeven anderen in het avontuur zitten met al die dieren om hen heen, moet iemand het luik dicht doen. Het toegangsluik van het schip.

Maar al die mensen buiten dan? Al die dieren buiten dan?

God doet het luik dicht.

Er zijn dingen die ik kan. Er is nog veel meer dan ik niet kan. Laat je niet verlammen door wat je niet kunt. Doe wat je kunt.

Jij kunt een Noach zijn.

Sinds een jaar kan ik het verhaal van Noach niet meer lezen, zonder de stem van het kleine jongetje in Parijs dat zegt: “Maar zij hebben wapens. En zij schieten ons dood.” Zijn vader knuffelt het kereltje en zegt: “Maar wij hebben kaarsen. En wij hebben bloemen.” “En dat houdt hen tegen?”, vraagt het jongetje bezorgd.  “Ja”,  zegt de vader, fluisterend nu: “dat houdt hen tegen.”

Hij bouwde een ark voor onze ogen.

En God? God raakt zó onder de indruk dat Hij besluit het geweld niet met geweld te keren. God besluit: ik schep weer een nieuwe dag

en nog één

en nog één.

Om de mensen die de vrede durven te bevaren.

Advertenties

Een troonrede in drie woorden.

Paf! De bijbel flikt het weer. In drie woorden alles zeggen.

We lazen Amos, vanmorgen. Gewoon, zomaar, in een kringetje hoorders. Amos is een bijbelboek. En een personage. Het boek introduceert hem zelf: Amos, schapenfokker in Tekoa. Historisch zitten we dan ongeveer tweeëneenhalfduizend jaar geleden, maar dat is van minder belang. We lezen vandaag. Dat doet er toe.

“Waarom eigenlijk schapenfokker?” vraagt één van de hoorders. Waarom moet dat vermeld? “Waarom Tekoa?”, denk ik er achteraan. Waarom dàt vermeld? De bijbel is nooit zo scheutig met informatie. Het dumpt zijn verhalen vaak zonder franje. Nog niet zo lang geleden lazen we in Exodus hoe Mozes voor het eerst bij een priester in Midjan gaat eten. Mozes is vluchteling, kent deze hele priester niet, er zijn allerlei omstandigheden. Maar het verhaal zwijgt daarover. Het weet nog net tussen de tanden door te melden: de priester gaf zijn dochter aan Mozes ten huwelijk. Nog niet eens één zinnetje. Het eerste dinertje bij een onbekende en even later ben je getrouwd met diens dochter! Ik heb wel eens uitgebreidere liefdesgeschiedenissen gelezen, moet ik bekennen.

En dan hier ineens zo’n spraakwaterval. De naam, het beroep èn de woonplaats er ook nog bij. Het kan niet op. Maar waarom?

Thom Naastepad zegt: “Het maakt meteen duidelijk dat Amos niet uit een priestergeslacht stamt. Hij is geen beroemde spreker.” Geen Billy Graham of, van mijn part, geen Obama. Hij is een boer. Broer van Klazien uut Zalk, zeg maar.

Thom Naastepad kan het weten. Hij is onvoorstelbaar bijbelgeleerd. Hij was dat, eigenlijk. Naastepad leeft niet meer. Helaas.

Met dat broer van Klazien uut Zalk zit ik niet ver naast de bedoeling. Wie had er ooit van Zalk gehoord? Tekoa is net zoiets. Een afgelegen gat. Nergenshuizen. Moddergat. Het is geen Jeruzalem. Geen Hiergebeurthet.

Tekoa is meer een Hiergebeurtnooitwat.

Amos is schapenfokker. Bedacht op zijn schaapjes en op hun welbevinden. Hij werkt zorgzaam en aards. Hij let op de kleinen, waar hij er zelf één van is.

In groot tegenstelling tot de anderen die in dezelfde zin worden genoemd. De koningen uit zijn tijd Uziah en Jerobeam. Grote mannen die paleizen bewonen van ivoor. Hun volk kijkt naar hen op. Iederéén wil wel in een ivoren toren wonen. Met dure bedden van Hästings. Om op te luieren en tokkelend op je harp naar je X-factor te zoeken. Want daar heb je alle tijd voor als je rijk bent. Ik verzin het niet he. Het staat er. In dat boek van Amos. Dat de rijken van het land muziek maakten en dachten “Nu ben ik net zo goed als David, minstens”. En dat ze daarbij luxe bedden onder den kont hadden. Het ging goed in Nederland, pardon, in Israël. Zeker als je dat vergelijkt met de landen in de omgeving. Die deden het niet half zo goed. Groeicijfers die er mochten zijn. De beddenverkoop steeg tot ongekende hoogte. Er is veel om trots op te zijn.

Nooooou, zegt Amos. Hoe zit het precies met de ouderen in de verpleeghuizen? Hoe vaak per dag krijgen zij een schone luier? Hoe zit het met de vluchtelingen die jullie zo graag “onder controle willen krijgen?” Horen jullie hun stem, of blijven jullie doof? Hoe zit het met de arbeiders in de lage-lonen-landen waarvan jullie T-shirts kopen, twaalf voor een tientje. Hoe zit het daarmee?

En hij scheldt op de mensen die het alles overstemmen met vroom gezang. Met klokgelui en zegenbedes. Dat velen met mij voor u bidden. Woe-dend wordt Amos. Jullie slaan jezelf op de borst. Omdat het geld groeit.

Maar het leger armen groeit ook. De aarde wordt ontwricht. Doe! Daar! Wat! Aan!

Maar ja, wie luistert er nou naar een keuterboertje uit Tekoa?

Niemand.

“God”, zegt het bijbelboek. God luistert naar keuterboertjes. En naar armen. En naar de machtelozen die opzij worden gedrukt. Hij luistert.

Ik had het kunnen weten. Drie woorden: Amos, boer, Tekoa.

Meer heeft de bijbel niet nodig om de vinger op de zere plek te leggen.

De onttoverde wereld.

zonOnze wereld is niet betoverd. Dat weten we al sinds Balthasar Bekker zijn boek daarover schreef. In de jaren ’90 van de zeventiende eeuw. Of, zo je wilt: je weet het sinds je een jaar of acht was. Bij ons vliegen er geen heksen rond, geen feeën, er worden geen toverspreuken over je uitgesproken, de zon wordt niet door gnomen gestolen in de avond en niet door hemelwezens teruggekruid in de ochtend. Bij ons botsen zwarte gaten op elkaar en gaan er zwaartekrachtgolven door de ruimte. Het is allemaal na te rekenen. Al het bestaande houdt zich aan vastgelegde wetmatigheden. Je wordt ziek van een virus, een bacil of een haperend gen. Maar nooit door een djinn.

Onze geschiedenis is ook onttoverd, inmiddels. De Oranjes zijn niet meer door welke-god-dan-ook gezonden, een aangespoelde walvis is geen teken meer van naderend onheil, de orkaan Kathrina geen straf op begane zonden. Het gaat zoals het gaat.

Het heeft ons veel gegeven. Ik ben niet bang meer voor een donker bos. Onder mijn bed ligt stof en geen monster. Diep, zwart water, vraagt van mij goede zwemskills, maar geen gebeden, angsten of brandende kaarsen. We zijn vrij geworden. En goddank, er worden geen vrouwen meer verbrand op verdenking van zwarte kunsten.

En toch is dit niet het hele verhaal. Ja, dat verbaast mij zelf ook. Wij weten wel dat de wereld onttoverd is, maar wij ervaren haar níet zo. Wij leven ook niet onttoverd. Het zou een gekke, gevaarlijke wereld worden, als we dat wel deden.

Als mijn dochter verliefd wordt, ben ik verrukt en verbaasd. Ik voel mij als vader ook gekwetst natuurlijk, want ìk was tot nu toe alles voor haar. Ik zal mij in mijn nieuwe rol moeten voegen. Ik vind het mooi en ik vind het moeilijk. Maar waar ik niet aan denk zijn hormonen, feronomen, voortplantingsdrift of wat er technisch ook maar bij komt kijken. De techniek van verliefd-zijn loopt mij zelfs ontzettend in de weg. Ze maakt het wonder tot een plattitude. Erger nog: de techniek ontneemt elke betekenis aan mijn dochter, aan haar verliefdheid. Aan mij. En aan mijn vaderschap. Die laatste was immers ook niet veel meer dan een optelsom van hormonen, voorplanting, genen.

Dat, om maar wat te noemen Ditriech Bonhoeffer op 8 april 1945 werd geëxecuteerd, een paar dagen voordat het kamp waar hij geïnterneerd zat bevrijd zou worden, is volstrekt toevallig. Het gebeurde. Omdat het gebeurde. Het is een betekenisloos feit.

Op 5 mei 1945 werd in de bossen van Leersum een familie tot de laatste zoon door Duitse Nazi’s vermoord. Zinloos. Betekenisloos.

Zo betekenisloos als de mus die eergisteren op onze tuintafel door een gaai werd doodgepikt en opgegeten.

Maar wie het hoort, wordt getroffen. Het is afschuwelijk, zeggen we. Het is onrechtvaardig, roepen we. Het kan niet. Dat iemand, terwijl vrijheid zó dichtbij was, vermoord werd. We horen er een oproep in, een stem, een tegenover dat ons uit balans trekt. Ik kan tenminste nooit Bonhoeffers vers

En wilt gij ons de bitt’re beker geven

met gal gevuld tot aan de hoogste rand

dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

aan uit uw goede, uw geliefde hand

zingen, zonder tranen.

Er is een frame, een intuïtie, een basisgen van mijn part (maar dat geloof ik niet), er is iets in ons, waardoor de dingen betekenis krijgen. Alsof er een prediktorpapiertje in ons huist dat bij sommige dingen uitslaat met een kring en bij andere dingen niet.

We lopen te hoop tegen een asielbeleid dat slachtoffers kost, of omgekeerd: dat ons te veel lijkt te kosten. Maar niemand zegt: mwah, asielbeleid, het zal me mijn derrière corroderen. In de onttoverde wereld, zou de laatste gelijk krijgen.

De intuïtie, het frame, of basisgen, ik zou het willen identificeren als God. Om het zichtbaar te maken, en bespreekbaar. Waar slaan wij op uit, en waarom?

De zon ging vuurrood, groot en rond onder, een paar dagen geleden. Ik reed naar huis. De laatste koeien stonden loom in de wei. Ik stopte, zette de auto aan de kant en keek. Het was betoverend.

 

Hoera voor de veelvormigheid.

 kaleidoscoop

In dit blog heb ik altijd gelijk. Het is mijn blog. Ik zal er niet om heen draaien: het is lekker om gelijk te hebben. Nòg lekkerder is: altijd gelijk hebben.

Zodra ik mijn blog verlaat, wordt het ingewikkelder. “Ik heb zin in thee”, zeg ik terwijl ik mijn laptop dichtsla. “Nou, dan heb je pech gehad”, antwoordt mijn man: “Ik heb koffie gezet.” Dus zal ik mijn eigen zin opzij moeten zetten. Of – ja, inderdaad: ik ga de keuken in om thee te maken. Maar of dat nou zo goed is voor mijn relatie?

Er zijn mensen die nog iets lekkerders willen: altijd gelijk hebben, overal. Hun mening is de enig ware. In hun hoofd, op kantoor, in hun familie, bij hun vrienden, in de kerk. Soms heb je de indruk dat vooral daar mensen altijd heel erg gelijk willen hebben. “Wat ik geloof is de maat van de dingen.”

Wat lekker is, we weten het, heeft een schaduwzijde. Chocola maakt dik. Van snoep verrotten je tanden. Van “altijd gelijk”?  Wat is de schaduwzijde?

Er zijn mensen die dromen van een kerk met één boodschap, één stem, één vorm. Ik deel die droom niet meer. Ik deel zelfs de droom niet van een land met één cultuur, één norm, één maat. Het zou een dictatuur worden. Zo’n kerk. Zo’n samenleving.

Wie altijd gelijk heeft, komt alleen te staan. Hij schept de hele wereld om zich heen naar zíjn plannen, naar háár ideeën. Zo kom je niet verder dan jezelf. Ik hoor hier op dit blog echt alleen mijn eigen stem.

In Genesis staat dat indrukwekkende verhaal van Adam die de dieren een naam gaat geven. Hij noemt de giraf “giraf”, hij noemt een aap “aap”. Allemaal zijn idee. Maar hoe zal hij ooit ontdekken, dat een giraf misschien wel méér is dan Adam er in heeft gezien.

Hm. Ja. Als er iemand anders bij komt. En die zal dan ook komen. “Een hulp” en dan staat er (Breukelman heeft het ontdekt)  tegenover Adam. Toen Adam de hele wereld naar zijn eigen idee dreigde in te richten, toen dacht G’d: dit is niet goed. Er kwam de ander. De andere ander. De hardnekkig andere ander. Nooit meer gelijk.

De dalai lama schijnt ooit gezegd te hebben: wie spreekt, blijft onveranderd. Wie luistert, die komt op nieuwe wegen.

De kerk kent veel vormen. Niet alleen tellen we heel veel naambordjes, achter elk naambordje gaat ook nog eens een veelheid aan stromingen schuil. Orthodox, liberaal, fluid church, evangelisch, vrolijk, ouderwets, somber, trots, missionair – het houdt niet op.

Dwingt het ons tot overtuigen? Jij moet spreken zoals ik?

Dat wordt nog een hele toer, dan.

Het dwingt ons tot luisteren. Ja. Als ik luister naar jou…

Ik vind het gemakkelijker om hier op dit blog rond te dolen, dan deel uit te maken van de kerk. En toch denk ik: hoera! Hoera voor al die mensen. Voor al hun meningen. Voor al hun manieren van spreken. Hun manieren van leven. Ze helpen mij, mijzelf te relativeren.

En waar ik mijzelf relativeren kan, daar komt

misschien wel

ruimte voor iets nieuws

dat van G’d zou kunnen blijken te zijn.

The queer God.

Als God nou die potentaat was die de norm stelt, dan zou ik het begrijpen. Begrijpen, dat een Zwitserse bisschop kwaad wordt over gendertheorieën (hier). Dat de Paus transgenders vergelijkt met atoomwapens. Dat keer op keer de Kerk zich te weer stelt tegen alles wat anders is, tegen alles wat afwijkt en wat zwak lijkt. Hoe lang heeft het geduurd, voordat de Kerk toegaf toch een beetje fout te zitten met haar oordeel over mensen met een andere huidskleur dan de witte? Het schaamrood vliegt je op de kaken.

Zulke goden zijn er wel, in de Bijbel. Goden die mensen in een keurslijf zetten. Als radertjes in een systeem. Maar ze komen nooit op in Israël. Goden-die-de-norm-stellen zijn die van Egypte. Of van Babel. Die twee. De landen van “angst” en van “dwang”.

In die historische gedaanten verschijnen werkelijkheden, die er nog altijd zijn. Als er een farao in een verhaal verschijnt, heeft het niet zo veel zin, om je af te vragen welke dat dan is en wanneer die dan leefde. En Nebukadnessar uit de Bijbel is evenmin de Nebukadnessar die we uit – schaarse- andere bronnen kennen. En nu we toch bezig zijn: ook Pontius Pilatus staat vooral voor een gang-van-zaken die nòg door mensen draaiende wordt gehouden. De teksten verlichten onze tijd. Niet het verleden.

In Egypte staan de goden ten dienste aan de heersende macht.  Fijn voor de mensen die er in mee kunnen draaien, fijn voor de edelen, voor de bewoners van het huis van Farao, fijn voor de machtigen. Maar de boer op zijn akkertje aan de Nijl vindt het iets minder fijn, allemaal.

Ik denk aan Japan met zijn shinto godsdienst. De priesters daar, en de keizer daar vormen van ouds een eenheid die de Staat houdt zoals de Staat in hun ogen altijd is geweest: hun tuin. En wie afwijkt…. subversieve elementen die verwijderd moeten worden.

Het is flauw te wijzen naar Japan. De tekst verlicht ons heden. Niet het heden van een ander. Nòg wordt vastgesteld door mensen “hoe het zou moeten”. De economie doet dat. De moraal doet dat. “Men” doet het.

Egypte is het “land van angst”, schrijft de theoloog Willem Barnard. En dit is wat angst met ons doet: we verdragen de nuance niet. We verdragen de veelheid niet. We willen duidelijkheid. En eenheid.

Angst jaagt ons naar de kracht.

In tijden van recessie korten we de uitkeringen. Maar de rijken laten we ongemoeid.

In tijden van dreiging, wordt de schuld op de zwaksten gedrukt. In 1672 stonden de Fransen aan onze grenzen. In Utrecht, en al gauw op vele plaatsen in de Nederlandse Provinciën braken rellen uit tegen (vermeende) homoseksuelen. In Faam werden 24 jonge mannen opgehangen. De “immoraliteit” moest weg. Dan zou de orde als vanzelf herstellen.

En het werkt nog. Vraag het Mugabe. Vraag het Putin.

Het is niet Egypte, het is niet Babel. Het is ook de economie niet.

Wij zijn het zelf. Die bij twijfel terugvallen in de vaste structuren. Die ons heil zoeken bij de sterkste. Bij de sterke man.

God, en dan spreken we over de God van Israël, doet aan angst en dwang niet mee. Toegegeven, dat was voor Israël ook een hele weg van vallen en opstaan, voordat het een beetje fatsoenlijk op papier kwam, maar het schemert steeds duidelijker: deze God staat aan de kant van de zwakke. Deze God schrijft zijn geschiedenis met de handen van hoeren, buitenlanders, achtergestelden, overspelers, moordenaars. Het is een dwaze God. Omdat Hij gelooft in de vrijheid van allen.

Ik wil de bijbel steeds – toch-  weer lezen. Ik overwin er mijn eigen Babel en mijn eigen Egypte mee. Mijn vooroordelen. Mijn jij-hoort-er-niet-bij-gedachten. Ik vind het van een ongelofelijke wijsheid, dat de verhalen uiteindelijk zeggen: als je iemand buitensluit, sluit je God buiten. En “God” is het codewoord voor de meest kostbare, voor de kern van het bestaan, voor “win-of-verlies-waar-het-in-je-leven-om-gaat.”

Toen de kerkelijke mensen begonnen te klappen, daar in Chur. Omdat de bisschop las: “Als een man samen met een andere man slaapt, zoals hij met een vrouw kan slapen, dan moeten beiden worden gestenigd.” Toen de mensen daar applaudisseerden, omdat hij zei: “Voldoende antwoord op de vraag of homoseksualiteit ooit bij het geloof zou kunnen passen.”, toen sloop God, volgens mij, de kerk uit.

Hij vertrok.

Hij vertrok naar Amsterdam.

Zo dwars is God wel.

Een zwart gat tussen de vrolijkheid, en God.

De absolute ster op de tentoonstelling van Matisse was Rothko. Het leek alsof hij tussen alle vrolijkheid te wachten hing, totdat je als bezoeker bij hem kwam. Aanwezig door alle tentoonstellingszalen.

Zijn schilderij is spookachtig. Drie blokken aardebruin op elkaar gestapeld. Het middelste blok fluoresceert. Het wankelt en beweegt. In het midden gaapt een groot, zwart gat. Als negatieve energie.

Ik heb een multifocusbril, en dan zie je nooit goed waar je naar kijkt. Ik dacht voor een seconde, dat ik het schilderij binnenviel. De diepte in. De kleurigheid was ver weg. Het schilderij ademde gespannen. En ik ook.

Onverwacht schoten woorden naar boven van Hape Kerkeling, een Duitse komiek. Ooit maakte hij een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Hij raakt de weg kwijt in een bos met rare, kromme bomen. Ook zijn tochtgenote, de altijd stabiele Monica, wandelt het bos wel ìn, maar niet meer uit. Pas laat in de avond komt ze bij de herberg. Hape is overstuur. Zij heviger. Haar verwardheid, verwart hem nòg meer. Hij schrijft: “Blijkbaar hebben we allemaal ergens een spookbos, waar wij in verstrikt kunnen raken.” Later zegt de eigenaresse van de herberg, dat het bos “van de heksen” wordt genoemd. Ik citeer dit alles uit mijn hoofd. Misschien schreef Kerkeling het wel heel anders op, maar dit bleef mij bij: er ligt een zwart gat in je bestaan, en dat wacht totdat je er een keer indondert.

Ik ben een paar maal teruggelopen naar Rothko. “Geen prettig schilderij”, merkte mijn echtgenoot droogjes op. Nee.

Maar wel waar.

Matisse dacht dat in de “vrolijkheid, het zorgeloze en het decoratieve alle aspecten van het leven uitgedrukt waren”. Hij heeft gelijk, tot een zekere grens. Vrolijkheid heeft een grote draagkracht. Schoonheid kan troosten. Hoe vaak ging ik niet zelf naar een museum om mij te laten hele door mooie dingen. Of wandelde ik naar een monument in de stad waar ik van houd, een kerk, een hofje, een singel.

En toch. Matisse kon niet het duistere uitdrukken. Ik vond het bij Rothko. Ik herkende mijn eigen diepe valkuil.

Toen ik veertig werd, honderd jaar geleden, lazen we psalm veertig. Daarin wordt gezongen over kuilen waar je in kunt vallen. Een commentaar schreef: “Het gaat om woestijnputten. Dunne schachten die met zand dicht kunnen waaien. Je ziet ze niet, je denkt door te kunnen lopen, je zakt weg en raakt bekneld.”

Ook gisteren: een artikel over mensen die geen weg meer door het leven zagen. (hier). Hun spookbos kreeg hen in de tang.

Dat ik uit de put tevoorschijn kwam, is een verhaal dat nauwelijks in woorden is uit te drukken, schreef ik ooit bij psalm 40. Het is het verhaal van mensen die vertrouwen in mij bleven uitdrukken. Die bleven zeggen, dat ik er toe deed. Die mij opzochten. Die het donker met mij wilden delen. In hun aanwezigheid en in het weten dat zij met mij aanwezig wilden zijn, gebeurde het. Ik vond de weg naar buiten. Dat “het”  is meer dan één en één is twee. Tot op de dag van vandaag weet ik geen beter woord voor dat “het”, dan : ‘God’.

Omdat in hun aanwezigheid iets van “eeuwig weten” naar mij toestroomde. Iets van “blijvende aanwezigheid”. Zij sjorden mij niet naar boven. Ik sjorde mijzelf niet naar boven. En toch kwam ik terug in het licht. De engte uit.

Rothko is in het zwarte gat verdwenen. Hij heeft het adembenemend uitgedrukt in werk dat in Bilbao hangt. Ving “God” hem niet op?

Ik vind dat van die vragen.

Toen ik zijn werk zag, daar in Baskenland. En ik de pijn voelde. Tranen prikten omhoog.

Misschien is dat dan ook God?

Kleur blijven, dichtbij het zwart?

Iemand missen die je niet hebt gekend?

Leven zijn rondom de dood.

Niet alle aspecten van het leven worden door vrolijkheid, kleur en zorgeloosheid uitgedrukt. Maar ze drukken er wel de essentie van uit. Van het leven. Dat het geleefd wil worden.

Daarin heeft Matisse dan wel gelijk.

En dat zijn werk rondom dat van Rothko hangt, in het Stedelijk Museum, dat is dan wel

erg mooi.

Buigen?

“Vroeg of laat krijgt God je op je knieën”

het zinnetje bleef als een wolk half-verbrande stookolie tussen ons in hangen.

We waren beiden in het ziekenhuis. Hij en ik. We speelden allebei onze eigen rol.

Hij: 89 en stervende.

Ik: een jonge, idealistische dominee.

Twintig jaar geleden.

Ik zou een traumaloze God verkondigen. Zo was ik in het ambt gestapt. Er waren al te veel levens platgewalst onder dominees-die-alles-wisten. Ik zou het zo niet doen: ik zou het leven verkondigen. En de vreugde. Ik wilde, dat mensen er zin an kregen. Aan het leven, aan zichzelf en aan elkaar. Bij mij zouden de lichtjes aan gaan. Dat stond mij helder voor ogen. Ik was zelf ontsnapt aan een God die “je uiteindelijk wel op de knieën krijgt”.

Ik voelde mij een hele piet met mijn vraag “Denkt u dat? Dat God je klein maakt?” Ik prees mijzelf heimelijk, hoe ik zocht naar een mogelijkheid om deze man te laten zien dat God je juist gróót maakt. Toen ik een meewarige blik ontving van hem. Tsja. Dat moest wel aan de zeventig jaar zware preken hebben gelegen die de arme man over zich heen had gehad. Dacht ik.

Het zinnetje is terug. Na al die tijd. Het is zomaar weer in mijn hoofd komen wonen. Ik kan de stookolie er nog steeds van proeven. Het onverteerbare van de constatering. Het pijnlijke. De teleurstelling die er in schuilt. Maar ik proef ook de kracht.

“Had ik de man toentertijd maar laten uitpraten”,  denk ik spijtig: “ik was misschien wijzer geworden.” Ik dacht dat ik hem iets te bieden moest hebben. Hij had mij iets te geven, begrijp ik nu. Ik nam het niet aan.

Had ik hem kunnen vragen naar zijn teleurstelling, dat hier zijn leven eindigen zou? Zijn schok, dat hij 89 was en niet meer de ‘man van vijftig’ die hij zich voelde? Had ik kunnen vragen naar de onmogelijkheid die hij voelde om zelfs maar het kleinste detail van zijn leven te kunnen wijzigen? Ik had het kunnen doen. Ik deed het niet. Omdat ik mijzelf al wijs achtte.

Ik ben twintig jaar ouder. Nu zit ik op een weg van “o, zo gaat het dus en nee ik heb er geen invloed op”. Niet dat er iemand dood gaat. Maar er is wel ziekte. In het leven van mijn man. En dus ook in dat van mij. Die ziekte vreet steeds dieper naar binnen.

Jaren lang hielden wij hem klein. Door hem een hoekje aan te wijzen, er een hek om heen te zetten, en verder zo veel mogelijk ons eigen plan te trekken. We gingen naar de opera, we lachten, we hadden vrienden om ons heen, we genoten van de kerkgemeenschap, we waren blij met onze familie. Het leven stroomde naar ons. Al was het op sommige dagen alleen door het piepkleine gaatje van bijvoorbeeld een koolmees-voor-het-raam.

De ziekte kroop bij ons op schoot. Legde zijn kouwe, blauwe vingers in onze nek. Blies ons in ons gezicht.

Je kan lachen wat je wilt. Je kan bidden wat je wilt. Je kan je kop in zand steken, als je dat wilt.

Toch zit hij daar. Op schoot.

“vroeg of laat….”

 

Mijnheer Nederlof. Oude, wijze mijnheer Nederlof; was ik maar aan uw voeten gaan zitten, toentertijd. Om te luisteren.

Nu moet ik het wiel zelf uitvinden.

De afgelopen weken heb ik dit begrepen: leef je leven. En laat het je niet afnemen, niet verminderen, niet beschadigen. “De dood zal de krassen van mijn nagels op zijn smoel hebben staan”,  zei eens iemand anders: “omdat ik zo voor mijn leven heb gevochten.”

Maar ja. Soms is er niets om voor te vechten. En dan? Mijnheer Nederlof had gelijk: dan moet je buigen. Erkennen dat is wat is.

Goed. Buigen dan. Maar buigen zal ik pas als alle andere mogelijkheden zijn verdwenen. En dan nog… Niet als een geslagene zal ik buigen. Niet als een overwonnene. Ik zal buigen als een trotse. Dat de ander voelt: mijn kracht. Mijn bestaan.

God zal weten, wie ik ben.

En dan maar hopen, dat er geen wijsneus van een dominee aan mijn bed komt.

 

Zonder Zoon van God is er niks meer aan.

Nee, Jezus heeft zichzelf nooit “Zoon van God” genoemd. Inderdaad. Maar de teksten over hem doen dat wel. In al hun verschillen – wanneer was nou dat laatste avondmaal, hoeveel Maria’s waren er nou precies en wat riep Jezus aan het kruis?- lijken ze het over één ding eens: die kreet “Zoon van God”, dat heeft hem uiteindelijk de das om gedaan.

Ook na zijn dood heeft het tot veel tumult geleid. Er waren groepen die zeiden: “Jezus is een goed mens, en een prachtige profeet. Hij is gedood, omdat de mensen aan zoveel goedheid nog niet toe waren”. Of vergelijkbare tonen. En dan hebben we het niet over dominees anno 2014, maar gewoon: eerste christenen. In de eerste eeuwen. Er waren er ook die zeiden: “Jezus was wel de Zoon van God. Maar hij stierf niet aan een kruis.”  Ze hadden er de mooie oplossing bij bedacht, dat er iemand is gekruisigd, die heel erg op de Heer leek. Maar die de Heer niet was. Zo bleef hun god mooi god.

Het tumult is nog niet ten einde. Blijkt maar weer uit de nieuwe productie van toneelgroep De Appel. “Bij ons is Jezus niet de Zoon van God”, zegt de regisseur Arie de Mol. Want “dan vind ik hem oninteressant worden”.

Ik weet niet waar Arie precies tegenaan hikt. Hij moet sowieso niet veel hebben van het christendom-zoals-het-er-vandaag-uitziet. Kerk? Nee bweh. Theologie? Yuk! Christenen? Nog meer bweh en yuk. “Wij houden Jezus menselijk”. Hun Jezus heeft dan ook geen mooie woorden paraat.

Of zijn omstanders zijn woorden toentertijd zo mooi vonden, weet ik niet. Ik vind Jezus vaak een beetje een weirdo. Zo eentje die met een paar rake woorden de sfeer weet te verpesten. En die zichzelf daarmee steeds weer buiten de groep plaatst. Hij gaat elke keer daar zitten, waar de klappen vallen.

Ik vind het wel kinky om van zo iemand te zeggen: en dat is nou God.

Die menselijke Jezus van Arie de Mol, die interesseert me geen biet. Gek is dat toch.

Het is zó volstrekt idioot om juist Jezus God te noemen. Ik weet duizend betere kandidaten. Zelfs de spelers van Ajax hebben nog betere papieren voor deze titel dan hij. Het is zo totaal op-z’n-kop gedacht, dat ik er door geërgerd word. Ik baal soms van die Joodse man. Enorm.

Maar ik word er ook door gefascineerd. Door mijn eigen ergernis. Door de hardnekkigheid, waarmee christenen zijn blijven verklaren: Zoon van God. Mens – en Zoon van God.

Het herdefinieert alles wat wij over god, of over goden zeggen.

Goden wonen in wolkenkrabbers. Op de bovenste verdieping. Ver van het aardse gemodder. In glanzende meubels van het laatste design besluiten ze daar wat volgens de wetten van god-weet-wat-precies nodig is. Goden zijn perfekt. Onbesmet door armoede, mislukking, getob, narigheid.

Goden zijn glamorous.

Wij creëren die goden, dat weet ik. Zij zijn het resultaat van onze verhalen over wat leven is. En over waar de werkelijkheid over gaat. Leven is: loskomen van het aardse gedoe. En de werkelijkheid is: de uitnodiging om perfekt te zijn.

We houden meer van jonge mensen met parelwitte tanden dan van een oude man die kwijlend wat zit te mompelen in zijn rolstoel.

En dan komt ineens Jezus binnen. Hij lijkt in niets. helemaal niets op ons ideaalbeeld. Niet van het ideaal van leven – hij kwam nooit aan het Zwitserlevengevoel toe. Niet van het ideaal van mens-zijn: hij was naar verluidt te lelijk om naar te kijken. Niet van het ideaal van waar het om zou moeten gaan: hij had geen auto-onder-den-kont.

En dan zeggen: dàt is God.

Die mislukte.

Die uitgekotste.

Die vermoorde.

Ik snap Arie wel. Een menselijke Jezus is een tragische figuur met wie je medelijden kunt voelen. Zelf blijf je schoon, objektief en van een afstandje kijken. En je rijdt in je verwarmde auto weer naar huis.

Maar Jezus als de Zoon van God. Tsja, dat is een aanval op mijn zo zorgvuldig gecultiveerde goede smaak. Yuk.

of toch maar ‘amen’?

De god van Youp.

“Van mijn god mag alles”, verklaarde Youp publiekelijk (hier). Ik moest er hard om lachen. Dat is best knap, van Youp. Dat ik om hem lachen moest.

huisaltaar-openNiet eens de naam van zijn god was zo grappig, maar de botsing met wat ik tot nog toe van zijn god had vernomen. Ik had altijd gedacht dat Youps god juist helemaal niks goed vindt. Zijn god lijkt mij een oude chagrijn. In een flodderige outfit, om een ‘kijk-maar-niet-naar-mij-want-niemand-vindt-mij-aantrekkelijk lijf. Een god die scheldt op alles en iedereen, tamelijk diffuus, hoe het hem uitkomt, maar met zekere constanten. Ziet zijn god iemand van het koninklijk huis, dan wordt het hem oranje voor de ogen, ziet hij een rechtse politicus dan geeft hij gal op. Maar past een linkse politicus niet in het straatje van zijn god, dan krijgt díe er van langs. En Youps god heeft altijd gelijk. Dat laatste is geen goddelijk wonder, overigens: Youps god meldt zich altijd pas achteraf. En ja, dan heb je het gelijk al gauw aan je kant, natuurlijk. Komen er bankiers voorbij, hou je dan maar vast, dan braakt zijn raspende stem van totale verontwaardiging. Daarbij kan hem zelfs een zekere vrome hypocrisie niet ontzegd worden. Want zijn eigen tempeldomicilie is een alleraardigst optrekje aan een Amsterdamse gracht. Ook niet echt op Douwe-Egberts-punten verkregen, lijkt me zo.

En als u nu denkt: maar dat is Youp zelf!, je tekent zijn portret!, dan zijn we al een aardig eind op weg. Youp lijkt nog altijd te denken, dat god een soort essentie is ergens in het buitenste buitenheelal. Een man met een lange baard en een al even lange jurk, waarin sommigen wel geloven en anderen niet.

Tsja.

Zo’n beeld is nogal gemakkelijk omver te gooien.

En dat gebeurt dan ook.

Is al vele keren vóór ons gedaan.

Is het meest indringend gedaan in de zin “jij bent geschapen naar Gods beeld”.

Youp is de eerste niet. Niet echt. Drieduizend jaar geleden ontdekten mensen dat de werkelijkheid iets ingewikkelder in elkaar steekt dan tot dan toe vermoed. Of misschien hebben mensen het stiekem altijd al gedacht, maar was de gedachte, dat de werkelijkheid niet uitgesproken is door te zeggen “goden besturen onze wereld”, een angstige. Een eenzame.

Drieduizend jaar geleden werd de gedachte geboren: wij vertegenwoordigen god.

welke god dan ook maar

iedereen heeft een god

dus ja, Youp je hebt gelijk: in de ogen van Andries Knevel ziet god er anders uit, dan in de ogen van de Paus. En in het lachende hoofd van de Dalai Lama is een andere voorstelling van god, dan in het hoofd van de broers Kouachi. En zo moet het zijn.

God gaat over de drijfveren van ons bestaan. Over onze ervaringen, meningen, gewoonten. God gaat vooral over de manier waarop wij die ordenen. En nee, Youp, die god “verzinnen wij niet”. Jij hebt jezelf ook niet verzonnen. Je bent een toevallig samenkomen van toevallige gebeurtenissen die jij op jouw toevallige manier bij elkaar hebt gebracht. Je echtgenote kwam je op een dag tegen, je had haar ook niet tegen kunnen komen. Je kinderen zijn toevallig jouw kinderen en je weet: als één zaadcel harder gezwommen had, had je andere kinderen gehad. En dat huis?  Lang verhaal: wie het bouwde, dat er een gracht lag, dat jij het kon kopen, dat het te koop stond. Jij hebt het niet bedacht. Het kwam naar je toe.

En zo werd jij een knooppunt van veel. En hoe jij daar jouw leven uit samenstelde, langs welke prioriteiten en gedachten: dat is jouw god. In jou. En tegelijk van buitenaf, naar jou toekomend.

Het meest valt mij nog op, hoe je voortdurend herhaalt, dat je niet lastig gevallen wilt worden. Zo kom je ook op mij over. Iemand die niet lastig gevallen wil worden. Maar ondertussen anderen onafgebroken lastigvalt. Met, ja je begrijpt het al, met jouw god.

Van mij mag je. We leven in een vrij land. En misschien ontdek ik dankzij jou dan werkelijk iets wat voor míj van blijvende waarde is.

Maar één verzoekje: doe iets aan dat geschreeuw, alsjeblieft.

En aan dat verslonsde lijf.

Je verdient meer aandacht van jezelf en meer aardigheid dan je jezelf nu lijkt te gunnen.

Maar goed, dat zegt mijn god. En daar hoef je je niets van aan te trekken. Vanzelf.

Nee, ik stop niet met G’d

“Nu stop je er zeker wel mee?”, vroeg een oude bekende afgelopen week. Hij had mijn verbondenheid met G’d altijd met een zekere meewarigheid bekeken. Een kinderziekte, waar ik overheen moest groeien. Volwassen mensen geloven niet meer in Sinterklaas. Ze houden dus ook vanzelf op in G’d te geloven.

Maar zo ging het bij mij niet.

Ik vond het wat naïef van hem, dat hij mij nog altijd leek te zien als een kind in een grotenmensenlichaam. Ik had de indruk, dat àls er iemand in een ontwikkeling was blijven steken, híj dat eerder was dan ik.

Het is altijd fijn, om het gelijk bij jezelf te vinden, ik geef het toe.

Nee, natuurlijk hield ik niet op met G’d. Ook nu niet, nu er wel wat vervelende dingetjes bij ons aan de hand zijn.

Híj leek te denken, dat ik dacht, dat G’d als een soort superpapa mij zou beschermen. Hij leek te denken (was het zíjn beeld van G’d?), dat Iemand in de hemel mijn leven op een zinvolle wijze vorm gaf. En dat Die zou voorkomen wat vervelend is. En dat ik nu dan wel teleurgesteld móest zijn.

Ik ken niemand die er zo over denkt.

Als je al staande wilt houden, dat G’d voor je zorgt. Dat Hij je alleen maar geeft wat je nodig hebt – en er zijn gelovigen die er zo over denken, ik weet het – dan zit er toch altijd een buffer tussen. Wie G’d als de zorgzame vader ziet, zal toch iets zeggen als: Maar wij kennen Gods bedoelingen niet ten einde. Of: niet alles is G’ds wil, er is ook kwaad.

Met andere woorden: niemand zal beweren, dat zijn leven pure uitdrukking is van G’d.

En al helemáál niemand zal willen zeggen, dat deze wereld in zijn totaliteit zuivere uitdrukking is van een goede, hemelse macht.

Wie de Shoah probeert in te passen in de logica, door te zeggen dat 6 miljoen mensen hun karma moesten oppimpen, of door te zeggen dat het hun eigen schuld was, want…. Mensen met zulke redenaties krijgen terecht alle hoon over zich heen.

G’ds handelen is niet te kennen. Dat zegt Prediker al.

Voor mij gaat het echter nog een steekje verder. Ik geloof helemaal niet, dat er machten zijn, of een macht is, die mij ergens voor behoedt. Ook G’d beschermt mij niet. Ik zou het onrechtvaardig vinden, als het wel zo was. De wereld werd onbetrouwbaar, als biddende mensen meer goedheid kregen dan niet-biddende mensen.

Er stond een artikeltje in het AD. Hier. In 1959 crashte een privévliegtuigje. Er kwamen twee mensen bij om het leven. Onlangs meldde zich een man die de stoffelijke resten had gevonden, plus een kostbare en dierbare trouwring. De dochter van de omgekomen mensen was ontzettend blij dat hiermee een verleden ronder werd dan het tot dan toe was. Ze zei: “Ik heb hier altijd voor gebeden”. “En nu heb ik het gekregen”.

Ik kan niet bewijzen dat het niet zo is. Misschien is het zo. Maar dan vind ik het wel ontzettend cynisch voor al die Syrische vluchtelingen die vandaag bidden om uitkomst, om eten en om warme kleren. En die ze niet krijgen.

G’d geeft wel een diamanten ring terug, en zorgt niet voor eten in Syrië? Mijn hoofd kan er niet bij.

Ik wil in zulke speculaties maar niet zoek raken.

Wat doet G’d dan wel?

Mijn man sprak ooit de meest verlossende woorden: Hij doet niets!

Toen ik dat goed tot mij door liet dringen, besefte ik onze verantwoordelijkheid. Meer nog dan ooit daarvoor.

Jezus zegt in meer dan één gelijkenis: er was eens een huiseigenaar, een koning, een grootgrondbezitter. Hij ging weg. En hij zei: zorg voor het huis dat ik aan jou heb geschonken.

G’d spréékt.

En ik antwoord. Door te leven en te doen.

G’d spreekt de hele dag. Hij spreekt door de buurvrouw die naar mij vraagt. Hij spreekt door de zon die warmte uitzendt. Hij spreekt door het wereldnieuws. Hij spreekt door het kind dat vrolijk lacht en zegt ‘dat het leven prachtig is’. Hij spreekt door de verhalen van de Bijbelse geschriften. Ik vind er mijn plek in, liefde in, ik vind er mijn verantwoordelijkheid in, mijn leven, mijn gaven. En ik ben iedere keer weer verbaasd: dat alles zó dichtbij is. En dat mijn plek er zo toe doet.

Nee, ik ben nog lang niet klaar met G’d. Omdat ik nog lang niet al mijn antwoorden heb gevonden op wat Hij zegt. Dat zal mijn leven lang wel zo blijven.