Volslagen krankzinnig … mooi.

De muziek was goddelijk, zei Mike Bodde, maar we moesten maar niet te veel op de inhoud letten (hier). Hij doelde op de aria “Wie wunderbarlich is doch diese Strafe” uit de Mattheuspassion van Bach. Want die inhoud: die was volslagen krankzinnig. “Barmhartige heer offert zijn eigen zoon.” Tot zover Boddé ’s diepte-analyse van het lied.

Nu ben ik zelf niet zo dol op Bach. Te frutterig, te corsetterig en dwangmatig, sorry. Maar ik snap wel, dat de eventuele goddelijkheid van zijn muziek àlles te maken heeft met de inhoud ervan. Die twee kun je niet zomaar uit elkaar scheuren. Bach moet zelf hebben geloofd wat hij op muziek zette. Goddelijke muziek ontstaat niet op een flutinhoud.

Je zou mogen verwachten dat een kommaliefhebber als Witteman niet akkoord gaat met: “laten we de tekst hier voor het gemak maar even vergeten.” Hij deed het wel: er mee akkoord gaan.

Kom op, mannen: het gáát om de tekst.

En ja; die is volslagen krankzinnig.

Volslagen krankzinnig, mooi.

“Hoe wonderbaar is deze straf,

de goede Herder lijdt voor zijn schapen

de schuld, betaalt de Heer, de Rechtvaardige

voor zijn knechten”

In het Duits rijmt het. Maar dat had je al begrepen. Hoe komt Bach, of eigenlijk zijn librettist, nu bij deze tekst? En wat zouden wij er mee moeten?

Het komt uit de bijbel (open deur). In het Oude Testament staat een tekst die indringend vertelt over iemand die mishandeld wordt (Jesaja 53, onder andere). Zijn baardharen worden uitgetrokken, hij wordt geslagen. hij krijgt met de zweep, en iedereen denkt: “Zo, die is door God en alleman gehaat zeg.” Maar dan komt onverwacht de clou: hij droeg onze straf. Hij werd geslagen en wij genazen er van.

Duidelijk he? Nee. Raadseltaal.

Maar goed, de tekst komt terug, later. Als Jezus is gekruisigd. Die hele martelgang van Hem leek één gruwelijke fout. Jezus was meer dan een goed mens. Hij had dit niet verdiend.

Maar leg je nu Jesaja bij de kruisdood van Jezus, en dat deden zijn leerlingen, dan lijken raadselstukjes op hun plek te vallen. Híj verdiende geen straf, maar de mensen wel. Het wonder is: zij werden niet gestraft. Maar Hij wel.

Het beeld van de goede Herder die de straf draagt voor zijn schapen, dat is onder andere door Petrus zo gezegd. Hij schrijft er over in één van zijn brieven. Hij droeg de straf die voor de mensen, voor ons, bedoeld was.

Nog steeds raadseltaal?

Ja- het blijven teksten die groter zijn dan wij. Nooit kan ik helemaal zeggen dat ik het snap. Net als poëzie: ik lees het, het doet iets met mij. Maar als je mij vraagt: leg het uit, dan sta ik met een mond vol tanden.

En toch.

Dit is wat ik er van begrijp.

Als ik kijk naar de afgelopen week. Brussel, Ankara, maar als ik daarbij ook denk aan Mosul, aan Homs, aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven onder de bommen van de Westerse mogendheden en aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven door messen en bommen van IS, en dan is dat nog maar een versimpeling van alles wat er gaande is. Ik noem dan nog niet eens de vrouwen die deze week door hun mannen zijn mishandeld, of de mannen die zijn vermoord, of het alledaagse onrecht van de rijke die overal doorheen komt terwijl de arme overal voor lijkt te moeten boeten. Als ik die wereld zie, dan denk ik: zo veel kwaad, zo veel rotzooi. Dat kan toch niet onbeantwoord blijven? Het kan toch niet altijd maar zo doorgaan?

Wilders riep gelijk om het dichtgooien van de grenzen. Het aanpakken van de misdadigers. Het preventief fouilleren van “donker getinte personen”. Hij was de enige niet. We willen voorkomen. We willen ook rechtzetten.

Zo veel rechtvaardigheid hebben mensen dan nog wel in hun donder. Wat oneerlijk is mag niet de vrije hand hebben. We willen dat het oneerlijke stopt.

Omdat dat de basisstructuur van ons bestaan is, zeggen de schriften. God is rechtvaardig. Zeg: de energie achter alle dingen. Ik zeg: de stem die in alle dingen spreekt.

Kwaad moet worden rechtgezet.

En wat zegt nu de aria? Die zegt dat alles al rechtgezet ìs.

Huh? Oh!

Jezus heeft de straf gedragen

niemand zal meer worden gestraft

 

straf is helemaal het woord niet

leven, dat is het woord

ga vrijuit – dat is het woord.

 

Voor mij betekent Goede Vrijdag allereerst: wij zijn vrij  –

en daarna volgt in één adem: laat ook anderen vrij

straf hen niet.

Deze week begonnen mensen in Brussel op de straten en muren te tekenen en te schrijven. Het waren woorden van hoop. Ze tekenden een nieuwe wereld. Eentje, waarin mensen elkaar niet meer zouden doden, maar waarin mensen elkaar het leven zouden gunnen. Wat ze ook maar op hun kerfstok zouden hebben.

Ephimenco, een columnist in dagblad Trouw, geloofde er niet in. “Met krijt en bloemen win je geen oorlog.”

Ik dacht: “Voor wie het wel geloven is de oorlog al voorbij. Voor wie het wel geloven heeft haat geen macht meer. Voor wie het wel geloven heeft de dood geen greep op ons.”

Maar ja, ik snap het wel: dat te geloven is tamelijk

krankzinnig

Advertenties

Een zwart gat tussen de vrolijkheid, en God.

De absolute ster op de tentoonstelling van Matisse was Rothko. Het leek alsof hij tussen alle vrolijkheid te wachten hing, totdat je als bezoeker bij hem kwam. Aanwezig door alle tentoonstellingszalen.

Zijn schilderij is spookachtig. Drie blokken aardebruin op elkaar gestapeld. Het middelste blok fluoresceert. Het wankelt en beweegt. In het midden gaapt een groot, zwart gat. Als negatieve energie.

Ik heb een multifocusbril, en dan zie je nooit goed waar je naar kijkt. Ik dacht voor een seconde, dat ik het schilderij binnenviel. De diepte in. De kleurigheid was ver weg. Het schilderij ademde gespannen. En ik ook.

Onverwacht schoten woorden naar boven van Hape Kerkeling, een Duitse komiek. Ooit maakte hij een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Hij raakt de weg kwijt in een bos met rare, kromme bomen. Ook zijn tochtgenote, de altijd stabiele Monica, wandelt het bos wel ìn, maar niet meer uit. Pas laat in de avond komt ze bij de herberg. Hape is overstuur. Zij heviger. Haar verwardheid, verwart hem nòg meer. Hij schrijft: “Blijkbaar hebben we allemaal ergens een spookbos, waar wij in verstrikt kunnen raken.” Later zegt de eigenaresse van de herberg, dat het bos “van de heksen” wordt genoemd. Ik citeer dit alles uit mijn hoofd. Misschien schreef Kerkeling het wel heel anders op, maar dit bleef mij bij: er ligt een zwart gat in je bestaan, en dat wacht totdat je er een keer indondert.

Ik ben een paar maal teruggelopen naar Rothko. “Geen prettig schilderij”, merkte mijn echtgenoot droogjes op. Nee.

Maar wel waar.

Matisse dacht dat in de “vrolijkheid, het zorgeloze en het decoratieve alle aspecten van het leven uitgedrukt waren”. Hij heeft gelijk, tot een zekere grens. Vrolijkheid heeft een grote draagkracht. Schoonheid kan troosten. Hoe vaak ging ik niet zelf naar een museum om mij te laten hele door mooie dingen. Of wandelde ik naar een monument in de stad waar ik van houd, een kerk, een hofje, een singel.

En toch. Matisse kon niet het duistere uitdrukken. Ik vond het bij Rothko. Ik herkende mijn eigen diepe valkuil.

Toen ik veertig werd, honderd jaar geleden, lazen we psalm veertig. Daarin wordt gezongen over kuilen waar je in kunt vallen. Een commentaar schreef: “Het gaat om woestijnputten. Dunne schachten die met zand dicht kunnen waaien. Je ziet ze niet, je denkt door te kunnen lopen, je zakt weg en raakt bekneld.”

Ook gisteren: een artikel over mensen die geen weg meer door het leven zagen. (hier). Hun spookbos kreeg hen in de tang.

Dat ik uit de put tevoorschijn kwam, is een verhaal dat nauwelijks in woorden is uit te drukken, schreef ik ooit bij psalm 40. Het is het verhaal van mensen die vertrouwen in mij bleven uitdrukken. Die bleven zeggen, dat ik er toe deed. Die mij opzochten. Die het donker met mij wilden delen. In hun aanwezigheid en in het weten dat zij met mij aanwezig wilden zijn, gebeurde het. Ik vond de weg naar buiten. Dat “het”  is meer dan één en één is twee. Tot op de dag van vandaag weet ik geen beter woord voor dat “het”, dan : ‘God’.

Omdat in hun aanwezigheid iets van “eeuwig weten” naar mij toestroomde. Iets van “blijvende aanwezigheid”. Zij sjorden mij niet naar boven. Ik sjorde mijzelf niet naar boven. En toch kwam ik terug in het licht. De engte uit.

Rothko is in het zwarte gat verdwenen. Hij heeft het adembenemend uitgedrukt in werk dat in Bilbao hangt. Ving “God” hem niet op?

Ik vind dat van die vragen.

Toen ik zijn werk zag, daar in Baskenland. En ik de pijn voelde. Tranen prikten omhoog.

Misschien is dat dan ook God?

Kleur blijven, dichtbij het zwart?

Iemand missen die je niet hebt gekend?

Leven zijn rondom de dood.

Niet alle aspecten van het leven worden door vrolijkheid, kleur en zorgeloosheid uitgedrukt. Maar ze drukken er wel de essentie van uit. Van het leven. Dat het geleefd wil worden.

Daarin heeft Matisse dan wel gelijk.

En dat zijn werk rondom dat van Rothko hangt, in het Stedelijk Museum, dat is dan wel

erg mooi.

Buigen?

“Vroeg of laat krijgt God je op je knieën”

het zinnetje bleef als een wolk half-verbrande stookolie tussen ons in hangen.

We waren beiden in het ziekenhuis. Hij en ik. We speelden allebei onze eigen rol.

Hij: 89 en stervende.

Ik: een jonge, idealistische dominee.

Twintig jaar geleden.

Ik zou een traumaloze God verkondigen. Zo was ik in het ambt gestapt. Er waren al te veel levens platgewalst onder dominees-die-alles-wisten. Ik zou het zo niet doen: ik zou het leven verkondigen. En de vreugde. Ik wilde, dat mensen er zin an kregen. Aan het leven, aan zichzelf en aan elkaar. Bij mij zouden de lichtjes aan gaan. Dat stond mij helder voor ogen. Ik was zelf ontsnapt aan een God die “je uiteindelijk wel op de knieën krijgt”.

Ik voelde mij een hele piet met mijn vraag “Denkt u dat? Dat God je klein maakt?” Ik prees mijzelf heimelijk, hoe ik zocht naar een mogelijkheid om deze man te laten zien dat God je juist gróót maakt. Toen ik een meewarige blik ontving van hem. Tsja. Dat moest wel aan de zeventig jaar zware preken hebben gelegen die de arme man over zich heen had gehad. Dacht ik.

Het zinnetje is terug. Na al die tijd. Het is zomaar weer in mijn hoofd komen wonen. Ik kan de stookolie er nog steeds van proeven. Het onverteerbare van de constatering. Het pijnlijke. De teleurstelling die er in schuilt. Maar ik proef ook de kracht.

“Had ik de man toentertijd maar laten uitpraten”,  denk ik spijtig: “ik was misschien wijzer geworden.” Ik dacht dat ik hem iets te bieden moest hebben. Hij had mij iets te geven, begrijp ik nu. Ik nam het niet aan.

Had ik hem kunnen vragen naar zijn teleurstelling, dat hier zijn leven eindigen zou? Zijn schok, dat hij 89 was en niet meer de ‘man van vijftig’ die hij zich voelde? Had ik kunnen vragen naar de onmogelijkheid die hij voelde om zelfs maar het kleinste detail van zijn leven te kunnen wijzigen? Ik had het kunnen doen. Ik deed het niet. Omdat ik mijzelf al wijs achtte.

Ik ben twintig jaar ouder. Nu zit ik op een weg van “o, zo gaat het dus en nee ik heb er geen invloed op”. Niet dat er iemand dood gaat. Maar er is wel ziekte. In het leven van mijn man. En dus ook in dat van mij. Die ziekte vreet steeds dieper naar binnen.

Jaren lang hielden wij hem klein. Door hem een hoekje aan te wijzen, er een hek om heen te zetten, en verder zo veel mogelijk ons eigen plan te trekken. We gingen naar de opera, we lachten, we hadden vrienden om ons heen, we genoten van de kerkgemeenschap, we waren blij met onze familie. Het leven stroomde naar ons. Al was het op sommige dagen alleen door het piepkleine gaatje van bijvoorbeeld een koolmees-voor-het-raam.

De ziekte kroop bij ons op schoot. Legde zijn kouwe, blauwe vingers in onze nek. Blies ons in ons gezicht.

Je kan lachen wat je wilt. Je kan bidden wat je wilt. Je kan je kop in zand steken, als je dat wilt.

Toch zit hij daar. Op schoot.

“vroeg of laat….”

 

Mijnheer Nederlof. Oude, wijze mijnheer Nederlof; was ik maar aan uw voeten gaan zitten, toentertijd. Om te luisteren.

Nu moet ik het wiel zelf uitvinden.

De afgelopen weken heb ik dit begrepen: leef je leven. En laat het je niet afnemen, niet verminderen, niet beschadigen. “De dood zal de krassen van mijn nagels op zijn smoel hebben staan”,  zei eens iemand anders: “omdat ik zo voor mijn leven heb gevochten.”

Maar ja. Soms is er niets om voor te vechten. En dan? Mijnheer Nederlof had gelijk: dan moet je buigen. Erkennen dat is wat is.

Goed. Buigen dan. Maar buigen zal ik pas als alle andere mogelijkheden zijn verdwenen. En dan nog… Niet als een geslagene zal ik buigen. Niet als een overwonnene. Ik zal buigen als een trotse. Dat de ander voelt: mijn kracht. Mijn bestaan.

God zal weten, wie ik ben.

En dan maar hopen, dat er geen wijsneus van een dominee aan mijn bed komt.

 

Zalig oud worden

Ik denk wel eens: “Ik ga bidden, als ik oud word.” Ik bedoel: als ik zó oud ben geworden, dat ik niets meer kan. Ik afhankelijk ben van Joost-mag-weten-wie om mijn steunkousen uit te trekken. Of om een lapje langs mijn lippen te halen, omdat anders het gekwijl àl te erg wordt.

Die tijd komt, namelijk. Ik kijk er niet naar uit. Het is hopelijk ook nog een end weg, maar er komt een dag, waarop ik denk: “Hé geraniums!”. En daar dan de schok bij: “Verdraaid, ik zit er achter.” Je kunt er maar beter op voorbereid zijn.

Dat zijn we niet. We zijn niet voorbereid op onze gebrekkigheid. Als lemmingen kijken we naar onze jeugd. “Denk niet aan hoe ik werd, maar hoe ik was toen ik alles nog kon.” Nou…. denk maar wel aan hoe je zult worden.

Nee, onze cultuur helpt ons daar niet echt bij. Hysterisch bijna, prijst die alles aan wat jong is en hip. Je doet mee, als je skinny jeans draagt. Je bent ‘out’ zodra de tena-lady in zicht komt. Dus hollen we allemaal hazerig door onze straten, om de ouderdom van ons lijf te houden.

En de samenleving houdt de ouderdom op haar beurt buiten de deur. De bejaardenhuizen, ooit opgericht om een vriendelijke, oude dag te bezorgen aan onze ouders, maken het ons vandaag héél gemakkelijk om te denken dat het òns niet gebeuren zal. Wij worden oud, terwijl wij in een jacht de wereldzeeën bevaren. Op z’n minst.

Not.

Een innerlijk dat is gevuld met de gedachte, dat je er toe doet zo lang je meedoet, valt om, zodra er niks meer te doen is. Wij komen verhalen te kort om het laatste deel van ons bestaan waardevol te vinden. Het verhaal van vandaag, “de jeugd heeft de toekomst”, komt te kort.

De vraag naar euthanasie onder lichamelijk gezonde ouderen, voor hun leeftijd gezonde ouderen, bleek een zingevingsvraag te zijn. Zo ontdekte Els van Wijngaarden. Mensen voelen zich overbodig. Weten zich geen raad met hun afhankelijkheid. Ervaren de binnengeslopen nood aan hulp als mensonterend. “Gisteren een bankdirecteur, vandaag een oudje op de bank.” Als je het verhaal zo vertelt, blijft er niet veel over om voor te leven.

Is er niets om te leven, als je oud bent? Lijkt me stug. Ik zie om mij heen veel ouderen die het elke dag doen: oud zijn. Ik leef in de kring van de kerk, hè, en daar kom je ietwat bovengemiddeld veel ouderen tegen. En ze doen het tamelijk opgewekt. Ze lachen zelfs wel eens. Hun geheim?

Ik hoop dat mijn geheim zal zijn: een innerlijk dat overeind blijft als de omstandigheden veranderen. Ik vind, om te beginnen, geholpen worden niet mensonterend. Misschien is het juist kenmerk van mens-zijn: dat we hulp kunnen geven en dat we dus ook hulp kunnen ontvangen. Als baby veegde mijn moeder…. uhm: waste mijn moeder mijn rug al. Mensonterend? Nee. Zo gaat het nu eenmaal. Aanvaard dat het gaat zoals het gaat. En creëer daarbinnen je leven.

En kunnen we dan ook ophouden ouderdom in een apart hokje te stoppen? Waarom doen we dat toch? De gehandicapten op een hoop. De zieken op een hoop. De ouderen op een hoop. Je moeder in huis is ook niet ideaal, maar het maakte je wel veel duidelijk. En je genoot van haar, dat zij inmiddels anders tegen de dingen was gaan aankijken. Ouderen hebben ons veel te bieden. Niet omdat ze oud zijn, maar omdat ze mens zijn. Halsstarrig weigert onze samenleving hun gave aan te nemen. Een uurtje op zondagmiddag. Je horloge tikt de minuten weg.

Ik kan dan wel begrijpen dat je dan liever dood wilt. Als toch niemand je meer als mens ziet, en jij zelf ook niet, dan ben je al een beetje dood, eigenlijk.

Ik droom er wel eens over. Dat ik in de Marckenburg woon. Dat was een bejaardenhuis old-school. Het is er niet meer. Met een kamertje waar je je kont niet kon keren. Het leken er wel kloostergangen. Ik droom, dat ik in een bijna lege kamer woon. Want veel heb ik dan toch niet meer nodig. Een stoel en tafel om aan te schrijven, een bed en een bidstoel. Ik volg de getijdengebeden. Maar sla die in de nacht over: je kunt ook overdrijven. Ik ben, als ik oud geworden ben, meer binnenkant dan buitenkant. En ik geniet van het bestaan. Omdat ik zoveel binnenkant heb ontwikkeld.

Als ik ’s ochtends uit de droom wakker word, besef ik: dan mag ik er vandaag wel eens aan gaan beginnen, aan dat innerlijk van mij. Dat lijkt nog helemaal nergens naar. En als dat zo blijf wil ik straks ook dood, nog voordat ik dood ga.

Nee, ik stop niet met G’d

“Nu stop je er zeker wel mee?”, vroeg een oude bekende afgelopen week. Hij had mijn verbondenheid met G’d altijd met een zekere meewarigheid bekeken. Een kinderziekte, waar ik overheen moest groeien. Volwassen mensen geloven niet meer in Sinterklaas. Ze houden dus ook vanzelf op in G’d te geloven.

Maar zo ging het bij mij niet.

Ik vond het wat naïef van hem, dat hij mij nog altijd leek te zien als een kind in een grotenmensenlichaam. Ik had de indruk, dat àls er iemand in een ontwikkeling was blijven steken, híj dat eerder was dan ik.

Het is altijd fijn, om het gelijk bij jezelf te vinden, ik geef het toe.

Nee, natuurlijk hield ik niet op met G’d. Ook nu niet, nu er wel wat vervelende dingetjes bij ons aan de hand zijn.

Híj leek te denken, dat ik dacht, dat G’d als een soort superpapa mij zou beschermen. Hij leek te denken (was het zíjn beeld van G’d?), dat Iemand in de hemel mijn leven op een zinvolle wijze vorm gaf. En dat Die zou voorkomen wat vervelend is. En dat ik nu dan wel teleurgesteld móest zijn.

Ik ken niemand die er zo over denkt.

Als je al staande wilt houden, dat G’d voor je zorgt. Dat Hij je alleen maar geeft wat je nodig hebt – en er zijn gelovigen die er zo over denken, ik weet het – dan zit er toch altijd een buffer tussen. Wie G’d als de zorgzame vader ziet, zal toch iets zeggen als: Maar wij kennen Gods bedoelingen niet ten einde. Of: niet alles is G’ds wil, er is ook kwaad.

Met andere woorden: niemand zal beweren, dat zijn leven pure uitdrukking is van G’d.

En al helemáál niemand zal willen zeggen, dat deze wereld in zijn totaliteit zuivere uitdrukking is van een goede, hemelse macht.

Wie de Shoah probeert in te passen in de logica, door te zeggen dat 6 miljoen mensen hun karma moesten oppimpen, of door te zeggen dat het hun eigen schuld was, want…. Mensen met zulke redenaties krijgen terecht alle hoon over zich heen.

G’ds handelen is niet te kennen. Dat zegt Prediker al.

Voor mij gaat het echter nog een steekje verder. Ik geloof helemaal niet, dat er machten zijn, of een macht is, die mij ergens voor behoedt. Ook G’d beschermt mij niet. Ik zou het onrechtvaardig vinden, als het wel zo was. De wereld werd onbetrouwbaar, als biddende mensen meer goedheid kregen dan niet-biddende mensen.

Er stond een artikeltje in het AD. Hier. In 1959 crashte een privévliegtuigje. Er kwamen twee mensen bij om het leven. Onlangs meldde zich een man die de stoffelijke resten had gevonden, plus een kostbare en dierbare trouwring. De dochter van de omgekomen mensen was ontzettend blij dat hiermee een verleden ronder werd dan het tot dan toe was. Ze zei: “Ik heb hier altijd voor gebeden”. “En nu heb ik het gekregen”.

Ik kan niet bewijzen dat het niet zo is. Misschien is het zo. Maar dan vind ik het wel ontzettend cynisch voor al die Syrische vluchtelingen die vandaag bidden om uitkomst, om eten en om warme kleren. En die ze niet krijgen.

G’d geeft wel een diamanten ring terug, en zorgt niet voor eten in Syrië? Mijn hoofd kan er niet bij.

Ik wil in zulke speculaties maar niet zoek raken.

Wat doet G’d dan wel?

Mijn man sprak ooit de meest verlossende woorden: Hij doet niets!

Toen ik dat goed tot mij door liet dringen, besefte ik onze verantwoordelijkheid. Meer nog dan ooit daarvoor.

Jezus zegt in meer dan één gelijkenis: er was eens een huiseigenaar, een koning, een grootgrondbezitter. Hij ging weg. En hij zei: zorg voor het huis dat ik aan jou heb geschonken.

G’d spréékt.

En ik antwoord. Door te leven en te doen.

G’d spreekt de hele dag. Hij spreekt door de buurvrouw die naar mij vraagt. Hij spreekt door de zon die warmte uitzendt. Hij spreekt door het wereldnieuws. Hij spreekt door het kind dat vrolijk lacht en zegt ‘dat het leven prachtig is’. Hij spreekt door de verhalen van de Bijbelse geschriften. Ik vind er mijn plek in, liefde in, ik vind er mijn verantwoordelijkheid in, mijn leven, mijn gaven. En ik ben iedere keer weer verbaasd: dat alles zó dichtbij is. En dat mijn plek er zo toe doet.

Nee, ik ben nog lang niet klaar met G’d. Omdat ik nog lang niet al mijn antwoorden heb gevonden op wat Hij zegt. Dat zal mijn leven lang wel zo blijven.

Je hebt geen tijd voor haat.

Een meisje huppelde om het hunebed. Zij was acht. Hij was meer dan vijfduizend jaar oud. Het was nog getuige geweest van de mensen die hun jacht opgaven, die boeren werden en op één plek waren gaan wonen. Toen de missionarissen door Drenthe trokken was het hunebed al oeroud geweest. En dat was het nog. Als het hunebed vertellen kon… Maar dat kan het niet. Het betaalt zijn ouderdom en al zijn ervaring met onwetendheid. In hem heerst stilte. En zelfs dat niet eens.

Het meisje was een vrolijke, dansende lichtvonk rondom de onbewogen achtergrond. Zoals alle leven dat is. Bij wat een ingang leek, stopte ze haar springende pas. Ze draaide zich om en poseerde. Of haar vader een foto van haar kon nemen? Ze keek verwachtingsvol.

In mijn kast staat een fotoboek van monumentale bomen, verspreid door heel Europa. Reuzen zijn het. En dat zijn ze al eeuwen. Ouderdom wordt niet meer door tijd geraakt. Sinds de mensen kunnen fotograferen, blijven ze aan hun voet stilstaan. Rijzige dames met kapsels als soepborden en jurken tot op de grond raakten ooit met hun fijne handen hun stam aan. Jongens met matrozepakjes en ernstige blik, die tot diep in de lens boorde, kerfden hun naam in het schors. Studenten hingen als jolige vruchten tussen hun takken, de pet in het stof gevallen. Volwassen mannen leunden op stokken met zilveren knop. Ze leken met hun kloeke snorren de kanten van de foto’s rechtop te houden.

Ze zijn allemaal dood. Hun wereld is verdwenen. Alleen de bomen bleven.

Het had iets ontroerend. En kwetsbaars. Dat meisje bij het hunebed. Zij zal verdwijnen. Ook zij. De stenen zullen liggen waar zij altijd lagen. Maar weten zullen zij niets. Zij zagen het meisje nooit.

Alleen wij mensen weten wie mensen zijn. En alleen wij kunnen van hen houden. Wij kennen de straf van het zwijgen niet. Wij betaalden ervoor met onze sterfelijkheid.

Het zou ons barmhartig moeten maken. En liefdevol.

Peptalk is nog niet gemakkelijk.


Of ik nog even wilde blijven, vroeg ze na een vergadering. Een venijnige onzekerheid sprong op. Had ik iets fout gedaan? Motortjes in mijn hoofd scanden alle werkterreinen af. Had ik iets geks gezegd tijdens een kerkdienst? Vond ze mijn gedoe op facebook ongepast? Kon mijn rode jasje niet door de beugel? Nog voordat ze iets had gezegd, had ik mijzelf gewogen… en te licht bevonden. Ik stelde ook niet zo veel voor, besloot ik.

Is het de opvoeding? Ja, vast. Een moeder met dagelijks wisselende spelregels helpt de stabiliteit niet direkt. Ligt het in mijn karakter? Ongetwijfeld. Een flink opgetuigd super-ego is niet altijd een zegen. Het geloof dan? Tja, het geloof….

We hadden helemaal niet zulke strenge dominees, vroeger. Wel heel serieuze. Wat dan ook weer een soort gestrengheid is. Maar ze bedoelden het goed. En hadden een groot hart voor mensen.

Ik zocht zelf de strengheid op. Dat wilde ik niet helemaal toegeven, dat het mijn eigen weg was. Ik zei – om ervan af te zijn- liever dat ik van huis uit tot de Gereformeerde Bond behoorde. Niet helemaal waar. Onze kerkelijke thuisgemeente was open en liberaal.

En toch was het ook wel waar. Een onderstroom in onze familie was dat niet. Niet liberaal, bedoel ik. Mijn oma, naar wie ik genoemd ben, was een vrome vrouw. Vroom in de zin van – zwaar tillend aan haar zonden. Streng voor zichzelf. En gestoffeerd met een piëtistische woordenschat. Over het bloed van de Heer. En dat wij zijn genade nodig hebben. Maar dat God, die zij nooit zo noemde, maar altijd de Heere met hoorbaar drie e’s- de Almachtige is onder wiens hand je moest buigen. Het leven had haar nogal krom doen gaan. Het was geen vreemde hand die het haar aandeed, zou zij vaak zeggen.

Zoals stof aan je blijft hangen als je electrisch geladen bent, zo bleef aan mij kleven dat dit wel de juiste levenshouding moest zijn. Niemand die het mij ooit zei. Ik leerde mijzelf buigen en oordelen. Waarom?

Dat heb ik mij vaak afgevraagd. Ik weet het nog niet helemaal. Maar ik denk, doordat wij mensen geen aangeboren stabiliteit hebben. Ik maak er maar een algemeen menselijke kwaal van, dan voel ik me er niet zo alleen in. Zeg me maar niet, als het niet voor iedereen geldt. Op de een of andere manier ontvangen wij een ziel met maar één been. En het is aan ons, blijkbaar, om er een tweede aan te doen groeien. Of er aan te knutselen. Of ik weet niet wat. Stabiel worden, dat moeten we zelf maar doen. Het onnozelste kalf springt na een paar minuten recht op de poten en gaat drinken bij zijn moeder. Die heerlijkheid is aan ons niet gegeven. Wij kruipen maanden machteloos over de grond. Maanden? Jaren. Een leven lang soms.
Hoe word ik  stevig? Het leek mij, zonder woorden, maar het beste om te blijven liggen. Dan kun je ook niet vallen. Als ik mijzelf van te voren al beoordeel, valt het oordeel van de ander alvast mee. Ik word er niet gelukkig van, maar ik weet wel waar ik aan toe ben. En dat is ook wat waard. Liever zeker en onhappy, dan happy en onzeker.

Werd ik steviger? Je zou het niet zeggen. De depressieve route ligt altijd ergens te sluimeren. Maar ik veranderde wel. Denk ik. Ik groeide meer in de ruimte die van mij is. En ik leerde openstaande deuren dicht te doen. Hier ben ik. En zo is het voor nu goed.

Wat mij niet hielp, waren de teksten die riepen “Wat ben je goed!” Nee. Ik werd er onzekerder van. Des te scherper zag ik er door, wat er niet goed was. En neem maar van mij aan: in dit geval was het geen neurotisch gewik en geweeg. Niet alles wat ik doe is goed. Easy as cake. Mijn neurose school hier in: dat ik in het ‘niet-goed’ tuimelde en verdronk. En als ik zag dat het wel waar was, wat de ander zei, dan had ik nog een ander neurotisch antwoord paraat. “Als het de volgende keer dan ook maar zo goed is.” Ja, mijn ziel is een slim dier.

Wat heeft mij geholpen? Dit. Het onderkennen dat het voor de liefde niet uitmaakt of ik het goed doe, of slecht. De liefde wordt er niet anders van. Iemand zei eens: “Als je iets fout doet, ben jij nog niet fout.” Ik denk dat ik hem heel sceptisch heb aangekeken. “Eigenlijk”, vervolgde  hij, met een twinkeling in zijn oog: “Is het heel arrogant om te denken dat je pas goed bent als je alles goed doet.” En arrogant, dat had hij raak geschoten, dat wilde ik niet zijn. Dat vond mijn super-ego al helemaal niet goed. Spin gevangen in zijn eigen web. Je bent G’d niet!

Mijn oma zou zeggen: zie je nou wel, dat je van genade leeft? Er wordt van je gehouden. En je doet niet alles goed. Er wordt van je gehouden.

O, de ouderlinge hield mij trouwens nog even aan, omdat ze blij was dat ik met haar moeder had gepraat. “Het had veel opgelost”, zei ze.

 

Dood. En dan?

“Van Lommel heeft wetenschappelijk aangetoond, dat de geest na de dood in andere sferen is terecht gekomen”, schrijft vanmorgen iemand in een briefje aan Trouw. Er klonk een opgetogen huppeltje in door. Zo van: “en ik heb lekker toch gelijk.”  Bovendien, zo begreep ik van Kees Koedood, de schrijver, is het ook één van de geloofsovertuigingen van christenen dat de geest na de dood voortleeft. Dat vond hij steekhoudend blijkbaar. Ik niet. Ik was van deze geloofsovertuiging zelfs nog niet eens op de hoogte. Al zegt dat, op zijn beurt, natuurlijk nog niet zo veel.

Koedood reageerde op Bert Keizer. Die had op een voor mij overtuigende manier uitgetekend, dat dood dood is. Je moest niet stiekem proberen om toch je geest, of je ziel desnoods, aan je dood te laten ontsnappen. Zijn snelste argumentatie: “als je erkent dat je met je ogen ziet, en je ogen doen na jouw dood geen dienst meer, dan kun je niet alsnog de term ‘zien’ van stal halen.” Filosofisch is het niet zuiver om de onlichamelijke ziel op te tuigen met lichamelijke eigenschappen.

Ik ben geen filosoof. Ik weet ook niet, of Keizers argumenten sterk zijn. Over de wetenschappelijkheid van Van Lommel kan ik evenmin heel zinnige dingen zeggen. Er is nogal wat kritiek geweest op zijn methodes. Men vond hem niet consistent, meen ik. Maar of hij daarmee voldoende weerlegd is? Geen idee.

Van de Bijbelse geschriften weet ik meer. In alle ontwikkeling die ze in hun denken over dood doormaken, vallen mij twee dingen op: hun ferme inzet op de lichamelijkheid van het leven en de zwaarte waarmee zij de dood opnemen. Dood is in de geschriften nogal, ..dood ja.

Als Kaïn wordt doodgeslagen, het eerste geregistreerde sterfgeval bij mijn weten, is er geen letter die er op zinspeelt, dat hij nu in de hemel, of welke ‘andere sfeer’ dan ook verder leeft. G’d is tot in zijn diepste vezels – als hij die als onlichamelijk wezen hebben kan- geschokt.  Het bloed roept op van de akker tot Mij. Het bloed! Niet ‘de geest’ of ‘de ziel’, maar het bloed. Kun je het vleselijker krijgen?

Rachel weent om haar kinderen en weigert zich te laten troosten. Er is er niet één meer van in leven. Mattheus haalt het nog maar eens in herinnering als hij de kindermoord in Bethlehem vermeld. Dat hun leven is kapotgemaakt, heeft de moeders ontroostbaar verwond. En niemand die op het idee zou zijn gekomen om te zeggen: “Maar ze zijn nu… in de hemel”.  Nee. Ze zijn dood.

Ik vind het nogal eerlijk tegenover al die mensen die hun doden missen. Hun pijn is geen fantoompijn. De doden zijn als levenden uit ons leven verdwenen. En dat snijdt. Verschrikkelijk.

Izak huilt, eindeloos, nadat zijn moeder is gestorven. Troost vindt hij uiteindelijk wel: in de armen van een lieve vrouw. Aards, warm en prachtig.

Met de vinger bij de woorden zou je “dood is dood” met goed recht kunnen vasthouden.

Het felst is trouwens Prediker, als hij zegt: “wij zijn  bevoorrecht boven de dieren, want wij weten dat wij doodgaan”. En voordat je droomt over hemel, of over wraak in de hel, vervolgt Prediker: “en wie zou er kunnen zeggen of de geest van het dier verloren gaat en die van de mens niet.” We delen hetzelfde lot, durft hij ook nog te stellen.

Ik vind het gewaagd. En op een pijnlijke manier heilzaam. Zo geconfronteerd met de dood, voel je je eigen harteklop een stuk scherper. “Je bent er”, schrijft Szymborska. “En dus ga je voorbij.” Die twee dingen horen bij elkaar. Wie er niet is, zal niet verdwijnen. Wie niet geboren werd, sterft niet. Doodgaan is het voorrecht van de levenden.

En van hen die het weten. Wij dus.

Toen ik voor het eerst bij mijn tante ging logeren, ze woonde in Den Haag, vlak bij het strand, leken alle dagen eindeloos. De zon stond hoog aan de hemel boven mij die speelde op het gouden zand. De meeuwen kweelden kalmpjes over de zee en alles wat zij hadden gezien, daar. Ik had er geen idee van, dat het ooit voorbij zou gaan. Het ging voorbij. Op een dag zei mijn tante: “Vandaag ga je weer naar huis!” Ik schrok mij rot. De dagen, zo mooi ze waren, leken wel in een onnadenkendheid aan mij voorbij te zijn gegaan. Ik huilde om meer dan het vertrek alleen. Mijn hele verblijf leek een lelijke droom, vanuit dit perspektief.

Het jaar daarop was ik weer in Den Haag. Ik dacht bij elke stap: “Dit moet ik mij herinneren, want dit gaat voorbij!” En ik moest kiezen, wat ik ging doen. Panorama Mesdag, en Madurodam en alle dagen naar het strand en naar de Ridderzaal en de koninklijke stallen en ijsjes eten bij Marinello; het ging onmogelijk samen. Wie alles wil, begreep ik, houd niets over.

Sinds ik weet van mijn dood, vraag ik mij af: wat doe ik? Is dit wat gedaan moet worden? Ik heb geen herkansing. De dood doet mij het leven dieper smaken. Dat hebben de Schriften goed begrepen: wie het leven serieus neemt, kan de dood als dood ervaren. Wie de dood serieus opneemt, voelt het uitzonderlijke van zijn leven.

Maar, hoor ik sommigen vragen: dan heeft het geen zin meer om te geloven!

“Nou”, antwoord ik: “dat denk ik niet. Het geloven begint nu pas.”  De vraag wat goed is om te doen, is niets anders dan een religieuze vraag. Wat in jouw tot bloei wil komen, is niet minder dan een religieuze ervaring. Er zijn geen wetenschappelijke maatstaven voor ‘geslaagde levens’. Je kunt alleen naar binnen kijken. Of door de Schriften op weg geholpen worden. “Doe dit, en u zult werkelijk  leven.”

Henri Nouwen heeft eens gezegd: “Ik vraag mij af, hoe ik zó kan leven, dat mijn sterven vrucht zal dragen.”

Hoe je geest in ‘andere sferen’ door kan leven, zeg maar.  Omdat je weet, dat hij niet vanzelf zal doorleven.

God en de dood. Nee, God en het leven.

“Nou,waar geloof je dan nog wel in?”, vroeg ze. Haar woorden klonken als een pistoolschot boven de tafel. Iemand had gezegd, dat haar vader nog wel eens bij haar voorbij kwam. Dat op zich is geen verwonderlijke opmerking. Maar wel in dit geval: de bedoelde vader was al zes jaar geleden gestorven. Ze merkte het aan het licht, zei ze. De lampjes in de kamer gingen dan aan, of juist uit. Ik had er niet zo veel mee en merkte op, dat het wel rustig was om niet te geloven in een leven na de dood. Dan komt er ook niemand, goed bedoeld of niet, bij je spoken.

Overigens werd de vraag afgevuurd door iemand die zelf ook ‘nergens aan doet’. Niet aan officiële kerkgang, niet aan inofficiële geloofsgedachten en ook niet aan happinezachtige spiritualiteit. Maar blijkbaar was er wel dit beeld: als je gelovig bent, doe je aan de hemel. Of aan de hel. Of aan allebei desnoods. Maar in elk geval draait het om wat er ná de dood nog te beleven zou zijn.

Ik voelde me een beetje dom.

Gelukkig kwam er juist een schaal oliebollen voorbij, merkte iemand op “dat je wel spannende dingen miste als je dacht dat dood dood was”, er werd vervolgens gelachen en niemand dacht meer aan de knal er tussendoor.

Behalve ik dan, natuurlijk.

Ik lag er niet wakker van, dat niet. Hoewel? Moest ik niet de hemel verkondigen als aanlokkelijke prijs op een zedig en betrouwbaar leven? En de hel voor het geval je er met je pet naar gooide? Dat laatste zou mijn werkterrein wel enorm uitbreiden. Ik ken vooral mensen die het woord “G’d”  niet zien zitten.

“Waar geloof je dan nog in?” Nou, vooral in het leven vóór het laatste plakje cake. Hoe kostbaar het is. Hoe eenmalig. En hoe het zo uniek de vorm aanneemt van wie jij bent en van wat er in jou beweegt. Ik ben nog steeds verbluft dat de één opgewonden raakt als een envelopje van de postcodeloterij door de bus valt, terwijl de ander hetzelfde briefje ongezien in de kachel opstookt. Bijvoorbeeld. Twee mensen. Twee levens.

Maar ik zie ook, hoe smal de grens is tussen “jouw leven” dat jouw vorm draagt en “jouw leven” dat een copie is van denkbeelden van anderen. Hoe je je hoort te gedragen, hoe je je hoort te kleden, spreken, zingen, zwijgen, sterven. En welke keuzes je hoort te maken. Ik scheurde de Postcodeloterijbrief open, omdat mij in al zoveel reclames was toegeroepen hoeveel geld ik er wel niet mee zou kunnen verdienen.

Ik zie levens van mensen die nooit uit de verwachtingen van hun ouders zijn gegroeid. Ik zie ook levens van ouders die nooit zijn losgekomen van hun kinderen. Niet losgekomen van hun eigen verwachtingen, teleurstellingen, wonden, successen. Ze kwamen nooit in hun eigen leven.

G’d, dat woord, staat voor mij allereerst voor het diepe geheim van jou. En er is een woord voor omdat wij mensen zonder woord de ‘zaak’ niet ontdekken. De ‘zaak’ namelijk dat je je leven ‘vergooien’ kunt.

Sommige mensen zijn al dood, nog voordat ze werkelijk zijn gaan liggen. Omdat ze bang waren, geen risico’s durfden te nemen, nooit over zichzelf dachten in kansen, omdat…

Ach ja, soms ben ik zelf al dood. Vast in mijn beelden van mijzelf. Vast in wat ik deed, of juist naliet.

Op zulke momenten, hoop ik, geloof ik, dat een stem mij toeroept

“Kom, sta op en treed naar voren!”

die stem draagt het woord G’d

daar geloof ik heilig in.

Verzacht het christelijk geloof de absurditeit?

Camus wilde geen christen zijn, heeft hij eens gezegd, omdat hij de christenen niet doortastend genoeg vond. Een vriend van mij, groot fan van Camus èn christen, vertrouwde mij dat eens toe. De filosoof vond dat christenen het leven niet radikaal genoeg omarmen. Ze blijven keer op keer halverwege aarzelend staan. Ze houden, in zijn visie, altijd afstand, doordat ze het absurde verzachten met de gedachte dat dat er een G’d is, of een hiernamaals, een reden in elk geval waarom wij hier zijn. Maar wie niet de bodemloosheid van het bestaan ervaart, zegt Camus, kan ook nooit de totale liefde ervaren om het bestaan met huid en haar te omarmen.

Je hoort. Sartre is niet ver weg. Camus was dan ook erg door die andere Franse filosoof geïnspireerd.

Heeft hij gelijk? Is het christelijke denken en geloven een vlucht uit de hardheid van het leven? In sommige vormen wel, denk ik. Zoals de priester uit “De Pest”, zoeken veel christenen, hun leiders voorop, een reden of een motief, waarmee het onbestaanbare bestaanbaar wordt en het onredelijke redelijk. Ontelbaar zijn de verhalen, waarin dominees aan ouders uitlegden, hoe het kon dat hun kind stierf. “Omdat God het wilde”, stond eens groot geschreven op een grafmonumentje voor een tienjarig jongetje. In het geloof wordt heel wat absurditeit afgedekt. Daarbuiten net zo, overigens: hoeveel rouwadvertenties melden niet “het is goed zo”. Alsof de dood ooit goed zou kunnen zijn. We troosten onszelf wiegend in slaap. De hardheid is te hard om mee wakker te blijven.

Maar, dit is slechts één kant van de geloofsschatten. Wanneer je de evangeliën openslaat, zul je verbazingwekkend vaak gelijkenissen tegenkomen die beginnen met: “Een landheer vertrok”, of “een koning ging naar het buitenland en bleef weg”. Gelijkenissen, waarin Jezus iets zegt over de situatie, waarin mensen zich bevinden. Verlatenheid.

Hij vlucht niet uit deze werkelijkheid weg. De evangelisten creëren geen sprookjeswereld naast de echte. Integendeel. Door te zeggen “de landheer ging weg”  spreken zij nog indringender over de willekeurigheid van de werkelijkheid, dan door te zeggen dat er nooit een god was en dat er nooit een god zal zijn.

Het smartelijke van geloven is, dat je hoort over een G’d. Dat je hoort over geborgenheid en zingeving. Maar dat je, wat je hoort, niet zomaar één, twee. drie in de wereld aantreft. Zeg “liefde” en je stuit allereerst op de afwezigheid daarvan.
“De enige manier, waarop G’d ons nabij kan zijn”, schreef Bonhoeffer in de tijd dat hij gevangen zat: “Is door zich terug te trekken.”

Bonhoeffer is dan ook een christen die het leven uit alle macht omarmde en liefhad.

UPDATE: En waar gaat het “ik” van NRC-Handelsblad vandaag over? Je vindt het hier. Over absurditeit die nu eens grappig uitpakt.