De ander accepteren? Nooit!

De school had een tentoonstelling georganiseerd over Anne Frank. Het waren de jaren tachtig en de schooldirectie had er een goed gevoel over. “We moeten ons fel opstellen tegen anti-semitisme!”, vond de rector. En allen beaamden dat. Wij, leerlingen, zouden de tentoonstelling vroom bezoeken. Want wij waren geen antisemiet.

Iedereen tevreden? Nee, niet iedereen. Onze lerares Latijn was fel tegen. Dat maakte haar verdacht. Was zij aanhanger van bedenkelijke clubjes? Wij konden het ons niet voorstellen. Maar we begrepen ook niet, waarom wij er volgens haar geen goed aandeden, met die tentoonstelling van ons.

“Nou” zei onze lerares, en het werd stil in het anders baldadige klaslokaal: “eerst wordt er een “ons” gemaakt van mensen die geen “ons” zijn. Vervolgens wordt er over gezegd, dat zij “anderen” zijn. Om tenslotte te beweren, dat je die anderen moet accepteren.”

Ik weet niet of we haar begrepen.

Het is paarse-broeken-dag vandaag op de scholen. Je hoort mij geen kwaad woord zeggen over de intenties. Die zijn allernobelst en allerfijnst: “wij-accepteren-de-homo’s”. Wie zou er niet zo allerhartelijkst willen zijn?

En toch krijg ik de kriebels. “Sommigen zien voor het eerst een homo”, roept iemand blij uit in de krant vandaag. Er was iemand van het COC op bezoek geweest. Ik denk dan: “Als dat waar is, hebben de jongens en meisjes op de scholen hun ogen nog nooit open gedaan.” En daarna flitst de tweede gedachte: “En wat hebben ze nu gezien?” Een gewoon mens, vermoed ik, die bij het ontbijt een kopje thee drinkt en op tijd haar belastingen betaalt. Of juist niet, maar dat heeft met het homo-zijn verder niet zo veel te maken.

Ik roep ineens mijn lerares na: “Maak geen “ons” van “ons”, als u begrijpt wat ik bedoel.” Wat heb ik gemeen met Paul de Leeuw? Met Herman Emmink? Met – weten we nu- Koning Willem ll? Niets. Helemaal niets. Of zeggen we soms, dat Huberto Tan en Jan Smit een groep vormen? Ze mogen allebei wel naar vrouwen kijken, tenslotte.

We ervaren deze dagen enorme homo-integratie in de soap van Onno Hoes, Albert Verlinde en de toyboy. Iedereen leeft mee met het echtpaar en hun wankelende liefde. Ineens herkennen we in Alberts moed, onze eigen moed. En in Onno’s ontrouw, onze ontrouw. We begrijpen hoe beide mannen knoeien met zichzelf, met hun liefde en hun huwelijk. Je hoort de verhalen en je denkt: “het zijn net gewone mensen, eigenlijk”.

“De anderen maakten mij tot Jodin”, sloeg onze lerares haar slotaccoord. “Om hèn heb ik moeten onderduiken in de oorlog”. Er trok een zucht door ons heen, wat wisten wij ervan? Van mensen, van hun oordelen, van de geschiedenis van onze lerares? “Als ik altijd was gezien als Lisa en gewoon als Lisa, een van de vele unieke, gewone en uitzonderlijke mensen..” Ja dan was ze geen ‘ander’ geworden.

En hoefden wij haar ook niet te accepteren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s