Hoera, de vrucht is geplukt. Sorry.

adam en eva

 

Mijn eerste offer herinner ik mij nog. Het was een bewegingsoffer. Ik was vier en op weg naar school. “Als ik nu alleen op de rode stoeptegels stap, dan…” Ja, dan zou het allemaal goed gaan vandaag. Later was dat offer niet voldoende, trouwens: ik mocht later alleen met mijn rechterbeen op het rode staan en links op de grijze stoeptegels. Het werden lange wandelingen naar school.

Neurotisch? Wmah, ja waarschijnlijk.

Magisch? Dat zeker. Alsof de werkelijkheid zich spontaan iets zou aantrekken van míjn voetstappen. Een beetje megalomaan was het dan ook wel. Voor een vierjarige.

Maar daarmee was het nog niet volslagen idioot. Hoop ik tenminste. Ik had wel iets begrepen. Dat ik een eigen persoon was, namelijk. En dat ik op de één of andere manier verantwoordelijkheid droeg voor mijn bestaan. Ik was ik. Ik kon mij niet verschuilen achter het gedrag van een ander. En ik besefte ook dit: er was licht, maar ook donker. Ik zal dat toen hebben verstaan als: er is gedrag dat de juffrouw aanstaat, en er is gedrag dat zij liever niet ziet. Ik wist in dat mijn gedrag ook fout kon gaan (haha, ik was nogal opvliegend, toen al!) Ik kon daar bovendien niet altijd iets aan doen. Soms liepen dingen zomaar vanzelf fout. Alsof zíj wilden dat het misliep. Ik wilde dat het goed zou gaan.

Nou, daar kon ik wel wat hulp bij gebruiken. Van stoeptegels, desnoods.

We lazen een tijdje terug uit Genesis 3. Dat aangrijpende, mysterieuze oerverhaal over… ja over wat precies? “La condition humaine”, zou een filosoof uit de jaren zestig zeggen. “De menselijke staat”, hoor ik een dominee hem naspreken. Maar zo akelig: er galmt een lange kerkelijke echo achteraan.

Aan de keukentafel klinkt het dichterbij. Met meer vlees en bloed er in. Het treft mij, dat alles draait om die boom van de kennis-van-goed-en-kwaad. En dat de vruchten van die boom ‘heerlijk zijn om van te eten’. Dat lijkt me nou ook. Je wilt, als mens, toch een beetje fatsoenlijk voor de dag komen. En daarbij een beetje snappen wat wel en wat niet hoort. Als mens dan. Een luipaard kan een reebok verscheuren dat het bloed er van afspat. Zijn geweten zal er niet onder lijden. Maar als ik dat doe…

Vanaf het moment dat de mens ontwaakte, toen hij homo erectus werd? Homo sapiens? Eerder? Later? Vanaf het moment dat de mens wist: ik ben er. Sloop daar deze vloek achteraan: als je weet dat je er bent, heb je je ook te gedragen naar dat weten.

Dank u.

Eva plukte van de vrucht. Een beschavingsoffensief. Dat dat de vrouw wordt toegeschreven verbaast mij niets. Zet vijf jongens op een paar dagen op een camping en er liggen overal lege kratten en bierflessen en een hoop gebral er om heen. Komt er een meisje aan, begint het grote opruimen. Nou ja – niet helemaal waar. En toch ook wel. Ik denk dat vrouwen inderdaad al nadenken over wat kan, terwijl de man nog naboerend aan zijn achterwerk krabbelt.

Eva plukt dus de vrucht. Adam ook.

En dan gaan hun ogen open. Ze zien dat ze te kiezen hebben. De armen. Ja of nee. Wel of niet. Het is een doorgaand verhaal: hoe meer wij weten, hoe meer keuzes wij zullen moeten maken, hoe meer wij verantwoordelijk zullen zijn voor onze keuzes, hoe meer kans dat wij falen, bang zijn om te falen, onzeker worden, het niet weten, wij smeken: o alstjeblieft: mag deze keuze aan ons voorbijgaan?

Er is nu TIPP, die test waarmee vroegtijdig kan worden gezien of een ongeboren kind kans heeft het syndroom van Down te hebben. Je wilt die keuze. Ik zou als vader ook willen weten wat me te wachten stond. Maar nu die keuze er is, zou je terug willen naar een soort paradijselijke naïviteit. Want kiezen betekent: verantwoordelijkheid. En wie zal je kunnen zeggen dat het goed was om je kind geboren te laten worden? Als het een baby blijkt die drie jaar onafgebroken huilt en jengelt en pijn lijkt te hebben? Wie zal zeggen dat je goed hebt gekozen, toen je voor abortus koos? Als je de Jostiband ziet spelen en denkt: “Daar had onze dochter ook bij kunnen zitten?”

Niemand. Niemand heeft het antwoord.

Toen de ogen van Adam en Eva waren open gegaan zagen ze dat ze naakt waren.

Kwetsbaar.

We zullen het er mee moeten doen.

“Wat elk kind doormaakt”, zei iemand eens: “dat heeft de mensheid in haar geheel doorgemaakt.” Ik denk dat het waar is.

Toen ik mijn stoeptegels durfde los te laten. En te laten komen wat er kwam. Oh, dat was jaren later. En eerlijk is eerlijk: soms schep ik nog wel eens een stiekeme stoeptegel, rood of grijs. Ik kwam in een soort “zwevende ruimte”.  Leven als een sprong, zonder veiligheidsgordels. En dan maar hopen dat het allemaal zijn weg wel zou vinden.

Die zwevende ruimte heet, meen ik, genade in de kerk.

We lazen dat, toen Adam en Eva het paradijs achter zich hadden gelaten. En nee het ontwaken was niet genoeglijk, lieflijk en fijn geweest. Dat toen (toen pas, dus!) Adam met Eva vrijde en er een kind geboren werd. Hier begon het leven. Of: hier ging het leven verder.

Levensles 1: aanvaard dat je fouten maakt, het is niet anders. En levensles 2: je fouten en je schoonheid maken, beide, dat de wereld is zoals die is. Wees daar blij mee.

Het waren grotere lessen dan ik ooit op school leerde

 

Advertenties

En toch ben ik protestant.

Echt gebeurd: vlak voor de kerkdienst wil de ouderling van dienst de Paaskaars aansteken. De kerk zit al vol. Hij loopt op de kaars af, klautert op de avondmaalstafel, strijkt een lucifer af en mompelt, hoorbaar voor iedereen: “Hè ja, gezellig!”  De avondmaalstafel als opstapje. Het licht van Christus als dinerlichtje.

Nee, dan de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk. Komt daar de ‘flow’ in, dan neemt ze je mee naar een werkelijkheid waar je alleen maar van dromen kunt. Juist het onuitgesprokene (sorry, Calvijn) schept openingen naar ‘het land van verlangen’. “Koninkrijk van God’, als je meer thuis bent in de Bijbelse termen.

Ik was ooit in de mis in een dorpje, hoog in de bergen van Zuid-Polen. Zulke details helpen je altijd om je bestaan in nieuw licht te zien. De priester daar had een merkwaardig zachte en tegelijk energieke stem. Hij had het brood geheven, de zon brak door. Hij had de kelk geheven. Het hield op met regenen. Voor de communie kwamen de mensen uit de banken. Sommigen stram van ouderdom, de akkers en het zware werk zat hen in de knieën, anderen kwiek en goed gekleed. Ze deelden allen hetzelfde brood. Dat aan hen werd gegeven. Ze stonden ervoor in de rij.

Je zag een nieuwe gemeenschap ontstaan, al was het maar voor dat moment. Waarin mensen hun plaats ontvingen. Magic happened. God was aanwezig, Bijbelse taal.

Ik vind dit één van de sterkste kanten van het christelijke geloof. Ik zeg “christelijk geloof”, omdat ik dit het beste ken. Dat verlangen. Naar een ander bestaan. Hier op aarde. Een verlangen dat in ons mensen geworteld ligt. Niemand wil onrecht. En tegelijk “van een andere kant” lijkt te komen.

Zo gezegd, zou je denken: word Rooms-Katholiek. Er zijn er, die dat een goede keuze zouden vinden. Ik heb er lang over gedacht. En bleef toch protestant. Waarom?

De kern van het Protestantisme is, of ik moet mij erg vergissen: dat jij persoonlijk je leven draagt. Dit heeft het bestaan in Noord-Europa en de Verenigde Staten gevormd. Wij vinden van onszelf dat wij verantwoordelijk zijn voor ons doen en laten. Wij vinden ook, in Nederland misschien nog wel meer dan elders, dat niemand ons kan zeggen hoe dat doen en laten er uit moet zien. Dat is een sterke, creatieve kracht.

Waar ook een prijs aan hangt: aangezien er geen normen van buitenaf bestaan waaraan je al dan niet kunt voldoen, weet je ook nooit zeker of je het goed doet.

Ik denk, dat het protestantisme dit goed heeft doorzien. De kracht van ons individu-zijn. Maar ook de angst van het individu-zijn. “Het verbijsterende oordeel Gods”, schrijft Calvijn neer. Je voelt de schrik: ben ik die ik moet zijn?

De Rooms-Katholieke Kerk biedt de gelovige deze troost: zij hebben in handen, waarvan de Protestant zegt dat het open blijft staan. De Kerk van Rome weet wat goed is en wat niet. En, meer nog, de Kerk van Rome heeft de inhoud van elk verlangen in handen.  Het geheven brood “is het lichaam van Christus.”

Ik wou dat ik het geloven kon. Dat iemand, de Paus, de Kerk, mijn buurman, wie dan ook, dat iemand mij zeggen kon: als je nu zus-en-zo leeft dan komt het goed. Ik kan het niet. Ik zie er de schadelijke kanten van: mensen zijn te veel-vormig om in een model geschoven te kunnen worden. Ze misvormen zichzelf als ze voldoen aan wat een ander zegt. Je kunt alleen maar doen, wat je doen moet. Van binnen uit. Aangevuurd. Aangejaagd.

En vertrouwen dat het zo goed genoeg is. Dat is een kunst. Vertrouwen dat je goed genoeg bent. Dat er geen eis is.

Daar heeft het Protestantisme wel een woord voor: “sola gratia”. Twee woorden: het is allemaal genade. Een geintje. Een glimlach.

Ik lach vriendelijk naar de ouderling, als hij terugkeert naar zijn stoel. Het is geen arrogante lach, hoop ik. Maar één die zegt: Goed, dat je opmerkte dat de Paaskaars nog aangestoken moest worden!”

Peptalk is nog niet gemakkelijk.


Of ik nog even wilde blijven, vroeg ze na een vergadering. Een venijnige onzekerheid sprong op. Had ik iets fout gedaan? Motortjes in mijn hoofd scanden alle werkterreinen af. Had ik iets geks gezegd tijdens een kerkdienst? Vond ze mijn gedoe op facebook ongepast? Kon mijn rode jasje niet door de beugel? Nog voordat ze iets had gezegd, had ik mijzelf gewogen… en te licht bevonden. Ik stelde ook niet zo veel voor, besloot ik.

Is het de opvoeding? Ja, vast. Een moeder met dagelijks wisselende spelregels helpt de stabiliteit niet direkt. Ligt het in mijn karakter? Ongetwijfeld. Een flink opgetuigd super-ego is niet altijd een zegen. Het geloof dan? Tja, het geloof….

We hadden helemaal niet zulke strenge dominees, vroeger. Wel heel serieuze. Wat dan ook weer een soort gestrengheid is. Maar ze bedoelden het goed. En hadden een groot hart voor mensen.

Ik zocht zelf de strengheid op. Dat wilde ik niet helemaal toegeven, dat het mijn eigen weg was. Ik zei – om ervan af te zijn- liever dat ik van huis uit tot de Gereformeerde Bond behoorde. Niet helemaal waar. Onze kerkelijke thuisgemeente was open en liberaal.

En toch was het ook wel waar. Een onderstroom in onze familie was dat niet. Niet liberaal, bedoel ik. Mijn oma, naar wie ik genoemd ben, was een vrome vrouw. Vroom in de zin van – zwaar tillend aan haar zonden. Streng voor zichzelf. En gestoffeerd met een piëtistische woordenschat. Over het bloed van de Heer. En dat wij zijn genade nodig hebben. Maar dat God, die zij nooit zo noemde, maar altijd de Heere met hoorbaar drie e’s- de Almachtige is onder wiens hand je moest buigen. Het leven had haar nogal krom doen gaan. Het was geen vreemde hand die het haar aandeed, zou zij vaak zeggen.

Zoals stof aan je blijft hangen als je electrisch geladen bent, zo bleef aan mij kleven dat dit wel de juiste levenshouding moest zijn. Niemand die het mij ooit zei. Ik leerde mijzelf buigen en oordelen. Waarom?

Dat heb ik mij vaak afgevraagd. Ik weet het nog niet helemaal. Maar ik denk, doordat wij mensen geen aangeboren stabiliteit hebben. Ik maak er maar een algemeen menselijke kwaal van, dan voel ik me er niet zo alleen in. Zeg me maar niet, als het niet voor iedereen geldt. Op de een of andere manier ontvangen wij een ziel met maar één been. En het is aan ons, blijkbaar, om er een tweede aan te doen groeien. Of er aan te knutselen. Of ik weet niet wat. Stabiel worden, dat moeten we zelf maar doen. Het onnozelste kalf springt na een paar minuten recht op de poten en gaat drinken bij zijn moeder. Die heerlijkheid is aan ons niet gegeven. Wij kruipen maanden machteloos over de grond. Maanden? Jaren. Een leven lang soms.
Hoe word ik  stevig? Het leek mij, zonder woorden, maar het beste om te blijven liggen. Dan kun je ook niet vallen. Als ik mijzelf van te voren al beoordeel, valt het oordeel van de ander alvast mee. Ik word er niet gelukkig van, maar ik weet wel waar ik aan toe ben. En dat is ook wat waard. Liever zeker en onhappy, dan happy en onzeker.

Werd ik steviger? Je zou het niet zeggen. De depressieve route ligt altijd ergens te sluimeren. Maar ik veranderde wel. Denk ik. Ik groeide meer in de ruimte die van mij is. En ik leerde openstaande deuren dicht te doen. Hier ben ik. En zo is het voor nu goed.

Wat mij niet hielp, waren de teksten die riepen “Wat ben je goed!” Nee. Ik werd er onzekerder van. Des te scherper zag ik er door, wat er niet goed was. En neem maar van mij aan: in dit geval was het geen neurotisch gewik en geweeg. Niet alles wat ik doe is goed. Easy as cake. Mijn neurose school hier in: dat ik in het ‘niet-goed’ tuimelde en verdronk. En als ik zag dat het wel waar was, wat de ander zei, dan had ik nog een ander neurotisch antwoord paraat. “Als het de volgende keer dan ook maar zo goed is.” Ja, mijn ziel is een slim dier.

Wat heeft mij geholpen? Dit. Het onderkennen dat het voor de liefde niet uitmaakt of ik het goed doe, of slecht. De liefde wordt er niet anders van. Iemand zei eens: “Als je iets fout doet, ben jij nog niet fout.” Ik denk dat ik hem heel sceptisch heb aangekeken. “Eigenlijk”, vervolgde  hij, met een twinkeling in zijn oog: “Is het heel arrogant om te denken dat je pas goed bent als je alles goed doet.” En arrogant, dat had hij raak geschoten, dat wilde ik niet zijn. Dat vond mijn super-ego al helemaal niet goed. Spin gevangen in zijn eigen web. Je bent G’d niet!

Mijn oma zou zeggen: zie je nou wel, dat je van genade leeft? Er wordt van je gehouden. En je doet niet alles goed. Er wordt van je gehouden.

O, de ouderlinge hield mij trouwens nog even aan, omdat ze blij was dat ik met haar moeder had gepraat. “Het had veel opgelost”, zei ze.

 

Nieuwe geloofswoorden.

“Zelfbeschikkingsrecht”, “autonomie”, “zelfredzaamheid”; de nieuwe geloofswoorden. Zodra de grote vragen op tafel komen, over ons handelen – wat doe je als iemand ernstig ziek wordt, wat doe je als een kind te zwak geboren wordt, zulke vragen- springen deze gespreksknechten gedienstig op. “Waardigheid van leven” is er ook zo een. Van die woorden die groot zijn. En alle ruimte van het gesprek innemen en het naar hun hand zetten. Je kunt er niet achter kijken. Je ziet niet waar ze vandaan komen en wat hun wortel is. Ze zijn hun eigen bewijs. Vanwege het “zelfbeschikkingsrecht” kun je niet anders dan instemmen met iemands doodswens. Einde gesprek.

photo-of-the-new-peugeot-4008-four-wheel-drive-9_size0Ik word er altijd wat verlegen van. Verlegen en ongemakkelijk. Zoals, wanneer bij het pompstation een fourwheeldrive aan komt spurten, er een man uitspringt, te zwaar, te snel, te nonchalant gekleed, die vlak vóór jouw neus voor de kassa duikt en gaat betalen. Hij is mij te massief. Ik krimp in zijn aanwezigheid. En zwijg. Ik zeg niet eens: “Pardon, ik was aan de beurt.” Maar later rijd ik weg met een wokkel in mijn maag. “Had ik maar.”

Zelfbeschikkingsrecht, ik heb er een wat hypocriete verhouding mee. Dat maakt mijn kwetsbaarheid mede uit. Natuurlijk wil ik mijn  leven inrichten naar mijn eigen inzichten. Ik zou niet graag terug willen naar de tijd, waarin het dorp, de kerk, de samenleving dicteerden hoe je diende te zijn. Vitrage van de verkeerde kleur kon al aanleiding worden tot groot tumult.

Aan de andere kant, en dat weet ik, voeg ik mij naar allerlei ongeschreven vormen en verwachtingen. Ik wil tenslotte betrouwbaar zijn. En loyaal. Ik wil dat mensen mij begrijpen. En ik wil ook de indruk hebben dat ik hen begrijp. Kijk ik naar foto’s van mijzelf, van tien jaar terug, dan zie ik ontegenzeggelijk: ik volg de mode. Terwijl ik heus geen modekoningin ben.

Ik ben verbonden met mijn tijd. Ik ben verbonden met de mensen om mij heen. Hoe toevallig die ook in mijn leven zijn komen binnenwaaien. Doordat ik ze aanspreek, en zij mij, wordt de verbondenheid een wezenlijk deel van mijn “ja” op het bestaan.

“Zelfbeschikkingsrecht”, om dit woord maar te blijven volgen, komt wel met veel aplomb binnenzetten, en het heeft ook wel meer bestaansgrond dan de man in zijn fourwheeldrive, maar het laat ook een deel van de werkelijkheid opvallend buiten beschouwing: ik kan pas zelf beschikken als ik in een verband leef van mensen. Familie, vrienden, toevallige passanten.

Misschien is het woord zelf ietwat hypocriet: het bestaat bij de gratie van wat het ontkent.

Eén van de oude geloofswoorden is “genade”. Het komt niet meer zo binnenracen als ooit. Het ligt  als een versleten karkas langs de weg. Het is te vaak genoemd, te veel uitgekauwd en – dat ook- te veel misbruikt. En toch pak ik het weer op. Ik blaas het stof er wat vanaf. Heeft het nog iets te zeggen? In elk geval, merk ik, maakt het mij niet tot zo’n beteuterde sukkel die een stap achteruit doet in de kassarij.

“Genade” erkent de toevalligheid van alle dingen. Er spreekt iets mee van: het is allemaal gegeven. Het mooiste nog het meest. Ik koos mijn liefde niet. Al denk ik dat. De liefde kwam voorbij en koos mij. Ze wachtte totdat ik “ja” zei. Dat was dan, vooruit, mijn zelfbeschikkingsrecht.

Klinkt er nog meer? Er klinkt nog meer: het is je alles gegeven uit goedheid. Je kunt het vertrouwen. Dat je er bent. Dat je leven kreeg. Dat dit de goede mogelijkheden zijn: dat wat je hebt. Kijk maar. Ik kan niet schilderen. Ik kan wel schrijven. Vraag me niet waarom.

Het grootste geheim schuilt in het woordje zelf: genade – “gein” zeggen ze in Mokum. Ik moet er altijd wat bij lachen. Dat het hele bestaan, met al zijn gedoe. Met alle rompslomp. Met alle goede dagen, maar ook met alle rottigheid, dat het alles een geintje zou zijn. Iets aardigs. Een grap. Beter een rotleven dan geen leven. Zoiets.

Ik schiet in een schaterbui, als ik bedenk dat ik zelf een grap zou zijn. Een toefje slagroom op de taart.

Genade maakt het leven luchtig. Minder tot mijn bezit, dat ik zou moeten bewaken. Minder ook tot objekt van mijn controle.

Een vlieger stijgt op, de zon schijnt.

Misschien is dit wel mijn grootste verlegenheid tegenover de nieuwe geloofswoorden.

Ik vind ze te streng.Te zwaar. Te serieus.

Al gelachen vandaag?

Job, Szymborska en God. G’d?

4f2999dc3299d_oVan ‘God’ moest ze niet zo veel weten. Vond ze het banaal worden, als “God” van alles de verklaring zou zijn? Het woordje “God” kan het onbegrijpelijke, grootse leven inderdaad ineen doen krimpen tot een klein, menselijk wereldje, waarin alles op zijn voorspelbare, want door Hem gewilde, plek staat. Veilig, ogenschijnlijk. Maar even saai. En, dodelijker nog, hanteerbaar voor de menselijke hand en het menselijk denken. Wislawa Szymborska, de Poolse dichteres, werd dagelijks overrompeld door het onverwachte en het onvoorspelbare. Dat is het verschil tussen leven en dood: in het leven is alles groter dan je dacht. En in elk geval groter dan ik zelf ben. Zelfs groter dan ik in mijn beste gedachten ben.

Na de middelbare school verdween het begrip “God” uit Szymborska’s leven. Het was niets dramatisch. Het was de erkenning van wat er voor haar altijd was geweest: dat de verwondering meer is dan de verklaring. In haar gedichten wilde ze de werkelijkheid eerder verwarren dan de werkelijkheid verhelderen. Ze wiegerde de veelheid terug te brengen tot ‘een idee’. Als iets je helder was, kon het wel eens zijn dat je het meeste over het hoofd had gezien. Je zag het niet goed, daarom leek het je zo helder.

Szymborska schreef een gedicht over Job. In haar typerende, prozaïsche stijl. ‘Het kon een werkstuk zijn van de middelbare school”, noteert iemand. Hij bedoelde het niet als een afkeurend commentaar. Mij valt op, dat zij in haar korte samenvatting van het hele boek noemt wat ik achterwege zou laten: het herstel van Job. Dat ongeloofwaardige einde – net zo schokkend als het begin met die duivel die door de hemelse hofhouding wandelt. Dat Job alles krijgt, wat hij eerder verloor. In dubbele aantallen zelfs. Ik vind dat slot pijnlijk. Alsof ooit kinderen te vervangen zouden zijn. Alsof er ook ooit maar iets “goed te maken” zou zijn.

Szymborska noteert, dat Job zich niet verzet. Hij buigt. Voor de Heer. Job laat het allemaal toe. “Job schikt zich. Job wil geen meesterwerk verknoeien.”

Ik moet heel wat lawaai in mijzelf tot bedaren brengen om deze zinnen toe te laten. Had Job niet met potten en pannen moeten smijten? De Heer heeft hem geen enkel antwoord gegeven!Had Job niet moeten schelden? Tieren? God vervloeken? Job was rijk geweest en alles, alles wat hij bezat was hem zonder enige reden afgenomen. Ik vloek tegen wat ik niet wil.

Szymborska zou naar mij glimlachen. Leer mij Szymborska kennen. Ze zou haar hoofd schudden. “Je probeert klein te krijgen wat te groot is.” zoiets zou ze zeggen. Origineler dan in deze woorden. Maar wel met deze strekking. Het leven is het leven. Het is veel groter. Het is een kunstwerk.

Ik heb de Nachtwacht niet kunnen schilderen. Ik heb nog geen madeliefje kunnen maken.

Leven: je kunt er alleen deel van uit maken en er van genieten. Het trekt zich immers niets aan van onze verwachtingen. Het trekt zich evenmin iets aan van mijn eisen. Soms kan ik een punt of een komma verplaatsen, maar scheppen kan ik niets. En lukte het mij een keertje toch, dan zou ik niet te arrogant moeten denken dat het mijn prestatie was. Ik had geluk. Het ongeluk week even. Het rolde naar mij toe. Ik kan niet anders dan zeggen: “God, was is het leven mooi.”

Uit de buiging van Job voor de Heer zoals dat door Szymborska wordt beschreven, zegt een commentaar, kun je twee dingen concluderen: of God is zichzelf genoeg en trekt zich niets van ons aan, of verwondering is de enige blijvend vruchtbare levenshouding.

Ik blijf voorlopig bij de laatste van deze twee conclusies. Omdat ik denk dat daarin, in de verwondering, iets groots aan ons gegeven kan worden.

De poëzie van Szymborska tintelt van G’d.

Verkort. 

Job, beproefd naar lichaam en bezit, vervloekt het menselijk lot. Dat is grote poëzie. Zijn vrienden komen langs, en terwijl ze hun mantels verscheuren, peilen ze naar schuld van Job in de ogen van de Heer. Job roept uit, dat hij rechtschapen is geweest. Job weet niet, waarom de Heer hem heeft getroffen. Job weigert met hen te spreken. Job wil spreken met de Heer. De Heer verschijnt op een wagen van stormwind. Vóór de man, open tot op het bot, looft hij zijn schepping: de hemelen, de zeeën, de aarde en de dieren, en Behemoth vooral, en Leviathan in het bijzonder, monsters, die baden in hoogmoed. Dat is grote poëzie. Job luistert – de Heer komt niet ter zake, want de Heer wil niet ter zake komen. Daarom haast Job zich om zich te vernederen voor de Heer. Nu volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. Job herwint zijn ezels en kamelen, zijn ossen en schapen, die tweemaal zijn toegenomen. Huid overdekt weer zijn blote schedel. En Job laat dit toe. Job schikt zich. Job wil geen meesterwerk verknoeien.

vertaling: Jeanine Verreecken

 

De neiging om dingen te verkloten.

Of ik wel eens theologie lees, vroeg iemand. Ik geef toe: theologie om de theologie is niet helemaal mijn liefhebberij. Theologie ontdekken, waar die niet direkt is bedoelt fascineert mij meer. G’d tegenkomen, zoals een oude bekende op een onverwachte plek, dat is het leukste. Maar soms treft Hij je op een bedoelde plek.

Onverwacht kreeg ik “Dit is geen verdediging!” in handen. Het is wel vaker zo, en ook nu: de Engelse titel is leuker: “Unapologetic”. Totaal onvertaalbaar. “Dit heeft geen verdediging nodig”, zou je ook kunnen zeggen. Of “Ik ga geen sorry zeggen!” Francis Spufford is de schrijver. En hij bedacht er een negentiende-eeuwse fantastisch lange ondertitel bij: “Waarom het christendom, ondanks alles, verrassend veel emotionele diepgang heeft.”

Wel eens een hardloper uit zijn startblok zien schieten? Zo knalt het boek weg. Drie bladzijden lang somt Spufford alle bezwaren op die je tegen het Christelijk geloof kunt aandragen. Zijn zesjarig dochtertje zal ze de komende jaren allemaal horen, in steeds toenemende geluidssterkte. Het varieert van: geloof is achterhaalde onzin, naar “geloof is onverdraagzaam”, langs “God is een bewezen onmogelijkheid” tot: “gelovigen zijn stumperds die de werkelijkheid niet aandurven en er daarom uit wegvluchten.” Je zou zeggen, na dit spervuur van verwijten en bezwaren is er geen enkele ruimte meer om nog iets aardigs over geloven te zeggen. Het ligt nu toch op z’n minst morsdood op de grond, zou je denken.

Maar nee: de race mag dan al begonnen zijn, voor Spufford is het nu pas tijd voor het startschot: voor hem is het christelijk geloof een mogelijkheid om de werkelijkheid juist scherp te zien. En die mogelijkheid is deze: het christelijk geloof liegt niet over de ongelofelijke oelewapperigheid van mensen. En houdt tegelijk staande dat mensen geweldig en geliefd zijn.

Dat laatste zegt alle moderne spiritualiteit ook, schets Spufford. Dat wij goed zijn, wordt ons van alle kanten toegeroepen. Over eventuele andere kanten wordt gezwegen. Spufford noemt het “gevaarlijk optimisme”. Wie van zichzelf denkt dat hij alleen maar goed is, zal zijn donkere kanten voor zichzelf en voor anderen gaan verhullen. Hij ontkent zijn wezen en voelt zich aangevallen zodra door een of andere oorzaak zijn mindere kanten toch zichtbaar worden. “Onze samenleving”, zegt Spuford: “weet zich geen raad met het kwaad, omdat zij niet gelooft dat mensen – ondanks hun geklungel, toch geliefd zijn.

“Mijn neiging om de dingen te verkloten” noemt Spufford het. Hij wil breken met de oude termen, omdat mensen die niet meer verstaan. Bij ‘zonde’ denken mensen aan seks op het verkeerde moment met de verkeerde persoon, of aan een ijsje met te veel calorieën, of in elk geval horen ze er een afwijzing in van alles wat leuk, spannend en lekker is. “Daar gaat het niet om”, reageert Spufford.

Waar gaat het dan wel om? De schrijver landt hier op de meest ontroerende bladzijden van zijn boek: hij vertelt hoe hij zijn vrouw verraden heeft. Zij is woest op hem. En hij op haar. Want als zij niet…. dan zou hij niet…. Ruzies die steeds weer opnieuw beginnen en die nergens eindigen en nergens naar toe gaan. Ze verwoesten alles wat er was en alles wat er nog zou kunnen komen. Direkt na één van dergelijke explosies van woede gaat Spufford ergens koffiedrinken. En terwijl een zwarte wolk van schade om hem heen hangt, prikken daar ineens de tonen van een Adagio van Mozart dwars doorheen. De schoonheid van het stuk, de onverwachtheid ervan, dringen tot hem door als stralen licht. Liefde zoekt hem. En in die liefde durft Spufford te erkennen: ik heb de dingen verkloot.

“G’d”, zegt Spufford verderop: “haalt dit truukje iedere keer weer uit.”

De bladzijden komen eigenlijk te vroeg. Er volgen nog taaie hoofdstukken over godsbewijzen, hoewel hij helemaal niet wou bewijzen dat G’d wel of niet bestond. Spufford zegt zinnige dingen, maar hij drinkt hier duidelijk uit een rustiger kopje koffie dan toen hij het Adagio hoorde. Er volgt een nòg taaier stuk over Jezus. Ik biecht het maar op: hier sloeg ik hele bladzijden over.

Het einde van het boek maakt weer veel, heel veel goed. Hij zegt daarin: de kerk is de kring waarin wij elkaars ‘verkloot” aanvaarden, zoals G’d ons gekloot aanvaardt. Het is allemaal nog erg experimenteel. Elke generatie begint opnieuw. Maar het is de moeite meer dan waard.

Hij schildert hoe op zondagochtend na de kerkdienst wat oude vrouwen, een paar gezinnen en kinderen onwennig koffie staan te drinken met elkaar. “We zochten elkaar niet uit. We werden uitgezocht. Ons deelt Onze Neiging Om de Dingen te Verkloten.”

Je voelt je bij zijn beschrijving van een landelijke Anglicaanse kerkdienst als in een aflevering van “Midsummer murders”, met dat lieflijke landschap, de oude vriendelijke vrouwtjes en de stille dorpjes. Maar je weet: onder die uiterlijke schijn van goedheid grommelt het kwaad. En toch lijkt het je een heerlijke plek, daar in Midsummer.