En toch ben ik protestant.

Echt gebeurd: vlak voor de kerkdienst wil de ouderling van dienst de Paaskaars aansteken. De kerk zit al vol. Hij loopt op de kaars af, klautert op de avondmaalstafel, strijkt een lucifer af en mompelt, hoorbaar voor iedereen: “Hè ja, gezellig!”  De avondmaalstafel als opstapje. Het licht van Christus als dinerlichtje.

Nee, dan de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk. Komt daar de ‘flow’ in, dan neemt ze je mee naar een werkelijkheid waar je alleen maar van dromen kunt. Juist het onuitgesprokene (sorry, Calvijn) schept openingen naar ‘het land van verlangen’. “Koninkrijk van God’, als je meer thuis bent in de Bijbelse termen.

Ik was ooit in de mis in een dorpje, hoog in de bergen van Zuid-Polen. Zulke details helpen je altijd om je bestaan in nieuw licht te zien. De priester daar had een merkwaardig zachte en tegelijk energieke stem. Hij had het brood geheven, de zon brak door. Hij had de kelk geheven. Het hield op met regenen. Voor de communie kwamen de mensen uit de banken. Sommigen stram van ouderdom, de akkers en het zware werk zat hen in de knieën, anderen kwiek en goed gekleed. Ze deelden allen hetzelfde brood. Dat aan hen werd gegeven. Ze stonden ervoor in de rij.

Je zag een nieuwe gemeenschap ontstaan, al was het maar voor dat moment. Waarin mensen hun plaats ontvingen. Magic happened. God was aanwezig, Bijbelse taal.

Ik vind dit één van de sterkste kanten van het christelijke geloof. Ik zeg “christelijk geloof”, omdat ik dit het beste ken. Dat verlangen. Naar een ander bestaan. Hier op aarde. Een verlangen dat in ons mensen geworteld ligt. Niemand wil onrecht. En tegelijk “van een andere kant” lijkt te komen.

Zo gezegd, zou je denken: word Rooms-Katholiek. Er zijn er, die dat een goede keuze zouden vinden. Ik heb er lang over gedacht. En bleef toch protestant. Waarom?

De kern van het Protestantisme is, of ik moet mij erg vergissen: dat jij persoonlijk je leven draagt. Dit heeft het bestaan in Noord-Europa en de Verenigde Staten gevormd. Wij vinden van onszelf dat wij verantwoordelijk zijn voor ons doen en laten. Wij vinden ook, in Nederland misschien nog wel meer dan elders, dat niemand ons kan zeggen hoe dat doen en laten er uit moet zien. Dat is een sterke, creatieve kracht.

Waar ook een prijs aan hangt: aangezien er geen normen van buitenaf bestaan waaraan je al dan niet kunt voldoen, weet je ook nooit zeker of je het goed doet.

Ik denk, dat het protestantisme dit goed heeft doorzien. De kracht van ons individu-zijn. Maar ook de angst van het individu-zijn. “Het verbijsterende oordeel Gods”, schrijft Calvijn neer. Je voelt de schrik: ben ik die ik moet zijn?

De Rooms-Katholieke Kerk biedt de gelovige deze troost: zij hebben in handen, waarvan de Protestant zegt dat het open blijft staan. De Kerk van Rome weet wat goed is en wat niet. En, meer nog, de Kerk van Rome heeft de inhoud van elk verlangen in handen.  Het geheven brood “is het lichaam van Christus.”

Ik wou dat ik het geloven kon. Dat iemand, de Paus, de Kerk, mijn buurman, wie dan ook, dat iemand mij zeggen kon: als je nu zus-en-zo leeft dan komt het goed. Ik kan het niet. Ik zie er de schadelijke kanten van: mensen zijn te veel-vormig om in een model geschoven te kunnen worden. Ze misvormen zichzelf als ze voldoen aan wat een ander zegt. Je kunt alleen maar doen, wat je doen moet. Van binnen uit. Aangevuurd. Aangejaagd.

En vertrouwen dat het zo goed genoeg is. Dat is een kunst. Vertrouwen dat je goed genoeg bent. Dat er geen eis is.

Daar heeft het Protestantisme wel een woord voor: “sola gratia”. Twee woorden: het is allemaal genade. Een geintje. Een glimlach.

Ik lach vriendelijk naar de ouderling, als hij terugkeert naar zijn stoel. Het is geen arrogante lach, hoop ik. Maar één die zegt: Goed, dat je opmerkte dat de Paaskaars nog aangestoken moest worden!”

Advertenties