Rutte brult.

 

Wagner schreef veel opera’s. Vaak misbegrepen en misbruikte opera’s. Bij zijn “Meistersinger von Nürnberg” zien velen de Hitlervaandels geheven worden, of horen zij de laarzen marcheren. Zo is het ook gegaan: Hitler liet zich begoochelen door de massaliteit en de magische regie van Wagners werk. Hij betoverde op zíjn beurt het Duitse volk. Het felle antisemitisme van de componist zette de deur er ook wel voor open.

Ken je deze geschiedenis niet, en kijk je als met een nieuw oog, dan ontvouwt zich een heel andere wereld. Niet van geweld, maar van erbarmen en liefde. Parsifal vertelt het verhaal van het lijden voor een gemeenschap. Verlossing zoeken voor een mens. De Ring des Nibelungen vertelt in veertien uur tijd de geschiedenis van liefde en macht. De godenwereld, zo schilderen componist en librettist, zoekt macht en offert de liefde. Die twee gaan niet samen. En op het moment dat je denkt “nu is de macht aan mij!”, stort je wereld in. Götterdämmerung.

Ik moest hier denken bij de lezing van Rutte. Een lezing over Europa. Geen wóord daarin over de kernwaarden van ons continent. Welke deze zouden moeten zijn. Waar staan wij voor? Waar moet het in Europa over gaan? Niets van deze vragen. Rutte beklom de ladder naar het klaroengeschal: Europa moet niet langer naïef zijn! We moeten realistisch worden! We moeten onze spierballen laten zien! Europa moet een harde macht worden in de wereld! Mee in de wedloop van de volkeren. Op de achtergrond riep Trump “America first”, riep Poetin. Onze Mark Rutte werd een muis die brulde, gisteren. In de hoop een leeuw te worden.

Tegenover de godenwereld van Wagner staat de godenwereld van Israël. Net zo onbegrepen. Net zo misbruikt. Wie het woord “God” hoort, ziet de oorlog al voor zich. Hoort “Deus le vult” schreeuwen. En zo is het, inderdaad, gegaan. Gefascineerd door eigen machtsverlangens vernietigden gelovigen wie en wat ze op hun pad maar tegen kwamen. Komen.

Paulus kende deze geschiedenis nog niet. Hij leefde in de eerste eeuw van onze jaartelling. Hij kent het geweld wel, hij is er zelf door ter dood gebracht, maar hij schrijft het niet aan God toe. “De God”, schrijft hij in één van zijn brieven “heeft zich leeg gemaakt.” In een lied bezingt hij hoe “Hij die in de gestalte God zijnde” het “aan God-gelijk-zijn niet als een roof heeft geacht”, maar “het heeft verlaten.”

Paulus schildert een godenwereld die de macht verlaat om de liefde te leven. Barmhartigheid, ontferming. Vrede. Macht wordt verlaten om het leven te laten worden wat het leven wil zijn. Wil je weten wat je moet doen, dan kijk je in het mishandelde gezicht van Jezus.

“Macht is geen vies woord meer!”, verkondigde Rutte gisteren. Opgelucht? Blij? Ik dacht: “Macht is nooit een vies woord geweest. Maar je moet wel weten wat je doet, zodra je de macht hebt.”

Wie macht met macht vult, valt.

Maar durf je je macht te vullen met zachte krachten, alsof jouw macht de baarmoeder is voor een nieuw bestaan – dan blijf je.

Daar had het over moeten gaan in Zürich. En daarover zweeg onze premier.

 

 

Advertenties

Wie dient, blijft.

 

Goed. We kunnen een nieuw streepje zetten bij de column “populistische presidenten”. Na de Filipijnen, Polen, Hong Kong, Hongarije, de Verenigde Staten, heeft nu Brazilië óók zijn sterke man: Bolsonaro.  Opnieuw klinkt hetzelfde wapenarsenaal: ons land het eerst, weg met het uitschot, lang leve de familiewaarden, handel voorop, ons ras het beste. Hetzelfde offensief klinkt: wij worden bedreigd, aangevallen, vergeten, bedrogen, in de luren gelegd. Hetzelfde wondermiddel: ik ben degene die jullie nodig hebben. Ik los alles op.

Overal waren het christenen die met enthousiasme de populistische kandidaten steunden. Overal poetste de kerken de schoenen van de sterke mannen (mannen! Ja! Steeds weer.) En de mannen koketteerden op hun beurt met de sterke mannen van de kerken, bisschoppen, predikers, evangelisten. “Brazilië boven alles en God boven allen”, riep Bolsonaro. God als parel boven op zijn regering. Als stempel van goedkeuring. Macht die macht bevestigt.

Ik huiver. Ik heb het gevoel in het verkeerde kippenhok terecht te zijn gekomen. En ik begrijp het niet: die ogen die gaan stralen wanneer de macht “aan ons” gegeven wordt. Dat geloof in “eindelijk (eindelijk!) iemand die schoon schip gaat maken”.

Alsof schone schepen kunnen bestaan zonder mensen te slachtofferen. Sterke mannen willen vijanden. Zullen vijanden vinden. Bedenken desnoods. En ze zullen niet rusten, totdat hun vijand weg zal zijn. Om dan het spel opnieuw te beginnen.

Prawo i Sprawiedliwosci, de Poolse regeringspartij, die haar pijlen richt op “communistische krachten” en daarmee bedoelt: iedereen die democratisch, Europees, liberaal, niet-roomskatholiek is heeft te vrezen. Victor Orbán in Hongarije die tegen vluchtelingen kettert. Trump die onverbloemd anti-semitische taal uitkraamt “allen betaald door Soros zullen moeten verdwijnen”. Die stadions vol mensen laat schreeuwen dat de vluchtelingen “kakkerlakken” zijn. Trump: “Wat zijn zij?” Tribunes, kolkend in hun antwoord: “Kakkerlakken!”

Bolsonaro die èn anti-semitisch is, èn anti-feministisch, èn anti-LGTB, èn…… en de christenen dansen op de straten. Eindelijk een vent aan het roer.

In het Bijbelboek Samuel staat een intrigerend zinnetje over koning Saul. Dat “hij boven alle manschappen uitstak” namelijk. Hij is het toonbeeld van een leider. Iemand die weet hoe het moet. Willem Barnard tekent daarbij aan: maar het is de vraag op wie hij het meest lijkt; “op de farao van Egypte of op een knecht des Heren.” Daarmee raakt Barnard aan een van de kernpunten uit de Bijbelse geschriften. Wat geloof je? Wat volg je?

Egypte, Babel, Fenicië – alle volkeren rondom- geloven de macht. Opgelegde, uitgevoerde macht. Maar voor Israël zou het anders moeten zijn. Dienstbaarheid zou hun leidraad moeten zijn.  Niet omhoogkijken, maar naar beneden kijken. God, de God van Israël laat zich niet gebruiken als sieraad op het hoofd van de sterke man. Hij is die woont onder de verworpene, de weggestuurde. De verdrevene. En die blíjft vragen: de wees, de weduwe, de vreemde, de vluchteling, de andere – wat heb je voor hen gedaan?

Ishwarbai Patel was een Indiase activist. Hij overleed al in 2010, maar deze week stond er een in memoriam van hem in de krant. Hij was zijn leven lang betrokken op de sloppenwijken van zijn land. Zo bouwde hij er twee miljoen toiletten. Hij zei eens: “De rijken van ons land kijken neer op de inwoners van de sloppen. Zij noemen hen crimineel, opvreters, de schande van de natie. Maar in feite zijn de sloppenbewoners het kapitaal van ons land: ze werken hard, ze kosten weinig, ze verbruiken weinig, ze zijn de basis van de rijkdom aan de top. We zouden hen moeten koesteren” Ishwarbai sprak de taal van de verbinding. Niet van de verdeling. Hij vernederde niemand, hij eerde de ander.

Danste er maar eens iemand voor hem. Voor mensen zoals hij.

Ik dans vandaag voor hem.