Sodom en Gomorra: het was de homoseks niet.

Nee, Sodom en Gomorra (hier) zijn niet de steden van de homo’s. Alle brieven, preken, e-mails en tegenwoordig zelfs messengerberichten ten spijt die dit wel beweren. God keerde de steden niet om vanwege homoseksuelen.

Ik zal je niet proberen te overtuigen met het argument dat in de tijden van de bijbelschrijvers seks tussen twee mannen of tussen twee vrouwen als een abjekte abberatie werd gezien – terwijl wij nu anders kijken; wij begrijpen dat er een gevoel, een harteklop, een verbondenheid in schuil gaat die niet veel anders is dan die tussen man en vrouw. Ik ben er wel van overtuigd dat het zo is: Paulus had geen idéé van zoiets als seksuele geaardheid. De Genesisschrijvers evenmin: hoe zouden ze kunnen. Pas de negentiende eeuw deed deze ontdekking: dat het niet om verdorven moraliteit gaat maar om liefde.

Niet iedere bijbellezer wordt door dit argument overtuigd. Dat is een feit, al betreur ik die.

Ik zal je ook niet lastig vallen met de gedachte: “dit zijn verouderde teksten.” of “dit is de wet”.  Ik deel die argumenten niet. De afspraak bij bijbelteksten is: we nemen ze serieus. Omdat wie leest, er van uit gaat dat er wijsheid te vinden is in deze woorden. Op z’n minst. En op z’n meest: dat jou, terwijl je leest, een werkelijkheid tegemoet komt die wij het kortst “God” kunnen noemen.

Ik hoef je niet te overtuigen dat het in Sodom en Gomorra niet om homoseksualiteit gaat. Het zijn de bijbelse geschriften zelf die het je voorzeggen. Eerder in Genesis wordt melding gemaakt van de zware zonden van de steden. Dat de ernst daarvan is doorgedrongen tot in de hemel. Beide steden deden de wereld schudden op hun grondvesten. Hun namen gaan als een grote afschrikking door de profeten. Jesaja noemt ze, Jeremia noemt ze. “Word niet omgekeerd zoals Sodom en Gomorra!” Doe niet wat die steden hebben gedaan. Maar wat deden zij dan?

Ezechiël vertelt het ons: de steden waren rijk, de inwoners aten hun brood met trots, maar was er een arme, dan boden zij geen hulp, was er een weduwe dan reikten zij niet hun hand, “zij bleven”, zo vertaalt Pieter van Oussoren “op veilige hoogte” (hier)

De steden waren arrogant. Op zichzelf gericht. En dáárom stortten zij ineen. Ze waren al dood, zeg maar, terwijl ze nog leefden.

Jezus zegt: “Ze aten, ze dronken, ze plantten, ze verbouwden, kochten en verkochten” (hier). Wij zouden parafraseren: het was één en al consumentisme. Maar dat er ook nog iets te dóen was in het leven. Voor een ander. Dat er überhaupt antwoord te geven was – dat ontging de Sodomieten ten volle.

Geen woord over seks. Laat staan over homo’s.

Wat staat er dan in  Genesis 19? Als we van dichtbij gaan kijken, blijkt dat het hele homoverhaal op één werkwoord vastzit: “opdat wij die mannen te grazen nemen”, las ik ergens. Jada in het hebreeuws. Het werkwoord betekent in bijna alle gevallen: nauwkeurig leren kennen. En in een aantal – niet onbelangrijke- gevallen betekent het werkwoord: seks hebben. De Statenvertaling zegt mooi, dat Adam Eva bekende. Ook daar staat datzelfde werkwoord: jada.

Willen de mannen hier wel allemaal seks? Van jong tot oud? Dat zou wel heel kras zijn. Het lijkt me ook niet aan de orde. Wat de stad wil is dit: laat die mannen naar buiten komen, dan kunnen wij eens flink uitzoeken wie zij zijn, waar zij vandaan komen en wat ze hier eigenlijk moeten, in die stad van ons. De stedelingen sluiten zich op in hun eigen identiteit die zij als superieur beschouwen. Zíj hoeven zich niet te verantwoorden. Dat moeten die vreemdelingen maar doen.

Bijbels de-wereld-op-zijn-kop, blijken de vreemdelingen Gods aanwezigheid te vertegenwoordigen. Zij zijn engelen van God. Maar dat weten die mannen niet!

En Lots poging dan om de stedelingen tot bedaren te krijgen door zijn eigen dochters aan te bieden? John Boswell deed een uitgebreide studie naar stadsoproer in rurale samenlevingen en kwam tot de schokkende slotsom: dreigende opstanden werden standaard met vrouwen geblust.

Dat is een gruwelijke conclusie, maar rechtvaardigt niet de gedachte “Lot vond het minder erg als de mannen i.p.v homoseks, heteroseks zouden hebben.”

Ik hoop dat het (al even verschrikkelijke!) verhaal uit Richteren 19 een absoluut nodige correctie is op de gedachte dat vrouwen wel ingezet zouden mogen worden voor de stadsvrede. In dat boek, in dat hoofdstuk wordt verkrachting verafschuwd en afgewezen.

Dus, lieve dreigbrievenschrijvers. God liet zijn toorn niet dalen over de “homo’s in de steden Sodom en Gomorra”.  U leest echt niet goed. God toornde over de harteloosheid van de stad, over de vreemdelingenhaat. En over de arrogante weigering om veiligheid, onderdak en brood te delen.

Daar zou ik nou wel eens een brief over willen schrijven: over onze harteloosheid. De harteloosheid van Europa die de wereld op zijn grondvesten laat schudden.

Desnoods anoniem.

 

De ander accepteren? Nooit!

De school had een tentoonstelling georganiseerd over Anne Frank. Het waren de jaren tachtig en de schooldirectie had er een goed gevoel over. “We moeten ons fel opstellen tegen anti-semitisme!”, vond de rector. En allen beaamden dat. Wij, leerlingen, zouden de tentoonstelling vroom bezoeken. Want wij waren geen antisemiet.

Iedereen tevreden? Nee, niet iedereen. Onze lerares Latijn was fel tegen. Dat maakte haar verdacht. Was zij aanhanger van bedenkelijke clubjes? Wij konden het ons niet voorstellen. Maar we begrepen ook niet, waarom wij er volgens haar geen goed aandeden, met die tentoonstelling van ons.

“Nou” zei onze lerares, en het werd stil in het anders baldadige klaslokaal: “eerst wordt er een “ons” gemaakt van mensen die geen “ons” zijn. Vervolgens wordt er over gezegd, dat zij “anderen” zijn. Om tenslotte te beweren, dat je die anderen moet accepteren.”

Ik weet niet of we haar begrepen.

Het is paarse-broeken-dag vandaag op de scholen. Je hoort mij geen kwaad woord zeggen over de intenties. Die zijn allernobelst en allerfijnst: “wij-accepteren-de-homo’s”. Wie zou er niet zo allerhartelijkst willen zijn?

En toch krijg ik de kriebels. “Sommigen zien voor het eerst een homo”, roept iemand blij uit in de krant vandaag. Er was iemand van het COC op bezoek geweest. Ik denk dan: “Als dat waar is, hebben de jongens en meisjes op de scholen hun ogen nog nooit open gedaan.” En daarna flitst de tweede gedachte: “En wat hebben ze nu gezien?” Een gewoon mens, vermoed ik, die bij het ontbijt een kopje thee drinkt en op tijd haar belastingen betaalt. Of juist niet, maar dat heeft met het homo-zijn verder niet zo veel te maken.

Ik roep ineens mijn lerares na: “Maak geen “ons” van “ons”, als u begrijpt wat ik bedoel.” Wat heb ik gemeen met Paul de Leeuw? Met Herman Emmink? Met – weten we nu- Koning Willem ll? Niets. Helemaal niets. Of zeggen we soms, dat Huberto Tan en Jan Smit een groep vormen? Ze mogen allebei wel naar vrouwen kijken, tenslotte.

We ervaren deze dagen enorme homo-integratie in de soap van Onno Hoes, Albert Verlinde en de toyboy. Iedereen leeft mee met het echtpaar en hun wankelende liefde. Ineens herkennen we in Alberts moed, onze eigen moed. En in Onno’s ontrouw, onze ontrouw. We begrijpen hoe beide mannen knoeien met zichzelf, met hun liefde en hun huwelijk. Je hoort de verhalen en je denkt: “het zijn net gewone mensen, eigenlijk”.

“De anderen maakten mij tot Jodin”, sloeg onze lerares haar slotaccoord. “Om hèn heb ik moeten onderduiken in de oorlog”. Er trok een zucht door ons heen, wat wisten wij ervan? Van mensen, van hun oordelen, van de geschiedenis van onze lerares? “Als ik altijd was gezien als Lisa en gewoon als Lisa, een van de vele unieke, gewone en uitzonderlijke mensen..” Ja dan was ze geen ‘ander’ geworden.

En hoefden wij haar ook niet te accepteren.