Die ene die niet verzoop.

Het is een afschuwelijk verhaal. Dat van Noach. Al die mensen die verdrinken. Al de beesten die omkomen. Gustave Doré zwelgde er in zijn tekening bijna in. Ik kan dit Genesis-verhaal nooit losdenken van de tientallen mensen die ik op de Zuid-Hollandse eilanden hoorde vertellen over de stormvloedramp van 1953. Hoe zij de wind onder de dakpannen door hadden horen ratelen. Het verwaaide klokgelui. Hoe mensen angstig op zolders waren gekropen. Het water dat brullend en ratelend over het land was gespoeld, tegen huizen aan, over schuren heen. Hoe het voordeuren had geramd. Kamers en gangen in bezit had genomen, langs trappen omhoog was geklommen. Zou het nog hoger komen dan de slaapkamers? Het kwam hoger. Nog hoger dan de vliering met haar vluchtelingen?

Noach is een verhaal van angst en vernietiging. Het vertelt hoe mensen zelf angst en vernietiging zaaien.

De laatste jaren kan ik het verhaal niet meer lezen zonder te denken aan de terroristische aanslagen. De aangrijpende beelden, ooit van de vluchtende mannen en vrouwen in de straten van New York, de vallende mensen uit de Twin Towers. De vele beelden die daarna volgden, van uit elkaar gescheurde warenmarkten in Bagdad, kapot geschoten mensen op een Parijs terras, een gewonde vrouw op een kapotte stoel op Zaventem.

Ik lees het verhaal niet meer zonder de vele ingezonden brieven, facebook-berichten, politici die roepen om wraak. Wraak op de vernietiging. Tegen-terreur moet er komen. Weg met alles wat vreemd en anders is. Weg met allen die een bedreiging lijken. De wens om de tsunami met een tsunami te stoppen.

In het verschrikkelijke verhaal staat Noach. Zijn naam is als een ogentroost. Hij bouwt een schip. Het is een hachelijke onderneming. Een schip, dat net zo goed een doodskist zou kunnen worden. In het hebreeuws staat dat er zelfs met zo veel woorden. Die ark deelt zijn woord met dat van een lijkkist. Noach doet een poging een nieuwe weg te vinden door het kwaad. Dat is een innerlijke drang. Hij moet die weg vinden omdat hij moet. Van binnen uit. “Het is de stem van God”, zeggen dan de bijbelse geschriften.

Die nieuwe weg is de weg van de vrede. Dat had de verteller al verklapt door Noach Noach te noemen. Zijn naam betekent vrede. Troost, zo u wilt. Zijn weg is er een van: ik verwelkom, laat binnen, ik bewaar, behoed. Voor zo ver ik kan. Er is een prachtig détail in het verhaal: als Noach en zeven anderen in het avontuur zitten met al die dieren om hen heen, moet iemand het luik dicht doen. Het toegangsluik van het schip.

Maar al die mensen buiten dan? Al die dieren buiten dan?

God doet het luik dicht.

Er zijn dingen die ik kan. Er is nog veel meer dan ik niet kan. Laat je niet verlammen door wat je niet kunt. Doe wat je kunt.

Jij kunt een Noach zijn.

Sinds een jaar kan ik het verhaal van Noach niet meer lezen, zonder de stem van het kleine jongetje in Parijs dat zegt: “Maar zij hebben wapens. En zij schieten ons dood.” Zijn vader knuffelt het kereltje en zegt: “Maar wij hebben kaarsen. En wij hebben bloemen.” “En dat houdt hen tegen?”, vraagt het jongetje bezorgd.  “Ja”,  zegt de vader, fluisterend nu: “dat houdt hen tegen.”

Hij bouwde een ark voor onze ogen.

En God? God raakt zó onder de indruk dat Hij besluit het geweld niet met geweld te keren. God besluit: ik schep weer een nieuwe dag

en nog één

en nog één.

Om de mensen die de vrede durven te bevaren.

Advertenties

Sodom en Gomorra: het was de homoseks niet.

Nee, Sodom en Gomorra (hier) zijn niet de steden van de homo’s. Alle brieven, preken, e-mails en tegenwoordig zelfs messengerberichten ten spijt die dit wel beweren. God keerde de steden niet om vanwege homoseksuelen.

Ik zal je niet proberen te overtuigen met het argument dat in de tijden van de bijbelschrijvers seks tussen twee mannen of tussen twee vrouwen als een abjekte abberatie werd gezien – terwijl wij nu anders kijken; wij begrijpen dat er een gevoel, een harteklop, een verbondenheid in schuil gaat die niet veel anders is dan die tussen man en vrouw. Ik ben er wel van overtuigd dat het zo is: Paulus had geen idéé van zoiets als seksuele geaardheid. De Genesisschrijvers evenmin: hoe zouden ze kunnen. Pas de negentiende eeuw deed deze ontdekking: dat het niet om verdorven moraliteit gaat maar om liefde.

Niet iedere bijbellezer wordt door dit argument overtuigd. Dat is een feit, al betreur ik die.

Ik zal je ook niet lastig vallen met de gedachte: “dit zijn verouderde teksten.” of “dit is de wet”.  Ik deel die argumenten niet. De afspraak bij bijbelteksten is: we nemen ze serieus. Omdat wie leest, er van uit gaat dat er wijsheid te vinden is in deze woorden. Op z’n minst. En op z’n meest: dat jou, terwijl je leest, een werkelijkheid tegemoet komt die wij het kortst “God” kunnen noemen.

Ik hoef je niet te overtuigen dat het in Sodom en Gomorra niet om homoseksualiteit gaat. Het zijn de bijbelse geschriften zelf die het je voorzeggen. Eerder in Genesis wordt melding gemaakt van de zware zonden van de steden. Dat de ernst daarvan is doorgedrongen tot in de hemel. Beide steden deden de wereld schudden op hun grondvesten. Hun namen gaan als een grote afschrikking door de profeten. Jesaja noemt ze, Jeremia noemt ze. “Word niet omgekeerd zoals Sodom en Gomorra!” Doe niet wat die steden hebben gedaan. Maar wat deden zij dan?

Ezechiël vertelt het ons: de steden waren rijk, de inwoners aten hun brood met trots, maar was er een arme, dan boden zij geen hulp, was er een weduwe dan reikten zij niet hun hand, “zij bleven”, zo vertaalt Pieter van Oussoren “op veilige hoogte” (hier)

De steden waren arrogant. Op zichzelf gericht. En dáárom stortten zij ineen. Ze waren al dood, zeg maar, terwijl ze nog leefden.

Jezus zegt: “Ze aten, ze dronken, ze plantten, ze verbouwden, kochten en verkochten” (hier). Wij zouden parafraseren: het was één en al consumentisme. Maar dat er ook nog iets te dóen was in het leven. Voor een ander. Dat er überhaupt antwoord te geven was – dat ontging de Sodomieten ten volle.

Geen woord over seks. Laat staan over homo’s.

Wat staat er dan in  Genesis 19? Als we van dichtbij gaan kijken, blijkt dat het hele homoverhaal op één werkwoord vastzit: “opdat wij die mannen te grazen nemen”, las ik ergens. Jada in het hebreeuws. Het werkwoord betekent in bijna alle gevallen: nauwkeurig leren kennen. En in een aantal – niet onbelangrijke- gevallen betekent het werkwoord: seks hebben. De Statenvertaling zegt mooi, dat Adam Eva bekende. Ook daar staat datzelfde werkwoord: jada.

Willen de mannen hier wel allemaal seks? Van jong tot oud? Dat zou wel heel kras zijn. Het lijkt me ook niet aan de orde. Wat de stad wil is dit: laat die mannen naar buiten komen, dan kunnen wij eens flink uitzoeken wie zij zijn, waar zij vandaan komen en wat ze hier eigenlijk moeten, in die stad van ons. De stedelingen sluiten zich op in hun eigen identiteit die zij als superieur beschouwen. Zíj hoeven zich niet te verantwoorden. Dat moeten die vreemdelingen maar doen.

Bijbels de-wereld-op-zijn-kop, blijken de vreemdelingen Gods aanwezigheid te vertegenwoordigen. Zij zijn engelen van God. Maar dat weten die mannen niet!

En Lots poging dan om de stedelingen tot bedaren te krijgen door zijn eigen dochters aan te bieden? John Boswell deed een uitgebreide studie naar stadsoproer in rurale samenlevingen en kwam tot de schokkende slotsom: dreigende opstanden werden standaard met vrouwen geblust.

Dat is een gruwelijke conclusie, maar rechtvaardigt niet de gedachte “Lot vond het minder erg als de mannen i.p.v homoseks, heteroseks zouden hebben.”

Ik hoop dat het (al even verschrikkelijke!) verhaal uit Richteren 19 een absoluut nodige correctie is op de gedachte dat vrouwen wel ingezet zouden mogen worden voor de stadsvrede. In dat boek, in dat hoofdstuk wordt verkrachting verafschuwd en afgewezen.

Dus, lieve dreigbrievenschrijvers. God liet zijn toorn niet dalen over de “homo’s in de steden Sodom en Gomorra”.  U leest echt niet goed. God toornde over de harteloosheid van de stad, over de vreemdelingenhaat. En over de arrogante weigering om veiligheid, onderdak en brood te delen.

Daar zou ik nou wel eens een brief over willen schrijven: over onze harteloosheid. De harteloosheid van Europa die de wereld op zijn grondvesten laat schudden.

Desnoods anoniem.

 

Volslagen krankzinnig … mooi.

De muziek was goddelijk, zei Mike Bodde, maar we moesten maar niet te veel op de inhoud letten (hier). Hij doelde op de aria “Wie wunderbarlich is doch diese Strafe” uit de Mattheuspassion van Bach. Want die inhoud: die was volslagen krankzinnig. “Barmhartige heer offert zijn eigen zoon.” Tot zover Boddé ’s diepte-analyse van het lied.

Nu ben ik zelf niet zo dol op Bach. Te frutterig, te corsetterig en dwangmatig, sorry. Maar ik snap wel, dat de eventuele goddelijkheid van zijn muziek àlles te maken heeft met de inhoud ervan. Die twee kun je niet zomaar uit elkaar scheuren. Bach moet zelf hebben geloofd wat hij op muziek zette. Goddelijke muziek ontstaat niet op een flutinhoud.

Je zou mogen verwachten dat een kommaliefhebber als Witteman niet akkoord gaat met: “laten we de tekst hier voor het gemak maar even vergeten.” Hij deed het wel: er mee akkoord gaan.

Kom op, mannen: het gáát om de tekst.

En ja; die is volslagen krankzinnig.

Volslagen krankzinnig, mooi.

“Hoe wonderbaar is deze straf,

de goede Herder lijdt voor zijn schapen

de schuld, betaalt de Heer, de Rechtvaardige

voor zijn knechten”

In het Duits rijmt het. Maar dat had je al begrepen. Hoe komt Bach, of eigenlijk zijn librettist, nu bij deze tekst? En wat zouden wij er mee moeten?

Het komt uit de bijbel (open deur). In het Oude Testament staat een tekst die indringend vertelt over iemand die mishandeld wordt (Jesaja 53, onder andere). Zijn baardharen worden uitgetrokken, hij wordt geslagen. hij krijgt met de zweep, en iedereen denkt: “Zo, die is door God en alleman gehaat zeg.” Maar dan komt onverwacht de clou: hij droeg onze straf. Hij werd geslagen en wij genazen er van.

Duidelijk he? Nee. Raadseltaal.

Maar goed, de tekst komt terug, later. Als Jezus is gekruisigd. Die hele martelgang van Hem leek één gruwelijke fout. Jezus was meer dan een goed mens. Hij had dit niet verdiend.

Maar leg je nu Jesaja bij de kruisdood van Jezus, en dat deden zijn leerlingen, dan lijken raadselstukjes op hun plek te vallen. Híj verdiende geen straf, maar de mensen wel. Het wonder is: zij werden niet gestraft. Maar Hij wel.

Het beeld van de goede Herder die de straf draagt voor zijn schapen, dat is onder andere door Petrus zo gezegd. Hij schrijft er over in één van zijn brieven. Hij droeg de straf die voor de mensen, voor ons, bedoeld was.

Nog steeds raadseltaal?

Ja- het blijven teksten die groter zijn dan wij. Nooit kan ik helemaal zeggen dat ik het snap. Net als poëzie: ik lees het, het doet iets met mij. Maar als je mij vraagt: leg het uit, dan sta ik met een mond vol tanden.

En toch.

Dit is wat ik er van begrijp.

Als ik kijk naar de afgelopen week. Brussel, Ankara, maar als ik daarbij ook denk aan Mosul, aan Homs, aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven onder de bommen van de Westerse mogendheden en aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven door messen en bommen van IS, en dan is dat nog maar een versimpeling van alles wat er gaande is. Ik noem dan nog niet eens de vrouwen die deze week door hun mannen zijn mishandeld, of de mannen die zijn vermoord, of het alledaagse onrecht van de rijke die overal doorheen komt terwijl de arme overal voor lijkt te moeten boeten. Als ik die wereld zie, dan denk ik: zo veel kwaad, zo veel rotzooi. Dat kan toch niet onbeantwoord blijven? Het kan toch niet altijd maar zo doorgaan?

Wilders riep gelijk om het dichtgooien van de grenzen. Het aanpakken van de misdadigers. Het preventief fouilleren van “donker getinte personen”. Hij was de enige niet. We willen voorkomen. We willen ook rechtzetten.

Zo veel rechtvaardigheid hebben mensen dan nog wel in hun donder. Wat oneerlijk is mag niet de vrije hand hebben. We willen dat het oneerlijke stopt.

Omdat dat de basisstructuur van ons bestaan is, zeggen de schriften. God is rechtvaardig. Zeg: de energie achter alle dingen. Ik zeg: de stem die in alle dingen spreekt.

Kwaad moet worden rechtgezet.

En wat zegt nu de aria? Die zegt dat alles al rechtgezet ìs.

Huh? Oh!

Jezus heeft de straf gedragen

niemand zal meer worden gestraft

 

straf is helemaal het woord niet

leven, dat is het woord

ga vrijuit – dat is het woord.

 

Voor mij betekent Goede Vrijdag allereerst: wij zijn vrij  –

en daarna volgt in één adem: laat ook anderen vrij

straf hen niet.

Deze week begonnen mensen in Brussel op de straten en muren te tekenen en te schrijven. Het waren woorden van hoop. Ze tekenden een nieuwe wereld. Eentje, waarin mensen elkaar niet meer zouden doden, maar waarin mensen elkaar het leven zouden gunnen. Wat ze ook maar op hun kerfstok zouden hebben.

Ephimenco, een columnist in dagblad Trouw, geloofde er niet in. “Met krijt en bloemen win je geen oorlog.”

Ik dacht: “Voor wie het wel geloven is de oorlog al voorbij. Voor wie het wel geloven heeft haat geen macht meer. Voor wie het wel geloven heeft de dood geen greep op ons.”

Maar ja, ik snap het wel: dat te geloven is tamelijk

krankzinnig

Hoera, de vrucht is geplukt. Sorry.

adam en eva

 

Mijn eerste offer herinner ik mij nog. Het was een bewegingsoffer. Ik was vier en op weg naar school. “Als ik nu alleen op de rode stoeptegels stap, dan…” Ja, dan zou het allemaal goed gaan vandaag. Later was dat offer niet voldoende, trouwens: ik mocht later alleen met mijn rechterbeen op het rode staan en links op de grijze stoeptegels. Het werden lange wandelingen naar school.

Neurotisch? Wmah, ja waarschijnlijk.

Magisch? Dat zeker. Alsof de werkelijkheid zich spontaan iets zou aantrekken van míjn voetstappen. Een beetje megalomaan was het dan ook wel. Voor een vierjarige.

Maar daarmee was het nog niet volslagen idioot. Hoop ik tenminste. Ik had wel iets begrepen. Dat ik een eigen persoon was, namelijk. En dat ik op de één of andere manier verantwoordelijkheid droeg voor mijn bestaan. Ik was ik. Ik kon mij niet verschuilen achter het gedrag van een ander. En ik besefte ook dit: er was licht, maar ook donker. Ik zal dat toen hebben verstaan als: er is gedrag dat de juffrouw aanstaat, en er is gedrag dat zij liever niet ziet. Ik wist in dat mijn gedrag ook fout kon gaan (haha, ik was nogal opvliegend, toen al!) Ik kon daar bovendien niet altijd iets aan doen. Soms liepen dingen zomaar vanzelf fout. Alsof zíj wilden dat het misliep. Ik wilde dat het goed zou gaan.

Nou, daar kon ik wel wat hulp bij gebruiken. Van stoeptegels, desnoods.

We lazen een tijdje terug uit Genesis 3. Dat aangrijpende, mysterieuze oerverhaal over… ja over wat precies? “La condition humaine”, zou een filosoof uit de jaren zestig zeggen. “De menselijke staat”, hoor ik een dominee hem naspreken. Maar zo akelig: er galmt een lange kerkelijke echo achteraan.

Aan de keukentafel klinkt het dichterbij. Met meer vlees en bloed er in. Het treft mij, dat alles draait om die boom van de kennis-van-goed-en-kwaad. En dat de vruchten van die boom ‘heerlijk zijn om van te eten’. Dat lijkt me nou ook. Je wilt, als mens, toch een beetje fatsoenlijk voor de dag komen. En daarbij een beetje snappen wat wel en wat niet hoort. Als mens dan. Een luipaard kan een reebok verscheuren dat het bloed er van afspat. Zijn geweten zal er niet onder lijden. Maar als ik dat doe…

Vanaf het moment dat de mens ontwaakte, toen hij homo erectus werd? Homo sapiens? Eerder? Later? Vanaf het moment dat de mens wist: ik ben er. Sloop daar deze vloek achteraan: als je weet dat je er bent, heb je je ook te gedragen naar dat weten.

Dank u.

Eva plukte van de vrucht. Een beschavingsoffensief. Dat dat de vrouw wordt toegeschreven verbaast mij niets. Zet vijf jongens op een paar dagen op een camping en er liggen overal lege kratten en bierflessen en een hoop gebral er om heen. Komt er een meisje aan, begint het grote opruimen. Nou ja – niet helemaal waar. En toch ook wel. Ik denk dat vrouwen inderdaad al nadenken over wat kan, terwijl de man nog naboerend aan zijn achterwerk krabbelt.

Eva plukt dus de vrucht. Adam ook.

En dan gaan hun ogen open. Ze zien dat ze te kiezen hebben. De armen. Ja of nee. Wel of niet. Het is een doorgaand verhaal: hoe meer wij weten, hoe meer keuzes wij zullen moeten maken, hoe meer wij verantwoordelijk zullen zijn voor onze keuzes, hoe meer kans dat wij falen, bang zijn om te falen, onzeker worden, het niet weten, wij smeken: o alstjeblieft: mag deze keuze aan ons voorbijgaan?

Er is nu TIPP, die test waarmee vroegtijdig kan worden gezien of een ongeboren kind kans heeft het syndroom van Down te hebben. Je wilt die keuze. Ik zou als vader ook willen weten wat me te wachten stond. Maar nu die keuze er is, zou je terug willen naar een soort paradijselijke naïviteit. Want kiezen betekent: verantwoordelijkheid. En wie zal je kunnen zeggen dat het goed was om je kind geboren te laten worden? Als het een baby blijkt die drie jaar onafgebroken huilt en jengelt en pijn lijkt te hebben? Wie zal zeggen dat je goed hebt gekozen, toen je voor abortus koos? Als je de Jostiband ziet spelen en denkt: “Daar had onze dochter ook bij kunnen zitten?”

Niemand. Niemand heeft het antwoord.

Toen de ogen van Adam en Eva waren open gegaan zagen ze dat ze naakt waren.

Kwetsbaar.

We zullen het er mee moeten doen.

“Wat elk kind doormaakt”, zei iemand eens: “dat heeft de mensheid in haar geheel doorgemaakt.” Ik denk dat het waar is.

Toen ik mijn stoeptegels durfde los te laten. En te laten komen wat er kwam. Oh, dat was jaren later. En eerlijk is eerlijk: soms schep ik nog wel eens een stiekeme stoeptegel, rood of grijs. Ik kwam in een soort “zwevende ruimte”.  Leven als een sprong, zonder veiligheidsgordels. En dan maar hopen dat het allemaal zijn weg wel zou vinden.

Die zwevende ruimte heet, meen ik, genade in de kerk.

We lazen dat, toen Adam en Eva het paradijs achter zich hadden gelaten. En nee het ontwaken was niet genoeglijk, lieflijk en fijn geweest. Dat toen (toen pas, dus!) Adam met Eva vrijde en er een kind geboren werd. Hier begon het leven. Of: hier ging het leven verder.

Levensles 1: aanvaard dat je fouten maakt, het is niet anders. En levensles 2: je fouten en je schoonheid maken, beide, dat de wereld is zoals die is. Wees daar blij mee.

Het waren grotere lessen dan ik ooit op school leerde

 

Je roeping verliezen?

rembrandt80

Saul. Ik moet vaak denken aan Blair. De toenmalige premier van Engeland. Saul, die tragische Saul. Saul, koning van de Heer, die uiteindelijk op de schroothoop van de geschiedenis belandt. En je begrijpt, als lezer, maar nauwelijks waar dat door komt.

Ik had heel erg vertrouwd, dat Blair een nieuw élan in Groot-Brittanië zou brengen. De oude tegenstellingen zou hij weten om te smeden tot iets nieuws. Dat was ook zijn belofte. Het zou niet alleen afgelopen zijn met de overleefde macht van de Lords, het zou ook afgelopen zijn met de neo-liberale-Thatcherwind die koud door de hele samenleving blies. Hij was jong, had een leuk gezin. Dat doet er niet toe, natuurlijk, maar gaf wel de juiste entourage voor het “nieuwe-lente, nieuw-geluid”- gevoel.

Het liep anders. Blair raakte verstrikt in het giftige moeras van de Irakoorlog. En hoe hoger hij sprak over de vrije wereld, massavernietigingswapens, de bedreiging van het Westen, hoe valer zijn ster werd. Hij bleek gewoon een politicus van de oude wereld. Toen hielp het niet meer, dat hij zich een jeugdig kapsel liet aanmeten.

Het was gedaan met Blair, de nieuwe hoop.

Ik stond er met mijn neus bovenop. Nou ja, niet helemaal: de kranten en de media stonden er tussen, maar dan nog – ik kon het niet begrijpen. Hoe verliest iemand zijn eigen visie en beloften?

De afgelopen maanden stond ik met mijn neus op het leven van Saul. Goed, de bijbelse boeken staan er tussen, maar een andere weg naar deze koning is er niet. We lazen aan tafel na het eten. Verhaal na verhaal. Je ziet de moeilijke start. Dat hij koning zou worden is van het begin af een hele worsteling. Het volk wil wel, maar God wil het niet. Alsof politiek toch altijd een bedrijf is van “we waren beter af zonder, maar het kan niet anders dan met”. In elk geval – dat vond ik dan wel bijzonder- wordt vanaf bladzijde 1 in het boek Samuël aan koningen alle goddelijke vanzelfsprekendheid en pretentie afgenomen. Ze regeren, omdat het voor mensen nodig is. Ze regeren ten dienste van mensen.

Je ziet bij Saul echter ook de hoop: deze man is de koning die door de Heer is gezalfd. Een soort Mozes, een soort Deborah, iemand door wie de harten van de mensen  lichter worden en door wie de toekomst  rooskleuriger er uit gaat zien.

“Wir schaffen das”, was voor mij zo’n adempauze. Rustige, krachtige woorden, waarvan je dacht: zo komen we ergens.

We weten inmiddels in welk moeras díe woorden verdwenen zijn.

Waarom gaat dat zo?

“Saul stak boven alle andere mannen uit.”, vermelden de Schriften. Waarop Willem Barnard commentaar geeft: “daar gaat het al fout. Dat sterker willen zijn dan een ander. Dat heidens gevecht om aanzien en status. Voor heidenen telt je macht. Voor God niet”. Bij Blair heb ik dat vaak gedacht: Hij wilde graag een staatsman van formaat worden. En daardoor werd hij het niet. Was hij trouw gebleven, had hij de verleiding weerstaan, had hij Bush weerwoord gegeven, misschien dan – we zullen het niet weten.

De schrijver van Sauls werdegang meldt iets heel anders. Saul is niet trouw geweest aan God. Dat klinkt logisch. Wie niet dicht bij zijn binnenkant blijft, zal verraad plegen. Maar het logische duurt in het boek Samuel niet lang. Want wat had hij moeten doen om trouw te blijven? Hij had al zijn vijanden, tot de laatste man en de laatste vrouw, moeten uitmoorden. En dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft – in elk geval een deel van-  hen in leven gelaten.

Ik sta er als 20ste eeuwer bij en kijk er onhandig naar. Als ìk God was, zou ik Saul prijzen. Het leven is meer dan de dood. Toch?

Ik ben God niet. God verwerpt Saul. En zelfs Samuëls smeken, vasten en rouwen – de arme oude man wordt gekweld door de teloorgang van Saul – helpen daar niets aan. Uiteindelijk stort Saul zich in zijn eigen zwaard.

Ik kan er niet bij. En dat is het dan misschien ook wel. Er is geen goed verhaal te vertellen om te verklaren waarom hoop vervliegt. Ze vervliegt.

Er is geen verhaal, waarom ik niet de ommekeer heb gebracht, waarvan ik als tiener dacht dat die met mij zeker komen zou. Ik zou niet zo zijn als mijn ouders. Neenee.

Er gebeurt ook nog iets anders in Samuël. In de wereld. En dat helpt me vooruit.

Met horten en stoten. In verzet en overgave. In de schijn van het tegenovergestelde, komt er een ander die de roeping overneemt: David. Ook geen heilige, trouwens.

Eveneens een mens, ook al heeft Michelangelo hem de eeuwige jeugd geschonken. Maar dan toch. Hij is er. De fakkeldrager.

Idealen worden verkwanseld. Roeping gaat verloren. Maar dat is niet het hele verhaal.

En ontstaat ruimte voor een ander. Voor een nieuwe generatie. Die de hoop oppakt, meeneemt, omvormt –

David speelt harp voor Saul. Voor de door hoofdpijnen gemartelde Saul.

Ik vind dat een sterk beeld voor onze wereld die haar roeping zo vaak verliest. De laatste jaren niet in het minst door het te véél vergieten van onschuldig bloed.

Er is een melodie die terugkomt, als ze lijkt te sterven.

Ik denk dat God daar achter zit.

Sex en angst.

Zitten angst en sex soms heel onhandig op dezelfde hersencel?

Waarom moest er “een piemel in” bij de vrouw die het in Steenbergen opnam vóór gastvrijheid aan asielzoekers? “Sla dat wijf dood!” zou ik nog kunnen begrijpen. Niet dat ik zo’n doodslag aanmoedig, of op zich zou snappen, maar dat mensen willen doden wie ze niet willen horen, daar zie ik wel enige logica in. Maar “een piemel er in”?

Er hangen her en der in Nederland spandoeken met een deze tekst “De buitenlander met zijn grote zak, grijpt uw dochter met gemak”. Het metrum kan ik bewonderen, de inhoud stelt mij voor grote raadsels. Heeft deze poëet alle mannenzakken gemeten? Of is er een studie naar de verhouding tussen de grootte van de balzak en de kans op verkrachtingen? Veel vragen, geen antwoord. Behalve dan, dat het dit keer eens niet over zwarte Piet ging.

Steeds is er met vreemdelingen het gerucht meegekomen, dat ze sexueel pervers zijn. De Fransen brachten sodomie het land binnen, in 1672 en nog een keer in 1795. Daarvoor waren de Lage Landen volstrekt kuis. Dat u het maar weet.

Of anders waren het de Joden wel, altijd mikpunt van aggressie. Die grepen elk maagdelijk meisje dat zij maar zagen. En deden er de verschrikkelijkste dingen mee. Zo dat de Kamasutra erbij verbleekt tot een keurig damesblaadje.

Cijfers onderbouwden de stellingen trouwens nooit. Ook niet met terugwerkende kracht of archiefonderzoek.

Het raadsel moet in de mensen zelf zitten.

In hun angst en in hun verlangen.

Die twee zitten in elk geval wel op één hersencel. Daar hoef je niet eens een grote Freudiaan voor te zijn. Je angst keert zich vaak tegen je eigen verlangen. Om in een variant op Paulus te spreken: Ik ben bang voor wat ik het liefste zou doen.

Of – ik ben bang dat ik ga doen waarvan ik weet dat ik het niet mag doen. Meisjes aanvallen.

Seks is soms een vreemde in ons eigen lijf. Het wil dingen, die ik niet wil. Het wil het met een angstaanjagende oerkracht. Het houdt niet op. En tegelijkertijd is mijn seksueel verlangen, wel het míjne. Jij hebt het niet in mij geplant. Nou ja, soms dus wel. Ik zie jou. En dan wil ik dingen die ik niet wil. Arme ik.

Het is veel gemakkelijker om dat wat ik niet wil terwijl ik het wil op een ander te plakken. Dan kan ik hem wegsturen.

Ik kan nog iets: hem voor zijn

en aan hem doen

waarvan ik dacht, dat hij het aan mij zou willen doen:

dat wat ik dus ten diepste zelf wilde.

Uhm. Was u er nog?

We lazen Genesis 19, vorige week.

Twee vreemdelingen komen de stad Sodom binnen. Een man met de naam Lot woont daar ook en doet veel moeite om de mannen hartelijk in zijn huis te ontvangen. De stad hoort er van en raakt er van overstuur. Het woord vreemde gaat resoneren. En dat naar buiten moet komen wat verborgen is. Waarvan de stad denkt, dat het verborgen is.

“Wij willen hen leren kennen” roepen de mannen van de stad. (Zouden vrouwen dit nu ook herkennen? Of is dit echt een uitzonderlijk mannenstukje?). Ze gebruiken het werkwoord “jada”. De schrijver doet dat. Hetzelfde woord, waarvan de Statenvertalers maken, dat Adam Eva “bekende”. Nou dan weet je het wel. Ze willen de vreemdelingen de kleren van het lijf vragen. En daarna nog een stapje verder.

Ik ben bang

bang voor de vreemde

de vreemde huist in mij

zoiets.

Voordat die vreemdelingen het in hun hoofd zouden kunnen halen òns te verkrachten, zullen wij hen “eens flink te pakken nemen”,  vertaalt de Bijbel in Gewone Taal. Knap gevonden. Zo is het: ik pak jou.

En God?

Ja. Nou.

De lezer weet: die twee mannen, die vreemden, in hen nadert God.

Waarom Lot hen ontvangt? Het klinkt walgend uit de monden van de mannen van Sodom: “Jij bent zelf ook een vreemde.”

Vreemde meets vreemde. Vreemde heet vreemde welkom.

Sex en angst. Zitten misschien niet helemaal op één hersencel, maar ze zitten wel dicht bij elkaar. Volgens mij kunnen we dat maar beter erkennen, dan willen uitbannen.

Ik zou angst en vreemdheid kunnen omarmen, beide. Lot zijn voor mijzelf.

Als ik het vreemde in mij omarm, als ware het een godsgezant, dan zou ik ook de vreemdeling in mijn stad kunnen omarmen. Daar ben ik van overtuigd.

Want die grote zak, dat ben ik

soms.

Er is geen god, zegt de dwaas.

Psalm 53

Het lijkt wel een verslag van onze tijd, die psalm 53.

Die verzuchting, dat er geen god kan zijn – omdat het kwaad niet stopt

mensen doen elkaar oorlog aan en bedreigen elkaar met de dood

hoe kan er dan een god bestaan?

zou die niet ingrijpen?

We dachten aan de strijders van IS. Hoe zij, uit naam van hùn god notabene, mensen de keel afsnijden.

We dachten aan de miljoenen op de vlucht. En hoe moeilijk het is probleemloos gastvrij te zijn.

Zou God niet ingrijpen?

Toch wordt de mens die zegt dat God niet bestaan kan

– Huub Oosterhuis schrijft hier: God zegt mij niks meer!-

“dwaas” genoemd.

waarom?

De psalm erkent allereerst

dat het leven niet altijd grappig is

en dat wij mensen niet altijd de leukste diersoort zijn

“niemand doet het goede”

zegt God.

Wij lazen de tekst en antwoordden: “Het is nogal hoogmoedig om te zeggen dat een ander fout is.

Het getuigt niet van veel zelfkennis als je het zou houden bij: “De anderen doen allemaal kwaad.”

Bij ons staat evenmin alles stralend in het licht.

Goed, ik sneed nooit iemand de keel door. (God verhoede!) Maar zou ik er niet toe in staat zijn?

Psychologische tests wezen uit, dat mensen tot alles in staat zijn

alle mensen zijn tot alles in staat.

“Niemand doet het goede”

zegt de psalmist met Gods lippen.

We waren er, al lezende, een tijdje stil van.

Moesten wij nu onze handen moedeloos in de schoot leggen?

Moesten wij onszelf afwijzen?

Onszelf zoiets als zondebesef aanleren?

we waren stil

de psalmtekst klapte om

en wees ons een andere richting

als er geen god bestond, dan zou het enig juiste oordeel zijn-

de wereld is verrot

en ik erbij.

Maar er is wèl een god

al was het maar, om te beginnen, in ons verlangen

wij willen geen kwade wereld

God, in de woorden van David

is Hij die het kwaad

en daarmee de kwaden

verdrijven zal

God is de hoop!

de levende hoop.

En als hij verdwijnen zou….

De psalmist

David in de traditie,

eindigt met een gebed

dat God komen zal

en leven zal.

Frere Roger antwoordde eens een meisje dat had gezegd:  “Maar ik geloof niet dat God bestaat” – Hij antwoordde haar met:  “Stel God zou niet bestaan, en Jezus sterft. Dan zijn wij geroepen, hoe dan ook, aan de kant van Jezus te gaan staan.”

God is de hoop

dat deze wereld niet verloren is

hoe verloren zij zich ook gedraagt

O, o Prediker.

DSC_0314Goed, ik was altijd wat bang voor die man. Prediker deed me denken aan lange, wee-groene gangen in een psychiatrische instelling. Hij, met zijn: het is ijdel, het is ijdel, het is ijdel. Een mompelende, verwarde man. Dat vond ik van hem.

Ik herinner mij, hoe jaren geleden een vader van een vriend met sonore stem voorlas: “De boom kan vallen naar het Noorden. Hij kan vallen naar het Zuiden. Hij zal blijven liggen, zoals hij gevallen is.”

“Nou lekker dan”, dacht ik: “laat ik ook maar gaan liggen, dan”. Oké, ik was depressief in die tijd.

Prediker: ik dacht dat hij ons allemáál aan de seroxat wilde hebben.

Drie jaar geleden echter kieperde iemand hem voor mij uit het gesticht. Hij was zelf ziek en wist dat hij dood zou gaan. Dat waren ook wel zo’n beetje zijn woorden “dood gaan”. “Dat weten we dan”, was zijn motto: “daar hoeven we het verder niet meer over te hebben.” Als je bij hem was, en bij zijn vrouw, dan had je helemaal niet de ervaring van ziekte. In tegendeel. Het licht scheen er. Hij had altijd bezoek. De gesprekken gingen over het dorp, zijn familie, zijn werk en over de droom dat hij de Vierdaagse nog wandelen zou. En hij, die het leven omarmde, kwam met Prediker toen hij wist dat zijn begrafenis niet meer te ontlopen viel. “Alles heeft zijn tijd”,  moesten we lezen. En daarbij ook de zinnen: “maar wij kennen de tijd niet. We hebben geen idee van wat God doet”. En tot slot beslist ook de gongslag: “laten we dan eten en drinken en daarvan genieten. Want dat is een gave van God”. “Dat is het.”, zei hij. Hij hield zo ontzettend van het leven, dat ik eigenlijk niet begrijp hoe hij dood kan zijn. Die gedachte zal ook wel weer ijdel wezen.

En nu lees ik zelf Prediker. Eerst elke ochtend in mijn eentje. Nu samen aan tafel. Valt het mee? Nou…

Het blijft een bijbelboek hè. En de bijbel valt niet mee. Niet tegen ook, trouwens. De Bijbel gaat aan deze begrippen voorbij. Afgezien misschien van wat gezellige psalmversjes op tegeltjes geborduurd. Het vergaat mij altijd weer van: “Hè? Huh? Moet ik hier wat mee?” Een grapjas heeft eens gezegd, dat God maar blij mag zijn dat er dominees en pastoors bestaan. Die fatsoeneren dat bonkige, houterige boek tenminste tot iets behapbaars. Anders was het nooit Woord van God geworden. Ik ben wel eens jaloers op de Happinez, ja.

Maar goed: als je de gedachte los kunt laten, dat je iets van de bijbel moet vinden, dan begint hij toch werkelijk bijzondere dingen te geven. Dus Prediker ook. Als uit een koel-donkre vijvergrond groeien waterlelies omhoog zoals: “Hoe zal één mens warm worden? Twee koesteren elkaar.” Inderdaad: je denkt hoe je elkaar soms midden in de nacht even zoekt. En hoe gelukkig je dan kunt zijn. Een geluk, dat groter is dan “ik had veel paleizen en veel slaven en slavinnen”.

Prediker slaat je veel uit handen. Dat je controle over je leven zou hebben: hij lacht je vierkant uit. Dat rijkdom gelukkig maakt. Prediker haalt er zijn schouders bij op. Dat wijsheid het doel van het leven is. Hij schampert. Ja, zeker: wie wijsheid heeft, loopt met ogen in zijn hoofd rond, terwijl een dwaas stekeblind is, helemaal waar. Maar een wijze gaat net zo goed dood. Hij krijgt een prachtige grafsteen en glanzende toespraken. Maar na verloop van tijd staat de steen scheef en vraagt een meisje dat met haar moeder voorbij loopt: wie is dat? En de moeder weet het niet.

“Eten en drinken”. O, en daar moet je ook je levensdoel niet van maken, want dan ontglipt het je ook weer. Johannes van Dam, de eetrecensent was ook niet de meest geslaagde, de meest gelukkige mens op aarde. “Gave van God”, dat is de kunst van het leven. Het komt voorbij waaien. En dan openstaan, zodat je het ziet en het aanneemt.

Gisteravond liepen we in het half-duister naar de auto. Hoog bovenop twee schoorstenen stonden twee ooievaars naar elkaar te klepperen. Dat is het. “Gave van God”.

Ik was zo depressief, ooit, omdat ik altijd bezig was met “hoe moet ik vallen, hoe moet ik staan, hoe doe ik het goed, hoe verpest ik het niet” en daarbij al het antwoord: “ik val niet goed, ik sta verkeerd, ik doe het fout en ik heb het al verpest.”

Prediker draait mij om. En redt mij zo uit het gesticht. “Je doet het nooit goed, want je weet niet hoe je het doen moet. Je weet het niet, omdat het niet te weten is. Dus doe nou maar gewoon. Dan doe je het altijd goed.”

Je bent dood voordat je het weet.

Zonde, als je dan al die tijd hebt lopen tobben.

Best een vrolijk bericht. Toch?

We zijn niet machteloos

Het is een klein, intiem tafereeltje waar we zicht op kregen. En dat het gelezen werd in de ruime middeleeuwse kerk van Middelstum maakte het voor ons gemakkelijk om dichterbij te komen. Het boek Samuel lag opengeslagen. Het eerste. Bij Saul, de koning. We luisterden. Er werd in ons een deur op een kier gezet waardoor we drieduizend jaar terugkeken. Waardoor we in onze eigen ziel keken.

Het begint nogal ondoorgrondelijk (hier). De Geest van de HEER heeft Saul verlaten. En nu heeft de HEER hem een boze geest gestuurd.

Ik weet nooit precies, hoe ik zulke regels moet verstaan. Stuurt Hij-met-de-naam “ik zal er zijn” ellende op ons af? Lekkere god, dan. Wat zou de schrijver er in gehoord hebben? Ik sta een beetje dom te hippen op mijn voeten. Denk aan mijn oma, die er wel raad mee wist. “Geen vreemde hand doet mij dit aan”, was bij haar een gevleugeld woord. Ik denk ook aan mijnheer Nederlof van twee blogjes geleden.

Ik hoor er in, dat de situatie nogal hopeloos is. Als de HEER iets gestuurd heeft, laten we het daar maar even op houden, dan is het nog niet zomaar één-twee-drie weg. Misschien is het een kanttekening bij onze cultuur die zo graag elke ziekte uitgebannen ziet. Soms is iets niet uit te bannen. Het is er. En het zal er wel even blijven zitten.

Daarmee zou het verhaal uit kunnen zijn. Kort verhaal. “Saul had de Geest van de HEER, hij kreeg een kwade geest. End of story”. Maar het blijkt pas het begin. En daar sta ik dan werkelijk van te kijken.

Ik denk ineens aan een jonge vrouw in mijn eerste gemeente. Ze woonde in een prachtige bungalow aan het water in de polder. Haar man was plotseling gestorven. Het was een drama. Ze had wel eens gezien hoe vrienden langsf ietsten, inhielden, maar dan toch de brug niet overkwamen. Ze belden niet bij haar aan. “Ik heb hen gevraagd, waarom ze doorfietsten. Ze antwoordden: we weten niet wat we moeten zeggen.” “Alsof ik dat wel weet”, concludeerde ze bitter: “Maar als ze blijven voorbijfietsen, zullen we nooit weten wat we zeggen moeten.”

Er zijn dienaren bij Saul. En die vinden, dat er iemand een beetje muziek moet komen maken. Het helpt geen snars tegen de boze geest. Maar wie weet helpt het dan toch. Ze kennen ook ene David. Een leuke, knappe jongen. Dat dat erbij staat! Wat een raar boek is de bijbel toch. Waar je informatie verwacht, krijg je niks te horen, vertellers hebben in de Schriften altijd haast. En hier krijg je ineens te horen dat David aantrekkelijk was. Michelangelo kende zijn bronnen….

Ik ben ontroerd door het hulpeloze geschutter van de dienaren. Ik stelde mij daar onder de gewelven in Middelstum zo voor, dat zij in de wandelgangen met elkaar gesproken hadden. Dat ze het naar vonden voor Saul. En dat ze niks konden doen. En hoe toen één zei: “Ik ken iemand, die speelt prachtig op de harp.” Daarna waren de stemmen vast stilgevallen. Een harp? Tegen een boze geest? Dan kun je net zo goed met drie steentje en een slinger een reus gaan verslaan. Belachelijk plan.

Maar ze weten niks beter, gaan toch naar de koning en vertellen hun idee aan hem. Ze pakken uit, over knap enzo. Het versluiert nauwelijks de zinloosheid van hun actie. Maar ze vinden het naar voor hem. Dus doen ze wat.

En dan.

“Ik had maar liever gehad, dat mijn vrienden over de brug waren gekomen en hun fiets tegen mijn huis hadden gezet. Dan had ik in elk geval niet in mijn eentje niet geweten wat ik zeggen of doen moest.”

David komt. Hij speelt voor Saul.

En de boze geest… wijkt.

Zo lang David speelt.

In het idiote gebeurt het. Ik borduur er nog eens een tegeltje van: “In het belachelijk kleine ligt het grote”.

Komende zondag ga ik hier naar het verpleeghuis. We vieren een kerkdienst. De meesten van de mensen daar lijden aan Alzheimer. Ze hebben een half uur nodig om tot rust te komen en te beseffen dat ze in een andere ruimte zijn gekomen. En na dat half uur gaan we al weer bijna uit elkaar. Maar gaan we zingen “Vaste rots van mijn behoud”, dan wijkt alles. En kijken we elkaar aan. En is het een-en-al eeuwig-zijn.

Misschien moesten we elkaar maar eens wat vaker omspelen met onze harp.

Ook als we niet zo knap zijn.

 

Het refrein is helemaal niet Hein..

zwarte-zwadderneel“Het lijkt wel een preek van de Oud-Gereformeerde Gemeente”, gaf één van onze meelezers als commentaar op psalm 49. (hier).  We komen nog altijd bij elkaar, al jaren lang, om met een voor-wereldlijke traagheid ons te buigen over deze oude liederen. Er schuilt in ons iets van nonnen, in mij schuilt iets van een non die geduldig roosjes en sterren op een koorkleed borduurt, steek voor steek. Pas aan het eind van het werk ziet zij, wat al die uren uiteindelijk hebben opgeleverd. Het vermoeden doet haar verder gaan. En mij ook.

De Bijbel in gewone taal leek het commentaar te bevestigen.  De bedachte tussenkopjes “het leven is niet te koop”, “alleen God redt” en “in je graf kun je niets meenemen” leken rechtstreeks aan de Zwarte Zwadderneel ontleend. “Geen leuke psalm”, zei iemand anders en nam nog een slok van haar koffie.

De psalm somt op wie er dood gaan, op het laatst. Armen, rijken, wijzen, dwazen: iedereen. Met een zekere genoegen schildert het lied dan ook nog even wat dood-zijn is: het daglicht nooit meer zien, door duisternis omgeven worden, niemand-zijn, niets- worden.

We namen allemaal een slok van onze koffie.

“Nou”, begon toen iemand van ons: “als ik hier over het kerkhof loop en ik zie al die grafstenen… Mijn vader en moeder liggen hier begraven, dus ik kom er nogal eens. Ik ken al die mensen die daar liggen. Ik herinner mij hun levens, waar ze zich druk over maakten. Dan denk ik: tsja, en nu lig je hier. Was het het allemaal waard?” Hij dacht aan de ruzies die ze hadden gehad over de ligging van een sloot, of dat iemand zijn koeien had laten drinken uit water dat hoegenaamd van iemand anders was, of hun pronkerij: ik heb vijf koeien meer dan jij. “We willen ons toch allemaal bewijzen tegenover elkaar.”, zei hij.

We verbaasden ons over de snelheid, waarmee wij voorbij gaan. “Toen mijn vader was overleden en we reden na een aantal intense dagen naar huis, sprong het stoplicht voor ons op rood. Het schokte mij, dat die al die tijd gewoon was doorgegaan met van rood naar groen springen en terug.” De wereld lijkt zich van onze dood niet veel aan te trekken. Van ons leven wel, dan?

Midden in de psalm staat één zinnetje dat afwijkt. “Een zij-weg”, noteert Willem Barnard hierbij. Hij wil de wanhoop van de psalm niet verzachten met vrome praat. En gelijk heeft hij. Niets zo erg, als iemand die jou je verdriet afneemt met geklets dat voor wijsheid door moet gaan.

Maar gaat de psalm wel over wanhoop?

“Misschien moeten we bij het begin, beginnen”, vroeg een derde onze aandacht. “Kijk nou wat er staat” De psalmist vraagt onze aandacht: “Luister!”, zegt ‘ie. En het lied zingt vervolgens, over wijsheid die in het hart is gegroeid. De psalmist heeft het leven ervaren en daar iets in ontdekt wat meer dan het delen waard is. De psalmist roept niet maar wat. Het is levenservaring.

“Ik heb gezien, dat wij allemaal dood gaan, waarom zou ik dan nog bang zijn?” Het lied gaat niet over wanhoop, maar omgekeerd: als ons toch allemaal hetzelfde overkomt, dan hoef ik mij dáár in elk geval niet druk over te maken. Het lied gaat over leven in vrijheid.

En toen kwamen de verhalen los. Hoeveel wij hadden gezien bij het sterven van mensen op wie wij gesteund hadden. Hoe pijn het had gedaan. Maar ook – hoe het ons veranderd had. En dat je die verandering dan toch aanneemt en hoe je daar – woord dat hier niet klopt en wel klopt- blij mee bent.

Het leven komt altijd op ons af. Maar als het verdriet op ons af stormt, lijkt het wel alsof het met grotere helderheid, diepere duidelijkheid naar ons toekomt. Iedereen weet, wat hij moet doen, als de liefste mens ziek wordt. Of je het dan durft, dat is punt twee.

Midden in de psalm staat dat losse vers: over God die mij bevrijdt.

Het leek ons de ontdekking van de psalmist. Dat het meeste waar wij opgewonden van raken onzin is. Dat er slechts één ding werkelijk blijft. En dat de psalmist dat ene: “God” noemt.

Die constatering hielp ons. Maar ze hielp ons ook helemaal niet.  Want wat of wie is dan “God?” In de psalm wordt het woord ‘elohim’ gebruikt. Kun je met god al alle kanten op, met elohim zo mogelijk nóg meer. Het betekent “goden”, “god”, “wat zich als god voordoet”, maar het kan óók betekenen: dat ene, dat echte, dat waar het op dit moment op aankomt. G’d dus. met die gekke apostrof: omdat we niet weten wat dat ene is, totdat dat ene zich aandient. En dat we er steeds over praten, om dat ene te herkennen als het aan de orde is.

“Harmonie”, zei iemand. Dat zal de vorm van G’d zijn. Dat je goed naar de ander toegaat en dat de ander goed naar jou toekomt. “Vrede”, zei een ander. Dat je je naaste op het oog houdt en je oog niet laat verstoren door van die gekke dingen als gelijk willen hebben.

“Dat je jezelf aanvaardt, ook in je fouten” “Dat je liefhebt” “En dat je dat ook zegt: Ik hou van jou” “En dat je dat het eerst zegt tegen de mensen die het dichtst bij je staan.” In stilte namen we ons voor dàt te gaan doen. En er niet te lang mee te wachten.

We proefden de liefde. We cirkelden om haar heen. En G’d leek tussen ons in te zitten, die avond. We waren heel ver weg van de Oud-Gereformeerden.