daar trekt over de bergen en door het grote bos…

 

“God staat op, de vijand stuift uiteen.”

Zo’n zinnetje leest na Pasen ineens heel anders. In de kerken vierden we die ongelofelijke weg van Jezus. Die het volhield om het ware te doen, scheppend te zijn en te zegenen. Die nooit een verkorte route koos, maar die het geduld vasthield. Of de woede. Maar dan de woede op het juiste moment, op de juiste plaats. Als een halt tegen het duister. En niet al bron van duister.

Ik kijk vaak naar Hem, en alle keren gebiologeerd. Hoe hij in het tempo van het langzame door het land trekt. Met zíjn oog op mensen.

Onze wereld is ongeduldig en kent andere belangen dan het bestaan van mensen. De wereld liep Jezus onder de voet en verpletterde Hem. Einde verhaal. Einde van de poging in een andere wereld te leven.

En dat laatste, dàt is dus niet waar. Pasen viert dat de ‘weg van Jezus’ niet stópte, maar doorbrak. In Hem eindigde niet, in Hem begòn. In de kerken vieren we, elke zondag, God stond op. De hoop zal niet breken. Het recht zal niet barsten. De mensen zullen leven.

“God staat op, de vijand vlucht” staat in Psalm 68. En wij opgepoetste Germanen hebben de omweg via Jezus nodig om het regeltje te kunnen lezen. Vanwege dat woordje ‘God”. In onze contreien, met hun slagregens en koude winters wordt God al gauw iets als “die de sterkste is” God als een stootwapen tegen wie jouw boterhammetje wil. Jouw waterbron. Jouw man, jouw vrouw. God tegen jouw, eh, vijand.

Zo is de psalm ook wel gelezen, helaas. God staat aan onze kant, en al die domme anderen zullen verdwijnen. De Paapsen, de Gereformeerden, de Turk. Het is een diep-heidense gedachte dat hij-die-jij-niet-bent weg moet. Het is een nog dieper heidense gedachte dat God daar wel even voor zal zorgen.

We lazen de psalm in ons kleine winteravondgroepje. In het duister komen wij al jaren geregeld bij elkaar om in de psalmboek licht te vinden. We lazen na de eerste regel door. En raakten bedwelmd door de feestmuziek die opstijgt. Want, zo schrijft de psalmist, achter God aan komt een hele stoet van mensen. Van alle kanten komen zij. Kijk! Daar is Benjamin! En zie! Daar komt Juda! Vrolijk begroeten huisgenoten elkaar. Maar zie nog eens! Daar komt Egypte, het machtige Egypte. Het vijandige Egypte. Met -ooit- zijn tiggelgroeves en zijn martelkelders. Het heft zijn handen. Het wil meedoen! En daar is Kus. Ook zo’n wat-moet-jij-hier-land. Kus draagt geschenken voor God.

Want God, zo zingt de psalm beschermt de wezen, hij geeft weduwen onderdak. Hij biedt eenzamen een knappend haardvuur en sloffen aan de voeten. Hij bevrijdt gevangenen.

“Die zinnen”, zei één van de lezers: “vind ik wel het hart van God. Dit is alles wat wij over Hem kunnen zeggen. Hij komt op voor wie hier buiten de boot vallen.”

Er trekt een feeststoet door de wereld. Kreupelen, armen, zotten en dwazen dansen over de wegen. God loopt voorop. “En de machtigen”, zo vertaalt Kees Waayman: “de machtigen fladderen weg. Ze fladderen weg.”

 

 

 

Advertenties

Een vangnet rondom het geheim van de binnenkamer.

Hoe het met je is, vragen de mensen soms. Niet altijd is een antwoord mogelijk. Simpelweg, omdat je het zelf niet goed weet. De gebeurtenissen zijn te groot, te overrompelend, of te verwarrend; wat zou je er over móeten zeggen? Als iemand van de trap valt, heeft hij even tijd nodig, voordat hij beseft waar hij is en wat hij moet doen.

Onze sociale media dringen steeds dieper door tot ons persoonlijke leven. Hannah Arendt zei in háár tijd al, dat het persoonlijke steeds publieker werd. Zij zag de grenzen vervagen. Maar als er geen binnenkamer overbleef, waar vond je dan nog rust, ruimte en kracht?

Zelfs twitter en facebook vinden hun grenzen. Je kùnt niet alles delen.

In de geschiedenis van de weduwe, in de tweede geschiedenis, komen binnenwereld en buitenwereld voor. Ze worden van elkaar onderscheiden, ze communiceren heilzaam met elkaar en tegelijk worden ook de grenzen getrokken. “Ga naar je buren en vrienden”, raadt Elisa de vrouw aan. En ik breng je opnieuw in herinnering, dat deze vrouw in een benauwde situatie zit. Haar man is gestorven, haar kinderen dreigen te worden verkocht. Het verleden is afgesloten, de toekomst is dicht en zelfs het heden geeft geen ruimte. “Ga naar je vrienden”, zegt Elisa. Trek naar buiten. Zoek de mensen op die je welgezind zijn. “En durf van hen te vragen.”

Ik vind het ijzersterk. Ik word opgeroepen niet af te wachten wat de buitenwacht zal doen. Buitenwacht is buitenwacht. Die zal niets doen, zo lang je niet roept: “Hier ben ik, ik heb je nodig.” Hoeveel keren, had ik niet van mijn vrienden verwacht dat ze iets zouden doen? En hoeveel keren zwéég ik daarover, omdat ik vond “dat ze het wel moesten begrijpen?” Ze begrepen het niet. Of begrepen het wel, maar wilden zich niet opdringen. Ik bleef vol verwijten achter.

Wanneer ik op mijn vrienden afstap, verlaat ik mijn dode afhankelijkheid. Ik vind kracht. Het doorgaan doet mij doorgaan, in een variatie op indrukwekkende woorden van Anna Enquist. “En vráág van hen kruiken!” De vrouw gaat naar hen toe en zegt luid en duidelijk wat ze nodig heeft. Legt ze haar trots af? Haar schaamte? Ik zou die drempel wel overmoeten. Mij werd steeds geleerd dat ik mijn boontjes zelf moest doppen. Een ander had er niks bij nodig.

Wel. De ander is jouw vriend. Hij heeft jou iets te bieden, als je vraagt. De vrouw vraagt. Ik hoor met verwondering toe. En de vrienden? Die geven. Daar zijn het vrienden voor.

En daarna faze twee. Al even sterk als de eerste stap. Nadat de vrouw haar vrienden, buren en familie om hulp heeft gevraagd, sluit ze de deur van haar kamer. De vrienden hadden vast nog meer willen doen. En anders hadden ze wel willen weten, wat de vrouw nu precies met al die potten en pannen ging doen. Ze krijgen geen kans. De vrouw neemt hier zelf het voortouw. Ze doet de deur dicht. In het weten, dat de anderen mij welwillend zijn, ga ik zelf op pad. Sommige dingen moet ik alleen doen. En toch niet zonder de ander. Mijn innerlijk weet zich geborgen in de kring van mensen.

Soms vraagt iemand hoe het er mee is. Ik antwoord:  “Lief, dat je er naar vraagt. Dat is belangrijk voor mij. En toch laat ik het nu even zonder antwoord, goed?”