De machten.

 

Douwe Egberts zou twee procent Max-Havelaar-Koffie in hun pakken doen. Twee procent. Niet dat je denkt: hier val ik van achterover. En toch zou het een groot verschil gaan maken. Het waren de jaren negentig en Solidaridad was optimistisch over de groei van eerlijke koffie, eerlijke bananen, eerlijke ananassen en een eerlijk inkomen voor de boeren die de producten teelden. “Dan zouden hun kinderen eindelijk naar school kunnen!”, was het bericht. En zeg nou zelf: wie wil dat niet? Een goede toekomst voor iedereen. Voor slechts een paar dubbeltjes méér.

Het is er nooit van gekomen. In een groot afscheidsinterview, gisteren in Trouw, doet de bedenker van de Max-Havelaar-koffie, Nico Roozen, uit de doeken hoe dat zo kwam. Het had niet met de smaak te maken, de slag die de fabrikant tóen nog om de arm hield. Het was iets heel anders: “Douwe Egberts heeft het imago van gezelligheid.” En een keurmerk op je pak koffie, dat is niet gezellig.

Ook de consumenten deden niet wat Solidaridad twintig jaar geleden had verwacht. Als de mensen kennis hebben van de oorsprong van hun levensmiddelen dan zouden ze wel kiezen, was de gedachte. Die gedachte kwam niet uit. “De consument is veel minder autonoom in zijn keuze dan wij dachten”, zegt Roozen nu: “Het zijn de supermarkten en de grote merken die bepalen wat we eten.”

En zo bleef Fairtrade koffie een nicheproduct. Sympathiek. Goed bedoeld. Lief. Vol hoop. Maar klein.

Afgelopen dinsdag lazen we psalm 82. Het was de laatste keer dat we bij elkaar kwamen. Acht mensen die acht jaar trouw zich over de oude woorden bogen. Meer dan 160 uur!

“God staat in de raad van de goden”, lazen we. Buiten ging de zon oranjerood onder. We haperden al. Bij die eerste zin. Wie zijn die goden?, vroeg iemand. Wat een gek beeld! Er is toch maar één God? Hoe zit dat dan?

We sloegen andere vertalingen op. “Goden”, legde één vertaling uit: “Dat is de eretitel van de machthebbers.”

Er klaarde iets op. Zij die het voor het zeggen hebben worden ter verantwoording geroepen: wat doen jullie voor de wees, de weduwe, de vreemdeling, de arme? Voor wie zorgen jullie eigenlijk? Voor hen? Of voor jezelf?

Het gesprek werd politiek. Over Rutte die gezegd had, dat werkelozen er wat harder aan moesten trekken om weer aan het werk te komen en dat het van de gekke was dat zij vakantiegeld kregen. Zelf vliegt hij deze zomer naar, waar zal het heen zijn?, Bali. Thailand. Of naar de piramiden van Zuid-Amerika. Dan is het gemakkelijk om te zeggen: wie pech heeft, heeft die pech aan zichzelf te wijten.

Ik weet niet meer precies hoe het gesprek kantelde, maar op zeker moment spraken we over de landbouw. Over de bezetting door Meat the Victims. De woede van de boeren. De zorg voor dieren. De zorg die wij hebben voor de toekomst: kunnen we wel op deze weg van intensivering voortgaan?

Al pratend begrepen we: het zijn mensen die keuzes maken. Maar er nog méér aan de hand. De keuzes zijn niet vrij. De boeren zitten klem tussen hun hypotheek, de eisen van de consument, de lage prijs, het beleid van de regering, de stem van LTO en dan óók nog hun eigen verwachtingen. “Toen de eerste boer een trekker kocht, nou toen wilden we allemáál wel”, vertelde een van ons. Hij had het zelf meegemaakt.

Goden, zegt psalm 82. We gebruiken het woord niet zo veel meer. Daardoor klinkt het ons onwennig in de oren. Goden? Dat zijn dan toch Allah? Krishna? God? Dat “goden” ook alle belangen kunnen zijn waardoor we niet doen wat we moeten doen. Dat “goden” ons imago kunnen zijn. Onze begeerte. Onze economie. Onze aandeelhouders. Onze privileges. Dat lijkt zó ver weg.

“Toch moeten we het blijven zeggen”, reageerde de groep: “dat we niet vrij zijn. Niet zo vrij als we wel denken.”  Want als je dát weet, kun je uit de rij stappen.

“Wie wil er nog een kopje koffie?”, vroeg ik. De groep keek mij weifelend aan. “Het is fairtrade en biologisch!”, voegde ik er opgewekt aan toe.
Toen wou iederéén wel.

Gedachten en gebeden?

 

“Al mijn gedachten en gebeden zijn bij de slachtoffers”, schreef Segers nadat een man (één man?) zijn geweer heeft leeggeschoten in een Utrechtse tram. Alsof de wereld daar van opknapt. Van gedachten. Van gebeden.

Wat we nodig hebben zijn woorden. Hardop uitgesproken nieuwe woorden. Woorden die nu eindelijk eens mensen aaneensmeden en niet uit elkaar drijven. Wie zal met gezag zeggen wat ons bindt? Dat we allen mensen zijn? Dat we hier allemáál wonen en leven? Dat er dus geen “wij” is die in een doofmakende herhaling kan roepen wat “zij” allemaal zouden moeten. “Van ons.” Niemand moet iets. Ook zíj niet. Er is geen zij.

Er zijn mensen. Dat is het enige verhaal. Goede mensen, slechte mensen. En heel veel mensen er ergens tussen in. Terwijl over hen allemaal de zon schijnt en de hemel blauw overeind staat.

Woorden van vertrouwen zijn nodig. Niet van argwaan.

Woorden van heling, niet van scheiding.

Woorden van liefde, niet van haat.

Als de woorden klinken, volgen de daden. Daden die de spot drijven met al die kooplieden van angst, met al die politici die drijven op onze menselijke onlust. Daden die tonen: het kan wel! Natuurlijk kan het wel. Dat je met elkaar leeft. Elkaar respecteert. Elkaar erkent. Deze grond is net zo van jou als van mij. Geboorte geeft geen enkel recht aan jou dat het niet geeft aan een ander.

“Nee”, zei Waleed Aly voor de Nieuw-Zeelandse televisie: “Er is niets aan deze aanslag wat mij schokt.” We maken nu al decennia mee, dat mensen uiteen worden gedreven. We horen nu al decennia de taal van haat, met of zonder baard. Decennia waarin mensen denken beter af te zijn zonder de ander. Je kon de aanslag verwachten. Je oogst wat je zaait.

We hoeven niet geschokt te zijn dat er echo’s zullen komen, overal ter wereld. Of het nu grote steden zijn, of kleine. Of het nu in het buitenland is of midden in ons eigen land. Haat roept haat op. Wraak baart wraak.

Maar liefde, liefde wekt liefde.

Afgelopen zaterdag zaten in een muziekdepot verschillende mensen koperen instrumenten te poetsen. Ze hadden allemaal een verschillende huidskleur. Sommige vrouwen droegen een hoofddoek. Eén vrouw droeg een opvallend kapsel: Beatrix.

Ik dacht: dit is wat de wereld nodig heeft. Mensen die de handen ineen slaan. Die alles mooier maken dan het is.

Segers, laat je gedachten en gebeden. Ga aan de slag.

En schep een nieuwe mensenwereld.

Nu. Liefde kan niet wachten.

Rutte brult.

 

Wagner schreef veel opera’s. Vaak misbegrepen en misbruikte opera’s. Bij zijn “Meistersinger von Nürnberg” zien velen de Hitlervaandels geheven worden, of horen zij de laarzen marcheren. Zo is het ook gegaan: Hitler liet zich begoochelen door de massaliteit en de magische regie van Wagners werk. Hij betoverde op zíjn beurt het Duitse volk. Het felle antisemitisme van de componist zette de deur er ook wel voor open.

Ken je deze geschiedenis niet, en kijk je als met een nieuw oog, dan ontvouwt zich een heel andere wereld. Niet van geweld, maar van erbarmen en liefde. Parsifal vertelt het verhaal van het lijden voor een gemeenschap. Verlossing zoeken voor een mens. De Ring des Nibelungen vertelt in veertien uur tijd de geschiedenis van liefde en macht. De godenwereld, zo schilderen componist en librettist, zoekt macht en offert de liefde. Die twee gaan niet samen. En op het moment dat je denkt “nu is de macht aan mij!”, stort je wereld in. Götterdämmerung.

Ik moest hier denken bij de lezing van Rutte. Een lezing over Europa. Geen wóord daarin over de kernwaarden van ons continent. Welke deze zouden moeten zijn. Waar staan wij voor? Waar moet het in Europa over gaan? Niets van deze vragen. Rutte beklom de ladder naar het klaroengeschal: Europa moet niet langer naïef zijn! We moeten realistisch worden! We moeten onze spierballen laten zien! Europa moet een harde macht worden in de wereld! Mee in de wedloop van de volkeren. Op de achtergrond riep Trump “America first”, riep Poetin. Onze Mark Rutte werd een muis die brulde, gisteren. In de hoop een leeuw te worden.

Tegenover de godenwereld van Wagner staat de godenwereld van Israël. Net zo onbegrepen. Net zo misbruikt. Wie het woord “God” hoort, ziet de oorlog al voor zich. Hoort “Deus le vult” schreeuwen. En zo is het, inderdaad, gegaan. Gefascineerd door eigen machtsverlangens vernietigden gelovigen wie en wat ze op hun pad maar tegen kwamen. Komen.

Paulus kende deze geschiedenis nog niet. Hij leefde in de eerste eeuw van onze jaartelling. Hij kent het geweld wel, hij is er zelf door ter dood gebracht, maar hij schrijft het niet aan God toe. “De God”, schrijft hij in één van zijn brieven “heeft zich leeg gemaakt.” In een lied bezingt hij hoe “Hij die in de gestalte God zijnde” het “aan God-gelijk-zijn niet als een roof heeft geacht”, maar “het heeft verlaten.”

Paulus schildert een godenwereld die de macht verlaat om de liefde te leven. Barmhartigheid, ontferming. Vrede. Macht wordt verlaten om het leven te laten worden wat het leven wil zijn. Wil je weten wat je moet doen, dan kijk je in het mishandelde gezicht van Jezus.

“Macht is geen vies woord meer!”, verkondigde Rutte gisteren. Opgelucht? Blij? Ik dacht: “Macht is nooit een vies woord geweest. Maar je moet wel weten wat je doet, zodra je de macht hebt.”

Wie macht met macht vult, valt.

Maar durf je je macht te vullen met zachte krachten, alsof jouw macht de baarmoeder is voor een nieuw bestaan – dan blijf je.

Daar had het over moeten gaan in Zürich. En daarover zweeg onze premier.

 

 

Valse hoop bestaat niet.

Het is een nuttig woord gebleken voor allen die tegen een verruiming van de asielwet zijn: valse hoop. Neemt iemand het op voor vluchtelingen, dan is dit stopbord gauw neergezet. “We gaan ze halen”, de actie van Rikko Voorberg om naar de vluchtelingenkampen in Griekenland te reizen, kreeg het te horen: “Jullie geven valse hoop!” De kerkdienst in de Haagse Bethelkapel. “Valse hoop!”  De inzet voor vluchtelingen uit Azerbeidjan: valse hoop! Voor vluchtelingen uit Armenië: valse hoop!

Een mooi woord om de ander weg te zetten als dom en naïef.

Volgens mij kun je de valse-hoop-troefkaart alleen inzetten bij wanneer iets groter is dan jijzelf. Een arts die weet dat je niet meer geneest, geeft valse hoop als hij het tegenovergestelde beweert. Je zegt: “Ik zal voor altijd bij je blijven.”, terwijl je wéét “ik hou niet van je”,  dán geef je valse hoop. De werkelijkheid is onbuigzaam, maar jij doet alsof je toch met je handen buigen kunt.

De asielwet is niet groter dan wij. Hij is geschreven door ons. Elke wet is door mensen bedacht. Uitzonderingen zijn niet te maken, wellicht. Maar iets anders bedenken kan natuurlijk wel. Het waren geen goden die zeiden: trek grenzen en houd mensen daarmee van elkaar gescheiden.

Wanneer de bedenkers van de wetten zeggen: “Geef geen valse hoop!”, dan verschuilen ze zich. Achter hun verantwoordelijkheid. Ze doen alsof er geen keuze is. Alsof het nu eenmaal zo is dat wij hier wel mogen wonen en zij niet. Alsof ook vanuit het universum gegeven is wie “wij” zijn en wie “zij”. Het zijn stuk voor stuk ontwerpen die wij zelf hebben gemaakt. Waarvoor wij dus verantwoordelijkheid dragen.

De enige goddelijke wet die ik ken luidt: heb lief. De wees, de weduwe en de vreemdeling. Wees gastvrij. Getuig van de hoop die in u is. Geef niet op.

Met die wet begint een avontuur. Vol vragen, waarop het antwoord pas gegeven wordt, zodra het gegeven wordt. Wie komt er dan bij ons wonen? Dat weet je pas als je het weet. Hoe wordt ons land dan? Dat weet je pas als je het weet. Wat ìs gastvrijheid? Moet dan iederéén hier komen? Wanneer zeg je dan nee?

Misschien kan een staat niet met deze openheid leven, maar als wij dat nou zelf wel zouden kunnen?

Met verbazing hoorde ik de afgelopen maanden dominees zeggen: die kerkdienst in Den Haag – als het nou allemaal mislukt, hoe beëindig je die dan? Waarom wel dit gezin en geen ander?

Ik dacht: dat zijn nou precies de vragen van het geloof. Je weet het niet.

Inmiddels weten we het wel. Hoe het is afgelopen. Het is een beetje gemakkelijk om nu mijn gelijk binnen te halen. Zo van “zie je wel?”

Het is ook te vroeg om mijn gelijk binnen te halen. Ik ben er nog helemaal niet gerust op. Wat gaat Harbers doen? Schuift hij de zeshonderd “schrijnende gevallen” vooruit? Wacht hij totdat we even niet opletten? Stuurt hij ze tijdens onze zomervakantie alsnog het land uit?

De VVD voorzegt “een nu echt keihard en radicaal asielbeleid”. Om te beginnen, nemen we volgend jaar 250 minder asielzoekers op.

Ik protesteer daar nu alvast tegen. Ik begin mijn éénmans-actie “Valse Hoop!”. Want als er één ding is gebleken, ook buiten het geloof, dan dit: valse hoop kan soms zomaar echte hoop blijken te zijn. Omdat het mensenwerk is.

Psalm 73

 

Het werd een gesprek over politiek. Over macht. En geweld.

Hoe je er je tanden op kunt stukbijten dat de brutalen de halve wereld bezitten. Met een grote mond kun je je blijkbaar alles veroorloven.

Het werd een gesprek over Trump. We vroegen ons af: “Waarom kan niemand die man stoppen? Zelfs als hij de ene dag het ene zegt en de volgende dag het tegenovergestelde, blijft het hele politieke bedrijf gewoon doorgaan.”

“Ik hoorde hoe hij een stadion vol Amerikanen ophitste over de vluchtelingen uit Latijns-Amerika.”, merkte een van ons op. “Hij riep tegen de massa: “Dus wat zijn zij….?” En de massa krijste terug: “A-NI-MALS!”

We lazen de psalm kort na de Kristallnachtherdenking. We vielen stil.

De gedachten dwarrelden wat neer, iemand van ons hernam het gesprek. “Is het eerlijk dat we zo spreken?”, vroeg hij: “Ik bedoel, hoe hebben wij blanke Europeanen ons in de geschiedenis opgesteld? Hebben wij niet óók gedaan alsof de wereld van ons was?” “De mannen en vrouwen uit Afrika die wij als slaaf verkochten?” “De Indianen in Noord- en Zuid-Amerika hebben vermoord?” “Wij deden toch ook, alsof dat allemaal kon? En alsof er geen god is die het ziet of merkt?”

Psalm 73 spreekt over mensen die “hun mond in de hemel zetten” en “wier tong op aarde rondgaat”.  Ploert en schender, noemt Huub Oosterhuis ze wel in andere psalmteksten.

Er is een slag volk dat leeft ten koste van een ander. En wie zegt, dat wij dat slag niet zelf zijn?

Vanzelfsprekend was dit gesprek niet. Vroeger (vroeger?) werd het gedeelte over de mensen-die-schadelijk-leven nooit gelezen. “We zongen eigenlijk alleen maar over de hemel waar we naar toe gaan en hoe fijn dat is.”

Psalm 73 was, dankzij knip- en plakwerk, ooit ontdaan van zijn actualiteit, zijn aardsheid. Het was een lied geworden dat bezingt hoe de vrome naar de hemel gaat.

Het lot van heel de kerk. Als tegenbeweging op weg gegaan, dwazen van de Heer die geloven in de zachte krachten, in zegenen en delen, als proeftuin van Gods werkelijkheid begonnen: een hoekje op de aarde waar we in elk geval probéren om het anders te doen. Geen ploert te zijn. En geen schender. Ooit bedacht als spiegel: hoe ploertig ben ik zelf?

Ooit – is de kerk geworden tot een “spiritueel genootschap tot verbreiding van zielenzaken”. Ik zeg het maar eens zo. Ik hoop dat je het herkent. De kerk als een groep : geïnteresseerden in wonderlijke zaken. Ga je na de dood naar de hemel? Ja/nee.

“De Kerk moet zich niet bemoeien met..”, hoor je soms zeggen. Niet met vluchtelingen, niet met geld, niet met economie, niet met verdeling van rijkdommen, niet met politiek, niet met het aardse leven.

Psalm 73 roept ons tot de orde: de kerk moet zich er wel mee bemoeien! Het is haar kern. Een thuis te zijn voor vreemdeling en wees. Voor mensen van elke taal, elke kleur, elke afkomst en van elke toekomst.

“Ik was bijna uitgegleden”, zingt de psalmdichter. Uitgegleden over wat? “Over de gedachte van ‘trek je er niks van aan’, en over de gedachte van ‘doe maar net als ieder ander.’

De kerk doet niet als ieder ander. Zo zou het niet moeten zijn. Ze doet als de Heer.

Het werd een gesprek over politiek. En over macht

En zo moet het zijn, voor wie psalm 73 leest.

In zijn geheel.

 

Wie dient, blijft.

 

Goed. We kunnen een nieuw streepje zetten bij de column “populistische presidenten”. Na de Filipijnen, Polen, Hong Kong, Hongarije, de Verenigde Staten, heeft nu Brazilië óók zijn sterke man: Bolsonaro.  Opnieuw klinkt hetzelfde wapenarsenaal: ons land het eerst, weg met het uitschot, lang leve de familiewaarden, handel voorop, ons ras het beste. Hetzelfde offensief klinkt: wij worden bedreigd, aangevallen, vergeten, bedrogen, in de luren gelegd. Hetzelfde wondermiddel: ik ben degene die jullie nodig hebben. Ik los alles op.

Overal waren het christenen die met enthousiasme de populistische kandidaten steunden. Overal poetste de kerken de schoenen van de sterke mannen (mannen! Ja! Steeds weer.) En de mannen koketteerden op hun beurt met de sterke mannen van de kerken, bisschoppen, predikers, evangelisten. “Brazilië boven alles en God boven allen”, riep Bolsonaro. God als parel boven op zijn regering. Als stempel van goedkeuring. Macht die macht bevestigt.

Ik huiver. Ik heb het gevoel in het verkeerde kippenhok terecht te zijn gekomen. En ik begrijp het niet: die ogen die gaan stralen wanneer de macht “aan ons” gegeven wordt. Dat geloof in “eindelijk (eindelijk!) iemand die schoon schip gaat maken”.

Alsof schone schepen kunnen bestaan zonder mensen te slachtofferen. Sterke mannen willen vijanden. Zullen vijanden vinden. Bedenken desnoods. En ze zullen niet rusten, totdat hun vijand weg zal zijn. Om dan het spel opnieuw te beginnen.

Prawo i Sprawiedliwosci, de Poolse regeringspartij, die haar pijlen richt op “communistische krachten” en daarmee bedoelt: iedereen die democratisch, Europees, liberaal, niet-roomskatholiek is heeft te vrezen. Victor Orbán in Hongarije die tegen vluchtelingen kettert. Trump die onverbloemd anti-semitische taal uitkraamt “allen betaald door Soros zullen moeten verdwijnen”. Die stadions vol mensen laat schreeuwen dat de vluchtelingen “kakkerlakken” zijn. Trump: “Wat zijn zij?” Tribunes, kolkend in hun antwoord: “Kakkerlakken!”

Bolsonaro die èn anti-semitisch is, èn anti-feministisch, èn anti-LGTB, èn…… en de christenen dansen op de straten. Eindelijk een vent aan het roer.

In het Bijbelboek Samuel staat een intrigerend zinnetje over koning Saul. Dat “hij boven alle manschappen uitstak” namelijk. Hij is het toonbeeld van een leider. Iemand die weet hoe het moet. Willem Barnard tekent daarbij aan: maar het is de vraag op wie hij het meest lijkt; “op de farao van Egypte of op een knecht des Heren.” Daarmee raakt Barnard aan een van de kernpunten uit de Bijbelse geschriften. Wat geloof je? Wat volg je?

Egypte, Babel, Fenicië – alle volkeren rondom- geloven de macht. Opgelegde, uitgevoerde macht. Maar voor Israël zou het anders moeten zijn. Dienstbaarheid zou hun leidraad moeten zijn.  Niet omhoogkijken, maar naar beneden kijken. God, de God van Israël laat zich niet gebruiken als sieraad op het hoofd van de sterke man. Hij is die woont onder de verworpene, de weggestuurde. De verdrevene. En die blíjft vragen: de wees, de weduwe, de vreemde, de vluchteling, de andere – wat heb je voor hen gedaan?

Ishwarbai Patel was een Indiase activist. Hij overleed al in 2010, maar deze week stond er een in memoriam van hem in de krant. Hij was zijn leven lang betrokken op de sloppenwijken van zijn land. Zo bouwde hij er twee miljoen toiletten. Hij zei eens: “De rijken van ons land kijken neer op de inwoners van de sloppen. Zij noemen hen crimineel, opvreters, de schande van de natie. Maar in feite zijn de sloppenbewoners het kapitaal van ons land: ze werken hard, ze kosten weinig, ze verbruiken weinig, ze zijn de basis van de rijkdom aan de top. We zouden hen moeten koesteren” Ishwarbai sprak de taal van de verbinding. Niet van de verdeling. Hij vernederde niemand, hij eerde de ander.

Danste er maar eens iemand voor hem. Voor mensen zoals hij.

Ik dans vandaag voor hem.

 

 

De paranimfen van G’d

 

“Geld en Groei” ze waren de Knabbel en Babbel uit de troonrede. De zinnen die Rutte schreef juichten, omdat beide er weer waren. We hebben weer geld! En we groeien weer! De enige vraag die nog openstond: we moeten ervoor zorgen dat nu iedereen ervan gaat profiteren. De champagne stroomt inmiddels al zó lang bij wie geld heeft, dat er nu wel wat priklimonade geschonken mag worden bij wie dat niet heeft.

Geld en groei zijn twee paladijnen van een oeroude god. Van Baäl. Baas. Of van Ra, de zonnegod. Of van de Economie, huisgod van de rich and famous. En ja, het ìs heerlijk als je tot die groep behoort.

Ooit stonden heren in rok en dames in het lang glazen leeg te drinken op het grote balkon van de opera in Budapeszt. De zon ging onder. Wij wandelden in onze sjofele toeristenkleren voorbij. Ik voelde jaloezie. Waar zij stonden, wilde ik staan.

De weg naar dat balkon is die van, juist, geld en groei.

Maar. Er zit een lelijke kant aan dit verhaal. De Tsjech Sedlacek heeft dit een paar jaar terug scherp onder woorden gebracht. “Economie lijkt een neutrale, natuurkundige grootheid, maar is dat niet. Economie vraagt geloof in egoïsme en dat is een morele positie.” Een positie die, bij voorbaat al, anderen uitsluit.

Die mensen staan daar op het balkon, doordat anderen er niet staan. Zij hebben geld, doordat anderen het niet hebben. Marx schreef in zijn Das Kapital dat geld uiteindelijk op hopen terecht zal komen bij enkelen. En dat de velen niet zullen hebben.

Geld en groei hebben meer iets van een knikkerbak. Wie het diepst gaat met zijn egoïsme zal de meeste knikkers ontvangen. De rest heeft het nakijken.

In de Bijbelse geschriften heeft Baäl een tegenspeler. Een klein godje van een klein volkje. Ergens in de marge. JHWH. Ik ben er, betekent die naam. Ook híj heeft twee paranimfen. Chesed en Emet. Waar die twee verschijnen, daar is IK BEN. Waar IK BEN is, daar zijn zij.

Chesed en Emet zijn niet zo eenvoudig te vertalen als geld en groei. Ze zijn ook minder zichtbaar. Net als hun G’d. – die ik met een hoofdletter schrijf omdat je anders over hem (hem?) heen zou kijken.

Ze betekenen zoiets als “vriendschap en waarheid”,  of “liefde en echtheid”,  of “mild en waar”.  Het zijn twee woorden die niet omhoog klimmen tot in de torens van glas, ver verheven boven de schoonmakers, de rioolreinigers, de modderkruipers. Het zijn twee woorden die naar beneden komen. Ze dromen niet van een godenwereld. Ze willen, zal ik maar zeggen, mens onder de mensen worden

Het echte wonder gebeurt natuurlijk, waar mensen van hun balkon afkomen.

De vraag had niet moeten zijn: hoe worden wij sterk en rijk. De vraag had moeten zijn: hoe worden wij mild, echt, hartelijk, eerlijk, vriendelijk – kortom: hoe worden wij mens.

 

Een troonrede in drie woorden.

Paf! De bijbel flikt het weer. In drie woorden alles zeggen.

We lazen Amos, vanmorgen. Gewoon, zomaar, in een kringetje hoorders. Amos is een bijbelboek. En een personage. Het boek introduceert hem zelf: Amos, schapenfokker in Tekoa. Historisch zitten we dan ongeveer tweeëneenhalfduizend jaar geleden, maar dat is van minder belang. We lezen vandaag. Dat doet er toe.

“Waarom eigenlijk schapenfokker?” vraagt één van de hoorders. Waarom moet dat vermeld? “Waarom Tekoa?”, denk ik er achteraan. Waarom dàt vermeld? De bijbel is nooit zo scheutig met informatie. Het dumpt zijn verhalen vaak zonder franje. Nog niet zo lang geleden lazen we in Exodus hoe Mozes voor het eerst bij een priester in Midjan gaat eten. Mozes is vluchteling, kent deze hele priester niet, er zijn allerlei omstandigheden. Maar het verhaal zwijgt daarover. Het weet nog net tussen de tanden door te melden: de priester gaf zijn dochter aan Mozes ten huwelijk. Nog niet eens één zinnetje. Het eerste dinertje bij een onbekende en even later ben je getrouwd met diens dochter! Ik heb wel eens uitgebreidere liefdesgeschiedenissen gelezen, moet ik bekennen.

En dan hier ineens zo’n spraakwaterval. De naam, het beroep èn de woonplaats er ook nog bij. Het kan niet op. Maar waarom?

Thom Naastepad zegt: “Het maakt meteen duidelijk dat Amos niet uit een priestergeslacht stamt. Hij is geen beroemde spreker.” Geen Billy Graham of, van mijn part, geen Obama. Hij is een boer. Broer van Klazien uut Zalk, zeg maar.

Thom Naastepad kan het weten. Hij is onvoorstelbaar bijbelgeleerd. Hij was dat, eigenlijk. Naastepad leeft niet meer. Helaas.

Met dat broer van Klazien uut Zalk zit ik niet ver naast de bedoeling. Wie had er ooit van Zalk gehoord? Tekoa is net zoiets. Een afgelegen gat. Nergenshuizen. Moddergat. Het is geen Jeruzalem. Geen Hiergebeurthet.

Tekoa is meer een Hiergebeurtnooitwat.

Amos is schapenfokker. Bedacht op zijn schaapjes en op hun welbevinden. Hij werkt zorgzaam en aards. Hij let op de kleinen, waar hij er zelf één van is.

In groot tegenstelling tot de anderen die in dezelfde zin worden genoemd. De koningen uit zijn tijd Uziah en Jerobeam. Grote mannen die paleizen bewonen van ivoor. Hun volk kijkt naar hen op. Iederéén wil wel in een ivoren toren wonen. Met dure bedden van Hästings. Om op te luieren en tokkelend op je harp naar je X-factor te zoeken. Want daar heb je alle tijd voor als je rijk bent. Ik verzin het niet he. Het staat er. In dat boek van Amos. Dat de rijken van het land muziek maakten en dachten “Nu ben ik net zo goed als David, minstens”. En dat ze daarbij luxe bedden onder den kont hadden. Het ging goed in Nederland, pardon, in Israël. Zeker als je dat vergelijkt met de landen in de omgeving. Die deden het niet half zo goed. Groeicijfers die er mochten zijn. De beddenverkoop steeg tot ongekende hoogte. Er is veel om trots op te zijn.

Nooooou, zegt Amos. Hoe zit het precies met de ouderen in de verpleeghuizen? Hoe vaak per dag krijgen zij een schone luier? Hoe zit het met de vluchtelingen die jullie zo graag “onder controle willen krijgen?” Horen jullie hun stem, of blijven jullie doof? Hoe zit het met de arbeiders in de lage-lonen-landen waarvan jullie T-shirts kopen, twaalf voor een tientje. Hoe zit het daarmee?

En hij scheldt op de mensen die het alles overstemmen met vroom gezang. Met klokgelui en zegenbedes. Dat velen met mij voor u bidden. Woe-dend wordt Amos. Jullie slaan jezelf op de borst. Omdat het geld groeit.

Maar het leger armen groeit ook. De aarde wordt ontwricht. Doe! Daar! Wat! Aan!

Maar ja, wie luistert er nou naar een keuterboertje uit Tekoa?

Niemand.

“God”, zegt het bijbelboek. God luistert naar keuterboertjes. En naar armen. En naar de machtelozen die opzij worden gedrukt. Hij luistert.

Ik had het kunnen weten. Drie woorden: Amos, boer, Tekoa.

Meer heeft de bijbel niet nodig om de vinger op de zere plek te leggen.

Het is maar wat je vrij noemt, natuurlijk

Christenen zijn onvrije mensen! Zo veel zei minister Schippers bij de H.J. Schoo-lezing afgelopen maandag. Eigenlijk ging het haar niet om christenen, maar om – je kunt het raden- moslims. Dat zei ze dan weer niet zo, want dat klinkt dan meteen weer of je discrimineert. En de minister is een moderne vrouw, dus zei ze: “dat mensen hun levens laten voorschrijven door Bijbel of Koran”. Ze kon er met haar hoofd niet bij. Ze had trouwens gedacht, dat het wel uitgestorven was, zo langzamerhand. Het geloof.

Van moslims weet ik niet zo veel. Maar dat wij onvrij zijn,  dat had Schippers dan en passant toch wel goed gezien. Ik denk niet dat ze weet wie Paulus is. Doet er ook niet toe. Paulus heeft zelf geschreven:”Wij zijn gevangenen.” Niet van de bijbel als zodanig, die was er nog helemaal niet in de dagen van Paulus en ook wij zijn geen gevangenen van de Bijbel. Wij zijn gevangen van Christus Jezus. Je kunt het vinden in een brief die Paulus rond het jaar zestig schreef aan Christenen die in Efeze woonden. Hoofdstuk drie en vier. Die hoofdstukindeling is dan weer niet van hem, maar reuze handig voor ons, lezers tweeduizend jaar later. Paulus liet het met nogal fierheid neerpennen. Hij vindt het zijn roeping om “gevangene van de Heer” te zijn. Dus

“Zie je wel?”, reageert de minister nu denkbeeldig. Jullie zijn gevangen. En ze denkt van zichzelf dat zíj vrij is.

Beetje gek is die laatste gedachte wel. Want de vrije minister Schippers ziet er toch opvallend duidelijk uit als een, ehm, seculiere, Nederlandse vrouw uit de eenentwintigste eeuw. Ze draagt geen Volendamse muts, ze loopt niet in een tuinbroek, ze heeft geen corset aan, en ze zegt geen dingen als “de man is de kostwinner van het huisgezin”, en ook geen dingen die zó nieuw zijn dat niemand ze snapt, dus ergens heeft zij haar opvattingen ook “van buitenaf”.  En past ze in een cultuur. Ik weet niet of je vrij bent, wanneer je in je blootje de vergaderzaal van de Tweede Kamer binnen rent. Ik weet wel dat mevrouw Schippers dit niet zou doen. Je hebt je fatsoen, je denkt aan anderen. Je gaat “met je tijd mee” (die komt niet van buitenaf?)  en je schuift met de PVV mee naar rechts. Hoe vrij is vrij?

Paulus maakt trouwens een geintje. Hij zìt gevangen op het moment dat hij schrijft. Ik bedoel: echt gevangen. Achter een dikke deur, een bewaker en achter tralies. Dat komt omdat hij Christen is en, nou ja beetje lang verhaal: omdat hij Christen is, heeft de staat hem gevangen gezet. Zo veel is duidelijk. “Maar ik ben geen gevangene van de staat”, knipoogt Paulus, doodleuk: “Ik ben gevangene van de Heer” En dat is heel andere koek. Die gedachte maakt Paulus vrij. Vrij om naar Efeze te schrijven, alsof hij naar hen onderweg is. Vrij om te bidden. Vrij om te hopen. Vrij in zijn hoofd. In zijn handelen.

Negentienhonderd jaar ná hem zit Bonhoeffer gevangen. Ook een Christen. In een kamp, waarvan hij weet, of in elk geval vermoedt, dat hij er niet meer levend uit zal komen. Hij schrijft aan zijn verloofde, die misschien iets minder door heeft wat er staat te gebeuren, dat hij elke dag in zijn bijbel zit te lezen. En hij schrijft hoe vrij hem dat maakt. Als hij uit zijn cel wordt gelaten om gelucht te worden, heeft hij medelijden met zijn bewakers, beweert hij frank en vrij. “Zij”, schrijft hij:  “zitten gevangen in het systeem.” Bonhoeffer niet. Bonhoeffer is vrij. Zijn ziel kunnen zij niet raken. Andere gevangenen zeggen verbaasd:  “Wij vragen ons af wie nu de echte gevangene is, Bonhoeffer, of zijn bewakers.”

De gevangenschap van Christus maakt vrij. Vrij van angst, vrij van schaamte, vrij van jezelf. Bonhoeffer was zó vrij, dat hij zijn bewakers de hand kon schudden en hen lief kon hebben.

Kijk dat zou ik mevrouw Schippers nou wel willen toewensen. Dat ze uit haar eigen wereldje stapt. En leert lief hebben wat haar volslagen vreemd voorkomt. Vooral als ze weer eens over “de Moslims” begint.

Je roeping verliezen?

rembrandt80

Saul. Ik moet vaak denken aan Blair. De toenmalige premier van Engeland. Saul, die tragische Saul. Saul, koning van de Heer, die uiteindelijk op de schroothoop van de geschiedenis belandt. En je begrijpt, als lezer, maar nauwelijks waar dat door komt.

Ik had heel erg vertrouwd, dat Blair een nieuw élan in Groot-Brittanië zou brengen. De oude tegenstellingen zou hij weten om te smeden tot iets nieuws. Dat was ook zijn belofte. Het zou niet alleen afgelopen zijn met de overleefde macht van de Lords, het zou ook afgelopen zijn met de neo-liberale-Thatcherwind die koud door de hele samenleving blies. Hij was jong, had een leuk gezin. Dat doet er niet toe, natuurlijk, maar gaf wel de juiste entourage voor het “nieuwe-lente, nieuw-geluid”- gevoel.

Het liep anders. Blair raakte verstrikt in het giftige moeras van de Irakoorlog. En hoe hoger hij sprak over de vrije wereld, massavernietigingswapens, de bedreiging van het Westen, hoe valer zijn ster werd. Hij bleek gewoon een politicus van de oude wereld. Toen hielp het niet meer, dat hij zich een jeugdig kapsel liet aanmeten.

Het was gedaan met Blair, de nieuwe hoop.

Ik stond er met mijn neus bovenop. Nou ja, niet helemaal: de kranten en de media stonden er tussen, maar dan nog – ik kon het niet begrijpen. Hoe verliest iemand zijn eigen visie en beloften?

De afgelopen maanden stond ik met mijn neus op het leven van Saul. Goed, de bijbelse boeken staan er tussen, maar een andere weg naar deze koning is er niet. We lazen aan tafel na het eten. Verhaal na verhaal. Je ziet de moeilijke start. Dat hij koning zou worden is van het begin af een hele worsteling. Het volk wil wel, maar God wil het niet. Alsof politiek toch altijd een bedrijf is van “we waren beter af zonder, maar het kan niet anders dan met”. In elk geval – dat vond ik dan wel bijzonder- wordt vanaf bladzijde 1 in het boek Samuël aan koningen alle goddelijke vanzelfsprekendheid en pretentie afgenomen. Ze regeren, omdat het voor mensen nodig is. Ze regeren ten dienste van mensen.

Je ziet bij Saul echter ook de hoop: deze man is de koning die door de Heer is gezalfd. Een soort Mozes, een soort Deborah, iemand door wie de harten van de mensen  lichter worden en door wie de toekomst  rooskleuriger er uit gaat zien.

“Wir schaffen das”, was voor mij zo’n adempauze. Rustige, krachtige woorden, waarvan je dacht: zo komen we ergens.

We weten inmiddels in welk moeras díe woorden verdwenen zijn.

Waarom gaat dat zo?

“Saul stak boven alle andere mannen uit.”, vermelden de Schriften. Waarop Willem Barnard commentaar geeft: “daar gaat het al fout. Dat sterker willen zijn dan een ander. Dat heidens gevecht om aanzien en status. Voor heidenen telt je macht. Voor God niet”. Bij Blair heb ik dat vaak gedacht: Hij wilde graag een staatsman van formaat worden. En daardoor werd hij het niet. Was hij trouw gebleven, had hij de verleiding weerstaan, had hij Bush weerwoord gegeven, misschien dan – we zullen het niet weten.

De schrijver van Sauls werdegang meldt iets heel anders. Saul is niet trouw geweest aan God. Dat klinkt logisch. Wie niet dicht bij zijn binnenkant blijft, zal verraad plegen. Maar het logische duurt in het boek Samuel niet lang. Want wat had hij moeten doen om trouw te blijven? Hij had al zijn vijanden, tot de laatste man en de laatste vrouw, moeten uitmoorden. En dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft – in elk geval een deel van-  hen in leven gelaten.

Ik sta er als 20ste eeuwer bij en kijk er onhandig naar. Als ìk God was, zou ik Saul prijzen. Het leven is meer dan de dood. Toch?

Ik ben God niet. God verwerpt Saul. En zelfs Samuëls smeken, vasten en rouwen – de arme oude man wordt gekweld door de teloorgang van Saul – helpen daar niets aan. Uiteindelijk stort Saul zich in zijn eigen zwaard.

Ik kan er niet bij. En dat is het dan misschien ook wel. Er is geen goed verhaal te vertellen om te verklaren waarom hoop vervliegt. Ze vervliegt.

Er is geen verhaal, waarom ik niet de ommekeer heb gebracht, waarvan ik als tiener dacht dat die met mij zeker komen zou. Ik zou niet zo zijn als mijn ouders. Neenee.

Er gebeurt ook nog iets anders in Samuël. In de wereld. En dat helpt me vooruit.

Met horten en stoten. In verzet en overgave. In de schijn van het tegenovergestelde, komt er een ander die de roeping overneemt: David. Ook geen heilige, trouwens.

Eveneens een mens, ook al heeft Michelangelo hem de eeuwige jeugd geschonken. Maar dan toch. Hij is er. De fakkeldrager.

Idealen worden verkwanseld. Roeping gaat verloren. Maar dat is niet het hele verhaal.

En ontstaat ruimte voor een ander. Voor een nieuwe generatie. Die de hoop oppakt, meeneemt, omvormt –

David speelt harp voor Saul. Voor de door hoofdpijnen gemartelde Saul.

Ik vind dat een sterk beeld voor onze wereld die haar roeping zo vaak verliest. De laatste jaren niet in het minst door het te véél vergieten van onschuldig bloed.

Er is een melodie die terugkomt, als ze lijkt te sterven.

Ik denk dat God daar achter zit.