Die ene die niet verzoop.

Het is een afschuwelijk verhaal. Dat van Noach. Al die mensen die verdrinken. Al de beesten die omkomen. Gustave Doré zwelgde er in zijn tekening bijna in. Ik kan dit Genesis-verhaal nooit losdenken van de tientallen mensen die ik op de Zuid-Hollandse eilanden hoorde vertellen over de stormvloedramp van 1953. Hoe zij de wind onder de dakpannen door hadden horen ratelen. Het verwaaide klokgelui. Hoe mensen angstig op zolders waren gekropen. Het water dat brullend en ratelend over het land was gespoeld, tegen huizen aan, over schuren heen. Hoe het voordeuren had geramd. Kamers en gangen in bezit had genomen, langs trappen omhoog was geklommen. Zou het nog hoger komen dan de slaapkamers? Het kwam hoger. Nog hoger dan de vliering met haar vluchtelingen?

Noach is een verhaal van angst en vernietiging. Het vertelt hoe mensen zelf angst en vernietiging zaaien.

De laatste jaren kan ik het verhaal niet meer lezen zonder te denken aan de terroristische aanslagen. De aangrijpende beelden, ooit van de vluchtende mannen en vrouwen in de straten van New York, de vallende mensen uit de Twin Towers. De vele beelden die daarna volgden, van uit elkaar gescheurde warenmarkten in Bagdad, kapot geschoten mensen op een Parijs terras, een gewonde vrouw op een kapotte stoel op Zaventem.

Ik lees het verhaal niet meer zonder de vele ingezonden brieven, facebook-berichten, politici die roepen om wraak. Wraak op de vernietiging. Tegen-terreur moet er komen. Weg met alles wat vreemd en anders is. Weg met allen die een bedreiging lijken. De wens om de tsunami met een tsunami te stoppen.

In het verschrikkelijke verhaal staat Noach. Zijn naam is als een ogentroost. Hij bouwt een schip. Het is een hachelijke onderneming. Een schip, dat net zo goed een doodskist zou kunnen worden. In het hebreeuws staat dat er zelfs met zo veel woorden. Die ark deelt zijn woord met dat van een lijkkist. Noach doet een poging een nieuwe weg te vinden door het kwaad. Dat is een innerlijke drang. Hij moet die weg vinden omdat hij moet. Van binnen uit. “Het is de stem van God”, zeggen dan de bijbelse geschriften.

Die nieuwe weg is de weg van de vrede. Dat had de verteller al verklapt door Noach Noach te noemen. Zijn naam betekent vrede. Troost, zo u wilt. Zijn weg is er een van: ik verwelkom, laat binnen, ik bewaar, behoed. Voor zo ver ik kan. Er is een prachtig détail in het verhaal: als Noach en zeven anderen in het avontuur zitten met al die dieren om hen heen, moet iemand het luik dicht doen. Het toegangsluik van het schip.

Maar al die mensen buiten dan? Al die dieren buiten dan?

God doet het luik dicht.

Er zijn dingen die ik kan. Er is nog veel meer dan ik niet kan. Laat je niet verlammen door wat je niet kunt. Doe wat je kunt.

Jij kunt een Noach zijn.

Sinds een jaar kan ik het verhaal van Noach niet meer lezen, zonder de stem van het kleine jongetje in Parijs dat zegt: “Maar zij hebben wapens. En zij schieten ons dood.” Zijn vader knuffelt het kereltje en zegt: “Maar wij hebben kaarsen. En wij hebben bloemen.” “En dat houdt hen tegen?”, vraagt het jongetje bezorgd.  “Ja”,  zegt de vader, fluisterend nu: “dat houdt hen tegen.”

Hij bouwde een ark voor onze ogen.

En God? God raakt zó onder de indruk dat Hij besluit het geweld niet met geweld te keren. God besluit: ik schep weer een nieuwe dag

en nog één

en nog één.

Om de mensen die de vrede durven te bevaren.

Advertenties