Psalm 73

 

Het werd een gesprek over politiek. Over macht. En geweld.

Hoe je er je tanden op kunt stukbijten dat de brutalen de halve wereld bezitten. Met een grote mond kun je je blijkbaar alles veroorloven.

Het werd een gesprek over Trump. We vroegen ons af: “Waarom kan niemand die man stoppen? Zelfs als hij de ene dag het ene zegt en de volgende dag het tegenovergestelde, blijft het hele politieke bedrijf gewoon doorgaan.”

“Ik hoorde hoe hij een stadion vol Amerikanen ophitste over de vluchtelingen uit Latijns-Amerika.”, merkte een van ons op. “Hij riep tegen de massa: “Dus wat zijn zij….?” En de massa krijste terug: “A-NI-MALS!”

We lazen de psalm kort na de Kristallnachtherdenking. We vielen stil.

De gedachten dwarrelden wat neer, iemand van ons hernam het gesprek. “Is het eerlijk dat we zo spreken?”, vroeg hij: “Ik bedoel, hoe hebben wij blanke Europeanen ons in de geschiedenis opgesteld? Hebben wij niet óók gedaan alsof de wereld van ons was?” “De mannen en vrouwen uit Afrika die wij als slaaf verkochten?” “De Indianen in Noord- en Zuid-Amerika hebben vermoord?” “Wij deden toch ook, alsof dat allemaal kon? En alsof er geen god is die het ziet of merkt?”

Psalm 73 spreekt over mensen die “hun mond in de hemel zetten” en “wier tong op aarde rondgaat”.  Ploert en schender, noemt Huub Oosterhuis ze wel in andere psalmteksten.

Er is een slag volk dat leeft ten koste van een ander. En wie zegt, dat wij dat slag niet zelf zijn?

Vanzelfsprekend was dit gesprek niet. Vroeger (vroeger?) werd het gedeelte over de mensen-die-schadelijk-leven nooit gelezen. “We zongen eigenlijk alleen maar over de hemel waar we naar toe gaan en hoe fijn dat is.”

Psalm 73 was, dankzij knip- en plakwerk, ooit ontdaan van zijn actualiteit, zijn aardsheid. Het was een lied geworden dat bezingt hoe de vrome naar de hemel gaat.

Het lot van heel de kerk. Als tegenbeweging op weg gegaan, dwazen van de Heer die geloven in de zachte krachten, in zegenen en delen, als proeftuin van Gods werkelijkheid begonnen: een hoekje op de aarde waar we in elk geval probéren om het anders te doen. Geen ploert te zijn. En geen schender. Ooit bedacht als spiegel: hoe ploertig ben ik zelf?

Ooit – is de kerk geworden tot een “spiritueel genootschap tot verbreiding van zielenzaken”. Ik zeg het maar eens zo. Ik hoop dat je het herkent. De kerk als een groep : geïnteresseerden in wonderlijke zaken. Ga je na de dood naar de hemel? Ja/nee.

“De Kerk moet zich niet bemoeien met..”, hoor je soms zeggen. Niet met vluchtelingen, niet met geld, niet met economie, niet met verdeling van rijkdommen, niet met politiek, niet met het aardse leven.

Psalm 73 roept ons tot de orde: de kerk moet zich er wel mee bemoeien! Het is haar kern. Een thuis te zijn voor vreemdeling en wees. Voor mensen van elke taal, elke kleur, elke afkomst en van elke toekomst.

“Ik was bijna uitgegleden”, zingt de psalmdichter. Uitgegleden over wat? “Over de gedachte van ‘trek je er niks van aan’, en over de gedachte van ‘doe maar net als ieder ander.’

De kerk doet niet als ieder ander. Zo zou het niet moeten zijn. Ze doet als de Heer.

Het werd een gesprek over politiek. En over macht

En zo moet het zijn, voor wie psalm 73 leest.

In zijn geheel.

 

Advertenties

Wie dient, blijft.

 

Goed. We kunnen een nieuw streepje zetten bij de column “populistische presidenten”. Na de Filipijnen, Polen, Hong Kong, Hongarije, de Verenigde Staten, heeft nu Brazilië óók zijn sterke man: Bolsonaro.  Opnieuw klinkt hetzelfde wapenarsenaal: ons land het eerst, weg met het uitschot, lang leve de familiewaarden, handel voorop, ons ras het beste. Hetzelfde offensief klinkt: wij worden bedreigd, aangevallen, vergeten, bedrogen, in de luren gelegd. Hetzelfde wondermiddel: ik ben degene die jullie nodig hebben. Ik los alles op.

Overal waren het christenen die met enthousiasme de populistische kandidaten steunden. Overal poetste de kerken de schoenen van de sterke mannen (mannen! Ja! Steeds weer.) En de mannen koketteerden op hun beurt met de sterke mannen van de kerken, bisschoppen, predikers, evangelisten. “Brazilië boven alles en God boven allen”, riep Bolsonaro. God als parel boven op zijn regering. Als stempel van goedkeuring. Macht die macht bevestigt.

Ik huiver. Ik heb het gevoel in het verkeerde kippenhok terecht te zijn gekomen. En ik begrijp het niet: die ogen die gaan stralen wanneer de macht “aan ons” gegeven wordt. Dat geloof in “eindelijk (eindelijk!) iemand die schoon schip gaat maken”.

Alsof schone schepen kunnen bestaan zonder mensen te slachtofferen. Sterke mannen willen vijanden. Zullen vijanden vinden. Bedenken desnoods. En ze zullen niet rusten, totdat hun vijand weg zal zijn. Om dan het spel opnieuw te beginnen.

Prawo i Sprawiedliwosci, de Poolse regeringspartij, die haar pijlen richt op “communistische krachten” en daarmee bedoelt: iedereen die democratisch, Europees, liberaal, niet-roomskatholiek is heeft te vrezen. Victor Orbán in Hongarije die tegen vluchtelingen kettert. Trump die onverbloemd anti-semitische taal uitkraamt “allen betaald door Soros zullen moeten verdwijnen”. Die stadions vol mensen laat schreeuwen dat de vluchtelingen “kakkerlakken” zijn. Trump: “Wat zijn zij?” Tribunes, kolkend in hun antwoord: “Kakkerlakken!”

Bolsonaro die èn anti-semitisch is, èn anti-feministisch, èn anti-LGTB, èn…… en de christenen dansen op de straten. Eindelijk een vent aan het roer.

In het Bijbelboek Samuel staat een intrigerend zinnetje over koning Saul. Dat “hij boven alle manschappen uitstak” namelijk. Hij is het toonbeeld van een leider. Iemand die weet hoe het moet. Willem Barnard tekent daarbij aan: maar het is de vraag op wie hij het meest lijkt; “op de farao van Egypte of op een knecht des Heren.” Daarmee raakt Barnard aan een van de kernpunten uit de Bijbelse geschriften. Wat geloof je? Wat volg je?

Egypte, Babel, Fenicië – alle volkeren rondom- geloven de macht. Opgelegde, uitgevoerde macht. Maar voor Israël zou het anders moeten zijn. Dienstbaarheid zou hun leidraad moeten zijn.  Niet omhoogkijken, maar naar beneden kijken. God, de God van Israël laat zich niet gebruiken als sieraad op het hoofd van de sterke man. Hij is die woont onder de verworpene, de weggestuurde. De verdrevene. En die blíjft vragen: de wees, de weduwe, de vreemde, de vluchteling, de andere – wat heb je voor hen gedaan?

Ishwarbai Patel was een Indiase activist. Hij overleed al in 2010, maar deze week stond er een in memoriam van hem in de krant. Hij was zijn leven lang betrokken op de sloppenwijken van zijn land. Zo bouwde hij er twee miljoen toiletten. Hij zei eens: “De rijken van ons land kijken neer op de inwoners van de sloppen. Zij noemen hen crimineel, opvreters, de schande van de natie. Maar in feite zijn de sloppenbewoners het kapitaal van ons land: ze werken hard, ze kosten weinig, ze verbruiken weinig, ze zijn de basis van de rijkdom aan de top. We zouden hen moeten koesteren” Ishwarbai sprak de taal van de verbinding. Niet van de verdeling. Hij vernederde niemand, hij eerde de ander.

Danste er maar eens iemand voor hem. Voor mensen zoals hij.

Ik dans vandaag voor hem.

 

 

De paranimfen van G’d

 

“Geld en Groei” ze waren de Knabbel en Babbel uit de troonrede. De zinnen die Rutte schreef juichten, omdat beide er weer waren. We hebben weer geld! En we groeien weer! De enige vraag die nog openstond: we moeten ervoor zorgen dat nu iedereen ervan gaat profiteren. De champagne stroomt inmiddels al zó lang bij wie geld heeft, dat er nu wel wat priklimonade geschonken mag worden bij wie dat niet heeft.

Geld en groei zijn twee paladijnen van een oeroude god. Van Baäl. Baas. Of van Ra, de zonnegod. Of van de Economie, huisgod van de rich and famous. En ja, het ìs heerlijk als je tot die groep behoort.

Ooit stonden heren in rok en dames in het lang glazen leeg te drinken op het grote balkon van de opera in Budapeszt. De zon ging onder. Wij wandelden in onze sjofele toeristenkleren voorbij. Ik voelde jaloezie. Waar zij stonden, wilde ik staan.

De weg naar dat balkon is die van, juist, geld en groei.

Maar. Er zit een lelijke kant aan dit verhaal. De Tsjech Sedlacek heeft dit een paar jaar terug scherp onder woorden gebracht. “Economie lijkt een neutrale, natuurkundige grootheid, maar is dat niet. Economie vraagt geloof in egoïsme en dat is een morele positie.” Een positie die, bij voorbaat al, anderen uitsluit.

Die mensen staan daar op het balkon, doordat anderen er niet staan. Zij hebben geld, doordat anderen het niet hebben. Marx schreef in zijn Das Kapital dat geld uiteindelijk op hopen terecht zal komen bij enkelen. En dat de velen niet zullen hebben.

Geld en groei hebben meer iets van een knikkerbak. Wie het diepst gaat met zijn egoïsme zal de meeste knikkers ontvangen. De rest heeft het nakijken.

In de Bijbelse geschriften heeft Baäl een tegenspeler. Een klein godje van een klein volkje. Ergens in de marge. JHWH. Ik ben er, betekent die naam. Ook híj heeft twee paranimfen. Chesed en Emet. Waar die twee verschijnen, daar is IK BEN. Waar IK BEN is, daar zijn zij.

Chesed en Emet zijn niet zo eenvoudig te vertalen als geld en groei. Ze zijn ook minder zichtbaar. Net als hun G’d. – die ik met een hoofdletter schrijf omdat je anders over hem (hem?) heen zou kijken.

Ze betekenen zoiets als “vriendschap en waarheid”,  of “liefde en echtheid”,  of “mild en waar”.  Het zijn twee woorden die niet omhoog klimmen tot in de torens van glas, ver verheven boven de schoonmakers, de rioolreinigers, de modderkruipers. Het zijn twee woorden die naar beneden komen. Ze dromen niet van een godenwereld. Ze willen, zal ik maar zeggen, mens onder de mensen worden

Het echte wonder gebeurt natuurlijk, waar mensen van hun balkon afkomen.

De vraag had niet moeten zijn: hoe worden wij sterk en rijk. De vraag had moeten zijn: hoe worden wij mild, echt, hartelijk, eerlijk, vriendelijk – kortom: hoe worden wij mens.

 

Een troonrede in drie woorden.

Paf! De bijbel flikt het weer. In drie woorden alles zeggen.

We lazen Amos, vanmorgen. Gewoon, zomaar, in een kringetje hoorders. Amos is een bijbelboek. En een personage. Het boek introduceert hem zelf: Amos, schapenfokker in Tekoa. Historisch zitten we dan ongeveer tweeëneenhalfduizend jaar geleden, maar dat is van minder belang. We lezen vandaag. Dat doet er toe.

“Waarom eigenlijk schapenfokker?” vraagt één van de hoorders. Waarom moet dat vermeld? “Waarom Tekoa?”, denk ik er achteraan. Waarom dàt vermeld? De bijbel is nooit zo scheutig met informatie. Het dumpt zijn verhalen vaak zonder franje. Nog niet zo lang geleden lazen we in Exodus hoe Mozes voor het eerst bij een priester in Midjan gaat eten. Mozes is vluchteling, kent deze hele priester niet, er zijn allerlei omstandigheden. Maar het verhaal zwijgt daarover. Het weet nog net tussen de tanden door te melden: de priester gaf zijn dochter aan Mozes ten huwelijk. Nog niet eens één zinnetje. Het eerste dinertje bij een onbekende en even later ben je getrouwd met diens dochter! Ik heb wel eens uitgebreidere liefdesgeschiedenissen gelezen, moet ik bekennen.

En dan hier ineens zo’n spraakwaterval. De naam, het beroep èn de woonplaats er ook nog bij. Het kan niet op. Maar waarom?

Thom Naastepad zegt: “Het maakt meteen duidelijk dat Amos niet uit een priestergeslacht stamt. Hij is geen beroemde spreker.” Geen Billy Graham of, van mijn part, geen Obama. Hij is een boer. Broer van Klazien uut Zalk, zeg maar.

Thom Naastepad kan het weten. Hij is onvoorstelbaar bijbelgeleerd. Hij was dat, eigenlijk. Naastepad leeft niet meer. Helaas.

Met dat broer van Klazien uut Zalk zit ik niet ver naast de bedoeling. Wie had er ooit van Zalk gehoord? Tekoa is net zoiets. Een afgelegen gat. Nergenshuizen. Moddergat. Het is geen Jeruzalem. Geen Hiergebeurthet.

Tekoa is meer een Hiergebeurtnooitwat.

Amos is schapenfokker. Bedacht op zijn schaapjes en op hun welbevinden. Hij werkt zorgzaam en aards. Hij let op de kleinen, waar hij er zelf één van is.

In groot tegenstelling tot de anderen die in dezelfde zin worden genoemd. De koningen uit zijn tijd Uziah en Jerobeam. Grote mannen die paleizen bewonen van ivoor. Hun volk kijkt naar hen op. Iederéén wil wel in een ivoren toren wonen. Met dure bedden van Hästings. Om op te luieren en tokkelend op je harp naar je X-factor te zoeken. Want daar heb je alle tijd voor als je rijk bent. Ik verzin het niet he. Het staat er. In dat boek van Amos. Dat de rijken van het land muziek maakten en dachten “Nu ben ik net zo goed als David, minstens”. En dat ze daarbij luxe bedden onder den kont hadden. Het ging goed in Nederland, pardon, in Israël. Zeker als je dat vergelijkt met de landen in de omgeving. Die deden het niet half zo goed. Groeicijfers die er mochten zijn. De beddenverkoop steeg tot ongekende hoogte. Er is veel om trots op te zijn.

Nooooou, zegt Amos. Hoe zit het precies met de ouderen in de verpleeghuizen? Hoe vaak per dag krijgen zij een schone luier? Hoe zit het met de vluchtelingen die jullie zo graag “onder controle willen krijgen?” Horen jullie hun stem, of blijven jullie doof? Hoe zit het met de arbeiders in de lage-lonen-landen waarvan jullie T-shirts kopen, twaalf voor een tientje. Hoe zit het daarmee?

En hij scheldt op de mensen die het alles overstemmen met vroom gezang. Met klokgelui en zegenbedes. Dat velen met mij voor u bidden. Woe-dend wordt Amos. Jullie slaan jezelf op de borst. Omdat het geld groeit.

Maar het leger armen groeit ook. De aarde wordt ontwricht. Doe! Daar! Wat! Aan!

Maar ja, wie luistert er nou naar een keuterboertje uit Tekoa?

Niemand.

“God”, zegt het bijbelboek. God luistert naar keuterboertjes. En naar armen. En naar de machtelozen die opzij worden gedrukt. Hij luistert.

Ik had het kunnen weten. Drie woorden: Amos, boer, Tekoa.

Meer heeft de bijbel niet nodig om de vinger op de zere plek te leggen.

Het is maar wat je vrij noemt, natuurlijk

Christenen zijn onvrije mensen! Zo veel zei minister Schippers bij de H.J. Schoo-lezing afgelopen maandag. Eigenlijk ging het haar niet om christenen, maar om – je kunt het raden- moslims. Dat zei ze dan weer niet zo, want dat klinkt dan meteen weer of je discrimineert. En de minister is een moderne vrouw, dus zei ze: “dat mensen hun levens laten voorschrijven door Bijbel of Koran”. Ze kon er met haar hoofd niet bij. Ze had trouwens gedacht, dat het wel uitgestorven was, zo langzamerhand. Het geloof.

Van moslims weet ik niet zo veel. Maar dat wij onvrij zijn,  dat had Schippers dan en passant toch wel goed gezien. Ik denk niet dat ze weet wie Paulus is. Doet er ook niet toe. Paulus heeft zelf geschreven:”Wij zijn gevangenen.” Niet van de bijbel als zodanig, die was er nog helemaal niet in de dagen van Paulus en ook wij zijn geen gevangenen van de Bijbel. Wij zijn gevangen van Christus Jezus. Je kunt het vinden in een brief die Paulus rond het jaar zestig schreef aan Christenen die in Efeze woonden. Hoofdstuk drie en vier. Die hoofdstukindeling is dan weer niet van hem, maar reuze handig voor ons, lezers tweeduizend jaar later. Paulus liet het met nogal fierheid neerpennen. Hij vindt het zijn roeping om “gevangene van de Heer” te zijn. Dus

“Zie je wel?”, reageert de minister nu denkbeeldig. Jullie zijn gevangen. En ze denkt van zichzelf dat zíj vrij is.

Beetje gek is die laatste gedachte wel. Want de vrije minister Schippers ziet er toch opvallend duidelijk uit als een, ehm, seculiere, Nederlandse vrouw uit de eenentwintigste eeuw. Ze draagt geen Volendamse muts, ze loopt niet in een tuinbroek, ze heeft geen corset aan, en ze zegt geen dingen als “de man is de kostwinner van het huisgezin”, en ook geen dingen die zó nieuw zijn dat niemand ze snapt, dus ergens heeft zij haar opvattingen ook “van buitenaf”.  En past ze in een cultuur. Ik weet niet of je vrij bent, wanneer je in je blootje de vergaderzaal van de Tweede Kamer binnen rent. Ik weet wel dat mevrouw Schippers dit niet zou doen. Je hebt je fatsoen, je denkt aan anderen. Je gaat “met je tijd mee” (die komt niet van buitenaf?)  en je schuift met de PVV mee naar rechts. Hoe vrij is vrij?

Paulus maakt trouwens een geintje. Hij zìt gevangen op het moment dat hij schrijft. Ik bedoel: echt gevangen. Achter een dikke deur, een bewaker en achter tralies. Dat komt omdat hij Christen is en, nou ja beetje lang verhaal: omdat hij Christen is, heeft de staat hem gevangen gezet. Zo veel is duidelijk. “Maar ik ben geen gevangene van de staat”, knipoogt Paulus, doodleuk: “Ik ben gevangene van de Heer” En dat is heel andere koek. Die gedachte maakt Paulus vrij. Vrij om naar Efeze te schrijven, alsof hij naar hen onderweg is. Vrij om te bidden. Vrij om te hopen. Vrij in zijn hoofd. In zijn handelen.

Negentienhonderd jaar ná hem zit Bonhoeffer gevangen. Ook een Christen. In een kamp, waarvan hij weet, of in elk geval vermoedt, dat hij er niet meer levend uit zal komen. Hij schrijft aan zijn verloofde, die misschien iets minder door heeft wat er staat te gebeuren, dat hij elke dag in zijn bijbel zit te lezen. En hij schrijft hoe vrij hem dat maakt. Als hij uit zijn cel wordt gelaten om gelucht te worden, heeft hij medelijden met zijn bewakers, beweert hij frank en vrij. “Zij”, schrijft hij:  “zitten gevangen in het systeem.” Bonhoeffer niet. Bonhoeffer is vrij. Zijn ziel kunnen zij niet raken. Andere gevangenen zeggen verbaasd:  “Wij vragen ons af wie nu de echte gevangene is, Bonhoeffer, of zijn bewakers.”

De gevangenschap van Christus maakt vrij. Vrij van angst, vrij van schaamte, vrij van jezelf. Bonhoeffer was zó vrij, dat hij zijn bewakers de hand kon schudden en hen lief kon hebben.

Kijk dat zou ik mevrouw Schippers nou wel willen toewensen. Dat ze uit haar eigen wereldje stapt. En leert lief hebben wat haar volslagen vreemd voorkomt. Vooral als ze weer eens over “de Moslims” begint.

Je roeping verliezen?

rembrandt80

Saul. Ik moet vaak denken aan Blair. De toenmalige premier van Engeland. Saul, die tragische Saul. Saul, koning van de Heer, die uiteindelijk op de schroothoop van de geschiedenis belandt. En je begrijpt, als lezer, maar nauwelijks waar dat door komt.

Ik had heel erg vertrouwd, dat Blair een nieuw élan in Groot-Brittanië zou brengen. De oude tegenstellingen zou hij weten om te smeden tot iets nieuws. Dat was ook zijn belofte. Het zou niet alleen afgelopen zijn met de overleefde macht van de Lords, het zou ook afgelopen zijn met de neo-liberale-Thatcherwind die koud door de hele samenleving blies. Hij was jong, had een leuk gezin. Dat doet er niet toe, natuurlijk, maar gaf wel de juiste entourage voor het “nieuwe-lente, nieuw-geluid”- gevoel.

Het liep anders. Blair raakte verstrikt in het giftige moeras van de Irakoorlog. En hoe hoger hij sprak over de vrije wereld, massavernietigingswapens, de bedreiging van het Westen, hoe valer zijn ster werd. Hij bleek gewoon een politicus van de oude wereld. Toen hielp het niet meer, dat hij zich een jeugdig kapsel liet aanmeten.

Het was gedaan met Blair, de nieuwe hoop.

Ik stond er met mijn neus bovenop. Nou ja, niet helemaal: de kranten en de media stonden er tussen, maar dan nog – ik kon het niet begrijpen. Hoe verliest iemand zijn eigen visie en beloften?

De afgelopen maanden stond ik met mijn neus op het leven van Saul. Goed, de bijbelse boeken staan er tussen, maar een andere weg naar deze koning is er niet. We lazen aan tafel na het eten. Verhaal na verhaal. Je ziet de moeilijke start. Dat hij koning zou worden is van het begin af een hele worsteling. Het volk wil wel, maar God wil het niet. Alsof politiek toch altijd een bedrijf is van “we waren beter af zonder, maar het kan niet anders dan met”. In elk geval – dat vond ik dan wel bijzonder- wordt vanaf bladzijde 1 in het boek Samuël aan koningen alle goddelijke vanzelfsprekendheid en pretentie afgenomen. Ze regeren, omdat het voor mensen nodig is. Ze regeren ten dienste van mensen.

Je ziet bij Saul echter ook de hoop: deze man is de koning die door de Heer is gezalfd. Een soort Mozes, een soort Deborah, iemand door wie de harten van de mensen  lichter worden en door wie de toekomst  rooskleuriger er uit gaat zien.

“Wir schaffen das”, was voor mij zo’n adempauze. Rustige, krachtige woorden, waarvan je dacht: zo komen we ergens.

We weten inmiddels in welk moeras díe woorden verdwenen zijn.

Waarom gaat dat zo?

“Saul stak boven alle andere mannen uit.”, vermelden de Schriften. Waarop Willem Barnard commentaar geeft: “daar gaat het al fout. Dat sterker willen zijn dan een ander. Dat heidens gevecht om aanzien en status. Voor heidenen telt je macht. Voor God niet”. Bij Blair heb ik dat vaak gedacht: Hij wilde graag een staatsman van formaat worden. En daardoor werd hij het niet. Was hij trouw gebleven, had hij de verleiding weerstaan, had hij Bush weerwoord gegeven, misschien dan – we zullen het niet weten.

De schrijver van Sauls werdegang meldt iets heel anders. Saul is niet trouw geweest aan God. Dat klinkt logisch. Wie niet dicht bij zijn binnenkant blijft, zal verraad plegen. Maar het logische duurt in het boek Samuel niet lang. Want wat had hij moeten doen om trouw te blijven? Hij had al zijn vijanden, tot de laatste man en de laatste vrouw, moeten uitmoorden. En dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft – in elk geval een deel van-  hen in leven gelaten.

Ik sta er als 20ste eeuwer bij en kijk er onhandig naar. Als ìk God was, zou ik Saul prijzen. Het leven is meer dan de dood. Toch?

Ik ben God niet. God verwerpt Saul. En zelfs Samuëls smeken, vasten en rouwen – de arme oude man wordt gekweld door de teloorgang van Saul – helpen daar niets aan. Uiteindelijk stort Saul zich in zijn eigen zwaard.

Ik kan er niet bij. En dat is het dan misschien ook wel. Er is geen goed verhaal te vertellen om te verklaren waarom hoop vervliegt. Ze vervliegt.

Er is geen verhaal, waarom ik niet de ommekeer heb gebracht, waarvan ik als tiener dacht dat die met mij zeker komen zou. Ik zou niet zo zijn als mijn ouders. Neenee.

Er gebeurt ook nog iets anders in Samuël. In de wereld. En dat helpt me vooruit.

Met horten en stoten. In verzet en overgave. In de schijn van het tegenovergestelde, komt er een ander die de roeping overneemt: David. Ook geen heilige, trouwens.

Eveneens een mens, ook al heeft Michelangelo hem de eeuwige jeugd geschonken. Maar dan toch. Hij is er. De fakkeldrager.

Idealen worden verkwanseld. Roeping gaat verloren. Maar dat is niet het hele verhaal.

En ontstaat ruimte voor een ander. Voor een nieuwe generatie. Die de hoop oppakt, meeneemt, omvormt –

David speelt harp voor Saul. Voor de door hoofdpijnen gemartelde Saul.

Ik vind dat een sterk beeld voor onze wereld die haar roeping zo vaak verliest. De laatste jaren niet in het minst door het te véél vergieten van onschuldig bloed.

Er is een melodie die terugkomt, als ze lijkt te sterven.

Ik denk dat God daar achter zit.

Vluchtelingen en wij.

Het overweldigt me allemaal een beetje. Al die mensen. Die met zo’n enorme innerlijke drang op weg zijn naar de vrijheid. Ze komen met bootjes. In vrachtwagens. Lopend. Met treinen.

En toen de treinen niet meer reden. Gingen ze weer lopen.

Het bonkt in hun hoofd: Niet meer wat was. Niet meer.

Het antwoord van Europa overweldigt mij ook. De angst.  De angst om de vluchtelingen op te nemen. En het wegkijken. Het verschrikkelijke wegkijken. Weken, nee maanden hielden politici hun mond. De eurocrisis. Dat was het probleem van Europa. Zeiden ze. Dat hielden vol. Ook toen de eurocrisis meer en meer een schaamlapje werd. Om de echte crisis niet te hoeven zien. De crisis van onze beschaving.

Ik voel mij klein en machteloos als ik onze politici zuinig hoor rekenen. Tienduizend. Dertig duizend. Geen mens meer. Het kost te veel, anders. De rek bij de Nederlanders wordt anders overvraagd…

de rek bij de Nederlanders? Pardon? Wij zijn net terug van onze heerlijke vakanties. Overal in Europa en verder weg. Er is nog helemaal niets van onze draagkracht gevraagd.

In 1956 sloegen één miljoen Hongaren op de vlucht. Eén miljoen! Het was voor Europa volstrekt vanzelfsprekend dat ze zouden worden opgevangen. Zelfs Wilhelmina maakte plek voor een gezin. Gewoon, bij haar op paleis het Loo.

Maar vandaag?

“Het zijn economische vluchtelingen” roept de een. Alsof “ze” daardoor ineens niet meer op de vlucht zijn. Alsof “ze” ineens geen hulp meer nodig hebben. Zelfs al zou het zo zijn, dat ze met verkeerde beelden op weg zouden zijn gegaan. Als ik door eigen schuld de weg ben kwijt geraakt, hoop ik ook dat iemand mij zal helpen.
Ik geloof niet zo in het “economische vluchteling” scenario. Het zijn mensen die het vertrouwen in hun land volstrekt hebben verloren. Ze verwachten het niet meer; dat ze daar een toekomst zouden hebben. Ze trekken weg. Op de vlucht voor IS. Op de vlucht voor geweld. En ja, dat ook, op de vlucht voor uitzichtloosheid.

Iemand schreef in de Metro over zijn vader. Die was in de jaren zestig uit Liverpool weg gegaan. Naar Nederland. Hij had thuis vrienden die niets deden, drugs gebruikten, crimineel dreigden te worden. Hij moest daar uit, wilde hij een ander leven. Wilde hij blijven leven. Zijn vrienden waren dood, inmiddels. Doodgeblowed.

Ik word overweldigd. Door de benauwde houding van Europa.

Toen 71 mannen gestikt bleken in een vrachtwagen, twitterden in heel Europa anderen: “wat jammer, maar 71”. Je hoorde het zinnetje “dat scheelt weer mooi 300 uitkeringen” ineens weer terug echoën.

Ik denk aan een twitterbericht van nog langer geleden. Drieduizend jaar geleden, om precies te zijn. “Wees hartelijk voor een vreemdeling, want jij bent zelf vreemdeling.”

Zo simpel kan het soms zijn.

 

Mijn broer…

Als mijn broer in de penarie zat en hij zou bij mij aankloppen, dan nam ik hem zonder meer onder mijn hoede. In hem voelt het immers alsof ik zelf hulp nodig heb.

Als ik in het buitenland ben en een landgenoot komt in de problemen en ze verstaat de taal niet, dan schiet ik te hulp. Op z’n minst zou ik vragen “kan ik iets voor u doen?”. Haar taal, haar lichaamsbewegingen, haar manier van kijken: ik herken er het mijne in. Mijn taal. Mijn manier van doen. En dat verplicht.

Mensen zijn groepsdieren. Groepen vormen zich rondom herkenning. Ik meen eens gelezen te hebben dat we mensen met dezelfde naam elkaar vanzelf een stukje aardiger vinden dan een ander.

Ik ben dol op Sybrand Buma. Maar dat begreep je.

It’s what nature desires. Zorg voor hen die op je lijken.

Vanavond lazen we aan tafel een bizar gedeelte uit Marcus. De broers van Jezus en zijn moeder (zijn moeder! Je krijgt al weke knieën als je aan je moeder denkt) laten hem roepen. Marcus suggereert, dat ze zich zorgen om hem maken. Hij lijkt totaal de weg kwijt. De mensen zeggen: je familie zoekt je. En dan geeft Jezus een antwoord, dat de angst bevestigt. Hij is niet goed wijs. Jezus antwoordt: “Mijn broers? Mijn moeder? Wie zijn dat?”

Als een bezetene roept hij: “wie de wil van mijn vader doet. Die zijn mijn broers. En die is mijn moeder.”

Mijn natuur zegt: waanzin. Het is waanzin om je gelijken zo te schofferen.

Of is Jezus geniaal?

En verbreekt hij alle natuurlijke banden met opzet.

Rekt hij de mensenfamilie op?

Heeft Jezus gelijk dan word je een broer van iemand die in niets op jou lijkt.

Tinkebell deed een gek voorstel: geef tegenpolen dezelfde naam. Geef Geert Wilders de naam Mohammed erbij. En geef elke Mohammed de naam Geert erbij. Ze zullen iets voor elkaar gaan voelen, iets familiairs. Ze zullen zich verbonden voelen met elkaar en voor elkaar instaan. Tegenpolen worden één.

Ik vind Jezus geniaal. Ook als ik hem niet geniaal vind, vind ik hem geniaal. Dat heb ik lang geleden al besloten.

“De wil van de Vader” schuift hij over alle mensen heen. Alle mensen gaan elkaar herkennen.

Als mijn vader mijn vader is, dan ben jij een vreemde voor mij. Als jij dan bij mij aanklopt, houd ik mijn deur gesloten.  Vreemdelingen komen er van nature niet in. Kom je met honderd, duizend, drieduizend tegelijk, dan haal ik de brandspuit van de muur en spuit je van mijn stoep af. Ik heb ook nog wel een roestige handgranaat in mijn linnenkast. Voor als je blijft komen. Mijn huis is mijn huis. Mijn familie mijn familie. Je komt er niet in.

“God is je Vader” zegt Jezus. En ineens lijken we allemaal op elkaar. Gelukszoekers, vluchtelingen, luxe-boot-bezitters, angstigen achter de Europese grenzen. Er is geen ‘mijn huis’. Er is alleen ‘huis van de vader’. En daar woon jij dus ook.

Er klopt een broer aan je deur, Europa.

Er kloppen broers aan je deur.

Zusters

Moeders

ze lijken niet op je

ze zijn als jij.

Laat je ze niet binnen?

Ze zullen binnen komen.

ze zullen in je koelkast kijken en het lekkers er uit halen

ze zetten je TV aan

en gaan op de bank zitten

jouw bank

want dat is wat ze doen, broers

ze beschouwen jouw huis als hun huis.

En gelijk hebben ze.

Religie? Man, alles is religie

Neem nu Griekenland. Het woord waar we al weer sinds een jaar slapeloze nachten van hebben. Politici maken zich dik en druk, vliegen heen-en-weer, net als hun beschuldigingen. “Wij”, nee: “jullie”. Wij doen het economisch goed. Sowieso doen wij het goed. Jullie niet.

Griekenland is een afspraak. Een vondst uit de negentiende eeuw. Net als “Duitsland”, “Nederland”, “Frankrijk”.

In 1829 onttrok Griekenland zich aan de Turkse overheid. Niet geheel toevallig juist tóen. Het waren de jaren van de romantiek. Er moest zoiets bestaan, dacht men, als een ‘volksgeest’. En die moest omtuind door eigen grenzen, vond men. Daar nog een eigen monarch bij. En een eigen geschiedenis, waar je trots op kunt terugkijken. En het plaatje was compleet: één volk, één land, één regering, één cultuur. Overal op de Griekse archipel werden weer Hera’s geboren, en Helena’s en Arthexerxessen. De Grieks-sprekende moslims werden de Middellandse Zee overgejaagd. Het romantische plaatje moet niet verstoord worden, ej.

Een zeventiende-eeuwer zou er van opgekeken hebben. Ik sla honderd jaar over, inderdaad. De achttiende eeuw begon al voorzichtig met ‘volksaard’ enzo, dus vandaar. Het moet hier niet àl te genuanceerd worden. Je had een landsheer, dacht de zeventiende-eeuwer. Daar merkte je wat van, als er belastingen geïnd moesten worden. Of als er recruten nodig waren voor een oorlog. Maar verder? Je was bewoner van je stad, je dorp, je vlek, je modderpoel. Nationale trots? Nog nooit van gehoord.

Griekenland bestaat, omdat we het geloven. We geloven dat de Grieken bij elkaar horen. Wij horen daar dan weer niet bij. Omdat zij de hele dag olijven en knoflook eten in de zon en wij niet? Misschien. Maar meer, doordat het gevierd wordt en wij aan dat vieren niet meedoen. De Griekse nationale dagen gelden hier niet als vrije dag. De militaire parade in Athene wordt hier niet uitgezonden. Wij steken de Griekse vlag niet uit en wij zingen het Griekse volkslied niet. Ook al klinkt dat laatste wel heel gezellig. Wij lopen ook niet in minirok de erewacht langs de Acropolis, trouwens. Zij wel.

De oude Grieken waren niet gek, toen ze zeiden dat Pallas Athene een godin was. Allereerst godin. Dan pas stad. Zij waren geen ‘mensen die het nog niet helemaal begrepen hadden’. Zij begrepen het beter dan wij: macht is macht voor zover mensen macht erkennen. Je moet er aan werken om het zo te houden. Macht groeit met de moeite die mensen zich er voor getroosten. Offer je offers op het altaar van Athene. Daar vaart de stad wel bij.

Houden mensen op zich te identificeren met, zich te binden aan – dan valt de stad uiteen.

Griekenland bestaat niet. Griekenland wordt gesmeed. In de verhalen, de symbolen, de rituelen.

Christenen uit de eerste eeuwen waren ook niet gek, trouwens, toen zíj zeiden dat je aan de staatsceremonieën niet deel moest nemen. Macht kwam alleen toe aan Christus, de pantokratoor. Macht is alleen macht voor zover het mensen dient. Zoals de God in wie zij geloofden, mensen dient.

Dat hun oproep de verhalen als verhalen te erkennen maar nooit als absolute waarheden, dat die ooit zou leiden tot een nieuw, christelijk nationalisme – Christus is de ware macht, Christus staat aan onze kant, dus wij hebben de ware macht, hoppa- dat had de eerste eeuw onmogelijk kunnen voorzien.

Religie is: het verhaal is waarheid geworden.

Wij zijn geen negentiende-eeuwers meer. Wij zouden het verhaal kunnen herschrijven, als we zouden willen. Niet langer de natiestaat doorvertellen, maar iets nieuws: dat er een wij, en enkel een wij bestaat. Een verhaal van ‘één mensenfamilie’, waartoe wij allen behoren. Ophouden met ‘het is hun probleem’ Het is òns probleem. Als het een probleem is. Want: geld? Bestaat geld?

Eén aarde, één mensenfamilie. Al het andere is van ondergeschikt belang.

Blijf ik wel Grieks eten. Dat dan weer wel.

 

Kwetst u maar!

Hou ik van Hans Teeuwen? Neuh. Niet echt. Ik draai hem weg, zodra ik hem hoor. Ik heb een heel rijtje van mensen die ik censureer. Paul de Leeuw. Jochem Meyer. Geer en gelijk ook maar Goor. Pauw en Witteman vroeger. Pauw tegenwoordig. De televisie blijft veel uit, zo. Lekker rustig.

Ik houd niet van schreeuwen. Tenminste, niet als anderen dat doen. Ik vind De Leeuw plat. En zijn humor moet altijd anderen hebben. Ben ik ook al niet van. Pauw en Witteman vond ik verzuurd in hun stalen gelijk. En wel erg gemakkelijk in hun eentonige gezeik op godsdienst. En Hans Teeuwen? Hij kwetst mij, daar kom ik rond voor uit en dus ga ik niet vrijwillig bij hem zitten.

Ephimenco is een twijfelgeval. Ik ben niet dol op hem, maar lees tussen mijn oogharen toch stiekem wat hij schrijft. Vooruit. Ik moet in mijn voorkeuren nou ook niet àl te gesloten worden, ej.

Moeten deze mannen, ja allemaal mannen, Freud zal wel weten waarom, daarom het zwijgen worden opgelegd? Moet er een grens zijn aan kwetsen? Aan platheid? Banaliteit?

In mijn eigen wereld doe ik dat wel. Iedereen heeft zijn censor, denk ik. Anderen walgen van Wagner. Of vinden Maarten van Rossem een kwal. Er zit een uitknop aan de televisie. De krant kan dicht. En je kunt je abonnement opzeggen. Dus ja, er is een grens.

Maar of die door de wet moet worden vastgelegd? Ik twijfel. Ik ben bang van Dieudonné. En Wilders ondermijnt de rechtsstaat met zijn geschal. Het ontkennen van de holocaust doet mij de maag omdraaien. Maar dat doen de ontkenners van de global-warming-up ook. Waar liggen de grenzen?

Fatsoen kan geen norm zijn. Fatsoen is diffuus. Wat ik fatsoenlijk vind, vind jij burgerlijk. Fatsoen maakt, bovendien de kring steeds kleiner. Is het eerst onfatsoenlijk om God belachelijk te maken. Later is het onfatsoenlijk om zijn dienaren te beledigen, daarna om Gods gelovigen te bespotten, en daarna…. Fatsoen trekt de lijnen steeds strakker, totdat het leven er uit is en wij: inderdaad, in de dictatuur van het fatsoen zijn beland. Fatsoen ordent alleen mijn persoonlijk leven. En dat van jou op een andere manier. En God verhoede het, dat de een voor de ander gaat bepalen wat fatsoenlijk is.

Gekwetstheid kan geen norm zijn Want dezelfde dynamiek. Gisteren werd ik gekwetst door Teeuwen, vandaag is hij weg maar kwetst de buurman mij met zijn poepende hond. Het laatste wagentje van de trein blijft altijd schudden, hoe kort je de trein ook maakt. Uiteindelijk houden we een dwangbevel over van alle gekwetsten van deze aardkloot. Orden je eigen leven er mee. Je samenleven met je naaste misschien. Maar zeker niet de samenleving. God verhoede het!

Er is slechts één ordenend principe voor ons allemaal. Vrijheid.

Met slechts één grens is: wie die vrijheid bedreigt. De RAF werd terecht vervolgd. Of RARA toentertijd. Djihadisten worden terecht met een vergrootglas gevolgd. Zij willen immers dat Hun Wil de vorm van de samenleving zal bepalen.  En Hun Wil, Mijn Wil, zal altijd, vroeg of laat, eindigen met jouw onvrijheid. Met jouw dood, als het moet. Volgens hen moet, dan. Niets vrijheid.

Democratie is het paradijs niet, maar een betere tuin legde tot nog toe niemand aan. Ik bedoel: ik zou niet weten hoe je een plek op een andere manier kunt inrichten zodat iedereen er in leven kan: christenen, heidenen, republikeinen, homo-haters, Gerard Joling, democraten, islamieten, D ’66 ers. Laat iedereen zich dus maar uitspreken, ook als hun vormen smerig zijn, onderbroekerig, hetzerig. Stel er je eigen woord-wapens maar tegenover.

Hoe walgelijk ik uw mening misschien ook vind. Ik zal uw recht verdedigen om uw mening te uiten. Hans Teeuwen, ga je gang.

Haar zal ik verdedigen.

En als jij haar aanvalt,

zal ik jou niet in elkaar slaan

en niet doden

dan dien ik jou van repliek

met mijn woorden.

 

Of ik zet de teevee uit. Dat kan ook.