En zoals hij ze noemde, zo zouden ze heten.

 

“Abram en zijne wijf Sara”, vertaalden de zeventiende-eeuwers onbekommerd. Ik weet niet welke bijklank het woord “wijf” had, óf het een bijklank had. Ik weet wel dat later eeuwen “wijf” grof vonden. Beledigend. Vernederend ook.  In onze tijd zeg je het alleen nog om iemand neer te zetten. Sara is al lang Abrams vrouw.

Woorden zijn wonderbaarlijke sleutels. Zonder hen zouden we niet veel gedachten met elkaar kunnen delen. Ik zou voor jou niet kunnen omschrijven wat de wind in de bomen met mij doet, om maar wat te noemen. Woorden helpen daarnaast om de wereld te ordenen. Wat wel verstandig is voor mij en wat niet. Ze geven mij instrumentarium om te zeggen wie ik ben of wat ik wil.

Een kleindochter, ze was twee, ontplofte eens in woedeaanvallen, simpelweg omdat ze ons iets duidelijk wilde maken terwijl de woorden haar ontbraken.

Maar lastige sleutels zijn het óók.  Een woord is nog niet zomaar een leeg karretje dat de boodschap ongeschonden naar jou toebrengt. Veel woorden (misschien wel alle) zijn al boodschappen in zichzèlf.  Bedoeld, maar ook onbedoeld, delen woorden mensen en dingen in. Naar nuttigheid, belangrijkheid, waarde.

In het sterfhuis van Wagner waren panelen aangebracht met teksten over zijn leven, zijn werk, zijn liefdes en zijn haat. Er werd ook verteld hoe het later in de geschiedenis is gegaan met de verschillende visies op wie hij was geweest. De panelen spraken over de “Amerikaanse bevrijders”. En hoe die Bayreuth weer in de benen hadden gebracht. Een bezoeker had de woorden “Amerikaanse bevrijders” stelselmatig doorgestreept en vervangen door “Amerikaanse bezetters” En onderaan elk paneel had hij dit toegevoegd: “Het zijn altijd de overwinnaars die zichzelf bevrijders noemen. Daartoe hebben zij de macht”

Ik vond het schokkend, toen. Ik dacht dat dit commentaar wel van een neo-nazi moest zijn. Of wellicht van een oud-SSer. Je kan zoiets verwachten op de plek waar de notoire anti-semiet Wagner heeft gewoond. Maar nu, jaren later, denk ik: de commentator had gelijk.

Hoe jij heet wordt bepaald door iemand met net iets meer macht dan jij.

Wie is de loser, wie is de winnaar. Wie is respektabel en wie is te verachten. Wie mag in het spotlight staan en wie niet. Zonder dat we het precies zeggen, zeggen onze woorden het toch.

“Waarom roepen jullie de hele tijd “homo”?”, vraagt Nicolaas Veul in Pisnicht, de movie. De jongens aan wie hij het vraagt halen hun schouders op. “We bedoelen er niks mee!”, luidt hun verweer. Maar als Veul dóórvraagt, bedoelen ze er tóch iets mee: “Ja, homo’s zijn toch slapper hè. Ze hebben geen vechtersmentaliteit. Ze zijn toch losers.” Ze zijn minder dan wij, dus.

Ik heb wel eens geprobeerd terug te schelden met “mosselprikker”. Maar dat is nooit wat geworden. Ik was daartoe niet in de positie.

Ik denk, hoop, dat we in de laatste jaren steeds meer oog hebben gekregen voor het scheppende of vernietigende mechanisme tussen macht en woord. Want, scheppend, dat kan het óók worden: toen Carrie Jansen modeshows organiseerde waarbij de prostituees van de Keileweg mannequin waren en toen zij hen daarbij “Topwijven” noemde, toen werkte dát óók. De vrouwen rechtten hun rug en liepen trots over de catwalk.

Het is tijd in te zien dat woorden niet neutraal zijn, maar politiek. En dat het dus nodig is om het er over te hebben of we nog wel “moorkop” moeten zeggen, “homo” moeten roepen, of over “negers” moeten spreken. “We” is namelijk een wijdere kring dan alleen die van de mensen die op mij lijken. “We” zijn niet alleen de mensen die zichzelf enige macht toedichtten.

In het bijbelboek Genesis staat een fragment van de mens die alles bij name noemt “en zoals de mens riep, zo zou het heten”, staat er. Lange tijd heb ik gedacht, dat het een eenmalige actie was. We hebben onze taal en klaar. Nu begrijp ik: het is een opdracht om steeds weer opnieuw uit te voeren. Noem, noem de dingen en de mensen bij name. Noem ze net zo lang, totdat ze niet meer heten naar hoe ik naar hen kijk, maar noem alles totdat allen heten naar wie we zijn.

Gedachten en gebeden?

 

“Al mijn gedachten en gebeden zijn bij de slachtoffers”, schreef Segers nadat een man (één man?) zijn geweer heeft leeggeschoten in een Utrechtse tram. Alsof de wereld daar van opknapt. Van gedachten. Van gebeden.

Wat we nodig hebben zijn woorden. Hardop uitgesproken nieuwe woorden. Woorden die nu eindelijk eens mensen aaneensmeden en niet uit elkaar drijven. Wie zal met gezag zeggen wat ons bindt? Dat we allen mensen zijn? Dat we hier allemáál wonen en leven? Dat er dus geen “wij” is die in een doofmakende herhaling kan roepen wat “zij” allemaal zouden moeten. “Van ons.” Niemand moet iets. Ook zíj niet. Er is geen zij.

Er zijn mensen. Dat is het enige verhaal. Goede mensen, slechte mensen. En heel veel mensen er ergens tussen in. Terwijl over hen allemaal de zon schijnt en de hemel blauw overeind staat.

Woorden van vertrouwen zijn nodig. Niet van argwaan.

Woorden van heling, niet van scheiding.

Woorden van liefde, niet van haat.

Als de woorden klinken, volgen de daden. Daden die de spot drijven met al die kooplieden van angst, met al die politici die drijven op onze menselijke onlust. Daden die tonen: het kan wel! Natuurlijk kan het wel. Dat je met elkaar leeft. Elkaar respecteert. Elkaar erkent. Deze grond is net zo van jou als van mij. Geboorte geeft geen enkel recht aan jou dat het niet geeft aan een ander.

“Nee”, zei Waleed Aly voor de Nieuw-Zeelandse televisie: “Er is niets aan deze aanslag wat mij schokt.” We maken nu al decennia mee, dat mensen uiteen worden gedreven. We horen nu al decennia de taal van haat, met of zonder baard. Decennia waarin mensen denken beter af te zijn zonder de ander. Je kon de aanslag verwachten. Je oogst wat je zaait.

We hoeven niet geschokt te zijn dat er echo’s zullen komen, overal ter wereld. Of het nu grote steden zijn, of kleine. Of het nu in het buitenland is of midden in ons eigen land. Haat roept haat op. Wraak baart wraak.

Maar liefde, liefde wekt liefde.

Afgelopen zaterdag zaten in een muziekdepot verschillende mensen koperen instrumenten te poetsen. Ze hadden allemaal een verschillende huidskleur. Sommige vrouwen droegen een hoofddoek. Eén vrouw droeg een opvallend kapsel: Beatrix.

Ik dacht: dit is wat de wereld nodig heeft. Mensen die de handen ineen slaan. Die alles mooier maken dan het is.

Segers, laat je gedachten en gebeden. Ga aan de slag.

En schep een nieuwe mensenwereld.

Nu. Liefde kan niet wachten.