O, o Prediker.

DSC_0314Goed, ik was altijd wat bang voor die man. Prediker deed me denken aan lange, wee-groene gangen in een psychiatrische instelling. Hij, met zijn: het is ijdel, het is ijdel, het is ijdel. Een mompelende, verwarde man. Dat vond ik van hem.

Ik herinner mij, hoe jaren geleden een vader van een vriend met sonore stem voorlas: “De boom kan vallen naar het Noorden. Hij kan vallen naar het Zuiden. Hij zal blijven liggen, zoals hij gevallen is.”

“Nou lekker dan”, dacht ik: “laat ik ook maar gaan liggen, dan”. Oké, ik was depressief in die tijd.

Prediker: ik dacht dat hij ons allemáál aan de seroxat wilde hebben.

Drie jaar geleden echter kieperde iemand hem voor mij uit het gesticht. Hij was zelf ziek en wist dat hij dood zou gaan. Dat waren ook wel zo’n beetje zijn woorden “dood gaan”. “Dat weten we dan”, was zijn motto: “daar hoeven we het verder niet meer over te hebben.” Als je bij hem was, en bij zijn vrouw, dan had je helemaal niet de ervaring van ziekte. In tegendeel. Het licht scheen er. Hij had altijd bezoek. De gesprekken gingen over het dorp, zijn familie, zijn werk en over de droom dat hij de Vierdaagse nog wandelen zou. En hij, die het leven omarmde, kwam met Prediker toen hij wist dat zijn begrafenis niet meer te ontlopen viel. “Alles heeft zijn tijd”,  moesten we lezen. En daarbij ook de zinnen: “maar wij kennen de tijd niet. We hebben geen idee van wat God doet”. En tot slot beslist ook de gongslag: “laten we dan eten en drinken en daarvan genieten. Want dat is een gave van God”. “Dat is het.”, zei hij. Hij hield zo ontzettend van het leven, dat ik eigenlijk niet begrijp hoe hij dood kan zijn. Die gedachte zal ook wel weer ijdel wezen.

En nu lees ik zelf Prediker. Eerst elke ochtend in mijn eentje. Nu samen aan tafel. Valt het mee? Nou…

Het blijft een bijbelboek hè. En de bijbel valt niet mee. Niet tegen ook, trouwens. De Bijbel gaat aan deze begrippen voorbij. Afgezien misschien van wat gezellige psalmversjes op tegeltjes geborduurd. Het vergaat mij altijd weer van: “Hè? Huh? Moet ik hier wat mee?” Een grapjas heeft eens gezegd, dat God maar blij mag zijn dat er dominees en pastoors bestaan. Die fatsoeneren dat bonkige, houterige boek tenminste tot iets behapbaars. Anders was het nooit Woord van God geworden. Ik ben wel eens jaloers op de Happinez, ja.

Maar goed: als je de gedachte los kunt laten, dat je iets van de bijbel moet vinden, dan begint hij toch werkelijk bijzondere dingen te geven. Dus Prediker ook. Als uit een koel-donkre vijvergrond groeien waterlelies omhoog zoals: “Hoe zal één mens warm worden? Twee koesteren elkaar.” Inderdaad: je denkt hoe je elkaar soms midden in de nacht even zoekt. En hoe gelukkig je dan kunt zijn. Een geluk, dat groter is dan “ik had veel paleizen en veel slaven en slavinnen”.

Prediker slaat je veel uit handen. Dat je controle over je leven zou hebben: hij lacht je vierkant uit. Dat rijkdom gelukkig maakt. Prediker haalt er zijn schouders bij op. Dat wijsheid het doel van het leven is. Hij schampert. Ja, zeker: wie wijsheid heeft, loopt met ogen in zijn hoofd rond, terwijl een dwaas stekeblind is, helemaal waar. Maar een wijze gaat net zo goed dood. Hij krijgt een prachtige grafsteen en glanzende toespraken. Maar na verloop van tijd staat de steen scheef en vraagt een meisje dat met haar moeder voorbij loopt: wie is dat? En de moeder weet het niet.

“Eten en drinken”. O, en daar moet je ook je levensdoel niet van maken, want dan ontglipt het je ook weer. Johannes van Dam, de eetrecensent was ook niet de meest geslaagde, de meest gelukkige mens op aarde. “Gave van God”, dat is de kunst van het leven. Het komt voorbij waaien. En dan openstaan, zodat je het ziet en het aanneemt.

Gisteravond liepen we in het half-duister naar de auto. Hoog bovenop twee schoorstenen stonden twee ooievaars naar elkaar te klepperen. Dat is het. “Gave van God”.

Ik was zo depressief, ooit, omdat ik altijd bezig was met “hoe moet ik vallen, hoe moet ik staan, hoe doe ik het goed, hoe verpest ik het niet” en daarbij al het antwoord: “ik val niet goed, ik sta verkeerd, ik doe het fout en ik heb het al verpest.”

Prediker draait mij om. En redt mij zo uit het gesticht. “Je doet het nooit goed, want je weet niet hoe je het doen moet. Je weet het niet, omdat het niet te weten is. Dus doe nou maar gewoon. Dan doe je het altijd goed.”

Je bent dood voordat je het weet.

Zonde, als je dan al die tijd hebt lopen tobben.

Best een vrolijk bericht. Toch?

Advertenties

Ben nog altijd lid van de kerk!

“Het is je werk”, zul je nu denken.”Natuurlijk ben jij nog lid van de kerk.”Je krijgt er je salaris van, tenslotte. Uit de kerk stappen zou een totale revolutie van mijn leven betekenen.

Inderdaad. En toch liggen, zoals zo vaak, de zaken ingewikkelder.

Een paar dagen geleden schreef een collega-blogger over zijn geestelijke ontwikkeling. Als vijftienjarige, schreef hij, vond hij dat je vurig vóór Christus moest zijn en een trouw kerklid. Zijn vijftienjarige zelf vond kerstgangers hypocriet. Je bent christen of je bent het niet, maar je bent het in elk geval niet voor één kerkdienst per jaar.  Zijn twintigjarige ik dacht: “Nou, die mensen die met kerst binnenkomen zijn een mooie kans. Om met het geloof in aanraking te brengen.” Zij missen iets, wat “wij” wel hebben. Inmiddels is hij weer een aantal jaar verder. Hij ging minder en minder vaak naar de kerk. Uiteindelijk schreef hij zich uit.

Dat laatste raakte mij. Hoewel hij en ik nooit fysiek met elkaar in de kerk hadden gezeten, miste ik hem ineens met terugwerkende kracht. Vond ik nu, dat hij een foute beslissing had genomen? Dat hij in de kerk thuis hoorde? Dat je sowieso in de kerk beter af bent? Die vragen kon ik niet met een “ja” beantwoorden. Daarvoor herkende ik te veel in zijn betoog.

Ook mijn vijftienjarige ik zou een hekel hebben aan de dominee die ik ben geworden. Ook ik vond, dat je als dominee “voor je zaak moest staan” en de zaak was: wij zijn zondaars, wij hebben de Heer nodig, zonder Hem ga je verloren. Mijn moeder, geen kerkganger, vroeg eens of een gestorven tante, van wie ik veel had gehouden, nu dan niet in de hemel was. Ik had de moed om te zeggen: “Tsja, ze heeft nooit voor de Heer gekozen, dus nee, ik denk niet dat ze in de hemel is.” Diep van binnen voelde ik, dat dit antwoord niet klopte. Maar ik vond het ook een rotstreek, die vraag van mijn moeder. En ik zou elke dominee veroordeeld hebben die een ander antwoord had gegeven.

Inmiddels ben ik zo’n dominee. Ik heb een ander antwoord. Of erger nog: ik heb geen antwoord. De hele term ‘hemel’ is uit mijn draagbuidel getuimeld. Ik weet er geen raad meer mee.

Ik herken de vervloeiing van het geloof. Ik herken de vervreemding: waar gaat het in de kerk in ’s hemelsnaam over. Misschien daarom mijn ergernis over de kerstcommercial van de Protestantse Kerk: zó leeg, dat het je niet zou verbazen als de kerstman in beeld kwam. Misschien ben ik zelf zo leeg geworden, maar wil ik het niet weten?

Zou ik uit de kerk willen?

Nou, dolgraag. Soms, althans.

Maar dan toch uiteindelijk ook weer niet. Ik houd van de gemeenschap van mensen. Ik houd van de concrete mensen die concreet in Sauwerd, Adorp en Wetsinge bij de gemeenschap horen. Ik mis tientallen anderen. Ik zou een brug willen zoeken naar een nieuw ‘wij’.  En ik houd er onnoemelijk van, dat zij bij elkaar komen – in welke vorm dan ook- rondom de Schriften, die sterke verhalen over leven en dood. En dat we bidden! Die bijzonder intense manier van samen-zijn en omgaan met elkaar.

Iemand vroeg mij deze zomer, waarom ik dominee was. Ik hoorde mijzelf, tot mijn stomme verbazing, vloeiend antwoorden: om de kracht van de verhalen uit de Bijbel en om de kracht die ik in de mensenlevens ontdek.

“Dat kan ik ook buiten de kerk vinden”,  zo ongeveer schreef mijn blogcollega. Ik heb misschien nog niet goed genoeg gezocht: ik vind het niet buiten de kerk. Ik vind de gebaren van brood en wijn die gebroken worden niet. Niet zó. Ik herken de gebaren wel. Maar ze worden nergens gevierd, zoals in de kerk. Ik vind er ook de verhalen van de Heer niet terug.

Dat is denk ik mijn eigenlijke troef: ik ben gefascineerd door wat mensen in het leven van Jezus hebben herkend. Ik ben gefascineerd door de evangeliën. Door hun enorme liefde. Daar wil ik bij horen. Bij die liefde.

Ik ben – ik streep dat alles zeggende woordje nog door- lid van de kerk

en ik houd ervan.